‘Prik je levensbeschouwelijke bubble door’

bubblesnewscientist

Het leven in een bubble is dodelijk saai. Bubbles zijn de dood in de levensbeschouwelijke pot. Waren de zuilen te nadrukkelijk aanwezig, de levensbeschouwelijke bubbles zijn al even nadrukkelijk afwezig. Als iedereen zich terugtrekt in de eigen comfort zone, zijn er minder gedeelde waarden waarop men zich kan beroepen als samenleven moeilijk wordt.’ Aldus antropoloog André Droogers in het Boeddhistisch Dagblad.

Boeddhabeelden bij de Blokker.’

Volgens Droogers moet je uit je bubble komen en je angst overwinnen voor verschillen.

Check eens of je eigen waarden de vergelijking met die van anderen kunnen doorstaan. Informeer je over standpunten die je tot nu toe negeerde. Probeer te ontdekken hoe en waarom mensen tot die opinies gekomen zijn. Prik desnoods je eigen bubble en die van anderen door.’

Droogers zegt dat de meeste Nederlanders hun levensbeschouwing beleven op geheel eigen wijze, buiten kerken, synagogen, moskeeën of tempels om. Ze verblijven in hun zelfgekozen bubble. Daar zijn miljoenen versies van.

De inhoud verandert met wat mensen overkomt en met het media-aanbod. Bubbles zijn commercieel interessant geworden.’

Voor de zinzoeker voelt de eigen bubble veilig aan, is de gedachte van de antropoloog, en staat de bubble voor een vorm van leven en laten leven.

Tolerantie troef. Wie niet als gelijkgezinde wordt herkend, krijgt doorgaans geen aandacht. Bekeren heeft een negatieve klank gekregen. Het eigen gelijk blijft intact, meestal zonder al te veel confrontatie met andere perspectieven.’

Droogers adviseert conflictzones te zoeken om je waarden te testen en de ruis te horen op de lijn.

Ontdek tot je verrassing welke waarden ondanks alles gedeeld worden. Omhelzen is niet verplicht, vriendelijk afwijzen kan ook. Maar ga op marktonderzoek. Kijk of je van gedachten kunt veranderen.’

Je gedachten kunnen dan in beweging komen en je komt wellicht in een weemoedig stemmende ervaring, na al die saaiheid. Misschien verlies je zelfs gedachten die eerder helemaal bij jou hoorden. Volgens filosofe Joke J. Hermsen kan je dit proberen om te buigen tot hoop, tot reflectie of kennis, tot creativiteit of dagdromen, tot macht of verstrooiing, tot liefdes of idealen, ook al zal de melancholie je soms, als het tij tegenzit, nog zo tot wanhoop drijven.

Waar zit precies het kantelpunt waarop de mens net nog over voldoende moed, daadkracht en hoop beschikt om het tij te doen keren en over het verlies heen te stappen, of zich in ieder geval daarvan weet los te maken, om vervolgens een nieuwe verhouding tot de wereld en zichzelf te zoeken?’ (Hermsen)

Een hulp hierbij kan wellicht het essay van de Maand van de Filosofie zijn, het boek Melancholie van de onrust, van Joke J. Hermsen. In dit essay wil zij de melancholie van de onrust en de angst onderscheiden van de weemoed die juist tot reflectie, mededogen en creativiteit kan leiden.

Wat is er voor nodig om tot die creatieve herschikking ten opzichte van het verlies te komen, waarin de mens zich immers al sinds zijn kindertijd heeft bekwaamd? Wanneer laat hem het menselijk al te menselijke vermogen de weemoed te omarmen als de motor van zijn creativiteit, van zijn vermogen om tegen de klippen op te blijven denken en scheppen, in de steek? Wat is er voor deze veerkracht van het denken nodig, die ons nu, zo lijkt het althans, steeds vaker ontbreekt?’ (Hermsen)

Zie:

Doodsaaie bubbles
* Essay Maand van de Filosofie (April 2017)

Beeld: newscientist.com

‘Geloofsinhoud eerder hinderlijk dan zinvol’

filsosoferenbijschermerlicht

Ooit hoopt filosoof Dennis vanden Auweele geloof en wijsheid weer elkaar de hand te laten reiken. Maar hij vreest soms ook dat hij Pallas Athena en Sint Paulus misschien niet kan verzoenen. Hij zegt dat in zijn boek Filosoferen bij schemerlicht, een gevolg van een doctoraal onderzoek aan de KU Leuven. Met als rode draad de verhouding tussen het geloof als vertrouwen en de rede als een zoektocht naar zekerheid. Over (on)macht en (wan)hoop.

De zoektocht naar zekerheid heeft vaak het geloof als een ongelegitimeerde en nefaste vorm van onwetendheid aan de kant geschoven. Voor mij had dit als resultaat dat ik geen vertrouwen meer had in de rede. Dit boek is een poging om mijn vertrouwen in de rede te herwinnen, maar ook om te laten zien dat het geloof als vertrouwen best wel redelijk kan zijn.’ (Uit: Filosoferen bij schemerlicht)

Volgens theoloog Gijsbert van den Brink – in een commentaar op Filosoferen bij schemerlicht – vindt Vanden Auweele de geloofsinhoud van een godsdienst eerder hinderlijk dan zinvol: in de godsdiensten moet het gaan om de symbolen en om de emotie, niet om de dogmatische waarheden. Van den Brink vindt het echter bezwaarlijk dat bij deze benadering de verschillen tussen godsdiensten worden genegeerd.

Vanden Auweele wil juist over de verschillen heen springen en landen bij de overeenkomsten. In Religie is springlevend… maar waarom? merkt hij op hij dat er vorig jaar een grote congregatie van lutheranen samenkwam in New Orleans om hun zogenaamde Declaration on the way vast te leggen, waarin verklaard werd dat er geen kerk-splitsende geschillen meer zijn met de Katholieke kerk – bijna vijfhonderd jaar nadat Luther zijn befaamde vijfennegentig thesen aan de portier van de kerk van Wittenberg had genageld.

