Is er onder de velen die in kerken, synagogen en moskeeĂ«n hun gebeden uitspreken en hun loflied zingen, nog iemand die begrijpt dat je godsdienstige waarheden niet moet zeggen, maar moet uitleven?â Een uitspraak van rabbi Abraham Joshua Heschel, geciteerd door hoogleraar filosofie aan Emory University, George Yancy, in zijn artikel Is uw God dood? in The New York Times. Hij zegt hierin dat Heschel waarschuwt voor âeen uiterlijke naleving van rituele wetten, vermengd met onwaarachtigheid en zelfingenomenheid; een opvoering van religieuze gebruiken als een vorm van opportunisme’.
âHoe durven we voor God te verschijnen, met onze gebeden, terwijl we wreedheden begaan tegen zijn enige beelddrager: de mens?â
(Joshua Heschel)
Yancy stelt de vraag of uw God dood is, of u Hem hebt begraven in de grootse, versierde crypten van uw godsgebouwen, of u met uw theologie, uw luidruchtige, statige gebeden en uw begaafde redevoeringen de grafrede heeft ingeluid. Ook aan zijn handen kleeft bloed, zegt Yancy zelf, schuldbewust, want hij ontliep de mogelijkheid om iets heiligs te ontdekken in het gelaat van de Ander.
âIk weet vrij zeker dat ik wegkeek, toen ik onlangs vanuit een ooghoek een dakloze zag naderen. Het lukte me niet om in die dakloze man mijn naaste te ontdekken.â (Yancy)
Volgens Yancy waarschuwde Abraham Joshua Heschel (1907-1972) – een in Polen geboren, joods-Amerikaanse rabbi en activist die in Duitsland studeerde met Martin Buber en later goede vrienden werd met Martin Luther King jr. – geregeld voor het gevaar van theologische en religieuze oppervlakkigheid, voor onze neiging om ons meer druk te maken over de zuiverheid van dogmaâs dan over de waarachtigheid van ons liefhebben.
Ook verwijst Yancy naar theologe Elisabeth T. Vasko die schrijft dat menszijn zijn bestaansrecht vindt in relatie tot de ander. Als er nog maar een klein beetje leven in uw God aanwezig is, vervolgt Vasko, dan kunt u hem begeesteren door de nabijheid van dat gebroken gezicht â van die dakloze – te zoeken.
âAls uw God dood is, dan ligt wederopstanding verscholen in de erkenning van de pijn en het leed van dat beeld Gods, daar op straat.â

Damon Winter / The New York Times
Yancy zegt moeite te hebben met het gebrek aan godsdienstige en theologische woede, over armoede in eigen land en wereldwijd, over racisme en white supremacy, over seksisme, klassendiscriminatie en homofobie, over treiterij, opgetrokken muren, alternatieve feiten, immigratiestops en xenofobie. Hij verwijst weer naar Heschel die ons eraan herinnert dat als we ons leven op leugens bouwen, onze wereld in een nachtmerrie kan veranderen. Ook wijst hij erop dat de Holocaust niet plotsklaps tevoorschijn kwam.
âHij is over meerdere generaties ontstaan en was geworteld in een leugen: namelijk dat de Jood verantwoordelijk was voor alle sociale gebreken, voor alle individuele noden. Decimeer de Joden en alle problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon.â
Yance zegt nu dezelfde tekenen te zien en heeft Joodse mensen gesproken, wiens ouders Hitlers tirannie konden ontvluchten, maar die alle seinen op rood zien springen nu Trump aan de macht is. Yance verwijst naar Heschel als die schrijft dat een profetisch woord een schreeuw in de nacht is, en wacht nog op het moment dat zoân schreeuw hem wakker schudt.
âHet is die schreeuw, die diepe, existentiĂ«le weeklacht, die ons schuldig doet ontwaken en ons doet zien dat we âGod liefhebbenâ, maar de arme vergeten, de vluchteling weigeren, muren bouwen, de vreemdeling uitbannen; dat we bidden en lofprijzen in bekrompen en gesegregeerde âheiligeâ plaatsen, waar racisme, seksisme, patriarchisme, xenofobie, homofobie en onverschilligheid wonen.â
Ten slotte vertelt Yance dat in een gesprek met Martin Luther King, in 1968, Heschel vroeg waar God vandaag woont. Yance stelt diezelfde vraag vandaag, maar moet het antwoord schuldig blijven.
âHeschel vraagt ook: âWaar is moreel religieus leiderschap vandaag te vinden?â Ik kijk om me heen, maar zie het niet. Misschien kom je me, zoals Diogenes de Cynicus, bij daglicht tegen met een lamp. Maar in plaats van te zoeken naar een eerlijk mens, tref je me in de catacomben van je eigen maaksel, met de vraag: âIs uw god dood?â
Is uw God dood? (De Nieuwe Koers) â âIs uw God dood? Nee, ik bedoel niet de god van de filosofen of de wijsgeren, maar, zoals Blaise Pascal het formuleerde, de âGod van Abraham, God van Izak, God van Jacob.â (George Yancy)
Foto: David Shankbone – ‘Street Sleeper 1 in New York City’
Update 18-012025 (Lay-out)




Met de verbindende verhaallijn wil hij niet verdoezelen dat het in feite gaat om exegetische en dogmatische knelpunten, zegt André F. Troost (foto: cover boek) in het voorwoord van zijn boek.
Soms wordt het zelfs zo spannend, volgens Dekker, dat hij zich afvraagt of de schrijver zelf nog grond onder de voeten overhoudt, en uiteindelijk blijkt dat wel zo te zijn, maar niet gevoel en verstand geven dan de doorslag, doch de wil.



Antropoloog en historicus Hans Feddema (foto: Twitter) stelde op 5 november – in zijn artikel Levenskunst met accent op onze innerlijke reis – bij Zinweb dat 



In het interview in Verslaafd aan God zegt
Met andere woorden, vervolgt Rollins, een kerk waar de liturgische structuur God niet behandelt als een product dat ons heel zegt te maken (en een oplossing is voor al onze problemen), maar als het mysterie dat ons in staat stelt uitbundig te leven te midden van de moeilijkheden van het leven.




