Pleidooi voor dialoog islam en het moderne denken

aviciennaenaverroes

‘Filosofie ontwikkelt zich waar vrije geesten naar waarheid zoeken, los van enig vooroordeel. De islam vormt daarop geen uitzondering. Denkers als Avicenna, Ghazali en Averroës, en recenter Afghani, Abdel Raziq en Iqbal, namen tal van filosofische kwesties onder handen.’ Dit zegt hoogleraar Frans en filosofie  Souleymane Bachir Diagne in zijn boek Filosoferen in de islam? ‘Een verhaal van hoop en rede.’

Volgens religiewetenschapper en filosoof Kamel Essabane – in een recensie van dit boek – werd de islamitische filosofie lange tijd vaak kleinerend ‘Arabische filosofie’ genoemd, omdat deze weinig originaliteit zou kennen. Tel daar het beeld van de boze irrationale moslim bij op, in de context van internationaal terrorisme, en de islam komt als snel als de ultieme antithese van filosofie uit de bus.

Aan de andere kant is er ook vanuit islamitische hoek een groot wantrouwen wanneer filosofie en islam in één adem worden genoemd. Dat lijkt vreemd wanneer men tegelijkertijd trots over de bloeitijd van de islam spreekt. Een tijd waarin filosofie en wetenschapsbeoefening floreerden. De islam zou ook een rationele religie zijn die irrationele geloofsdogma’s zoals de christelijke drie-eenheid en erfzonde verwerpt.’

De Senegalees Diagne (Columbia University, New York) – gespecialiseerd in islamitische filosofie en Afrikaanse filosofie – gaat recalcitrant tegen beide visies in en schetst een alternatief beeld. Hij stelt dat filosofie zich daar ontwikkelt waar vrije geesten naar waarheid zoeken, en dat geldt net zo goed voor de islamitische filosofie. Diagne heeft een selectie gemaakt van een aantal thema’s en vragen, en een aantal filosofen geselecteerd die deze hebben behandeld.

Volgens Diagne, een van de invloedrijkste Afrikaanse denkers van deze tijd, zouden hedendaagse moslims net als moslims uit de klassieke periode open moeten staan voor ideeën en filosofieën uit andere beschavingen en daar op een volwassen manier en op basis van gelijkwaardige dialoog mee om moeten gaan.

Moslims zouden zoals vroegere filosofen meer op een creatieve manier met nieuwe ideeën en ontwikkelingen aan de slag moeten, zonder te vrezen voor een zuiverheid die verloren zou kunnen gaan. Als we religie levend willen houden moeten we beseffen dat het leven in beweging is. Een religie die stil staat en verstart, sterft uit.’

Diagne behandelt ook (de kritiek op) de filosofie van Al-Ghazali, die zich zowel manifesteert als de kampioen van de zuivere orthodoxie van de uitverkoren sekte en ook de filosofie weerlegt, en als juist anti-sektarisch, anti-dogmatisch en pro-pluralistisch.

filosoferenislam

Een kritiekpunt op het boek noemt Essabane – op de site NieuwWij – dat het een eenzijdig beeld geeft van de moderniteit. Diagne definieert moderniteit als ‘niets anders dan het inzicht dat het leven in beweging is, die voortdurend bezig is uit de traditie te treden en, wat de rede betreft, haar onmondigheid achter zich te laten’, oftewel:

Een positieve definitie van de moderniteit met een mix van Bergson, Nietzsche en Kant. Het resultaat is dat de islam niet door de Verlichting hoeft omdat de islam zich aansluitend op haar eigen filosofische traditie en door middel van een filosofie van beweging al onderdeel is van die moderniteit.’

Als gemiste kans in het boek noemt Essabane dat Diagne niet wijst op andere, meer kritische visies op de moderniteit en moslimdenkers die de mogelijkheid aangrijpen om vanuit het potentieel van de islam een kritische dialoog met de Verlichting aan te gaan. Een dialoog op basis van gelijkwaardigheid, in een wereld waarin de vruchten van de moderniteit niet allemaal koek en ei zijn.

Over het algemeen is het boek echter zeer toegankelijk geschreven en zit het qua structuur goed in elkaar. Het boek vormt een sterk betoog vanuit de islamitische traditie voor openheid en pluralisme en tegen dualistisch denken, zowel het dualisme van islam versus filosofie als het wij versus zij op nationaal en mondiaal niveau. Een aanrader voor een ieder die geïnteresseerd is in de relatie tussen islam en filosofie.

Zie: Recensie van ‘Filosoferen in de islam?’ (Kamel Essabane)

Beeld: Avicenna (links) en Averroës (martienpennings.wordpress.com)

Soulaymane Bachir Diagne | Filosoferen in de islam? | Nijmegen | Uitgeverij Vantilt (2016) | Vertaling Pol van de Wiel | Oorspronkelijke titel: Comment philosopher en islam? (2014) | ISBN 978 94 6004 289 8

Op maandag 13 maart 2017 houdt Soulaymane Bachir Diagne een lezing op de Radboud Universiteit: ‘Islam and Philosophy’.

Spiritualiteit, filosofisch benaderd

socrates

Vandaag begint de Maand van de Spiritualiteit met als thema compassie, het vermogen om medeleven te hebben met anderen en met jezelf. Compassie was de levenshouding van mysticus Franciscus van Assisi, die oprecht bezorgd was over het welzijn van anderen. Compassie als levenshouding. Een spiritueel thema. Maar wat is spiritualiteit eigenlijk? Voor sommigen niet altijd even duidelijk, maar een filosofische benadering kan helderheid bieden. 

Filosofe Angela Roothaan (VU Amsterdam) heeft er een boek over geschreven: Spiritualiteit begrijpen. Een filosofische inleiding. Nog altijd actueel. Spiritualiteit is een levenshouding. Of het zoeken ernaar.

Een manier om bewust en aandachtig in het leven te staan, in verbondenheid met de bron waaruit je leeft. Zo’n levenshouding geeft een bepaalde kwaliteit aan het leven, die we spiritueel noemen. Wat heeft zo’n levenshouding dan met filosofie te maken?’

Volgens Roothaan moeten we het traditionele beeld van filosofie als geleerde reflectie relativeren: studie is een onderdeel van de filosofiebeoefening, maar filosoferen is ook het zoeken naar een bepaalde levenshouding. Roothaan vindt in alle gestalten van westers filosoferen mythische en/of religieuze begrippen. Dus niet alleen in de oosterse filosofie, dat nog niet zolang geleden door sommige filosofen geen filosofie genoemd mocht worden: het zou niet voluit rationeel zijn.