Volgens Van den Brink is het christendom vredelievender dan de islam, en heeft dat alles met de geloofsinhoud te maken: de geloofsinhoud is veel belangrijker voor religie dan Vanden Auweele erkent. Maar als we dan echt naar de geloofsinhoud gaan kijken, lijkt Van den Brink de geloofsinhoud van de islam niet echt te begrijpen. Volgens Karen Armstrong is er zelfs niets in de islam dat gewelddadiger is dan het christendom.

Van den Brink vindt dat godsdienst door Vanden Auweele wel erg individualistisch wordt opgevat: het gaat vooral om je eigen innerlijk, niet om je gedrag, zo stelt de auteur.

Vanden Auweele vraagt zich in Filosoferen bij schemerlicht af of religie vaak een nefaste uitwerking heeft omdat wij op een slechte manier met haar omgaan. Hij ziet religie een beetje zoals een trommel: hoe harder je erop slaat, hoe meer geluid hij maakt en hoe gewelddadiger hij klinkt.

Religie is een zingevend geheel van praktijken en ideeën dat uiting geeft aan de idee dat niet alles redelijk moet zijn of in het verlengde van onze vrijheid moet liggen. Sommige dingen waar ik niet voor gekozen heb, zijn toch nog van belang voor mij. En sommige dingen die mijn vrijheid niet vergroten – denk maar aan het ouderschap – blijken toch van groot belang. Een wat archaïsch woord hiervoor is heilig: aan sommige dingen komt niemand aan – zelfs als brengen ze veel ongemak mee. De religie is altijd een poging geweest om te verstaan wat wij heilig vinden. Wij gaan misschien niet meer wekelijks naar de kerk, maar we hebben wel nog steeds voeling met dingen die heilig voor ons zijn.

En wanneer je begint te prutsen aan het heilige van anderen, zo stelt hij ten slotte in zijn artikel Religie is springlevend… maar waarom?, dan zal het misschien de oorlogstrom zijn die luidt. Door voldoende openlijke dialoog – ook tussen gelovigen en niet-gelovigen mensen – kan deze dan weer plaats ruimen voor universele toenadering en een mooie harmonie.

Zie:

* Religie is meer dan emotie

* Religie is springlevend… maar waarom? 

Op de omslag: Maanopkomst aan zee – Caspar David Friedrich

Filosoferen bij Schemerlicht. Over (on)macht en (wan)hoop | Dennis Vanden Auweele Uitgeverij Klement, Zoetermeer | 2016 | ISBN 978 90 868 7194 0 | 248 blz. | € 19,95

God en de absolute waarheid van Antoine Bodar

antoinebodar (1)

Antoine Bodar weet precies hoe het zit met de waarheid. Voor de mediagenieke katholieke priester bestaat er een waarheid buiten ons. En voor die waarheid staat Bodar pal. Dat is actueel in een tijd van feiten en meningen, waarheden en nepnieuws. Bodar, een man van de prikkelende stellingen en massieve zekerheden. Niets moet hij hebben van het moderne relativisme en gruwt van de waarheid die teruggebracht is tot een afspraak, de afspraak dat de meeste stemmen gelden.

Als de meerderheid vindt dat God dood is, is Hij al bijna dood. Die opvatting van de waarheid als democratisch principe is niet de mijne. Ik ben ervan overtuigd dat er een absolute waarheid bestaat, onafhankelijk van ons denken. De bijbel leert dat ook. Christus zegt het zelf: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’ (uit: Bodar) 

De naam die Bodar aan de waarheid geeft, is dus Christus. Achter die waarheid kom je op twee manieren. Via het geloof en via het redenerend vermogen. Alleen wordt volgens Bodar het belang van de ratio bij het achterhalen van de waarheid enorm overschat. Hij citeert bij deze uitspraak Frans Kellendonk die in Geschilderd eten schreef:

Alle wetenschappelijke ondernemingen hebben aangenomen dat de wereld rationeel geordend is rond een geheim, een kern.’ (uit: Bodar) 

Bodar concludeert dat de waarheid zich door het verstand wel laat benaderen, maar nooit omvatten. Voor hem wordt de waarheid vooral gekend in geloof. Het verstand moeten we op zijn plaats terugzetten, dan komt er meer ruimte voor het hart en gevoel: het niveau van de geloofsopenbaring. Het hart kan zich dan meer openstellen voor het mysterie en derhalve ook voor God.

Waar geloof louter menselijk wordt, doet ongeloof zijn intrede. Niet de realiteit die toegankelijk is voor de zintuigen en het redenerend vermogen, maar juist hetgeen verborgen blijft vormt de bron van het leven. Uiteindelijk zijn het niet de zichtbare, maar de onzichtbare dingen die er werkelijk toe doen, omdat zij het eeuwige openbaren.’ (uit: Bodar) 

Als geloof en verstand botsen, volgt Bodar het geloof. Hij snapt niets van de maagdelijke geboorte van Christus. Zijn verstand blijft achter bij dat mysterie en dan neemt zijn geloof het over. Het geloof benadert het mysterie meer dan het verstand ooit zal kunnen, is zijn verklaring.

Bodars waarheid staat op gespannen voet met andere godsdiensten. De rooms-katholieke kerk benadert volgens Bodar de waarheid het meest zuiver, ook al zegt de kerk niet dat de waarheid niet ook elders te vinden is. Andere godsdiensten hebben volgens Bodar ook deel aan de waarheid. Daar schuilt gelijk het addertje in het gras, want ‘deel hebben aan’, blijkt volgens de priester iets anders dan ‘de waarheid bezitten’.

Er is dus een rangorde in het deelhebben aan de waarheid. Die wordt volgens Bodar het meest zuiver gevonden in de rooms-katholieke kerk en de oosters-orthodoxe kerken die over belangrijke zaken dezelfde opvattingen hebben. Minder zuiver zijn andere godsdiensten, zoals de verschillende protestantse kerken, de joden en de moslims. In het boeddhisme en hindoeïsme zijn volgens Bodar glimpen van de waarheid te vinden, maar de vele goden van het hindoeïsme blijken uiteindelijk losgemaakte eigenschappen van die ene, ware God te zijn…

Relativisme is volgens Bodar overal op zijn plaats, maar niet in het geloof. Als hij niet meer in de eucharistie zou geloven, verwordt dat tot ‘dippen en delen’. Als hij zich met een orthodoxe protestant vergelijkt, laat hij het aan de Heilige geest over wie het bij het rechte eind heeft.

