Laten we de wereld opnieuw betoveren

Socioloog Max Weber sprak aan het begin van de vorige eeuw over de onttovering van de wereld. Het geloof in God zou plaatsmaken voor het geloof in de ratio en technologie. Maar honderd jaar later is het verlangen naar religie en spiritualiteit nog steeds groot. Waar komt die behoefte vandaan? Kunnen we de wereld opnieuw betoveren?

Het is het lot van onze tijd, met de haar eigen rationalisering en intellectualisering, vooral: de onttovering van de wereld, dat juist de laatste en meest sublieme waarden zijn teruggetreden uit de openbaarheid, óf naar het (…) rijk van het mystieke leven, óf naar de broederlijkheid van de directe betrekkingen van individuen tot elkaar.’
(Max Weber, 1917, Wissenschaft als Beruf)

Is nu de tijd gekomen om te gaan zien dat de natuurwetenschap de wereld ook kan kleuren met nieuwe tover, vraagt Arie van Houwelingen zich honderd jaar later af in De Nieuwe Koers.

Bovendien, wat heeft die onttovering ons opgeleverd? Een geplunderde aarde, leeggeviste oceanen, vervuilde lucht. Hebben we niet meer dan ooit een terugkeer van tover, van een besef van heiligheid van de dingen nodig, omdat ze niet werk zijn van onze handen, maar van de Allerhoogste’
(Arie van Houwelingen, in De Nieuwe Koers, 2019)

In onzekere tijden is de hang naar zingeving groot. Zijn religie en spiritualiteit bezig aan een opleving?’ In samenwerking met het Nieuw Utrechts Toneel & Descartes Centre houdt Studium Generale op 13 april in Utrecht de bijeenkomst Over religie en zingeving in de toekomst met religiewetenschapper prof. Birgit Meyer. Hieronder enkele standpunten van haar ter oriëntatie.

Mijn eigen standpunt bij het bestuderen van religie is seculier, zou ik zeggen, in die zin dat ik het geloof van mensen in God of goden respecteer en serieus neem, maar God(en) niet als uitgangspunt neem in mijn pogingen om kennis over religie te produceren. Voor mij als geleerde bestaat goddelijke aanwezigheid niet als zodanig, maar als het resultaat van een bepaalde sensationele vorm, waardoor het voor mensen echt wordt. Dat ontstaan ​​is wat mij intrigeert.’
(Birgit Meyer, Entagled Worlds)


Birgit Meyer

Meyer is cultureel antropoloog en godsdienstwetenschapper. Bij het bestuderen van religie kiest zij voor een materiële benadering die de feitelijke praktijken – waardoor mensen zich verhouden tot het goddelijke, het bovennatuurlijke en tot elkaar – als uitgangspunt neemt. ‘De kern van religie – onderzocht vanuit het perspectief van religieuze mensen zelf – is het voor de geest halen van een tweede, transcendente realiteit die verondersteld wordt achter de tastbare wereld te liggen’. 

Ik benader religie als een bemiddelingspraktijk waarmee mensen een brug proberen te bouwen naar wat zij als het goddelijke of bovennatuurlijke beschouwen. In die zin kan religie heel goed worden opgevat als een medium dat door mensen is gemaakt en gebruikt om een ​​andere realiteit weer te geven, die niet direct tastbaar, aanwezig, toegankelijk en ervaarbaar is.’
(Birgit Meyer, Religious Matters)

Religieuze ideeën en praktijken hebben volgens Meyer een diepe impact op de manier waarop mensen de wereld waarnemen en handelen, banden met anderen ontwikkelen en normen en waarden incorporeren, wat religie een fascinerend startpunt voor onderzoek maakt. 