Inmiddels heeft men er oog voor gekregen dat ook de westerse filosofie in al haar stadia, van Socrates tot en met Wittgenstein, vermengd is met religieuze en mythische inzichten.’

roothaanRoothaan denkt daarbij aan de daimon van Socrates, het geweten in de christelijke filosofie, de idee van vrouwelijkheid bij Rousseau, die van het transcendente bij Kant. Begrippen die uiteindelijk niet rationeel te funderen zijn, maar toch een systeem van denken dragen. De westerse filosofie is volgens de filosofe verbonden met verwondering: het aandachtig waarnemen van de werkelijkheid, en het niet voor gegeven nemen van die werkelijkheid.

Een filosoof wil niet de inhoud van zo veel mogelijk boeken kennen, maar een goede houding ten opzichte van de werkelijkheid kunnen innemen. Dat is immers wat we wijsheid noemen. (…) Als die evenwichtige levenshouding, die voortkomt uit het leren van het leven wijsheid is, dan is de filosoof iemand die naar dat evenwicht streeft.’

Juist in onze tijd, aldus Roothaan, is een goede filosofische begripsvorming over spiritualiteit hard nodig. Ze vraagt zich af hoe spiritualiteit zich verhoudt tot de verschillende levensbeschouwingen en religies, die in deze tijd naar nieuwe verhoudingen tot elkaar moeten zoeken. Ook vindt zij het belangrijk dat we in ons zoeken naar spiritualiteit niet in verwarring raken, of in strijd met elkaar, maar dat we daarentegen tot meer helderheid en wederzijds begrip komen, misschien zelfs tot overeenstemming. Om dat te bereiken, is de filosofie nodig.

In haar boek bespreekt zij hoofdstukgewijs spiritualiteit via begrippen als moraal, mystiek, spiritualiteit, maar ook religie, levensbeschouwing en oriëntatie, en leerlingschap en zelfvorming. Ze sluit haar boek af met een hoofdstuk waarin spiritualiteit verbonden wordt met het zoeken naar wijsheid.

Spiritualiteit begrijpen, een filosofische inleiding | ISBN 9789085062097 | gebonden | 113 p. | 2007 | 1e druk | BoomFilosofie | € 19,00
‘Spiritualiteit’ is al enkele decennia een gevleugeld woord. Zowel traditionalisten als pioniers duiden er een specifieke ervaring en levenshouding mee aan. Maar wat het betekent is niet altijd even helder. Dit boek reikt geen kant en klaar afgebakende definities aan, maar zet verwante begrippen naast elkaar – zoals religie, mystiek, spiritualiteit en levensbeschouwing. Vanuit een filosofische benadering wordt gezocht naar een beschrijving van spiritualiteit. (BoomFilosofie)

Beeld: Socrates – Een Stoa is een overdekte zuilengalerij waar in het Oude Griekenland handel werd gedreven. Op deze centrale plek kwamen ook Socrates en zijn leerlingen samen om burgers te confronteren met fundamentele levensvragen. De kern van de socratische filosofie is om dóór te vragen tot mensen zelf het antwoord op hun vragen ontdekken. (stoa.nl)

Overpeinzingen van een moderne gelovige

mijn-heldere-afgrond

Het ‘moderne’ van de gelovige Amerikaanse dichter Christian Wiman, schrijver van Mijn heldere afgrond, zit er waarschijnlijk in dat hij zijn geloof niet als een leer met vastomlijnde waarheden beschouwt, maar juist onophoudelijk twijfelt. Niet zozeer aan een leer, maar aan zijn geloof. Dat zegt Marjoleine de Vos in de NRC, in het artikel Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag. Het boek Mijn heldere afgrond over geloven, poëzie en sterven raakt volgens de NRC lezers diep. Auteur Christian Wiman sprak in Amsterdam met De Vos en andere lezers.’

Geloven is een lastig woord. Want wat bedoelt iemand ermee, waar gelooft hij dan in. Het antwoord ‘in God’ verheldert eigenlijk niets. Misschien is geloven in Wimans geval wel ongeveer: ja zeggen tegen het leven. Hoe het er ook uitziet. Hij schrijft: ‘Geloof is: ontdekken dat je, in het diepst van je ziel, in het hart van wie je bent, bewogen wordt om voor het leven dankbaar te zijn.’ (De Vos)

Volgens De Vos veroorzaakte zijn boek een stille sensatie. In Trouw vergeleek Willem Jan Otten, die het vertaalde, het met Pascals Pensées. Het wordt in tal van leesclubs gelezen, er werden al snel herdrukken opgelegd. En Wim Brands schreef:

Als ik zeg dat het lezen en herlezen van Mijn heldere afgrond mij niet onberoerd liet, verzwijg ik wat er daadwerkelijk met mij gebeurde: Wiman bezorgde me met zijn boek over geloven, poëzie en sterven inzichten waarvan ik niet had durven vermoeden dat ze me ooit deelachtig zouden worden. Een inzicht over de dood bijvoorbeeld, dat ik nog steeds bijna niet te bevatten vind.’ 

De Vos verwijst naar Wiman die een ernstige ziekte achter de rug heeft, en zegt:

Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag. Dat ontzag doet je je dingen afvragen over de aanwezigheid van God. Iedereen is tot het uiterste in leven. Denk maar aan hoeveel je leven voor je betekent. Ook voor degenen van wie je zou denken dat het leven niet ‘heerlijk’ is. Ook die vinden in leven-zijn belangrijk, elke keer weer.’ (Wiman)

Volgens Wiman is het de poëzie die maakt dat je je tot God wendt. Poëzie komt nog vóór geloof.

Je moet eerst inspiratie hebben, je moet je eerst iets afvragen, voor je zelfs maar op het idee komt van God. Waarom zou je het anders over God hebben. Daar zie ik dan niet de zin van in,’ zegt hij. ‘Het is poëzie die maakt dat je je tot God wendt.’ (DV)

Wiman schetst een beeld van een ‘hemelwaarts vliegende boom’, die hem veel vreugde schonk. Hij schreef er een gedicht over: From a window, in een deplorabele stemming, maar wat hij schreef, schonk hem iets. ‘Het explodeerde in geluk’, het vormde de ervaring in plaats van dat het die weergaf.


From a window

Incurable and unbelieving
in any truth but the truth of grieving,

I saw a tree inside a tree
rise kaleidoscopically

as if the leaves had livelier ghosts.
I pressed my face as close

to the pane as I could get
to watch that fitful, fluent spirit

that seemed a single being undefined
or countless beings of one mind

haul its strange cohesion
beyond the limits of my vision

over the house heavenwards.
Of course I knew those leaves were birds.