En toch kan Bodar aangenaam relativeren. Er zijn volgens hem niet-katholieken die dichter bij God leven dan katholieken. Van sommige orthodox-protestantse studenten denkt hij dat hij daar nog heel wat van kan leren. De waarheid blijkt dan toch zoiets te zijn als een beslagen spiegel, zoals Bodar Paulus parafraseert. De waarheid kunnen we dus slechts zo goed mogelijk benaderen, uiteindelijk praat je toch over een mysterie, aldus Bodar.

Maar toch, maar toch… Als je Bodar goed leest, heeft de rooms-katholieke kerk als enige de absolute waarheid in pacht. Bodar denkt sterk Rome-centrisch als hij – weliswaar glimlachend – zegt dat er veel wegen naar Rome leiden, alle wegen zelfs.

Lang geleden dachten we dat de aarde het centrum van het heelal was.

Bron: Bodar | De binnenzijde van een omstreden priester | door Petra Pronk | Hoofdstuk 4. Waarheid.

Foto: Antoine Bodar (pers.kro-ncrv.nl)

De relevantie van Godsargumenten

emauelrutten-1

Overdenkingen, zo heet het nieuwe boek van filosoof Emanuel Rutten, dat in maart verschijnt. Eerder schreef hij met Jeroen de Ridder En dus bestaat God, waarin acht Godsargumenten worden beschreven. In Overdenkingen maakt hij de stap van het algemeen theïsme naar het christendom, gericht op zijn wijsgerig denken over het Christendom. Student Rahib Khawaja interviewde Rutten over samenwerking tussen moslims en christenen, naar aanleiding van Ruttens gastcollege over Godsargumenten op de Islamitische Universiteit Rotterdam.

In het interview wordt gesproken over de herleving – vooral in Amerika – van het geven van rationele argumenten voor het bestaan van God. Rutten zegt dat de klassieke argumenten sterk verbeterd zijn, en stelt dat alle kritiek van met name Immanuel Kant, David Hume en Bertrand Russell op de klassieke argumenten grotendeels is weerlegd, en er nieuwe interessante argumenten zijn bijgekomen.

Zo heeft bijvoorbeeld Alvin Plantinga een moderne versie uitgewerkt van het klassieke ontologische Godsargument van Anselmus. En Alexander Pruss heeft enkele bestaande Godsargumenten sterk verbeterd. Ik heb hem wel eens de Aquino van onze tijd genoemd. Het is een buitengewoon interessant filosoof.’

In Nederland houdt eigenlijk alleen de VU zich ermee bezig. En dan vooral Rutten, die het modaal-epistemisch Godsargument, het argument vanuit atomisme en causalisme, en meer recent ook het zogenaamde semantische argument ontwikkelde.

Khawaja vraagt Rutten of theïsten zoals moslims en christenen samen kunnen werken inzake godsdienstfilosofie en meer specifiek op het gebied van het onderzoeken en ontwikkelen van rationele Godsargumenten. Rutten bevestigt dat want die Godsargumenten zijn geldig voor álle theïstische tradities, of dat nou de islam, het christendom of het Jodendom is.

De filosoof van de Godsargumenten zegt iets meer te willen weten over de klassieke Godsargumenten uit de islamitische traditie, daar bijvoorbeeld versies van het Leibniziaanse Godsargument ook geformuleerd werden door islamitische geleerden.

Rutten zegt het eens te zijn met prof. William Lane Craig, dat het van belang is dat gelovigen zich wat meer verdiepen in de rationele argumenten voor het bestaan van God, al was het maar om niet gelijk uit het veld geslagen te worden bij de eerste de beste tegenwerping van een atheïst.

Als ze geen énkele kennis hebben van Godsargumenten en op geen enkele manier kennis hebben opgedaan over de weerleggingen van atheïsme, dan worden ze vaak snel onzeker. Ze raken dan uit het veld geslagen. Bij de eerste de beste tegenwerping heeft men dan geen repliek. Ik heb ook gezien dat veel van die jongeren daardoor hun geloof opgeven. Dat vind ik zonde, want dat is gewoon niet nodig. Er zou dus meer kennis moeten zijn over de Godsargumenten.’

De filosoof verwijst naar En Dus Bestaat God, waarin acht Godsargumenten op een vrij toegankelijke wijze worden uitgelegd, ook voor niet-ingewijden. Het is geïllustreerd met allerlei plaatjes en uitleg. Volgens Rutten zou dit boek binnen de islamitische geloofsgemeenschap óók gewoon behandeld kunnen worden, want het betreft algemeen theïsme en gaat niet over het christendom noch over de islam maar simpelweg om goede argumenten voor het bestaan van God.

In het interview gaat het ook over de weerleggingen van de Godsargumenten door de atheïstische filosoof Dr. Herman Philipse, in het boek God in the age of science. Rutten toonde zijn falen aan, meent zelfs dat alle pogingen van Philipse om de Godsargumenten te weerleggen falen.

Khawaja stelt dat sommige gelovigen niets hebben met Godsargumenten, godsdienstfilosofie en dat soort ‘logisch geneuzel’. Rutten antwoordt hierop dat Godsargumenten niet noodzakelijk zijn om intellectueel verantwoord te geloven en dat je ook zonder die argumenten kan geloven.

Ik denk echter wèl dat die argumenten belangrijk zijn om de redelijkheid van het geloof te laten zien. Vooral als je er ook over bevraagd wordt. Hierbij kan ik vanuit de christelijke traditie verwijzen naar een uitspraak van Petrus. Hij schrijft in de bijbel dat je als Christen ten allen tijde bereid moet zijn om de hoop die in je is te verdedigen. Daarnaast schrijft Paulus in brieven aan de Romeinen dat het bestaan van God reeds uit de schepping kan worden afgeleid.’