Ik wil begrijpen hoe bepaalde ideeën over een immateriële realiteit voor echt worden aangenomen, hoe mensen zich op basis van dergelijke overtuigingen in de wereld positioneren en hoe zij zich verhouden tot anderen. Het zou kortzichtig zijn om religie simpelweg af te doen als een illusie.’
(Birgit Meyer, Religious Matters)

Studium Generale Utrecht: De Futuristen – Over religie en zingeving in de toekomst | 13 april 2022 20:00 – 21:30 | Tivoli Vredenburg (zaal: Pandora) | Entree gratis | Aanmelden kan vanaf 23 maart via Tivoli Vredenburg: Tickets

Regie en interview: Mariëlla van Apeldoorn | Redactie en interview: Erwin Maas | Wetenschapper: prof. Birgit Meyer | Schrijvers/makers: Edna Azulay, Joep Hendrikx, Fieke Opdam | Muzikant/maker: Frank van Kasteren | Visueel kunstenaar/maker: Laura Mentink

Zie: Birgit Meyer (Religious Matters)

Beeld: Tom Thomson, ‘Canoe Lake, Ontario, 1917, Northern Lights’, ca. 1916-17, The Montreal Museum of Fine Arts, foto: MMFA, Jean-François Brière (Museum Tijdschrift)

Foto Birgit Meyer: Religious Matters

‘Misschien is echte verlossing zoiets als verlichting’

Cabaretier Freek de Jonge zegt dat zijn vader eens vertelde dat een mens zichzelf kan bevrijden, maar niet verlossen. Het is een van de kernzinnen van Kom verder! in De Jonges nieuwe boek. In die gedachte, zegt hij, ligt de tragiek van de mensheid besloten. De boodschap is dat we het moeten aandurven om voor het sociale te kiezen. Gevoel en intuïtie moeten in balans komen met de ratio. ‘En dat liefst al vanaf groep 1 van de basisschool.’

Geweten
L
iteratuurcriticus en journalist Tjerk de Reus praat met de cabaretier bij De Nieuwe Koers in het artikel We zijn de taal van het geweten kwijtgeraakt. In Kom verder!, Memoires 1, brengt De Jonge kerkgeschiedenis, vaderlandse geschiedenis en de vorming van een gezin bijeen, op een ernstige en vrolijke toon. De Jonge wil ook een bevrijdend, troostend woord spreken, zij het met een ietwat andere lading dan zijn vader of grootvader.

Bevrijding, dat is essentieel,’ zegt De Jonge. ‘Losraken van wat je gevangenhoudt, wat je vastpint op verkeerde verlangens en behoeftes. Je moet helemaal niet vier keer per jaar op vakantie, met het vliegtuig! Van dergelijke heilloze ideeën moet je je bevrijden, steeds weer.’

Je snapt wel, verlossing is een stap vérder dan bevrijding. Het is iets groters, iets wat we niet voor elkaar krijgen. Bevrijding, dat moet iedereen steeds weer opnieuw doen. Omdat je jezelf er steeds in laat luizen. Maar verlossing… Dan is dat menselijke geworstel dus weg, je bent eraan ontheven. Misschien is echte verlossing zoiets als verlichting.’

Verlossing
M
et verlossing ben je voorbij het menselijk lijden, zegt De Jonge, je hebt geen deel meer aan de narigheid van het hier-en-nu.

Maar kijk er ook mee uit, zou ik zeggen. Het kan pure hoogmoed zijn dat je streeft naar perfectie, naar het volmaakte. In die zin is verlossing voor je het weet een verleiding.’

Toch is het, zuiver menselijk gesproken, verstandiger om de ‘onverloste’ situatie te accepteren, de eerlijkste ook.

We hebben die hunkering naar totale verlossing, maar het gaat mis als we dat rationeel invullen en mikken op maakbaarheid.’

Morele orde
O
ver godsdiensten zegt De Jonge dat die altijd ook kwalijke kanten hebben gehad, maar de evolutie die ons brein gevormd heeft, door de millennia heen, voor negentig procent te danken is aan de theologie of de dogmatiek.

Op dat vlak werden steeds de stappen gezet, werd een morele orde geschapen. Een paar honderd jaar later zei men: nu zien we het anders, nu treden we het leven zó tegemoet. In die ontwikkeling zijn we echter van de natuur steeds meer in het brein terechtgekomen. We zijn gaan redeneren en rationaliseren, totdat men zei: als je echt rationeel bent, dan kun je je niet voorstellen dat er leven na de dood is. Of dat er een God is.’

Geesteswetenschappen
M
aar zijn we erop vooruitgegaan, in geestelijke zin, met de secularisatie, met het idee dat God dood is? Freek zegt niet terug te kunnen naar het idee dat er een God is. Als het gaat om een ‘weg terug’, uit de kaalslag van de secularisatie, denkt hij aan iets anders.