Of course that old tree stood
exactly as it had and would

(but why should it seem fuller now?)
and though a man’s mind might endow

even a tree with some excess
of life to which a man seems witness,

that life is not the life of men.
And that is where the joy came in.

(Uit: Every Riven Thing: Poems, Christian Wiman)


In één keer heeft hij het opgeschreven zegt hij. Met rijm en al, met vogels, met hemelwaarts visioen, alles. En het gedicht, met zijn lichte ritme, versnellend naar het eind en dan inhoudend om tot de conclusie te geraken: ‘that life is not the life of men’ biedt ook de lezer het beeld van de vliegende boom en de overtuiging dat er, hoewel er niets buitenaards gebeurde, toch meer is te ervaren dan eenvoudigweg een boom die ergens staat. Of dat geloof is? Dat doet er misschien niet zo toe. Het was een beeld dat hem hielp om te leven én om zijn mogelijke sterven te aanvaarden.’ (DV)

Essayist en dichter Joost Baars, die aan het gesprek deelnam, vertelde heel goed te kunnen begrijpen waarom men het christendom verwerpt om zijn imperialisme, zijn dogmatisme, zijn bigotterie.

Maar het christendom viert ook de onmogelijkheid, zegt Baars, en dat hebben we nodig. En dichters als Wiman begeven zich in die onmogelijkheid.’ (DV)

De Vos vraagt zich vervolgens aan Wiman wat het betekent om je in de onmogelijkheid te begeven. Onmogelijke woorden gebruiken als ‘God’.  

Omdat ik nu eenmaal in die traditie sta,’ zegt hij. Het mooiste zou het wellicht zijn om het hele woord God niet nodig te hebben, veronderstelt hij, zoals Rilke die in een brief schreef dat alles naar zijn gevoel dusdanig vervuld werd van God dat het geen enkele zin meer had om over een daarvan afgezonderde ervaring van ‘God’ te spreken.’ (DV)

Wiman lijkt dat ook wel te willen, maar zijn geloof overtuigt hem lang niet altijd voldoende. Geloof is voor Wiman ook geen verlossend antwoord op alle vragen.

Hoezeer hij daar soms ook naar verlangt: naar rust, naar ontspannen evenwicht. Alle dingen nieuw. Wiman: ‘Maar geloof is geen nieuw leven in deze zin; het is het oude leven nieuw gezien.’

Zie: Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag (NRC 26-11-2016 en via Blendle)

Waarom geen oneindige reeks goden?

shellperry

‘De kennistheoretische vraag of God bestaat is triviaal – ja, natuurlijk bestaat God: onze logische denkwijze zal vroeg of laat stuiten op ‘het grootst denkbare’, dat is onvermijdelijk zo,’ zegt de Lachende Theoloog die een nieuwe studierichting ingeslagen en is zich nu Pseudo Theoloog noemt. De docent filosofie is blijkbaar uitgelachen. In Triviaal 2 zoekt hij een goede reden waaruit blijkt dat God noodzakelijk bestaat.

Jan-Auke Riemersma (de Pseudo Theoloog) gaat in op de argumenten van theoloog Stefan Paas en filosoof Rik Peels uit hun boek God bewijzen. Op hun uitspraak dat God noodzakelijk bestaat.

God is de grond van de werkelijkheid. Hij kan er niet níét zijn, hij moet er zijn, zijn bestaan is noodzakelijk. Dat is inherent aan het hele concept van God dat de meeste gelovigen hanteren. En daar is niets raars aan, want je moet ergens een streep trekken: een reeks verklaringen kan niet oneindig zijn, er moet op een gegeven moment iets fundamenteels zijn dat niet verder verklaard kan worden.

Dat is in het geval van God veel plausibeler dan in het geval van het universum, want als God bestaat dan bestaat hij noodzakelijkerwijs en is hij de grond van de werkelijkheid, terwijl we geen enkele reden hebben om te denken dat het universum noodzakelijkerwijs bestaat en de grond van de werkelijkheid is.’
(Paas & Peels)

godbewijzenMaar meer nog bespreekt de docent filosofie de (beperkte) denkwijze van de mens. Daar is hij nogal sceptisch over en om zijn argument kracht bij te zetten, haalt hij Immanuel Kant erbij die stelde dat zodra mensen echt diep gaan nadenken ze verdwalen: vroeg of laat stuiten wij op antinomieën, onbegrijpelijke ‘knopen’ in onze alledaagse denkwijze. Riemersma stelt dat als ons verstand beperkt is, dat dit betekent dat wij niet in staat zijn om de samenhang in de werkelijkheid te beschrijven.

Indien de samenhang ontbreekt, kun je geen onjuiste of onzinnige beweringen doen: je mag daarom geloven dat God zichzelf geschapen heeft (uit het volstrekte niets) of dat God er eenvoudigweg altijd geweest is. 

Als wij nadenken over God, dan moeten we toegeven dat God onbegrijpelijke eigenschappen moet hebben: hij moet wel uit het niets ontstaan zijn of altijd bestaan hebben (het scheppende dat zichzelf schept of het zijnde dat als zichzelf bestaat.)’ (Riemersma)

Het zou, zo schreef hij eerder eens, zelfs mogelijk kunnen zijn dat ‘alles’ (de gehele werkelijkheid zoals wij die kennen) een oneindig aantal oorzaken heeft. Filosofen noemen dat infinitisme.

Kortom, zou een atheïst vragen: maar wie heeft God dan weer veroorzaakt, dan zegt de gelovige infinitist: ‘Goede atheïst, dat weet ik niet; het is zeker zo dat ik geloof dat ook God veroorzaakt is door iets, maar ik heb geen idee door wie of wat God veroorzaakt is. Feitelijk doet dat er ook weinig toe: waar het om gaat is dat God zeker oorzaak is van deze werkelijkheid (of: waar het om gaat is dat God zeker voorkomt in de oneindige keten van ‘s werelds oorzaken’.)’ (R)

Terug naar Paas en Peels. Hoe kunnen we weten dat God het goede wil, vraagt Riemersma zich af, als P & P eveneens veronderstellen dat we van God weinig tot niets begrijpen.

Ze zeggen dat God allerlei redenen kan hebben waarom wij het kwaad toestaan – kan God redenen hebben? Hoe weten we dat – en dat we slechts kunnen gissen naar zijn ware redenen. Daarentegen weten ze wel zeker dat God het goede wil.’ (R)

Wat Riemersma het meest verbaast is de nogal kritiekloze wijze waarop wordt geponeerd dat God noodzakelijk bestaat: als je dat echt vindt, begin daar dan je boek mee, of geef een goede reden waaruit blijkt dat God noodzakelijk bestaat.