Ten slotte stelt Rutten dat gelovigen vaak weggezet worden als irrationeel, intellectueel onverantwoord of onzinnig. Goede argumenten zijn dan toch belangrijk.

Er wordt hierdoor weer ruimte geschapen om het geloof in God als een redelijke optie te zien. Het wordt dan weer een optie onder de opties. Het wordt dan weer een mogelijkheid die op tafel kan komen in plaats van te worden weggezet als irrationeel of onzinnig.’

 Zie: Fides Quaerens Intellectum (Geloof op zoek naar inzicht)

Foto: YouTube (Video gastcollege Emanuel Rutten)

Dr. ir. Emanuel Rutten (1973) is filosoof en als onderzoeker en docent verbonden aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. In de tweede helft van dit jaar komt er nog een boek van de filosoof uit: Het Retorische Weten. Daarin wordt Ruttens volledige filosofische systeem behandeld. Het omvat kennisleer, metafysica en esthetiek.

Nedermoslims tussen islam en Verlichting

wie-is-er-bang-voor-mohammed-marcel-hulspas

Marcel Hulspas schreef Wie is er bang voor Mohammed? Hierin stelt hij vragen die in feite zijn gericht aan de islamitische minderheid in Nederland. De leden daarvan hebben het privilege in twee culturen te wonen: een privilege dat niet altijd makkelijk is maar hun wel de mogelijkheid geeft bewust keuzes voor zichzelf te maken. Hulspas legt de Nedermoslims voor waar de spanningen zitten tussen islam en Verlichting en zij zullen daarop vroeg of laat een antwoord moeten formuleren. Lendering las met hem mee.

Is de islam gevaarlijk? Wil ze echt de wereld veroveren? Kunnen terroristen hun gruwelijke daden écht rechtvaardigen met een beroep op de Koran? En zaken als eerwraak, kledingvoorschriften, uithuwelijken, lijfstraffen, jihadisme… hoe zit het daar mee? Is dat allemaal islam? Of is de islam een religie van vrede? En hoeveel vrouwen mag een moslim eigenlijk hebben?’ (Atheneum)

Hulspas stelt volgens Lendering belangrijke vragen en biedt onderbouwde antwoorden. Lendering vertelt op zijn weblog over het boek en zegt dat in iets meer dan 200 pagina’s Hulspas de lezer meeneemt langs een reeks aspecten van de islam: de Koran, de profeet Mohammed, de duivelsverzen, de sharia.

En daarna een reeks thema’s waarmee de islam tegenwoordig het nieuws haalt. De status van vrouwen dus, en homoseksualiteit, slavernij, alcoholgebruik, het jodendom, vrouwenbesnijdenis, huwelijk en echtscheiding, het tijdelijke huwelijk. En ook: jihadisme en het beledigen van Mohammed.’ (Lendering)

Lendering hoopt dat het antwoord eerder vroeg dan laat komt. Wie is er bang voor Mohammed? vindt hij in feite een discussiestuk in een debat dat vooralsnog te vaak wordt gegijzeld door religieuze kwezelarij aan de ene kant en botte onbeschoftheid aan de andere. Hopelijk kan Wie is er bang voor Mohammed? die patstelling doorbreken.

Voor wie nieuwsgierig is naar de islam. Voor wie niet bang is voor de islam, maar ook geen boodschap heeft aan zoete verhaaltjes. Voor wie wil weten hoe de islam ‘werkt’, en waarom veel moslims problemen hebben met moderne westerse waarden. Terwijl andere moslims uit naam van datzelfde geloof onschuldige burgers vermoorden. Voor wie niet gelooft dat ‘de islam’ identiek is aan geweld en onderdrukking. Dat moslims ook maar gewone mensen zijn, maar weet dat de islam in een diepe crisis verkeert. Kortom, voor wie zelf durft na te denken.’ (Uit: Wie is er bang voor Mohammed? – Inleiding)

In zijn vorige boek Mohammed en het ontstaan van de islam beschreef Hulspas hoe Mohammed dertien eeuwen geleden een nieuwe religie schiep, een eigen Arabische variant op het jodendom en christendom.

In zijn nieuwste boek Wie is er bang voor Mohammed? gaat hij in op actuele ontwikkelingen. Hij legt uit hoe de islam ‘werkt’. Hoe imams omgaan met de bronnen van de islam, en zo tot controversiële uitspraken kunnen komen.’ (Atheneum)

Zie: Wie is er bang voor Mohammed? 

Wie is er bang voor Mohammed? – Alles wat u wilde weten over de islam | Uitgeverij Atheneum – Polak & Van Gennep | ISBN 9789025304980 | Verschenen: november 2016 | 216 pag. | € 15,00 | E-book | ISBN: 9789025304997 | Prijs: € 9,99

De filosoof en het ‘kan-zijn’ van God

godendekunstvanhetvissen

‘Kort geleden verscheen God en de kunst van het vissen. Het is een persoonlijke zoektocht naar God. Ouaknin, zegt zijn uitgever, zoekt naar het ‘kan-zijn’ (in het Frans: peut-être) van God in de tradities van de meesters van de Talmoed door een verzameling van citaten, verhalen en gedachten te bundelen waarin je op het eerste gezicht lijkt te verdwalen.’ Aldus Trouw in een interview met de Frans-joodse filosoof en rabbijn Marc-Alain Ouaknin: ‘Blijf zoeken naar de waarheid’.

Interviewer Benoit Lannoo vraagt aan Ouaknin of de huidige crisis van het denken in het Westen iets te maken heeft met de ‘waarheid’, daar we niet meer spreken met maar tegen elkaar: we rollebollen met feiten, zelfs alternatieve feiten, over de vloer, waarheden lijken voortdurend tegen elkaar op te botsen…

Dit boek is opgebouwd als een dagboek, dag na dag geschreven en vaker nog nacht na nacht cirkelend rond de Godsvraag. Een dagboek-verhaal waarin volgens een heel nauwkeurige logica, eerder associatief dan oorzakelijk, teksten elkaar opvolgen: overwegingen, dromen, muziekfragmenten, persoonlijke anekdotes, chassidische en Talmoedische verhalen, al dan niet bekend, gedichten, bibliografische verwijzingen en citaten van hedendaagse of klassieke auteurs…’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Ouaknin antwoordt Lannoo dat waarheden worden verkondigd zonder de nodige openheid voor verdere discussie: het eigene aan het Talmoedische denken is dat je, dankzij de ander, vermijdt in de verabsolutering van je kennis te vervallen; het gaat om een wederzijds weten dat wakker gehouden wordt in een wederzijdse ontmoeting.

