Iets wat ons begrip te boven gaat

Filosoof René van Woudenberg maakt altijd onderscheid tussen het weten dat er iets is, en het weten wat de precieze aard ervan is. ‘Wij geloven bijvoorbeeld dat er gedachten bestaan. Ik denk dingen, jij denkt dingen, ik denk dat jij bepaalde dingen denkt. Dus, wij zijn het erover eens, er zijn gedachten.’ Van Woudenberg filosofeert hierover verder in een interview in De Nieuwe Koers van afgelopen september. Hij ­gelooft dat de mens de kroon van de ­schepping is, maar tevens ook het meest verschrikkelijke roofdier.

René van Woudenberg
is ook hoogleraar kentheorie en ontologie en denkt door over gedachten. Als je hem vraagt wat dat nou precies zijn, zegt hij of we dan gaan praten over hersenstroompjes. Hersenprocessen? Er vindt van alles plaats in onze breinen, maar hebben we daarmee begrepen wat een gedachte is?

Nee, het zijn mysterieuze dingen, maar dat betekent niet dat we eraan hoeven twijfelen of ze bestaan. Zo aanvaard ik fundamentele dogma’s zoals de menswording en de verzoening als reëel, ook al begrijp ik lang niet hoe dat precies kan, dat God mens wordt, en hoe dat precies werkt dat door het sterven van Christus verzoening plaats heeft gevonden. Ik ken hier verschillende theorieën over, sommige erg goede zelfs, maar er blijft iets in wat het begrijpen te boven gaat.’

Het verwondert Van Woudenberg hoe de wetenschap laat zien hoe onbegrijpelijk alles is.

Er is inmiddels bijvoorbeeld een hele dierentuin aan elementaire deeltjes gedefinieerd, waarvan sommige wetenschappers zich afvragen: hebben we het hier eigenlijk nog wel over fysisch materiaal? Intuïtief zeg je: dit is geen materie meer. Het is iets anders; roterende ladingen of zo. Als ik onderzoek hierover lees, denk ik: wordt het nu begrijpelijker? Of mysterieuzer?’

De filosoof vindt dat mensen bezig zijn de planeet naar de ondergang te helpen. Dat stemt hem somber, maar tegelijkertijd gelooft hij ook dat ieder mens goddelijke schepping is, beelddrager van Hem en iemand met wie Hij het gesprek begonnen is. Daar zit voor hem de grootste spanning.

Mijn geloof dat er een hoopvolle toekomst is, staat tegenover mijn totale scepsis over het weten hoe dat gerealiseerd gaat worden.’

Interviewer Felix de Fijter vindt de gedachte van Van Woudenberg dat de mens een roofdier is, iets om moedeloos van te worden. Maar dan noemt Van Woudenberg toch de hoop, uitgedrukt in ons klagen. De Bijbel verwoordt voor hem die weeklacht. Een heel boek gaat in de Bijbel over klagen. Maar een wezenlijke, authentieke klacht noemt hij de erkenning van een waarde. Hij verwijst naar de Klaagliederen.

We moeten geen zeurpieten worden, maar een echte klacht, ik denk dat dat voor onze zielen iets heel goeds is. Want in die klacht wordt ook hoop uitgedrukt; hoop die voorbij al onze scepsis reikt.’

Volgens Van Woudenberg appelleert het christelijk geloof aan verlangen en hoop. Zou dat alles zijn? Iets van concrete actie, mag dat ook? Want met klagen, verlangen en hopen alleen bereik je niets. In het interview verwijst de hoogleraar naar Augustinus die zei dat ‘een verlangen dat mensen in beweging krijgt misschien wel van God komt’. Die beweging moet blijkbaar met God beginnen. Volgens Van Woudenberg is ‘God met ieder mens het gesprek al begonnen; ook al kun je dat zelf niet aanwijzen’. 
Hopelijk zijn het geen vrijblijvende gesprekken.

Zie: ‘Ineens kreeg ik de grote diepte onder mijn voeten in de gaten’ (De Nieuwe Koers) – of via Blendle.

Beeld: Alfons Schuler (Pixabay)

About Paul Delfgaauw

Paul Delfgaauw is freelance tekstschrijver voor de Academie voor Geesteswetenschappen, Utrecht. Opleiding Religiestudies – richting Media & Cultuur (2014 – 2019) – aan de Academie voor Geesteswetenschappen Utrecht (eindexamenscriptie: ‘Het draagbare Joodse vaderland’), verkent verkent sinds jaar en dag - de laatste twaalf jaar via zijn blog Goden en Mensen - filosofie, religie en spiritualiteit.