Het is niet vreemd dat God noodzakelijk bestaat, want je moet ergens een streep trekken, schrijven de auteurs. Maar dat is niet waar. Tegenwoordig verdedigen filosofen zelfs de meest verrassende opvattingen, zoals het infinitisme. Waarom zou er geen oneindige reeks van goden kunnen zijn?’ (R)

Zie:
Triviaal
Triviaal 2

Beeld: De Nautilusschelp is maar een van de ontelbare voorbeelden uit de natuur, waaruit blijkt dat de natuur de Fibonacci-reeks als vanzelfsprekend gebruikt; een prachtige demonstratie van oneindigheid in eindigheid! (wanttoknow.nl) – (Fibonacci-reeks: een serie van getallen waarvan het nieuwe getal telkens verkregen kan worden door de voorgaande twee getallen bij elkaar op te tellen, ook wel DE blauwdruk van de schepping genoemd, PD.)

Update 19-11-2016: Inmiddels heeft de Pseudo Theoloog zijn naam weer gewijzigd. Nu heet zijn blog Wider Útsjoch. Dat betekent Wijder Uitzicht, met berichten over wijsbegeerte, God, religie en de zin van het leven.

De waarheidsvraag in het licht van religieuze diversiteit

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘Er staat veel onzin in publicaties over godsdienst. Dat is slecht voor de samenleving. Het publieke debat verhardt meer en meer en mensen zijn niet meer bereid om naar elkaar te luisteren. Daarom is het zo belangrijk dat Tussen waarheid en wijsheid verschijnt. Dit boek zegt wijze dingen over religie en de samenleving en gaat in tegen de polarisatie van het publieke debat.’ Dit zei Jan-Peter Wissink, directeur van Amsterdam University Press, tijdens de presentatie van het boek over de waarheidsvraag in het licht van religieuze diversiteit.

De combinatie van waarheid en religie lijkt in de hedendaagse samenleving meer dan ooit tot conflict en afscheiding te leiden. Of het nu gaat over fundamentalistische christenen in het Westen, radicale moslims in het Midden-Oosten, extremistische boeddhisten in Myanmar, joodse kolonisten in Hebron of militante hindoes in India, het is alsof de claim op religieuze waarheid zorgt voor een wij-zij-denken dat mensen tegen elkaar uitspeelt.’ (Wissink)

Volgens de uitgever komt in dit boek de vraag naar religieuze waarheidsaanspraken aan de orde. En de vraag of het omarmen van meerdere religieuze tradities ook het aanvaarden van meerdere waarheden betekent. Of religieuze waarheid er niet meer toe doet en we toe moeten naar een ruimer waarheidsbegrip. Voorbij het ‘Eigen Groot Gelijk’?

tussenwaarheidenwijsheid

De oudkatholieke aartsbisschop van Utrecht, Joris Vercammen, lijkt dat waarheidsbegrip naar transcendentie te verleggen. Hij wil het eigen groot gelijk transcenderen. Vercammen verwijst hiertoe naar Jonathan Sacks en Václav Havel. Volgens Sacks is transcendentie een noodzaak. Hij noemt ‘de veronderstelling van het universele’ een groeifase in de menselijke visie op mens en wereld. Hij bedoelt dan met ‘het universele’ de afwezigheid van diversiteit. Over Havel zegt Vercammen dat hij het goed gezien had dat zonder  transcendentie verzoening en vrede niet mogelijk zijn.

Transcendentie is dan een uitgestoken hand naar mensen om ons heen, naar vreemdelingen, naar de mensengemeenschap, naar alle schepselen, naar de natuur, naar het universum. Transcendentie is dan een diepe en met vreugde ervaren behoefte om in harmonie te zijn zelfs met datgene wat we niet zijn, met wat we niet begrijpen, met wat in tijd en plaats ver van ons verwijderd lijkt, maar waarmee we op geheimzinnige wijze verbonden zijn omdat dit alles samen met onszelf één enkele wereld vormt.’ (Havel)

Soms zul je God tegenkomen in de mens die anders is, die niet is zoals wij.’ Het monotheïsme van de Bijbel betekent wel dat er maar één God is, maar niet dat er slechts één weg naar de ontmoeting met deze God zou zijn. ‘Integendeel’, zegt Sacks, ‘het is de opvatting dat de eenheid van God gevonden wordt in de diversiteit van de schepping.’ (Vercammen)

Volgens Vercammen zoekt schrijven over het religieuze altijd de afstemming op Gods eigen handelen, als het schrijven zelf een geloofsact wil zijn.

Het is zoeken naar Gods waarheid. Het veronderstelt daarom een liefdevol willen waarnemen waarbij de egoïstische neiging om de werkelijkheid naar de eigen hand te zetten zoveel mogelijk wordt vermeden. Daarbij trekt de schrijver zich echter niet terug in passiviteit.’ 

Schrijver en columnist Mohammed Benzakour sprak ook tijdens de presentatie van Tussen waarheid en wijsheid. Hij verwees naar de Talmoed die stelt dat de mens wijs is zolang hij de waarheid zoekt, maar zodra hij meent haar gevonden te hebben, hij een dwaas is. En ook naar Kierkegaard die vond dat waarheid de titel is van een zeer dik boek met blanco pagina’s. Hij was dan ook reuze benieuwd naar het boek dat gepresenteerd werd, vol gedrukte pagina’s.

Zie NieuwWij:

* Tussen waarheid en wijsheid
* Een waarheid als een koe
* Waarheid vinden, waarheid ontvangen

Beeld: Soefigebeden, aangebracht op de muur van de Dargah. Een van de hoofdelementen bestaat uit de heilige geschriften en andere boeken uit de verschillende religieuze tradities die een affiniteit vertonen met het idee van de eenheid van religieuze idealen. (spiridoc.nl)

Tussen waarheid en wijsheid – de waarheidsvraag in het licht van religieuze diversiteit | Redactie Manuela Kalsky & André van der Braak | ISBN: 9789462983823 | € 19,95 | Ook verkrijgbaar als: eBook (ePub)eBook (PDF) € 9,99

Post-theïsme, het Nieuwe Geloof?

cartoon-hoe-belangrijk-is-geloof

Volgens theoloog en godsdienstfilosoof Taede Smedes stevent Nederland af op een postchristelijke samenleving met een post-theïstisch geloof. Hij trekt die conclusie na het lezen van het boek God in Nederland 1966-2015. Maar wat in hemelsnaam is post-theïstisch geloven? In zijn boek God, iets of niets? duidt hij deze manier van geloven aan als een veelvormige manier van denken die het theïsme achter zich heeft gelaten, maar geen afscheid van religie wil nemen.