We krijgen gezelschap van een jonge vrouw die door de lucht kan vliegen, een Meester en zijn leerling, een andere jonge vrouw die verschijnt en verdwijnt zonder naam of adres achter te laten, een zalm die tegen de stroom in reist, Jezus verdwaald in een Pools dorpje in 1943, onverwachte objecten: een publieke zitbank, een horloge met Romeinse cijfers, een paraplu, een groene fles gevuld met rode wijn en een verliefd iemand die gedichten schrijft.’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Volgens Ouaknin ontbreekt het ons vooral aan het kritische instrumentarium om met de wereld zoals die ons gegeven is, om te gaan: ‘Als je aan iemand pakweg een Bijbeltekst voorlegt – ik heb het niet over de Koran omdat ik er niet in thuis ben, maar wellicht gaat de redenering ook op voor de gebrekkige omgang van velen met allerlei Koranfragmenten – is de kans groot dat hij of zij niet over de instrumenten beschikt om die te interpreteren.’

Wees als lezer niet verwonderd wanneer je een overweging leest over de kunst van het vissen en het leven van zalmen en misschien, als er tijd en inkt overblijft, ook een overweging over de Messias. Net zoals in de Talmoed, waar de exegeses van Bijbelteksten een vlechtwerk vormen van vertellingen en filosofische en theologische analyses, vind je ook hier als lezer stukjes Bijbelexegese afgewisseld met wáre verhalen en ware verhálen.’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Lannoo vraagt zich af hoe het komt het dat we nu niet meer over waarheden discussiëren, waarop Ouaknin antwoordt dat het onderwijs tekortschiet. Hij vraagt zich af wanneer de Europese ministers van onderwijs rond de tafel gaan om te overleggen hoe we jonge mensen kritisch leren omgaan met de bronnen van hun traditie.

Een dagboek-verhaal waarin ik het ook nog heb over de Wijsheid, over het Boek en de Schrift, over het Joodse vraagstuk en over de jood als vraagstuk, over de wereld en over God, over de wereld zonder God, over de dood en over de liefde… Zo nu en dan met humor! Want het ernstige hoeft niet noodzakelijk gewichtig te zijn.’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Zie: ‘Marc-Alan Ouaknin: Blijf zoeken naar de waarheid’ (Trouw)

Marc-Alain Ouaknin | God en de kunst van het vissen | Tielt | Lannoo | 240 pagina’s | 17,99 euro | De persoonlijke zoektocht naar God van een eigenzinnig Joods filosoof – Onophoudelijk vragen stellen, vaststaande ideeën loswrikken, verbanden leggen tussen religie, filosofie, kunst, humor en erotiek. Dat kenmerkt het denken van Ouaknin.’ Zo besluit Christiane Berkvens haar recente boek Marc-Alain Ouaknin. De joodse gids van deze tijd. En daarmee is ook de kern van Ouaknins sleutelwerkje God en de kunst van het vissen samengevat: zoeken naar God is zoals de visser die met eindeloos geduld wacht op de vis om hem dan zijn vrijheid terug te geven. Het is de manier proberen te vatten waarop het oneindige in contact komt met het eindige. (Uitgeverij Lannoo)

Waren de gelovigen tot 1960 achterlijk?

professorbestaatgod

Barthel voert het hele verhaal weer op: klassiek geloof, dat is een almachtige God – ook hier weer voorgesteld als een oude man met een baard op een wolk – die fungeert als antwoord op al onze vragen. Wanneer laten we eens de gedachte los dat gelovigen van het jaar 0 tot 1960 achterlijk waren? Trouw bespreekt het boek Professor, bestaat God? van Peter Barthel, hoogleraar astrofysica aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dat boek maakt van recensent Wolter Huttinga een theologische mopperkont, de zoveelste in het rijtje.

In het kader van ‘redenen om het boek niet te lezen’ leidt dat tot drie ergernissen over de uitspraken: ‘God bestaat niet en heeft dat ook niet nodig’; ‘God is geen persoon’ en ‘Wetenschap is een objectieve vorm van wereldbeschouwing, en dan heb je daarnaast ook nog het ‘gevoel’ en het ‘geloof’.

‘God bestaat niet en heeft dat ook niet nodig’. Klopt, maar doe niet alsof dat een hippe gedachte is. God bestaat niet zoals wij zeggen dat een stoel of een persoon bestaat. Eerder is God het zijn zelf, esse, ‘to be’. De hele klassieke traditie heeft Gods ‘zijn’ op zo’n manier besproken dat dat zijn zo allesoverstijgend en tegelijk intiem in alles aanwezig is, dat we weer uitkomen bij Barthels verwondering. ‘Waar liefde is, dáár is God’.’ (Huttinga)

‘God is geen persoon’. Logische gevolgtrekking van bovenstaand verhaal nietwaar? De klassieke theologische traditie behield echter een subtiliteit die Barthel ontbeert. Inderdaad, God ‘bestaat’ niet (denk weer aan die baardman), dus is hij ook geen allemachtig uitvergrote ‘persoon’. Maar als God meer dat karakter van ‘zijn’ heeft, en dus op het allergrootste en het allerkleinste niveau in diepste zin ‘aanwezig’ is, zou je dan niet toch kunnen zeggen dat hij ‘erbij’ is, dat hij zich toewendt, of zelfs luistert? Kortgezegd: dat God oneindig meer en anders is dan een menselijke persoon betekent nog niet dat hij op geen enkele manier meer ‘persoonlijk’ mag zijn.’ (Huttinga)

