De filosofische verrijzenis van God

Keert God terug doorheen de moderniteit? ‘Meer nog, God keert terug doorheen zijn eigen dood. Een filosofische verrijzenis, zeg maar. God is dood, leve God!’ – Is God verdwenen uit de filosofie? vraagt filosoof Ger Groot zich af op de achterflap van het boek Religieus atheïsme – (Post)moderne filosofen over God en godsdienst (april 2021) van filosoof Erik Meganck. Volgens Groot laat Meganck in dit boek allerminst zien dat God is verdwenen. ‘Aan het eind van alle metafysicakritiek keert onherroepelijk de naam van God weer terug’.

Religieus atheïsme
begint met in de Inleiding de uitroep God is terug!, compleet met een geest-driftig uitroepteken. Maar niet helemaal zoals vroeger, gelukkig maar, zegt Meganck er snel bij.

Hoezo? Wel, God komt toch niet terug van weggeweest, zoals wij terugkeren van vakantie of uit gevangenschap. God die terugkeert, is niet een god uit de antieke wereld of de premoderne God van de middeleeuwen. Als God terugkeert, betekent dat niet dat de geschiedenis wordt teruggedraaid. Dat zou een zeker verraad inhouden, want God moet toch ook doorheen de geschiedenis en wel in de goede richting. God keert dus terug doorheen de moderniteit. Meer nog, God keert terug doorheen zijn eigen dood. Een filosofische verrijzenis, zeg maar. God is dood, leve God!’
(Uit: Religieus atheïsme)

De dood van God markeert onze tijd diepgaand, zo stelt Meganck, de toenadering tussen filosofie en theologie tekent de actualiteit.

Die toenadering is dan ook in zekere zin de terugkeer – en omgekeerd. God keert terug in de toenadering, in de filosofie en de theologie die vriendschap sluiten met elkaar. De toenadering registreert de terugkeer waar het postmoderne denken elke harde rationele weerstand tegen God achter zich laat.’
(Uit: Religieus atheïsme)

Met ‘religieus’ bedoelt de Belgische professor Christendom en Wijsgerige theologie niet ‘confessioneel’ (inclusief de vrijzinnigheid), maar wel: het ontvankelijke denken dat zich herijkt weet door hoop, vertrouwen en openheid – en hij vindt van die drie dat laatste het belangrijkst.    

In elk geval, één van de moderne ambities was wel de afrekening met de God van het geloof, pogingen die nogal slordig werden samengebracht onder de vage noemer ‘secularisatie’. God werd als begrip ingevoegd in kosmologische en ethische theorie. Deze invoeging werd uiteindelijk zijn dood. Het meest verwonderlijke hieraan – ineens ook de premisse van dit boek – is dat die dood de naam ‘God’ niet heeft uitgegomd. De actualiteit getuigt andermaal dat God niet wordt geëlimineerd, wat nochtans een effect of soms zelfs een intentie van de moderniteit, toch zeker van de Verlichting was.’
(Uit: Religieus atheïsme)

Als God maar blijft terugkeren, zegt Meganck, moeten we dit wel ernstig nemen en dan mag iets nobels als de wijsbegeerte daar niet laf omheen fietsen, zoals ze eigenlijk een lange, moderne tijd heeft gedaan.

Dan moet zij dringend contact opnemen met die theologie die dat ook ernstig neemt. De academische filosofie had zich de gewoonte aangemeten om God resoluut weg te zetten bij de theologen en wrijvingloos aan te haken bij mens- én natuurwetenschappen. Het kwam zelfs zover dat vandaag sommige theologische faculteiten alleen nog door een gelijkaardig maneuver kunnen overleven. God is dus voorlopig nog gered, zij het dan dat hij eerst moest vervellen tot marginaal research topic.’
(Uit: Religieus atheïsme)

Filosofie en theologie reiken verder dan de wetenschappen, vindt de filosoof, want die laatste rekent met feiten; filosofie en theologie laten zich in met wat gebeurt achter die feiten. In zijn boek voert hij twaalf filosofische apostelen op, die ‘met hun filosofie een traditionele manier van denken aan het wankelen zetten, wat als bevrijdend wordt ervaren door al wie de diepere vragen niet uit de weg gaat en geen genoegen (meer) neemt met de traditionele Grote Verhalen en Sterke Systemen’. De namen van de twaalf filosofische apostelen die Meganck bespreekt, zijn Ludwig Feuerbach, Karl Marx, Søren Kierkegaard, Friedrich Nietzsche, Sigmund Freud, Bertrand Russell, Ludwig Wittgenstein, Martin Heidegger, Jean-Paul Sartre, Emmanuel Levinas, Jean-François Lyotard en Jacques Derrida.