1 Response

  1. citaat: “…..gelooft hij ook dat ieder mens goddelijke schepping is, beelddrager van Hem en iemand met wie Hij het gesprek begonnen is.”
    einde citaat.

    Toen ik 7 jaar was, op de katholieke school, zou ik de eerste heilige communie doen.

    Mij was verteld, dat ik dan met Jezus, die god is, kon praten. Dat betekent communie! Gemeenschap, communiceren……

    Dus na enkele weken oefenen en biechten en bidden was het zo ver. Netjes naar voren lopen. In een speciaal gekocht net pakje. Je handen onder een laken duwen. Daar kwam de priester aan van links naar rechts, met een gouden kelk en hosties. Op het juiste moment je hoofd naar achteren buigen, je mond wijd open en je tong uitsteken. Dan werd er een hostie op gedrukt. Voorzichtig naar binnen. Heel voorzichtig, je mocht niet op god bijten, dat was erger dan een dood-zonde: heiligschennis. Wat je als 7 jarige (of was ik zes?) al niet over verschrikkelijke dingen gehoord had. En, verdomd als het niet waar is, bleef god nog aan mijn gehemelte plakken. En je kon hem ook niet met je tong los duwen. Maar ja, in de bank teruggekomen, op je knieën op een vilt matje op een plank, kan je dan met eindelijk met de “communie” beginnen. “Hallo god, ben je daar?”……………………………… stilte.
    “Hallo, Jezus, zeg eens wat……………… stilte”

    Toen was ik van mijn geloof gevallen. (Hoewel ik eigenlijk er nog niet eens aan begonnen was) Ik wist toen heel echt zeker: dat katholieke geloof is of onzin, of oplichting, of iets anders, maar in ieder geval on-geloof-waardig.

    Dus als ik lees: ” iemand met wie Hij het gesprek begonnen is”, dan weet ik zeker dat hij stemmen hoort die zeer waarschijnlijk met een psychische ziekte te maken hebben, of iets anders, maar zeer zeker niet met god. Want god is overal had ik geleerd, waarom dat daar wel en niet bij mij? Ik haak af bij “geloof”.

    Dus ik heb gezocht, of god niet ergens stiekem zich verborgen hield.
    Bij een bijbelcursus, bij protestanten, bij de pinkstergemeente, bij spiritisten, in hypnose, bij theosofen, bij rozenkruisers, bij de soefies, bij vrijmetselaren,
    in het boeddhisme, taoïsme, hindoes….. en mensen ik kan je vertellen dat god nergens is. Tja ik was “besmet” met Gnosis. Een boekje van twee gulden vijftig van Hans Jonas, het ligt nu toevaliig voor me. Het is van 1969 lees ik, dus toen ik 23 was, meer dan 50 jaar geleden.

    René van Woudenberg hoogleraar kentheorie en ontologie en denkt door over gedachten. Laat hem maar, denk ik dan. Probeer maar eerst eens al die sprookjes over god te ontdenken. Toen ik 40 was, zag ik heel duidelijk dat er niks is. En dat niks is alles. Ik ben opgehouden met zoeken naar de ziel en god. Ik heb nooit geloofd, maar ik weet nu zeker: god is dood. Behalve voor mensen die hem levend houden zoals Van Woudenberg. Maar Nietzsche heeft gelijk met god is dood, wij zijn allen Übermenschen. En wie me niet gelooft begrijpt me niet.

    Zoek me, en als ge mij vindt, wees verwonderd, en vergeet mij, want ik ben in u en met u en door u. Ik ben het leven. Er is geen toekomst, van Woudenberg… Dat is een illusie van de tijd: de machtige god Chronos.

    Een totale scepsis over het weten is reëel, maar je afvragen hoe dat gerealiseerd gaat worden is onzin. Het zal komen maar het is ook al reeds gekomen. Wie dat ziet, zoekt niet meer omdat hij niet gelooft, maar verzekerd is van de werkelijkheid van de volmaaktheid van de leegte die alles is. Dan is alle streven weg. Waarom nog iets te willen, te zijn, als alles reeds volmaakt is?

    Like

Reacties welkom.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.