‘Wetenschap is een objectieve vorm van wereldbeschouwing, en dan heb je daarnaast ook nog het ‘gevoel’ en het ‘geloof’. Een verleidelijke zienswijze, maar nogal oppervlakkig. Alsof iedere vorm van wetenschap niet ook gewoon door traditie, gemeenschap en de meest irrationele beeldvormingsprocessen gevormd wordt. En wie heeft de scheidslijn tussen ‘schoonheid’ en ‘religie’ vastgesteld? Deze boedelscheiding gaf wellicht ooit een opgeruimd gevoel, maar is aan alle kanten zo lek is als een mandje.’ (Huttinga)

De zevenjarige Anco Visser staat aan de wieg van dit boek en stuurde – drie jaar geleden -zijn vraag of God bestaat naar de universiteit en kreeg als uiteindelijk antwoord op zijn vraag: ‘Nee, God bestaat niet als een persoon die ver weg in de hemel woont. Hij bestaat in hoe jij en ik leven.’ En: ‘Het ga je goed!’

Wilfred van de Poll vertaalde de brief van sterrenkundige Barthel voor volwassenen en daarin citeert hij ene rabbi Mendel die aan zijn medegeleerden vraagt: ‘Waar woont God?’ Die lachen hem uit en zeggen: ‘Overal toch?’ Mendel schudt zijn hoofd. ‘Nee’, zei hij. ‘God woont alleen daar waar men hem binnenlaat’.

Als God als almachtige bovenbaas niet bestaat, is alle religie of spiritualiteit dan ook meteen achterlijk? Moeten we de ratio tot norm verheffen? Dat doen atheïsten als Herman Philipse, Christopher Hitchens en Richard Dawkins. Volgens mij leveren zij een achterhoedegevecht tegen orthodoxe gelovigen van allerlei snit, die – toegegeven – soms weigeren hun verstand te gebruiken en daarmee in de Middeleeuwen zijn blijven steken.’ (Van de Poll)

Of God bestaat, daar kunnen we volgens Barthels met onze wetenschappelijke kennis geen zinnig woord over zeggen.

Trouwens, waarschijnlijk bestaat God niet, zegt Barthel. Niet ‘als een persoon die in de hemel woont, de wereld bestuurt en voor jou zorgt. Het goede en het mooie in deze wereld – dat is wat ik God zou willen noemen. God bestaat in hoe jij en ik leven. Als mensen voor elkaar willen zorgen, dan zie je dáár iets van God.’ 

Drie sterk geformuleerde ergernissen van Huttinga. Zelf houd ik het bij Albert Einstein. Hij vond dat de hele kosmos zich openbaart in zulk een ordelijke harmonie, dat hij dat met zijn beperkte kennis – zoals hij zelf zei(!) – amper kon bevatten. ‘Toch zijn er mensen die beweren dat er geen God is. Ik word echt boos dat ze mij aanhalen als verdediger van hun standpunt. Ik ben geen atheïst.’ Mensen die de Schepper afwezen noemde hij ‘fanatieke atheïsten’.’

De religie van de toekomst zal een kosmische religie zijn. Het zou een persoonlijke God moeten transcenderen, en dogma en theologie vermijden. Zowel het natuurlijke als het spirituele betreffende, zou het gebaseerd moeten zijn op een religieuze intuïtie, afkomstig van de ervaring van alle natuurlijke en spirituele dingen als een betekenisvolle eenheid. Het boeddhisme beantwoordt deze beschrijving. Als er een religie is die om zou kunnen gaan met de moderne wetenschappelijke behoeften, zou dat het boeddhisme zijn.’ (Einstein)

Zie:

Professor, bestaat God? | Peter Barthel | Amsterdam University Press | 104 blz. | €9,95

‘Religie bood een denkrichting. Wetenschap niet.’

homodeus

‘We kunnen atomen splitsen, menselijke cellen kweken in varkens en sterrenstelsels ontdekken, maar het brengt ons geen stap dichter bij het enigma des levens. Zelfs het slimste algoritme kan hier geen antwoord op kan geven.’ Jaap Tielbeke, van De Groene Amsterdammer: ‘Ooit boden religies en ideologieën houvast, maar in een volstrekt onttoverde wereld missen we een gemeenschappelijke horizon.’

Tielbeke bespreekt de op 23 februari te verschijnen Nederlandse vertaling van Homo Deus, van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. En wat dat uitblijven van een antwoord van het slimste algoritme betreft, verwijst Tielbeke in zijn artikel De betekenis van het leven naar een scène uit de sciencefictionklassier A Hitchhiker’s Guide to the Galaxy:

waarin de computer Deep Thought wordt gevraagd naar het ‘antwoord op de ultieme vraag over het Leven, het Universum en Alles’. Na 7,5 miljoen jaar rekenen komt Deep Thought met een antwoord: ‘42’.’

Een onbeantwoorde vraag is nog steeds: wat is de betekenis van het leven? Religie bood een denkrichting, maar de wetenschap niet. Vroeger konden we onze blik nog tot de hemel richten, maar sinds de dood van God zijn we voor dit soort brandende vragen op onszelf gericht. Een overtuigd ‘tegenverhaal’ wordt gemist.

Homo Deus ziet echter een nieuwe religie: het dataïsme, de alwetendheid van Big Data en de kracht van algoritmen, met als tempel Silicon Valley, waar de hogepriesters van het geloof in technische vooruitgang in hoog tempo bezig zijn om de mens goddelijke kwaliteiten te verschaffen.

Nieuwe levensvormen scheppen, op afstand communiceren, zich verplaatsen met hoge snelheden en het eeuwige leven leiden: in het verleden waren dit soort ‘supervermogens’ enkel voorbehouden aan goden. Maar inmiddels leven we in het tijdperk van de Homo Deus, de mens-god.’

We grijpen volgens Tielbeke dus niet langer naar mythes of goden, maar naar wetenschappelijke instrumenten en nieuwe technologieën. Maar, zo stelt hij kritisch naar Harari, voor een christen is God geen fictie, voor een gelovige is Hij een absolute waarheid.