De splitsing tussen geesteswetenschappen en de fysica, die moet ongedaan worden gemaakt. Er moet een brug tussen die twee zijn, tussen gevoel en ratio, tussen technische beheersing en moraal. Ethiek moet simpelweg weer een hoofdrol gaan spelen in de cultuur. Dan gaat het niet om een stel regels, maar om de menselijke maat. Ooit hadden we die discussie met de atoombom. Moesten we daarmee doorgaan? Nee! En nu, een bedrijf als McDonald’s, is dat ethisch verantwoord? Ook niet. Dan moeten we het ook niet willen. Moreel besef, gevoed door de geesteswetenschappen, zou een grote stem moeten krijgen in de samenleving.’

Kom verder! Memoires 1 | Freek de Jonge | Atlas Contact | ISBN 9789025452896 | 336 pagina’s | november 2021 | € 22,99 | E-book € 6,49

Zie: We zijn de taal van het geweten kwijtgeraakt (De Nieuwe Koers) of via Blendle.

Gerelateerd: Gesprekken en gedachten over een nieuwe tijd (godenenmensen.com)

Beeld:
pxhere

Populairste astrologie-app Co-Star is zowaar jungiaans

Een relatief grote groep mensen uit Europa en Amerika gelooft dat er waarheid schuilt in astrologie, zegt Kocku von Stuckrad, hoogleraar Religiewetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen. De afname van geloof in geïnstitutionaliseerde vormen van religie zou deels een verklaring kunnen zijn voor de populariteit van astrologie, denkt Annemarie Foppen, godsdienstpsycholoog aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Moderne astrologie springt in het gat dat religie achterlaat in de samenleving. ‘Wat waar is, is niet meer belangrijk in een tijd waarin overal een vraagteken achter staat. De vraag is: wat past bij mij?’ Foppen stelt dat eerdere generaties natuurlijk ook te maken hadden met secularisatie, maar die waren vaak geworteld in de kerk.

Veel millennials zijn opgegroeid zonder in hun jeugd veel mee te krijgen van kerk of religie. Ik heb daarom het idee dat er minder een taboe rust op allerlei vormen van spiritualiteit, waaronder astrologie.’

Co-Star is de populairste astrologie-app van dit moment. Het begin van een verklaring voor die recente populariteit zou volgens Arjan van der Linden (De Nieuwe Koers) kunnen liggen in technische innovaties die astrologie toegankelijker hebben gemaakt.

Co-Star onderscheidt zich vooral omdat het meer is dan een horoscoop-app. Het is ook een sociaal netwerk, dat de mogelijkheid biedt de eigenschappen die je volgens je geboortehoroscoop hebt, te vergelijken met die van vrienden die de app ook hebben geïnstalleerd. En, ook niet onbelangrijk, met die van potentiële liefdespartners. Co-Star maakt op basis van de sterrenbeelden van beide personen inzichtelijk welke karaktereigenschappen matchen en waarschuwt voor de kanten van beide persoonlijkheden die volgens de sterren juist weleens zouden kunnen botsen.’

Co-Star is een vorm van astrologie die op de jungiaanse astrologie lijkt, zegt Carolina Ivanescu, godsdienstsocioloog aan de Universiteit van Amsterdam: een manier van denken die vandaag de dag heel populair is binnen de mainstream astrologie.

De vorm van astrologie die apps als Co-star aanbieden, met veel focus op karaktereigenschappen en persoonlijkheidskenmerken, heeft veel weg van een astrologische beweging uit de twintigste eeuw: de jungiaanse astrologie.’

Van der Linden zegt dat de jungiaanse astrologie in de twintigste eeuw ontstond en geïnspireerd is door het werk van Carl Jung, de grondlegger van de analytische psychologie.

Jung geloofde in het bestaan van twaalf archetypische persoonlijkheden die in ons collectieve onderbewustzijn ‘wonen’. Het bestuderen van deze typen zou helpen om mensen en hun drijfveren beter te begrijpen. Astrologen begonnen rond het begin van de twintigste eeuw met het toepassen van inzichten uit Jungs analytische psychologie op de astrologie. Ze verzetten zich tegen het idee dat alles van tevoren vastligt, een idee dat tot dan toe gangbaar was binnen de astrologie. Astrologie kan juist mensen helpen zichzelf te leren kennen en zo betere keuzes te maken, was de gedachte.’