Wel, dan kan het zeker geen kwaad dat zogeheten atheïsme eens grondig, in de diepte te onderzoeken. Wie weet, blijkt een filosofisch atheïsme dan niet eens atheïstisch in de oppervlakkige, feitelijke zin – spoiler alert: inderdaad. Want dit boek wil niet ontkennen dat de moderniteit atheïstisch denkt, het betoogt wel dat de ‘platte’ bepaling ervan haar geweld aandoet. Juist daar waar het denken dat platte atheïsme loslaat of ontwijkt, wordt het voor het opzet van dit boek interessant.’
(Uit: Religieus atheïsme)

Bron: Religieus atheïsme: Inleiding en Spiegel

Religieus atheïsme – (Post)moderne filosofen over God en godsdienst
| Erik Meganck | Uitgeverij: DAMON | ISBN: 9789463402941 | 15-04-2021 | 256 pagina’s | Paperback | € 24,90

Beeld: mauriciocorreoblog.wordpress.com

Zoektocht naar zingeving in het techtijdperk

Filmmaker Hans Busstra vindt het naïef om te denken dat we zonder geloof kunnen. Hij heeft zich nooit senang gevoeld bij dat materialistische wereldbeeld, een koud, ontzield verhaal. Busstra is altijd op zoek gebleven naar een vorm van zingeving. In zijn indrukwekkende VPRO Tegenlicht-documentaire Technologie als religie van afgelopen zondag praat Busstra met mensen die volgens hem juist in materialisme en technologie een nieuw geloof vinden: dataïsme.

Het geloof dat alles ter herleiden is tot bits en bytes hangt volgens Busstra samen met de materialistische grondbeginselen van de moderne wetenschap: met de overtuiging dat slechts materie bestaat en dat uiteindelijk ook bewustzijn of ‘ziel’ het product is van fysieke processen, aldus Hans van Wetering in zijn artikel Dood aan het dataïsme.

Het wereldbeeld achter het dataïsme is dat van het materialisme. Het gaat ervan uit dat er een objectieve buitenwereld bestaat die we kunnen observeren, meten, beschrijven, en dat we, als we al die kwantitatieve beschrijvingen goed hebben, alles hebben verklaard. Ik wil laten zien dat het een aanname is, een geloof, en helemaal geen harde wetenschap.’
(Uit: Dood aan het dataïsme)

Het materialisme heeft de wereld ontzield door te stellen dat God niet bestaat. Dat levert een grote zingevingscrisis op in het Westen, kijk maar naar de depressiviteit en leegte die gepaard gaan met zo’n wereldbeeld. NRC interviewde Hans Busstra.

Wat ik ironisch vind, is dat we nu met datzelfde materialisme de wereld weer proberen te bezielen. Het lijkt erop dat we religieuze wezens zijn en dat die religieuze aspiraties een weg zoeken – dat komt nu tot uiting door technologie.’
(NRC)

Voor Busstra lijkt het wel het menselijke noodlot dat we in de wens de mens te verheffen onszelf nu in een chaos storten.

Dat is de afgelopen twintig jaar wel gebeurd. We moeten kijken naar wat we als Westen allemaal weggegooid hebben sinds de Verlichting. De religies waren er niet alleen om de werkelijkheid te verklaren, maar ook om richting en zin in het leven te geven. En dat doet technologie vooralsnog niet.’
(NRC)

ITechnologie als religie komt Busstra er al snel achter dat het dataïsme hem persoonlijk vreugde noch troost brengt. Van zingeving is hoe dan ook geen sprake.

Integendeel zelfs, het dataïsme staat zingeving volgens hem in de weg. ‘Het idee dat ik kreeg toen ik die uitzending maakte was: we hebben allemaal wel heel veel kritiek op het machtsmisbruik van die techbedrijven, we bekritiseren de uitwassen – vergelijk het met kritiek op seksuele misstanden in de katholieke kerk – maar ondertussen zitten we zonder dat we het weten nog steeds in haar dogma’s gevangen.
Wil je verandering teweeg brengen dan moet je echt de dogma’s bekritiseren en zeggen: dat is volgens mij gewoon onzin. Wat je nodig hebt is een heuse reformatie. Ik hoop met de uitzending daar een steentje aan bij te dragen.’
(Uit: Dood aan het dataïsme)

In NRC vraagt Casper van der Veen of Busstra via technologie alsnog bij een metafysische werkelijkheid denkt te komen.