Net zoals voor een hardcore kapitalist de wet van de onzichtbare hand even onbetwistbaar is als de wet van de zwaartekracht. Of zoals de communist heilig gelooft in de klasseloze maatschappij. Zulke verhalen kunnen enkel als bindmiddel fungeren zolang ze hun eigen fictieve gehalte ontkennen.’

Volgens Tielbeke gaat Homo Deus verder waar die eerste bestseller (Sapiens) eindigde. De mens is zo machtig geworden dat we God naar de kroon steken, maar eigenlijk hebben we geen flauw idee wat we met al die macht aan moeten.

Hongersnoden zijn nagenoeg de wereld uit geholpen, oorlogen worden steeds zeldzamer en iedere generatie leeft langer en gezonder dan de vorige. Luilekkerland ligt om de hoek, maar wat nu? Een nieuwe horizon ontbreekt, schrijft Harari: ‘Als brandweerlieden in een wereld zonder vuur, zo moet de mensheid zich in de 21ste eeuw een unieke nieuwe vraag stellen: wat gaan we nu met onszelf aanvangen?’

We zijn mensen aan het upgraden tot goden, is de mening van Harari, want hoe gaan we om met technologie waarmee we nieuw leven kunnen ontwerpen alsof het een bouwpakket is? En wat als de dood, de grote gelijkmaker, straks niet langer onvermijdelijk is? Door dit soort vragen in historisch perspectief te plaatsen laat Harari volgens Tielbeke zien hoe ingrijpend de revolutie is waarvan we aan de vooravond staan.

Als grote blinde vlek van de wetenschap noemt Harari ‘gelukkig zijn’, en hebben academici de geschiedenis van vrijwel alles onderzocht – politiek, economie, seksualiteit, voedsel – maar zelden de vraag gesteld welk effect dit heeft op het menselijk geluk: dat is de grootste lacune in ons begrip van de geschiedenis.

Met de opkomst van het individualisme en de teloorgang van de collectieve ideologieën is geluk misschien wel onze opperste waarde geworden.’

Harari vraagt zich ook af wat als kunstmatige intelligentie aan de menselijke controle ontsnapt en zich als een Monster van Frankenstein tegen haar schepper keert? Wat als Google en Facebook ons leven volledig beheersen, of we langzaam afglijden naar een orwelliaanse politiestaat?

De grote verdienste van Harari is dat hij al deze inzichten samenbrengt en integreert in een alomvattende geschiedenis, waardoor de boodschap stevig aankomt. We staan op de drempel van een compleet nieuwe fase in de evolutie. En er is geen enkele garantie dat die er rooskleurig uit zal zien.’

Zie: De betekenis van het leven (De Groene Amsterdammer)

Yuval Noah Harari doceert geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Sapiens, zijn kleine geschiedenis van de mensheid, werd in veertig landen vertaald. Wereldwijd werden er meer dan 1 miljoen exemplaren verkocht. Homo Deus is het meesterlijke vervolg.

‘Homo Deus – Op onnavolgbare wijze beschrijft Yuval Noah Harari in zijn bestseller Sapiens 70.000 jaar menselijke evolutie, maar met Homo Deus richt hij zich op de toekomst. Met zijn kenmerkende vermenging van wetenschap, geschiedenis en filosofie onderzoekt Harari de dromen en nachtmerries van de eenentwintigste eeuw – van onsterfelijkheid tot kunstmatig leven. Hij stelt fundamentele vragen: Waar gaan we naartoe? Hoe beschermen we onze kwetsbare wereld tegen onze eigen verwoestende krachten? En als we in staat zijn door technologische vooruitgang ons lichaam en onze geest te verbeteren, wat gebeurt er dan met de mensen die zich niet laten upgraden? Wat voor sociale gevolgen zal deze tweedeling hebben? Volgens Harari is het essentieel om meer te begrijpen van de technologische revoluties om ons heen, anders hebben we geen invloed op de koers van onze toekomst. Dit is de volgende stap in onze evolutie. Dit is Homo Deus. Met een voorwoord van Bas Heijne.’ (Uitgeverij Thomas Rap)

Kan bewustzijn onafhankelijk van de hersenen bestaan?

mind-2

Filosoof Arnold Ziegelaar geeft in zijn boek Oorspronkelijk bewustzijn fundamentele kritiek op het fysicalisme (of materialisme: alles wat bestaat, inclusief de mens en de menselijke geest is fundamenteel fysisch) zonder de sterke kanten ervan uit het oog te verliezen. Hij behandelt verschillende theorieën uit de hedendaagse philosophy of mind (de tak van filosofie die zich bezighoudt met problemen als de verhouding tussen lichaam en geest.)

Godsdienstfilosoof en theoloog Taede A. Smedes schreef er een recensie over. Hij vindt dit boek nog indrukwekkender dan het eerdere boek van Ziegelaar: Aardse mystiek: Inleiding in de filosofie van de verwondering. Dat belooft wat voor deel drie, dat over het bestaansmysterie zal gaan.

In het boek Oorspronkelijk bewustzijn bekijken we deze vragen vanuit de filosofie. In wat de auteur het neuromane denken noemt wordt, als het over bewustzijn gaat, altijd onmiddellijk over de hersenen gesproken. In dit boek echter staat eerst de vraag ‘Wat is bewustzijn?’ centraal. We onderzoeken bewustzijn door te rade te gaan bij denkers uit oost en west. We komen tot een definitie van bewustzijn, geven fundamentele kenmerken ervan en proberen bewustzijn te begrijpen in relatie tot ruimte en tijd. In het begrip van de triniteit wordt de verwevenheid van bewustzijn, ruimte en tijd gedacht.’ (ISVW Uitgevers)

De schrijver combineert volgens Smedes de goede kanten van de verschillende posities om te komen tot een positie die naturalistisch dualisme heet: bewustzijn is een volkomen natuurlijk verschijnsel, maar is niet te begrijpen uit alleen fysische processen.