Volgens Banu Guler, mede-oprichter van de op NASA-data gebaseerde Co-Star app, is het een manier om in contact te komen met vrienden en over verschillen te praten die cultuur, gender of klasse overstijgen. 

Ik denk dat mensen in de basis een behoefte hebben om onderdeel te zijn van iets groters dan henzelf. Met het afnemen van religie is er een geloofsvacuüm ontstaan: we gaan van ons werk, naar een bar, naar een restaurant, naar huis en naar Netflix, zonder enige betekenis te voelen. Onze hele wereld is hyper-uitgedacht en rationeel. Astrologie is een weg om daar uit te komen, een manier om jezelf in de context te plaatsen van duizenden jaren geschiedenis en het universum.’
(Banu in i-D, Lianne Kersten)

Het staat geschreven in de sterren (De Nieuwe Koers – of via Blendle)

Co-Star

Beeld: Oleg Gamulinskiy (Pixabay)

Van Tomáš Halík moet een christen soms atheïst zijn

In Theater voor engelen spreekt Tomáš Halík niet alleen overtuigde christenen aan, maar ook atheïsten en mensen die op zoek zijn naar zingeving. Een theologisch-filosofisch boek van Halík, dat dinsdag verscheen, over de zoektocht naar en de ontmoeting met God. Hierin nodigt hij ons uit het geloof als een levensexperiment op te vatten en de openheid van onze geest in te zetten. ‘Ik heb er vaak naar verlangd uit de cirkel van mijn eigen lotsbestemming te breken en de wereld ook met de ogen van anderen te zien, op een of andere manier deel te krijgen aan hun ervaringen.’

‘Als jongetje werd ik me ervan bewust dat het perspectief van waaruit ik de wereld om me heen waarneem uniek en niet-uitwisselbaar is. Wat ik op dit ogenblik waarneem, vanaf de plaats waarop ik sta, en wat ik daarbij ervaar en wat ik denk, wordt door niemand anders gezien, gevoeld of gedacht. Ieder van ons heeft dus een eigen wereld, hoe dicht we fysiek, emotioneel of ideologisch ook bij elkaar staan.’
(Tomáš Halík in: Theater voor engelen)

Volgens theoloog, filosoof en socioloog Tomáš Halík zoekt God de mens vaak op in de stilte en in het verborgene, zonder dat iemand het zelf merkt. De auteur wijdt onder meer een hoofdstuk aan de vraag of je zonder geloof kunt leven, en bespreekt in een volgend hoofdstuk zijn gedachte dat een christen soms een atheïst moet zijn. Hij laat zien dat ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’ tegenwoordig om tal van redenen meer gemeen hebben dan ooit tevoren. Deze situatie is voor beide partijen en ook voor onze gemeenschappelijke wereld een kans waarvan het een zonde zou zijn als we die niet zouden zien en gebruiken.

Dat doe ik niet uit een of ander goedkoop ‘irenisme’, want dat zou een verlangen naar ‘verzoening’ tegen elke prijs betekenen, zelfs tegen de prijs van het verkwanselen van je eigen identiteit, van ontrouw aan tradities. Dat zou betekenen dat we naïef en tegelijkertijd arrogant de verschillen negeren.’
(Uit: Theater voor engelen)

Halík huivert bij de arrogantie van het geloof dat de stem van de kritische rede negeert, net als bij de arrogantie van de seculiere rede die de geestelijke en morele roeping van het geloof veracht.

Deze beide waanideeën en eenzijdigheden hebben zich van elkaar losgemaakt en vallen elkaar nu aan en provoceren elkaar, waarbij ze niet zien hoe angstaanjagend veel ze op elkaar lijken. Juist daarin zie ik het werkelijk acute gevaar voor onze wereld. Paus Johannes Paulus II waarschuwde herhaaldelijk voor het gevaar van geloof zonder denken en denken zonder geloof.’
(Uit: Theater voor engelen)

Gelovigen en ongelovigen hebben volgens Halík dus veel meer gemeen dan de meesten van ons denken. Hij bedoelt dat niet als eindpunt om elkaar dan vervolgens de hand te reiken en ongestoord naast elkaar verder te leven. Integendeel.