Het post-theïsme laat in ieder geval orthodox denken achter zich, want post-theïsten willen voorkomen dat hun denken verstart, dat ze nieuwe denkconstructies en systemen ontwerpen die nieuwe ‘sterke structuren’ vormen waarin ze gevangen raken.

Post-theïsten zijn iconoclasten die ook hun eigen ideeën voortdurend moeten kapot gooien (‘deconstrueren’ om met Derrida te spreken). Ze spelen met taal, springen van beeld naar beeld, laten zich niet vangen in posities en formuleringen, ideeën krioelen als mieren en vervloeien in een voort stromende beek waarin zich af en toe een onderliggende orde lijkt te vormen om vervolgens weer tot louter beweging te vervloeien.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes zegt het post-theïsme niet als een soort alternatief voor theïsme te beschrijven, zoals religiejournalist Koert van der Velde in een reactie op zijn boek veronderstelt, en zeker geen ‘best alternatief’. In God, iets of niets? zet Smedes ‘slechts’ al het geloof en ongeloof helder op een rijtje. Als lezer kan je je eigen conclusies trekken uit de vele overzichtelijke en boeiende informatie die hij biedt. Smedes spreekt van een ‘spanningsvolle dynamiek, een voortdurend heen en weer pendelen tussen geloof en ongeloof’. Het is

‘…het achterlaten van een klassiek, personalistisch theïsme waarin God los van de wereld staat, om ruimte te bieden aan de leegte die ervoor in de plaats is gekomen. Een leegte die niet als een gemis of een isolement wordt ervaren, maar juist als een uitnodigende, heilvolle en mystieke ruimte.’ (Uit: God, iets of niets?)

De stellige overtuiging dat God bestaat, die in het theïsme pontificaal overeind staat, zo zegt Smedes, is bij post-theïsme vervangen door een opvatting van geloof als een tastend zoeken, met daarbij de acceptatie van twijfel. Een religiositeit die ‘na het theïsme’ komt, een religiositeit die ontstaat op het moment dat afscheid is genomen van de theïstisch voorgestelde God.

Een van de elementen van post-theïsme is dat het ook nadenkt over de vraag wat het spreken over God vandaag de dag nog betekent en hoe we überhaupt nog over God kunnen spreken, nu het theïsme als centrale leidraad voor het nadenken over God is weggevallen. Bij post-theïsme is niets meer duidelijk en vanzelfsprekend.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes verwijst onder meer naar de protestantse post-theïstische theoloog Rick Benjamins, die schrijft dat een post-theïstische theologie ‘opnieuw vorm en uitdrukking probeert te geven aan het heilige en transcendente, nadat het idee van een transcendent goddelijk wezen, dat los van de wereld bestaat, is verdwenen’. Een van de kwesties die post-theïsme aan de orde stelt, aldus Smedes, is precies de vraag wat vandaag onder het heilige en het transcendente verstaan kan worden.

Post-theïsten brengen het heilige en transcendentie juist nadrukkelijk in verband met spreken over God. Het post-theïsme kent dus een moment van betrokkenheid, van commitment aan het spreken over God dat als waardevol ervaren wordt.’ (Uit: God, iets of niets?)

Dat klinkt mij wel even tegenstrijdig in de oren, immers het transcendent goddelijk wezen is toch verdwenen? Maar blijkbaar weerhoudt dat post-theïsten niet van spreken over God: dat wordt als waardevol ervaren, zo begrijp ik. Een religiositeit die ‘na het theïsme’ komt, een religiositeit die ontstaat op het moment dat afscheid is genomen van de theïstisch voorgestelde God. Smedes, in ieder geval, zegt post-theïsme eerst en vooral te hebben beschreven als een project en niet als een afgebakende theologische positie.

Post-theïsme is dus zowel het theïsme als het atheïsme voorbij. Post-theïsme wordt zo tot een invulling van een post-seculiere levensbeschouwing, een levensbeschouwing die voorbij het dualisme van geloof en ongeloof gaat.’

Het post-theïsme heeft het theïsme achter zich gelaten. Het cultureel dominante beeld van een bovennatuurlijke, persoonlijke God die door middel van wonderen met ieder van ons communiceert, heeft plaatsgemaakt voor een pluraliteit aan godsbeelden en spreekwijzen, die gemeenschappelijk hebben dat ze een zoekend karakter hebben. ‘Zoeken’ en ‘twijfel’ krijgen veel ruimte bij post-theïsten.’ (Uit: God, iets of niets?)

God, iets of niets? – De postseculiere maatschappij tussen GELOOF en ONGELOOF | Taede Smedes | ISBN: 9789462983137 | Verschijningsdatum: 12-09-2016 | Paperback | 312 pagina’s | Ook verkrijgbaar als: eBook (PDF)eBook (ePub)

Cartoon:
kerkvooreennieuwegeneratie.wordpress.com

Update 12 03 2024 (lay-out)

De vervagende grens tussen geloof en ongeloof: God, iets of niets?

god_iets_of_niets_cover

Bewust de grens vervagen tussen filosofie en theologie. Dat wil post-theïstisch theoloog Taede Smedes met zijn nieuwe boek God, iets of niets? Hij maakt gebruik van denkmethodes uit beide disciplines om na te denken over de grensvervaging tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ die in onze samenleving in toenemende mate aan de orde is. Smedes beperkt zich als christelijk theoloog en westers godsdienstfilosoof tot de grensvervaging tussen christelijk ‘geloof’ en ‘ongeloof’.

Smedes’ boek is direct boeiend en daarom lastig weg te leggen. Het boek heb ik nog niet uit, ben aangeland bij hoofdstuk 5 (van de zes.) Soms duizelt het me even vanwege alle informatie, maar het is bijzonder prettig om op bijna encyclopedische wijze – zonder saai te worden – een helder overzicht te krijgen van wat mensen wel of niet geloven, en welke trefwoorden daarbij horen. Alle terminologie die de laatste tijd om je oren vliegt, zoals het nieuwe atheïsme, religieus atheïsme, religieus naturalisme, transcendentie, anatheïsme en (post)theïsme wordt helder beschreven. En soms poëtisch verwoord.

Het is niet een houding van wachten totdat het heil ons, ooit, komt bezoeken. Nee, het is een houding van zoeken, maar niet naar iets wat we kwijt zijn en verlangen, maar zoeken vanuit het vertrouwen dat we al gevonden zijn. En wat we zoeken, is het suizen van een zachte stilte dat zich verbergt achter en via onze beelden ervan en ons spreken erover.’ (Uit: God, iets of niets?)