In dit boek pakt Ziegelaar het raadsel van het bewustzijn op met een gretigheid die in Nederland ongekend is. Wat is bewustzijn? Hoe is er doorheen de geschiedenis over bewustzijn gedacht? En kunnen we bewustzijn natuurwetenschappelijk doorgronden?’ (TS)

Smedes noemt het boek complex en hoewel Ziegelaar ongelooflijk helder en pakkend schrijft, vindt hij het bij tijd en wijle toch echt een bijzonder moeilijk boek. Dat hij toch door blijft lezen komt volgens de godsdienstfilosoof doordat Ziegelaar als een volleerd docent zijn betoog regelmatig samenvat, zodat je precies weet waar je bent.

Ook al begrijp je sommige stukken niet of ontgaan je nuances, Ziegelaar houdt je bij de les. (…) ‘En terwijl het boek grondig en diepgravend is – niet alleen wordt de geschiedenis van het denken over bewustzijn van de Oudheid tot nu beschreven, maar bovendien geeft Ziegelaar een overzicht van vrijwel alle stromingen binnen de philosophy of mind – weet Ziegelaar tegelijkertijd het boek overzichtelijk te houden door zich tot de kern van de problematiek te beperken. Een on-Nederlands diepgravend werk dat het in zich heeft een standaardwerk te worden.’ (TS)

Dit boek is voor filosofisch geïnteresseerden een must, zegt Smedes. Zelden heeft hij een boek gelezen dat zo naadloos en probleemloos continentaal-fenomenologische benaderingen weet te combineren met de Angelsaksisch-analytische philosophy of mind.

Zie: Arnold Ziegelaar: Oorspronkelijk bewustzijn (boekbespreking) (Taede A. Smedes)

Beeld: Research Guides – University of Wisconsin-Madison

Arnold ZiegelaarOorspronkelijk bewustzijn | Leusden | ISVW Uitgevers 2017, 575 pagina’s | paperback | ISBN 978-94-91693-85-4 | 27,50 euro

Geloven in een God die niet hoeft te bestaan

geloofenwetenschap

Hoogleraar fundamentele theologie, Marcel Sarot, belijdt niet dat God bestaat, maar wel dat hij in Hem gelooft. Het bestaan van God beargumenteren hoeft niet van Sarot. Een variatie op geloven in een god die niet bestaat van Klaas Hendrikse? God ‘gebeurt’ volgens de laatste; volgens Sarot hoef je alleen maar in Hem te geloven. Een taalspel over God, daar leek de studiedag van de christelijke filosofie op. Wie spreekt het beste over God, de filosofen of de christenen?

Waarom zijn argumenten dan toch belangrijk? In de eerste plaats hebben we ze nodig als we aan anderen willen uitleggen waarom we al dan niet geloven in God. (…)In de tweede plaats zijn argumenten belangrijk, omdat ze min of meer de redelijke grenzen aangeven van onze standpunten; ze bepalen de denkruimte die wij ons kunnen veroorloven.’ (Uit: God bewijzen)

Een argument voor Gods bestaan is een goed argument als het iets toevoegt aan de geloofwaardigheid van Gods bestaan. Als er genoeg van zulke argumenten zijn, is het alleen al op basis van die argumenten – nog los van persoonlijke ervaringen bijvoorbeeld – redelijk om te geloven dat God bestaat.’ (Uit: God bewijzen)

Universitair docent filosofie, Jeroen de Ridder, van het ‘project van de God van de filosofen’, erkent dat het geloof in God geen wetenschappelijke hypothese is, maar een liefdesrelatie, maar dat we echter in een tijd leven waarin er getwijfeld wordt aan het object van deze liefdesrelatie. Hij stelt dat argumenten kunnen helpen om in te zien dat er goede redenen zijn voor het geloof in God.

Dat is van belang in apologetische gesprekken met atheïsten of agnosten. Hij noemde zijn methode ‘het project van de God van de filosofen’. Kenmerkend is het argumenteren voor de waarheid van specifiek christelijke geloofsovertuigingen, de redelijkheid van het geloof in God en het doordenken van de klassieke eigenschappen van God.’

Volgens Sarot komt de denkwijze van De Ridder voort uit het funderingsdenken van de Verlichting: je kunt niet geloven zonder goede gronden, zonder fundament, en Godsbewijzen worden dan ingezet om dat fundament te leggen. Volgens Sarot spreekt de theologie veel genuanceerder over het Persoon-zijn van God.

Daar is God één Wezen in drie Personen. Dat redeneert moeilijker dan in een Godsbewijs. Wie verder wil komen op deze weg van het argumenteren over God, zal moeten laten zien wát wij over God geloven en waarom wij dat geloven. Dat is lastiger, maar het kan niet anders als je andere mensen daarvan wilt overtuigen.’

Dat wát en waarom liet Sarot helaas niet zien, maar volgens hem maakt de manier waarop De Ridder (de schrijver van, samen met Emanuel Rutten, En dus bestaat God) over God spreekt toch dat je in feite meegaat in het taalspel van hen die over God willen spreken als hypothese.

Maar jullie taalspel deugt niet. De eerste christenen geloofden niet dat God bestáát. Geloven ín is wat anders. God ís op een andere wijze dan wat in de werkelijkheid ís.’

paas_peels_god_bewijzen

Maar in de werkelijkheid leven we. En het is geen taalspel, maar wetenschappelijke ernst. Jeroen de Ridder verwees onder meer naar het boek God bewijzen van Rik Peels en Stefan Paas. Daarin beschrijven zij zes argumenten als een cumulatieve case, en de tegenwerpingen. Ze bespreken daarin het kosmologisch argument; argumenten op basis van bewustzijn; het argument op basis van godservaringen; het argument op basis van finetuning; het argument op basis van wonderen en het ontologisch argument. De argumenten moeten volgens de schrijvers samen worden gezien: zelfs als ze afzonderlijk niet zo sterk zijn, vormen ze samen een goede case voor Gods bestaan.

Bron: Studiedag christelijke filosofie: ‘Godsbestaan niet te bewijzen, alleen te beargumenteren’

Beeld: geloofenwetenschap.nl

God bewijzen | Stefan Paas & Rik Peels | Uitgeverij Balans, Amsterdam | ISBN 978 94 600 3725 2 | nur 730 | | € 19,95 | E-book € 9,99