We moeten juist wederzijds elkaars rust verstoren! Als ik van de vooronderstelling uitga dat zowel geloof als ongeloof een deel van de waarheid bezitten, dan wil ik me niet tevredenstellen met de goedkope postmoderne slogan ‘Iedereen zijn eigen waarheid’. Als mij de ‘waarheid van het ongeloof ’ interesseert, is het mij er niet om te doen dat neerbuigend te ‘erkennen’, maar om door het doordenken en door-lijden van het ongeloof mijn geloof te kunnen verrijken.’
(Uit: Theater voor engelen)

Schrijver Arnon Grunberg lijkt Halík wel te kennen en experimenteerde eind september met het opzetten van een eigen (tijdelijke) geloofscommune. Hij hield dat levensexperiment op een eilandje in de Vinkeveense plassen. Op de vraag of religie zonder god bestaat is zijn antwoord dat hij steeds meer geneigd is om te denken van wel: het humanisme heeft zich ontwikkeld tot een christendom zonder Jezus. 

Religie heeft lange tijd voorzien in zingevende behoeften van mensen. In onze geseculariseerde maatschappij zijn die behoeftes niet verdwenen, integendeel. Zingeving die niet-gelovige mensen in hun leven zoeken wordt onterecht als niet-religieus herkend, terwijl het dat wel ten dele is.’

Bestaande verlangens naar religie worden over het hoofd gezien. Mensen hebben behoefte aan rituelen om op terug te vallen in tijden van feest en nood. Daar gaat dit experiment over. Ik denk dat het bijdraagt aan een debat over waar we heen moeten met de vragen die vroeger binnen een geloofsgemeenschap werden beantwoord. Op die manier kan de samenleving hier wat aan hebben.’
(Grunberg)

Theater voor engelen – Het leven als religieus experiment | Tomáš Halík | Kokboekencentrum | ISBN: 9789043536431 | Pagina’s: 224 | Publicatiedatum: 9-11-2021 | € 22,50

Arnon Grunberg is op zoek naar een religie zonder God (via Trouw, of Blendle of Topics)

Het toneelstuk van het leven leidt naar het mysterie van God (De Nieuwe Koers, Tjerk de Reus ook via
Blendle)

In De theologie podcast gaan Elsbeth Gruteke en Mark de Jager in gesprek met Erik Borgman over de inhoud en de betekenis van het nieuwe boek van Halík.
 
Beeld: Cover Theater voor engelen (detail)

Iets wat ons begrip te boven gaat

Filosoof René van Woudenberg maakt altijd onderscheid tussen het weten dat er iets is, en het weten wat de precieze aard ervan is. ‘Wij geloven bijvoorbeeld dat er gedachten bestaan. Ik denk dingen, jij denkt dingen, ik denk dat jij bepaalde dingen denkt. Dus, wij zijn het erover eens, er zijn gedachten.’ Van Woudenberg filosofeert hierover verder in een interview in De Nieuwe Koers van afgelopen september. Hij ­gelooft dat de mens de kroon van de ­schepping is, maar tevens ook het meest verschrikkelijke roofdier.

René van Woudenberg
is ook hoogleraar kentheorie en ontologie en denkt door over gedachten. Als je hem vraagt wat dat nou precies zijn, zegt hij of we dan gaan praten over hersenstroompjes. Hersenprocessen? Er vindt van alles plaats in onze breinen, maar hebben we daarmee begrepen wat een gedachte is?

Nee, het zijn mysterieuze dingen, maar dat betekent niet dat we eraan hoeven twijfelen of ze bestaan. Zo aanvaard ik fundamentele dogma’s zoals de menswording en de verzoening als reëel, ook al begrijp ik lang niet hoe dat precies kan, dat God mens wordt, en hoe dat precies werkt dat door het sterven van Christus verzoening plaats heeft gevonden. Ik ken hier verschillende theorieën over, sommige erg goede zelfs, maar er blijft iets in wat het begrijpen te boven gaat.’

Het verwondert Van Woudenberg hoe de wetenschap laat zien hoe onbegrijpelijk alles is.