We komen nu door middel van die technologie en onze inzichten in de aard van de werkelijkheid tot het besef dat ons bewustzijn misschien geen materialistisch proces is. Dat leidt weer tot een nieuwe metafysica, maar wel dankzij die technologie. Dat vind ik interessant, maar we moeten ons er wel altijd van bewust zijn dat het naïef is om te denken dat we zonder geloof of metafysische aannames kunnen.’
(NRC)

Zie: Tech als religie: ‘Met het geloof in data verkopen wij onze ziel’ (NRC)

Kijk terug: Zo 24 jan 22:10 | Seizoen 2021 | Afl. 3 | Technologie als religie | ‘Godsdienst heeft een nieuwe concurrent: dataïsme. De belofte is een paradijs, waarin artificiële intelligentie ons eeuwig leven en geluk schenkt. Een zoektocht naar zingeving in het techtijdperk. Tot voor kort hadden religies het alleenrecht op de hemel. Maar godsdienst heeft een nieuwe concurrent: het dataïsme, de overtuiging dat uiteindelijk alles, ook het leven zelf, niets meer is dan data. De belofte is een programmeerbaar paradijs, waarin artificiële intelligentie ons eeuwig leven, geluk en schoonheid schenkt. Wat betekent het dataïsme voor de toekomst van religie en spiritualiteit?’ (VPRO)

Zie ook: Dood aan het dataïsme (Hans van Wetering, VPRO-gids, nr. 4)

Beeld: Hans Busstra (VPRO)
Still uit Technologie als religie: ‘We staan hier in ‘What a beautiful loving world’, een installatie van het Japanse kunstenaarscollectief Team Lab. Het wil laten zien hoe AI uiteindelijk mens, natuur en techniek dichter bij elkaar zal brengen.

Immanuel Kant en ‘iets’ buiten de waarneembare wereld

ZodiiRisvegliodiunadea.altervista.org

Metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van de werkelijkheid zoals ze is (Ding an sich) begeven, maar de meest invloedrijke filosoof van de moderne tijd Immanuel Kant vond dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.

De bevindingen van Immanuel Kant (1724 – 1804) zetten de wereld op zijn kop: het gaat er niet langer om hoe de werkelijkheid is, maar om hoe wij haar zien. Volgens Kant zien wij de wereld niet zoals zij werkelijk is, maar zoals zij zich aan ons voordoet.

De werkelijkheid zoals ze is
V
olgens Kant kent de mens de werkelijkheid dus alleen zoals hij of zij deze waarneemt en interpreteert, overeenkomstig de waarnemingsvormen en verstandscategorieën die ‘a priori’ in het bewustzijn aanwezig zijn. In zijn tijd denkt men dat de mens een onbeschreven blad is – een tabula rasa – en dat bewustwording van de wereld pas bij waarneming begint.

Onwaar,’ zegt Kant, ‘want als het verstand geen enkele structuur aan die waarneming toevoegt, snappen we niks van wat we zien. En die structuur – zeg, de poffertjespan – gaat noodzakelijk vooraf, ‘a priori’, aan de waarneming. Eerst de kuiltjes, dan het deeg.’

De Duitse filosoof Erich Adickes vergelijkt de waarnemingsvormen met de bolle ogen waarmee een kikker ter wereld komt: men neemt aan dat een kikker de werkelijkheid alleen in ronde vormen ziet op grond van de structuur van zijn ogen. Op dezelfde wijze kan de mens niets weten over de werkelijkheid op zichzelf, omdat de mens de werkelijkheid alleen kent zoals deze zich aan hem of haar voordoet. Ding an sich wordt ook wel tegenover Erscheinung gezet: het ding zoals het zich aan ons kennen presenteert en we het kennen kunnen.

Onze kennis moet volgens Kant uitgaan van datgene wat in de zintuiglijke ervaring gegeven is; maar deze ervaringsgegevens moeten vervolgens met behulp van het verstand gedacht worden in een meer algemene samenhang om daardoor een betrouwbare kennis van de aan ons verschijnende werkelijkheid op te leveren.

Hiermee geeft Kant ook de grenzen aan van het menselijk kennen; datgene wat aan de overzijde van die verschijningen ligt, het ding op zichzelf (Ding an sich) is voor onze kennis onbereikbaar, en wanneer de rede het wel wil proberen te kennen, vervalt ze in schijnredeneringen en schijnconclusies.