Geloof’ en ‘ongeloof’, komen aan bod, belief en faith worden nader geduid. En bijvoorbeeld het verschil tussen ‘religie’ en ‘god(s)geloof’. En ‘ongebonden spirituelen’ en ‘ongebonden gelovigen’. Dan is er ook nog de vraag of mensen een ‘godsdienstig’ dan wel een ‘niet-godsdienstig’ geloof hebben; of een ‘transcendent-godsdienstige overtuiging’ of een ‘transcendent-niet-godsdienstige’ of ook een ‘immanente’ overtuiging.

Het gaat over ‘religieuze flexibiliteit’ en zo komen we tot het fenomeen multiple religious belonging, ‘meervoudige religieuze betrokkenheid’ of hybride religiositeit: het feit dat mensen elementen van verschillende religies met elkaar mengen, affiniteit of verwantschap ervaren tussen verschillende religies.

Het is een theologisch boek dat een poging wil doen om die persoonlijke interesse en fascinatie zowel filosofisch en theologisch te doordenken, te verwoorden en te verantwoorden voor geïnteresseerde lezers. Het is een poging om het perspectief van de ander – de religieuze atheïst – te begrijpen en te duiden, en misschien zelfs te verbinden met een opvatting van het heilige die voorbij de tegenstelling van ‘transcendent’ en ‘immanent’, van ‘heilig’ en ‘profaan’ gaat. Als zodanig is het een oefening in post-theïstische hermeneutiek.’ (Uit: God, iets of niets?)

De ontwikkelingen in het religieuze landschap worden nauwkeurig weergegeven en besproken. Zo lees ik over gelovigen die traditionele ideeën over God en geloof loslaten, maar ook dat veel ‘ongelovigen’ geloviger blijken dan vaak wordt toegegeven. Smedes ontkomt natuurlijk niet aan de term ‘spiritualiteit’ en ziet dat als de persoonlijke beleving van de in religie beleefde transcendente dimensie, de grondhouding die iemand heeft tegenover het leven en hoe dat geleefd zou moeten worden.

In spiritualiteit komt, zeg maar, de emotionele kant van religie tot uiting en, daarmee verbonden, de levenshouding die iemand heeft. Dat wil niet zeggen dat ik alle spiritualiteit als religieus beschouw, maar wel dat religie in mijn ogen altijd een spirituele dimensie heeft, die neerkomt op een persoonlijke beleving van wat als heilig wordt beschouwd. Als die persoonlijke beleving er niet is, wordt religie iets louter cognitiefs, als iets waarvan je aanneemt dat het zo is, zonder dat ook als zodanig ervaren te hebben. Een louter cognitieve religie lijkt me amper levensvatbaar. Spiritualiteit is nodig voor religie zoals water voor een plant om te kunnen bloeien.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes duidt helder de grote onderzoeken, zoals God in Nederland, die liepen van 1966 tot 2015. Voorts beschrijft hij het nieuwe atheïsme en de polarisering van discussies omtrent religie, behandelt het religieus atheïsme, het religieus naturalisme, het post-theïsme, religie en het transcedencentiebesef, en het verdwijnend onderscheid tussen het ‘religieuze’ en het ‘seculiere’.

Het mooie van dit boek vind ik vooral dat je op boeiende wijze wordt geconfronteerd met geloof en niet-geloof in allerlei vormen, met levensbeschouwingen van mensen, met de persoonlijke beleving, ideeën over God en (on)geloof, uiteenlopende denkers, verwondering en ontzag voor de kosmos, met het sacrale, en dat je zelfs niet hoeft te geloven dat God bestaat om toch in God te kunnen geloven. Vele boeiende, tot voortdurend nadenken stemmende, gedachtegangen vind je in God, iets of niets?, zoals bijvoorbeeld die van religieus atheïst Ronald Dworkin, Amerikaans rechts- en moraalfilosoof:

Religie is een diepgeworteld, stellig en allesomvattend wereldbeeld: het stelt dat een inherente, objectieve waarde alles [doordringt], dat de wereld en zijn schepselen ontzagwekkend zijn, dat het menselijk leven zin en het universum orde heeft. Het geloof in een god is slechts een mogelijke [manifestatie] of gevolgtrekking van dat diepgewortelde wereldbeeld.

Religieuze atheïsten geloven niet in een god en verwerpen daarom de wetenschap van conventionele religies en de goddelijke plichten (…). Maar ze aanvaarden dat het objectief gezien uitmaakt hoe een mensenleven verloopt en dat iedereen een aangeboren, onvervreemdbare ethische verantwoordelijkheid heeft om te proberen naar omstandigheden zo goed mogelijk te leven. Ze aanvaarden dat de natuur niet slechts een kwestie van gedurende zeer lange tijd samengebrachte deeltjes is, maar iets van wezenlijke verwondering en schoonheid.’ (Uit: God, iets of niets?)

Of de gedachtegang van de twee prominente Franse denkers Luc Ferry en Marcel Gauchet over de veranderende positie van religie in de samenleving.

Wat wij meemaken zijn twee gelijktijdige processen: een afscheid van de religie, verstaan als het einde van het vermogen van het religieuze om het politieke en sociale leven te structureren; en de duurzaamheid van het religieuze in de innerlijke overtuiging van individuele mensen, welke overtuiging tal van historisch en nationaal bepaalde vormen kan aannemen.

(…) Zelfs daar waar de teruggang van de religie, ook wat het persoonlijk geloof betreft, het verst is voortgeschreden, betekent dit niet dat de interesse voor het spirituele eenvoudigweg verloren zou zijn. Zonder dat wij dit op dit moment al te nauwkeurig willen omschrijven, zullen wij eronder verstaan: het zich bezig houden met de laatste vragen, vragen die te maken hebben met het lot van de mens, met de betekenis van de fundamentele levenservaringen, en met de grote lijnen van de ethische oriëntatie van het bestaan.’

God, iets of niets? – De postseculiere maatschappij tussen GELOOF en ONGELOOF | Taede Smedes | ISBN: 9789462983137 | Verschijningsdatum: 12-09-2016 | Paperback | 312 pagina’s | Ook verkrijgbaar als: eBook (PDF)eBook (ePub)

Mystiek, wiskunde en oneindigheid

innaamvandeoneindigheid

Wiskundigen en leken realiseren zich vaak niet dat mystiek soms echte bijdragen aan de wiskunde kan leveren, zegt filosoof en historicus (UvA) Lukas Verburgt, die het boek In de naam van oneindigheid van twee wetenschapshistorici uit 2009 voor Amsterdam University Press vertaalde. ‘Omdat,’ zegt hij, ‘het op een bijzondere manier laat zien hoe tegelijk menselijk én bovenmenselijk de wiskunde kan zijn.’