Er is inmiddels bijvoorbeeld een hele dierentuin aan elementaire deeltjes gedefinieerd, waarvan sommige wetenschappers zich afvragen: hebben we het hier eigenlijk nog wel over fysisch materiaal? Intuïtief zeg je: dit is geen materie meer. Het is iets anders; roterende ladingen of zo. Als ik onderzoek hierover lees, denk ik: wordt het nu begrijpelijker? Of mysterieuzer?’

De filosoof vindt dat mensen bezig zijn de planeet naar de ondergang te helpen. Dat stemt hem somber, maar tegelijkertijd gelooft hij ook dat ieder mens goddelijke schepping is, beelddrager van Hem en iemand met wie Hij het gesprek begonnen is. Daar zit voor hem de grootste spanning.

Mijn geloof dat er een hoopvolle toekomst is, staat tegenover mijn totale scepsis over het weten hoe dat gerealiseerd gaat worden.’

Interviewer Felix de Fijter vindt de gedachte van Van Woudenberg dat de mens een roofdier is, iets om moedeloos van te worden. Maar dan noemt Van Woudenberg toch de hoop, uitgedrukt in ons klagen. De Bijbel verwoordt voor hem die weeklacht. Een heel boek gaat in de Bijbel over klagen. Maar een wezenlijke, authentieke klacht noemt hij de erkenning van een waarde. Hij verwijst naar de Klaagliederen.

We moeten geen zeurpieten worden, maar een echte klacht, ik denk dat dat voor onze zielen iets heel goeds is. Want in die klacht wordt ook hoop uitgedrukt; hoop die voorbij al onze scepsis reikt.’

Volgens Van Woudenberg appelleert het christelijk geloof aan verlangen en hoop. Zou dat alles zijn? Iets van concrete actie, mag dat ook? Want met klagen, verlangen en hopen alleen bereik je niets. In het interview verwijst de hoogleraar naar Augustinus die zei dat ‘een verlangen dat mensen in beweging krijgt misschien wel van God komt’. Die beweging moet blijkbaar met God beginnen. Volgens Van Woudenberg is ‘God met ieder mens het gesprek al begonnen; ook al kun je dat zelf niet aanwijzen’. 
Hopelijk zijn het geen vrijblijvende gesprekken.

Zie: ‘Ineens kreeg ik de grote diepte onder mijn voeten in de gaten’ (De Nieuwe Koers) – of via Blendle.

Beeld: Alfons Schuler (Pixabay)

Dierentheologie in de veganistische kerk

dieren.waarvan.we.houden.appie.abspoel.nl (2)

Vanuit Oxford maakt de dierentheologie een opmars. Een soort bevrijdingstheologie, maar dan voor dieren? ‘De pijn van een ijsbeer is theologisch relevant,’ zegt onafhankelijk theoloog Alain Verheij in het artikel met de gelijknamige titel in De Nieuwe Koers. Groene theologie zet zich al in voor de aarde; dierentheologie is een vrij onbekend fenomeen in de wereld. Ik denk niet dat het voorkomt in het nieuwe theologieboek  Alle dingen nieuw van Erik Borgman

Verheij schrijft een portret van dr. Clair Linzey, die samen met haar vader Andrew voorvechter is van de dierentheologie. ‘Willen we op deze planeet kunnen blijven leven, dan moeten we radicaal veranderen hoe we met andere wezens omgaan.’

Andrew Linzey mag zich de ‘godfather’ van de dierentheologie noemen. De anglicaanse theoloog schreef al in de jaren zeventig van de vorige eeuw een christelijk betoog voor dierenrechten. Volgens hem en zijn geestverwanten is ons theologisch denken over dieren behoorlijk pover. Je vindt bij de meeste theologen nauwelijks aandacht voor het onderwerp. Als ze er al over schrijven, komen zij vaak niet verder dan wat [middeleeuws theoloog en filosoof Thomas van] Aquino* ook dacht: dieren zijn onze minderen, en het is ons volste recht om over hen te heersen.’

Linzey vindt dat theologie, die ons gevoelig maakt voor het lijden van heel de schepping, christelijke theologie is. Onder heel die schepping vallen nadrukkelijk ook de dieren, zeker waar zij lijden in de bio-industrie of door klimaatverandering.