Kant maakt op deze manier onderscheid tussen de kenbare wereld enerzijds, die bestaat uit de dingen zoals ze aan ons verschijnen, en de dingen zoals ze zijn. Die laatste kunnen we niet kennen omdat we er geen toegang toe hebben. De wereld van de verschijnselen is het domein van de wetenschappen, en wel toegankelijk.

De werkelijkheid voor mij
Men spreekt ook wel over de werkelijkheid voor mij (Ding für mich): de manier waarop de werkelijkheid aan mij verschijnt. Volgens Kant structureert de manier waarop we denken de realiteit zoals wij die waarnemen. We weten alleen hoe de wereld aan ons verschijnt en niet hoe die wereld daadwerkelijk is.

Filosoof Rienk-Jan Benedictus stelt dat het aangeboren denkvermogen ervoor zorgt dat de werkelijkheid slechts ‘geïnterpreteerd’ wordt. Het Ding an sich, de wereld zoals hij ‘echt’ is, kan de mens (volgens Kant) niet kennen. Mensen kennen slechts de Dinge für mich: de manier waarop de wereld en alle dingen persoonlijk worden ervaren. Er is altijd sprake van een subjectieve interpretatie van de waargenomen werkelijkheid.

SAMSUNG DIGIMAX 420
Metafysica

Veel belangrijker en verhevener dan het domein van de alledaagse, zintuiglijke ervaring, vindt Kant de metafysica. Alleen maar fysica vindt hij verarming van het leven, ook al is de mensheid in zijn ogen tot nu toe weinig wijzer geworden van de metafysica. Grote metafysische vragen vindt hij, zoals gezegd, de vragen naar God, maar ook naar wilsvrijheid en de onsterfelijkheid van de ziel. Bovendien weigert het menselijke hart te geloven in een universum zonder doel. Kant vraagt zich tegelijk af of metafysica wel mogelijk is.


Twee dingen vervullen ons met steeds nieuwe, stijgende bewondering en eerbied, hoe vaker en intenser het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de zedelijke wet in mij… De aanblik van de eindeloos vele werelden vernietigt als het ware mijn belangrijkheid; ik ben een dierlijk schepsel dat de materie waaruit het ontstond weer terug moet geven aan de planeet (niets dan een punt in een heelal), nadat het korte tijd (men weet niet hoe) van levenskracht voorzien is geweest. Maar de tweede verhoogt mijn waarde; ik ben een intelligentie, oneindig door mijn persoonlijkheid, waarin de zedelijke wet mij een waarde openbaart die onafhankelijk is van het dier zijn en zelfs van de hele zintuiglijke wereld… (Kant in: Kritiek van de zuivere rede)


Even lijkt het erop dat Kant de metafysica eerder als een onmogelijkheid zal bestempelen dan deze veilig te stellen, omdat hij zelf denkt dat we nooit te weten kunnen komen hoe de dingen op zichzelf zijn. Onze kennis heeft immers uitsluitend betrekking op de verschijningen, dus op de waarneembare wereld. Kant blijft altijd het idee houden dat de ‘gevaarlijke mogelijkheid’ bestaat dat al onze metafysische gedachten niet meer zijn dan onze eigen hersenspinsels.

Toch maakt Kant in zijn boek Prolegomena (1783) duidelijk dat hij ook na zijn kritisch onderzoek nog wel degelijk mogelijkheden ziet voor een metafysica. Kant kan de dingen niet kennen zoals ze op zichzelf zijn, vindt hij, maar wel zoals ze voor hem zijn, dus in hun relatie tot de wereld waarvan hij deel uitmaakt. Anders gezegd: de metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van het Ding an sich begeven, maar Kant vindt dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.


Als Kant schrijft dat de aanleg tot transcendente begrippen in onze rede op ‘natuurlijke doelen’ moet zijn gericht, ‘omdat alles wat in de natuur ligt oorspronkelijk toch aan een nuttig doel moet beantwoorden’, grijpt hij terug op Aristoteles’ gedachte van een perfect georganiseerde wereld waarin alles een doel heeft en niets voor niets bestaat. Het bestaan van een voorzienige, planmatig te werk gaande Schepper lijkt daarbij al te zijn verondersteld. Maar ook op deze wijze kan het bestaan van God niet worden bewezen, hooguit waarschijnlijk geacht. (Trouw)


Kant stelt dat er iets is, iets dat buiten de zintuiglijk waarneembare wereld ligt waarmee wij in ons dagelijks bestaan te maken hebben. Hij beklemtoont zelfs dat de menselijke rede een natuurlijke aanleg heeft tot metafysica die beantwoordt aan een even natuurlijke behoefte om de alledaagse leefwereld te ontstijgen.