Aldus Martijn van Calmthout in de Volkskrant, in zijn artikel Hoe Jezus’ naam de oneindigheid redde. Hij geeft hierin weer hoe een handvol mystieke Russische wiskundigen begin vorige eeuw de wiskunde weer vlot trok. Een vergissing noemt hij uitgesloten.

Eerder is het een klein teken van verzet, ter ere van de grondlegger van de legendarische Moskouse School voor wiskunde, die vorige eeuw vanwege religieus mysticisme genadeloos door de atheïstische Sovjets werd vermorzeld.’

Olaf Tempelman schreef er ook over, in dezelfde krant, waar hij het had over mathematische mystici. Hij is van mening dat als je ergens vooroordelen aantreft tegen religie en spiritualiteit, dat dit in de wetenschap is en dat dit komt doordat wetenschappers van de stevige soort soms nauwelijks minder dogmatisch zijn dan imams, lama’s en schriftgeleerden.

Daarom is het zo mooi dat die werelden nu in elkaar blijken te passen en ‘de mystieke wiskundige’ niet langer een contradictio in terminis is. Uit ‘In de naam van oneindigheid’ leren we dat mystieke Russische mathematici de wiskunde verder hielpen: waar collega’s vastliepen op hun ‘hardnekkige rationaliteit’, konden de mystici overweg met ‘oneindigheid’.

Boeddhisme is net kwantummechanica, zegt Tempelman, en verwijst hiermee naar een uitspraak van de dalai lama, die stelde dat de kwantummechanica lijkt op het mahayana-boeddhisme.

Het boek In de naam van oneindigheid stelt dat een van de grootste wiskundige doorbraken in de twintigste eeuw, over het fenomeen ‘oneindigheid’, plaatsvond in Rusland.

Ondanks een zware concurrentiestrijd van Franse wiskundigen die zich verwoed op rationele oplossingen richtten, lieten de Russen zich leiden door de inzichten van een mystieke, verboden sekte, de Naamaanbidders, en kwamen tot de theorie die tot op de dag van vandaag geldt.

In de naam van oneindigheid’ vertelt het onvoorstelbare verhaal over de politieke strijd, de psychologische crises, de mystiek inspiratie en ethische dilemma’s waar Franse en Russische wiskundigen in de eerste helft van de twintigste eeuw mee te maken kregen in hun zoektocht naar een antwoord op een van de oudste wiskundige problemen: de aard van oneindigheid.’

In de naam van oneindigheid |  Loren Graham, Jean-Michel Kantor | 368 pagina’s | 9789462983175 | september 2016 | € 24,95

Zie:
* Hoe Jezus’ naam de oneindigheid redde (de Volkskrant)
Update (lay-out) 02112023
Update (layout – links) 26 03 2024

‘Een grootse visie op dé zin van het leven’

zinvanhetleven

Criticus van het Nieuwe Atheïsme, Terry Eagleton, vraagt zich af of het waar is dat als er geen hogere instantie is – waarvan God wel de allerhoogste was – de wereld zinledig zou zijn, een wereld van brute krachten die in een darwinistisch universum een strijd op leven en dood voeren. Filosofie Magazine interviewt deze ‘sprekende denker’. ‘Iedere eerstejaars theologiestudent zou lachen om Richard Dawkins’ beeld van God.’

Hij [Dawkins, PD] denkt dat het dogma van de creatie betrekking heeft op hoe de wereld begon. Dawkins sluit hier aan bij een standaardkarikatuur. Zou hij die lage intellectuele standaard ook accepteren als het ging om biologie? Nee, natuurlijk niet. Hij zet een stropop neer, die hij eenvoudig omver kan werpen. Maar daar wil hij niet met mij over debatteren.’

Het christendom, zo stelt Eagleton in het juli/augustusnummer van Filosofie Magazine, biedt een andere versie van God, als slachtoffer, iemand die lijdt, een dakloze, iemand die strijdt voor rechtvaardigheid – dat is de christelijke God, en dat is ook de God waar we aan moeten denken als het gaat om de zin van het leven. De zin van het leven ziet de katholiek en kritisch-marxistisch in godsdienst, omdat die ons weer verwijst naar de betekenis van het gewone leven.

Juist in religie is ruimte voor liefde, voor geluk, voor de zaken die bijna iedereen noemt als het gaat om een zinvol leven, maar waarvan we ons soms vertwijfeld afvragen of dat alles is wat er is. De verhalen uit het Evangelie, maar overigens ook de literatuur en de kunst, geven een nieuwe glans aan het banale.’

Eagleton, schrijver van The Meaning of Life, zegt dat als je ouder wordt, en veel meemaakt, je verandert. Daardoor heeft hij veel meer gevoel gekregen voor het geloof, waarin juist ruimte is voor dat verdriet en die kwetsbaarheid, en voor de dood. Hij probeert te leven met de dood.

Dat wil niet zeggen dat ik niet bang ben. Dat ben ik wel. Maar je moet het op een akkoordje gooien met de dood, zoals je dat moet doen met alles wat onvermijdelijk is: of je raakt verbitterd en boos als je mensen om je heen ziet sterven, of je komt tot een relatie met de dood, een modus vivendi – dat is een centraal uitgangspunt in het christendom.’

Eagleton stelt dat we ten onrechte het christendom zien als een vorm van wereldverzaking die alle hoop vestigt op het leven na de dood, maar hij vindt dat obsceen: verlangen naar de dood, omdat alleen onze doodsdrift naar de dood verlangt.

meaninglife

Jezus’ belangrijkste activiteit in het Evangelie is niet rondreizen en zeggen wat een geweldige kerel hij is. Hij doet wat anders: hij geneest mensen. Hij heeft wel oog voor het lijden, maar hij adviseert ze om zich nooit te verzoenen met het lijden. Hij ziet lijden als een tegenstander, en het koninkrijk Gods als iets wat inbreekt in het lijden, wat er iets aan doet. Er is dus geen morbide cultus van lijden, en geen keuze voor een volgend leven waarin alles beter is.’

Het bewustzijn van sterfelijkheid is volgens Eagleton niet hetzelfde als een fetisj maken van kwetsbaarheid, en stelt dat dit wel altijd het gevaar is, dat we het lijden zien als het allerhoogste. Volgens auteur Florentijn van Rootselaar, van Filosofie Magazine, concludeert Eagleton dat de alomtegenwoordige dood ons ook laat inzien hoe afhankelijk we zijn van anderen.