Theologie die ons ongevoelig maakt voor het lijden van de hele schepping kan op geen enkele wijze christelijke theologie zijn.’

In Nederland blijkt ook een veganistische kerk te bestaan, waar Linzey afgelopen maart een toespraak hield (via o.a. sociale media) over 25 jaar dierentheologie, en onder meer vertelde over de Bijbel die zegt dat de mens naar het beeld van God is geschapen. Ze vroeg zich af of dat betekent dat de mens de andere soorten mag domineren, of betekent het dat de mens extra verantwoordelijk moet zorgen voor andere schepselen? ‘Waar komt het idee vandaan dat een mens wel een ziel en een geest heeft, maar een dier niet? Er zijn volgens haar drie fundamentele gedachten over dieren die niet deugen’.

De eerste is dat dieren een soort gebruiksvoorwerp voor mensen zijn: instrumentalisme. Alles heeft een doel, en het doel van dieren is dat ze nuttig zijn voor ons. De tweede verkeerde gedachte is dat dieren maar lappen vlees zijn zonder persoonlijkheid. Daarom schelden we met ‘domme gans’, of ‘beest’ of ‘zwijn’. Ten derde is het een gevaar als onze theologie en geloofsbeleving alleen maar om mensen draait. Alsof God het meest, en exclusief en alleen, van onze soort houdt, en daarbij de rest van zijn schepping zou vergeten of veronachtzamen.’

De wereld is niet van ons, vindt Linzey, en als we haar blijven behandelen zoals we al die tijd hebben gedaan, zullen onze huidige problemen alleen maar blijven groeien.

Christenen zijn in een unieke positie om dit alles voor het voetlicht te brengen. De grondslag van dierentheologie is: wij zijn niet God, maar we mogen en moeten voor Gods wereld zorgen. Het is een diep christelijke denktrant, waarvan ik zou willen dat alle christelijke culturen er bewuster mee omsprongen.’

Incarnatie noemt Linzey een belangrijk theologisch begrip, omdat je dan in de huid kruipt van een lijdend schepsel.

Waar wij in geïnteresseerd zijn, is niet in eerste instantie hoeveel diersoorten er uitsterven, maar op welke manier dat gebeurt. Wij weten dat de ijsberen met uitsterven worden bedreigd. Voor ons is de pijn van een individuele stervende ijsbeer iets wat er theologisch toe doet.’

* N.B. Met deze redenering duidt Aquino aan dat dieren, door de goddelijke voorbestemming, voor de mens moeten bestaan. Dit betekent niet dat de mens alles met dieren mag doen. In zijn Summa Contra Gentiles schrijft hij dat wreedheid tegen dieren verwerpelijk is. Niet omwille van het dier, maar vanwege het feit dat dit wreedheid van mensen oproept tegen andere mensen. Deze visie blijft dominant in de geschiedenis van het christendom. (dierenmuseum.nl)

Zie:

* Dier & Evangelie, theologie voor dierenrechten | Andrew Linzey | Volledig gerecycled papier | softcover | 117 pagina’s | €15.00 | ‘Dierendominee’ Hans Bouma zegt het volgende: ‘Vanuit christelijk oogpunt heb je, naast puur humane redenen, nog redenen te meer om het dier op te nemen in je morele bewustzijn. Iemand die dit overtuigend en met grote volharding heeft aangetoond, is de Britse theoloog Andrew Linzey. Dieren hebben als creaties van God een eigen, intrinsieke waarde en verdienen daarom een plaats in onze morele gezichtskring. De keuze voor dierenrechten is voor Linzey ten diepste een kwestie van navolging van Jezus. In dit boek bespreken Maaike Hartog, Sandra Hermanus-Schröder en Nienke van Ittersum – geïnspireerd door en in dialoog met Andrew Linzey – de motieven die je als christen kunt hebben om de rechten van dieren te verdedigen. De manier waarop ze dit doen is even kundig als persoonlijk, even vernieuwend als hartverwarmend’. (Vegan Church)

*
‘De pijn van een ijsbeer is theologisch relevant’ (De Nieuwe Koers via Blendle)

Foto: appieabspoel.nl