Onze handelingsvrijheid, het bestaan van God of van een onsterfelijke ziel zijn zaken die we strikt genomen niet kunnen bewijzen, maar die aan gene zijde van de grens zeer wel mogelijk zijn, en die in ons morele handelen zelfs onontbeerlijke uitgangspunten zijn. Door de onbedwingbare behoefte verder te zoeken dan de ons bekende werkelijkheid worden we volgens Immanuel Kant behoed voor de grote gevaren die ons wereld- en mensbeeld bedreigen: het fatalisme, het materialisme en het naturalisme. (Trouw)


Bronnen o.a.: IJzeren lijst, Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant, Alexandra van Ditmars, filosofie.nl | Kant und das Ding an sich, Erich Adickes, 1977 | De kritiek op Kants filosofie, Tilburg School of  Catholic Theology, Tilburg University | Immanuel Kant en zijn visie op de werkelijkheid, Rienk-Jan Benedictus, isgeschiedenis.nl | Aristoteles, de eerste filosofie, Carlos Steel, Historische Uitgeverij, Groningen | Wat is metafysica? Tilburg School of Humanities, Tilburg University, Verantwoordelijk docent prof. dr. P.H.A.I. Jonkers en prof. dr. ing. R.P.H. Munnik; techniek drs. N.C. de Groot | Prolegomena, Immanuel Kant, Uitgeverij Boom, Amsterdam, oorspr. 1783, uitgave 1999 | Kant veroorzaakte een revolutie in de wijsbegeerte, Trouw, 10 juli 1999.

Beeld: risvegliodiunadea.altervista.org

Foto: Harald Haacke – Standbeeld van Immanuel Kant in Kaliningrad (Königsberg), Rusland. Replica door Harald Haacke van het origineel door Christian Daniel Rauch, verloren gegaan in 1945.

‘Spiritualiteit taboe in academische kringen’

heavensgates-229

Volgens prof. Hans Gerding gaat het bij spiritualiteit en mystiek in de eerste plaats om ervaringen en die ervaringen maken deel uit van een heel spectrum van verschillende soorten buitengewone ervaringen. En die kunnen meer zijn dan wanen, verkeerd geïnterpreteerde zintuiglijke indrukken of hersenprocessen. Gerding spreekt vrijdag 9 december 2016 op de Universiteit Leiden over empirische metafysica, tijdens een symposium ter gelegenheid van 15 jaar Filosofie & Spiritualiteit.

Wie grensoverschrijdende ervaringen opvat als empirische metafysica, verplicht zich aannemelijk te maken dat die ervaringen (soms) meer kunnen zijn dan wanen, verkeerd geïnterpreteerde zintuiglijke indrukken of (zieke) hersenprocessen. Als vervolgens empirische metafysica verbonden kan worden met zingeving, kan de filosofie daar verdieping zoeken en zal de psychologie de implicaties ervan moeten nagaan in onderzoek, theorievorming en therapie.’ (Universiteit Leiden)

Gerding stelt – in zijn rede Filosofische bespiegelingen rond spiritualiteit – dat wie op zoek gaat naar beschouwingen over dit onderwerp rijkelijk beloond wordt. Hij komt dan onder meer uit bij Plato over een bijna-doodervaring; visioenen van Plotinus; Immanuel Kant over de buitengewone ervaringen van mysticus Swedenborg. Maar ook bij Schopenhauer en zijn empirisch bewijs voor zijn metafysica; de mystiek van Henri Bergson, en bij grensoverschrijdende buitengewone ervaringen die voor Otto Duintjer onderwerp zijn van diepgaande filosofische reflectie.