Als Paulus schrijft dat een belangrijk deel van ons is dat we elk moment sterven – zo merkt Eagleton op in zijn The Meaning of Life – dan bedoelt hij daar misschien wel mee dat we voortdurend moeten sterven voor anderen. Een goed leven is een leven waarin we oog hebben voor de nood van anderen, en ons eigen verlangen soms opgeven om die nood te kunnen lenigen. ‘Daarom is goed leven een oefening in sterven.’

Het is dus precies in die liefde voor anderen waarin de Engelse literatuurwetenschapper een goede kandidaat ziet voor de zin van het leven, zo stelt Rootselaar. Filosofie Magazine kopt: ‘Een grootse visie op dé zin van het leven’.

Het is een conclusie die we in een filosofische queeste naar de zin van het leven kunnen vergeten, zegt Eagleton. En het is een opvatting die vele handelaars in zin van het leven niet zal bevallen, het is bepaald niet glorieus of diep, en misschien wel triviaal – maar wel heel waar!’

Naast liefde is geluk ook een belangrijk uitgangspunt, zegt Eagleton, als de zin van het leven in het samenleven zit, en hij heeft het dan over Aristoteles; niet op het geluk wat wij in onze liberale, individualistische tijd onder geluk verstaan.

‘Tegenwoordig zien we geluk vaak als een toestand van ons brein. Maar bij Aristoteles is het een staat van de ziel die niet alleen betrekking heeft op een soort innerlijke toestand van de mens, maar ook op handelen in de wereld.’

zinvanhetleven2

Als een belangrijk gevolg van die sociale opvatting van geluk, stelt Eagleton dat geluk – en daarmee ook de zin van het leven – ook een politieke kwestie wordt, geen zaak die je thuis maar probeert na te streven.

Je moet vrij zijn om je creatieve krachten te gebruiken; dat idee is minder vanzelfsprekend voor mensen die zin, meer op een individualistisch manier, meer liberaal, zien als een persoonlijke of louter een innerlijke kwestie.’

Eagleton gebruikt de metafoor van muziek, een beeld van een jazzband.

Ieder individu drukt zich uit, maar tegelijkertijd geeft ieders expressie de ruimte aan de ander om zich weer uit te drukken. Improviseren lukt alleen als je gevoelig bent voor de ander. Zo kun je elkaar tot grote hoogten sturen. Je realiseert jezelf door je te verliezen in de muziek. Dat is een heel marxistisch idee. De ontwikkeling van iedereen is een voorwaarde voor de ontwikkeling van anderen. Dat is lang geen slecht ideaal.’

Zie:‘We denken als consumenten over de zin van het leven’ (Met dank aan Radboud Reflects)
Beeld: Google afbeeldingen
Cartoon:
Patrick Chappatte

Update 01022026: links

Aardse mystiek: een kleine filosofie van de verwondering

sky-ditch-eye-hole-large

‘Wijsheid ontstaat in een ingewikkeld samenspel tussen mij en dat wat ik niet ben, tussen ik en niet-ik, tussen mij en de filosofische, religieuze en artistieke traditie. Zij ontstaat in de ruimten tussen verstand en gevoel, naïviteit en ervaring, speelsheid en ernst, denken, intuïtie en waarneming.’ Dit zegt filosoof Arnold Ziegelaar in zijn boek Aardse mystiek. Een kleine filosofie van de verwondering. Volgens godsdienstfilosoof en theoloog Taede Smedes een van de beste filosofieboeken van 2015.

Ziegelaar betoogt dat er zoiets bestaat als een aardse mystiek, een levensbeschouwing die niet zweverig is en in harmonie met het redelijk denken.

Klassieke denkers keken verwonderd naar de kosmos, terwijl moderne denkers het bestaansmysterie proberen te naderen met termen als existentie, authenticiteit en moraliteit. Voortbouwend in deze traditie ontwikkelt Ziegelaar een kleine filosofie van de verwondering.’ (ISVW)

Ziegelaar is in het begin van zijn boek wars van de gedachte dat het leven vooral vrijblijvend en aangenaam moet zijn en pleit voor een beschouwelijke afstand tot het genivelleerde alledaagse niveau dat wordt beheerst door praktische kennis en vaardigheid die nodig zijn om te kunnen functioneren.

Filosofische inzichten worden geassocieerd met aanspraken die uitstijgen boven of dieper zijn dan de aanspraken van het alledaagse denken.’ (Ziegelaar)

Hij stelt dat ieder zijn mening heeft over wat waar of wijs is, en de relativiteit ervan van de plicht ontslaat die mening diepgaand te onderzoeken.

Deze opvatting staat de ontwikkeling van wijsheid in de weg, want die is juist niet louter ‘subjectief’ in de zin dat ik haar kant-en-klaar in mijzelf kan vinden.’ (Ziegelaar)

De docent filosofie verwijst naar Plato die een strikt onderscheid maakte tussen episteme (echte kennis) en doxa (mening).

Meningen zijn gemakzuchtig, oppervlakkig, grof, slecht gefundeerd en nagepraat. Kennis is een vrucht van moeite, verdieping, nuancering, studie, reflectie, van bescheidenheid en besef van onwetendheid indachtig de complexiteit van het onderwerp. Verder is een scherp en kritisch oog nodig voor het onderscheid tussen het ware en het onware, het gefundeerde en ongefundeerde, het verplichtende en het gemakzuchtige.’ (Ziegelaar)

Maar Aardse mystiek gaat over heel veel meer. Een diepgaande recensie kan je vinden in het artikel Een ‘aardse mystiek’ voor filosofische zinzoekers bij NieuwWij, waarin Smedes stelt dat Ziegelaar onder ‘aardse mystiek’ een denken ‘van onderop’ verstaat, dat de verwondering van het bestaan wil aanwakkeren en filosofisch doordenken.

Ziegelaar schreef een filosofieboek dat tegelijkertijd erg spiritueel is. Het is een boek dat de dichotomie tussen atheïsten en godgelovigen weet te overstijgen en iedere polarisering uit de weg gaat. Een must-read voor zinzoekers.’ (Smedes)

Zie: Een ‘aardse mystiek’ voor filosofische zinzoekers (Taede Smedes)
Foto: ISVW

Aardse mystiek – Inleiding in de filosofie van de verwondering | Auteur: Arnold Ziegelaar Uitgeverij: ISVW Publishers | Aantal pagina’s: 414 | ISBN: 9789491693557 | Prijs: € 27,50 Klik hier om het boek te bestellen.