Mensen rapporteren ervaringen waarin heel verschillende grenzen overschreden worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om de grens van leven en dood, de grenzen van ruimte en tijd, of om grenzen rond het vertrouwde besef van identiteit. In deze grensoverschrijdingen, waarvoor ik ook het woord ‘transcendentie’ gebruik, zijn aspecten van spiritualiteit of mystieke verbinding te ontdekken.’ (Gerding)

Prof. dr. Hans Gerding, die in 2013 afscheid nam als bijzonder hoogleraar Metafysica in de Geest van de Theosofie aan de Universiteit Leiden, stelt dat al die buitengewone ervaringen voor filosofen niet zomaar een interessant gegeven zijn om hun denken aan te scherpen, maar dat in deze ervaringen inzichten naar voren kunnen komen die door denken alleen niet kunnen worden bereikt. Hij verwijst naar Schopenhauer, die dit zegt:

‘…die intrede in het rijk van de vrijheid (kan) niet bewust worden afgedwongen; zij komt (…) plotseling, als van buitenaf, aanwaaien. … Als gevolg van die genadestaat ondergaat het hele wezen van de mens een fundamentele verandering en ommekeer: hij wil niets meer van al datgene wat hij tot dusverre zo fel begeerde, en een nieuw mens neemt als het ware de plaats in van de oude … in plaats van het rusteloze dringen en drijven … zien we dan die vrede verschijnen die verhevener is dan alle rede, die volslagen luwte van het gemoed, die diepe rust, dat onwankelbare vertrouwen en die intense blijmoedigheid…’ (Schopenhauer)

Gerding stelt dat wat Schopenhauer hier schrijft, duidelijk niet bedacht is, maar beleefd. Hij heeft die ‘…verheven vrede, vrijheid, en luwte van het gemoed…’ ervaren en heeft geprobeerd om die ervaring achteraf in woorden filosofisch te duiden.

1152721905-arthur-schopenhauer-quote-everyone-takes-the-limits-of-his-own-vision

Mystici rapporteren, zo zegt Geldring, een onbelemmerd contact met ‘heel het zijn’, en ervaren dit als ‘genade’ en ‘bevrijding’ van begrensdheid. Grensoverschrijdende ervaringen worden volgens Gerdien in de samenleving massaal gerapporteerd, en zijn alleen maar uitzonderlijk tegen de achtergrond van een ‘denkklimaat’ dat niet in staat is recht te doen aan het grensoverschrijdende karakter van deze ervaringen.

In de mystieke beleving, zo leren we van de fenomenologie van deze ervaringen, treden er processen en functies van ons systeem in werking die buiten onze rationele controle liggen. Overgave en meegeven aan wat zich voltrekt is wat er dan van je gevraagd wordt.’ (G)

Kant formuleerde een toetsingscriterium om de ervaringen zoals Schopenhauer die beleefde, te toetsen. Gerding beschrijft als voorbeeld uitgebreid het verhaal van de inktpot van Schopenhauer, en stelt dat waar het hem om gaat dat deze ervaringen, ook los van de filosofie van Schopenhauer of welke filosofische of spirituele context dan ook, gezien kunnen worden als aanwijzingen voor transcendentie, het overschrijden van grenzen. Gerding werkte dit in zijn rede verder uit. Om met enige spijt ook te constateren dat wie over spiritualiteit begint, gemakkelijk tegen een taboe aanloopt dat vergelijkbaar is met het taboe op seks in de Victoriaanse tijd.

Dit taboe op spiritualiteit, zo bleek onlangs nog uit een enquête, leeft vooral in academische kringen die zich daarmee niet alleen isoleren van de rest van de bevolking maar ook, zo blijkt uit hedendaags historiografisch onderzoek, van hun eigen geschiedenis.’ (G)

De rede werd  door Gerding uitgesproken ter gelegenheid van zijn afscheid als bijzonder hoogleraar Metafysica in de Geest van de Theosofie aan de Universiteit Leiden op vrijdag 1 februari 2013. Opmerkelijk en uitermate boeiend.

Zie voor de complete rede: Filosofische bespiegelingen rond spiritualiteit

Beeld: Bestaan hemel en hel? Voor religieuze mensen vormt de onzichtbare, metafysische wereld een krachtige inspiratiebron waardoor ze soms ver boven hun beperkte zelf uit kunnen stijgen. (picturesofheaven.net)

Het mini-symposium vindt plaats op vrijdag 9 december in het Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden (zaal: 011) | Aanvang: 13.00 uur | Toegang: gratis + feestelijke borrel na afloop in De Grote Beer | Andere sprekers: theoloog Barbara Swaan over Simone Weil en vriendschap | antropoloog Rico Sneller over Tussen extase en hysterie. Ludwig Klages en de filosofie | filosoof Angela Roothaan over De hermeneutiek van Bomen in een Afrikaanse context | filosoof Gerard Visser over De Moeder de vrouw.

UPDATE 11-12-2016: Bijlage Studium Generale Maastricht 1 december 2016