Immanuel Kant en ‘iets’ buiten de waarneembare wereld

ZodiiRisvegliodiunadea.altervista.org

Metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van de werkelijkheid zoals ze is (Ding an sich) begeven, maar de meest invloedrijke filosoof van de moderne tijd Immanuel Kant vond dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.

De bevindingen van Immanuel Kant (1724 – 1804) zetten de wereld op zijn kop: het gaat er niet langer om hoe de werkelijkheid is, maar om hoe wij haar zien. Volgens Kant zien wij de wereld niet zoals zij werkelijk is, maar zoals zij zich aan ons voordoet.

De werkelijkheid zoals ze is
V
olgens Kant kent de mens de werkelijkheid dus alleen zoals hij of zij deze waarneemt en interpreteert, overeenkomstig de waarnemingsvormen en verstandscategorieën die ‘a priori’ in het bewustzijn aanwezig zijn. In zijn tijd denkt men dat de mens een onbeschreven blad is – een tabula rasa – en dat bewustwording van de wereld pas bij waarneming begint.

Onwaar,’ zegt Kant, ‘want als het verstand geen enkele structuur aan die waarneming toevoegt, snappen we niks van wat we zien. En die structuur – zeg, de poffertjespan – gaat noodzakelijk vooraf, ‘a priori’, aan de waarneming. Eerst de kuiltjes, dan het deeg.’

De Duitse filosoof Erich Adickes vergelijkt de waarnemingsvormen met de bolle ogen waarmee een kikker ter wereld komt: men neemt aan dat een kikker de werkelijkheid alleen in ronde vormen ziet op grond van de structuur van zijn ogen. Op dezelfde wijze kan de mens niets weten over de werkelijkheid op zichzelf, omdat de mens de werkelijkheid alleen kent zoals deze zich aan hem of haar voordoet. Ding an sich wordt ook wel tegenover Erscheinung gezet: het ding zoals het zich aan ons kennen presenteert en we het kennen kunnen.

Onze kennis moet volgens Kant uitgaan van datgene wat in de zintuiglijke ervaring gegeven is; maar deze ervaringsgegevens moeten vervolgens met behulp van het verstand gedacht worden in een meer algemene samenhang om daardoor een betrouwbare kennis van de aan ons verschijnende werkelijkheid op te leveren.

Hiermee geeft Kant ook de grenzen aan van het menselijk kennen; datgene wat aan de overzijde van die verschijningen ligt, het ding op zichzelf (Ding an sich) is voor onze kennis onbereikbaar, en wanneer de rede het wel wil proberen te kennen, vervalt ze in schijnredeneringen en schijnconclusies.

Kant maakt op deze manier onderscheid tussen de kenbare wereld enerzijds, die bestaat uit de dingen zoals ze aan ons verschijnen, en de dingen zoals ze zijn. Die laatste kunnen we niet kennen omdat we er geen toegang toe hebben. De wereld van de verschijnselen is het domein van de wetenschappen, en wel toegankelijk.

De werkelijkheid voor mij
Men spreekt ook wel over de werkelijkheid voor mij (Ding für mich): de manier waarop de werkelijkheid aan mij verschijnt. Volgens Kant structureert de manier waarop we denken de realiteit zoals wij die waarnemen. We weten alleen hoe de wereld aan ons verschijnt en niet hoe die wereld daadwerkelijk is.

Filosoof Rienk-Jan Benedictus stelt dat het aangeboren denkvermogen ervoor zorgt dat de werkelijkheid slechts ‘geïnterpreteerd’ wordt. Het Ding an sich, de wereld zoals hij ‘echt’ is, kan de mens (volgens Kant) niet kennen. Mensen kennen slechts de Dinge für mich: de manier waarop de wereld en alle dingen persoonlijk worden ervaren. Er is altijd sprake van een subjectieve interpretatie van de waargenomen werkelijkheid.

SAMSUNG DIGIMAX 420
Metafysica

Veel belangrijker en verhevener dan het domein van de alledaagse, zintuiglijke ervaring, vindt Kant de metafysica. Alleen maar fysica vindt hij verarming van het leven, ook al is de mensheid in zijn ogen tot nu toe weinig wijzer geworden van de metafysica. Grote metafysische vragen vindt hij, zoals gezegd, de vragen naar God, maar ook naar wilsvrijheid en de onsterfelijkheid van de ziel. Bovendien weigert het menselijke hart te geloven in een universum zonder doel. Kant vraagt zich tegelijk af of metafysica wel mogelijk is.


Twee dingen vervullen ons met steeds nieuwe, stijgende bewondering en eerbied, hoe vaker en intenser het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de zedelijke wet in mij… De aanblik van de eindeloos vele werelden vernietigt als het ware mijn belangrijkheid; ik ben een dierlijk schepsel dat de materie waaruit het ontstond weer terug moet geven aan de planeet (niets dan een punt in een heelal), nadat het korte tijd (men weet niet hoe) van levenskracht voorzien is geweest. Maar de tweede verhoogt mijn waarde; ik ben een intelligentie, oneindig door mijn persoonlijkheid, waarin de zedelijke wet mij een waarde openbaart die onafhankelijk is van het dier zijn en zelfs van de hele zintuiglijke wereld… (Kant in: Kritiek van de zuivere rede)


Even lijkt het erop dat Kant de metafysica eerder als een onmogelijkheid zal bestempelen dan deze veilig te stellen, omdat hij zelf denkt dat we nooit te weten kunnen komen hoe de dingen op zichzelf zijn. Onze kennis heeft immers uitsluitend betrekking op de verschijningen, dus op de waarneembare wereld. Kant blijft altijd het idee houden dat de ‘gevaarlijke mogelijkheid’ bestaat dat al onze metafysische gedachten niet meer zijn dan onze eigen hersenspinsels.

Toch maakt Kant in zijn boek Prolegomena (1783) duidelijk dat hij ook na zijn kritisch onderzoek nog wel degelijk mogelijkheden ziet voor een metafysica. Kant kan de dingen niet kennen zoals ze op zichzelf zijn, vindt hij, maar wel zoals ze voor hem zijn, dus in hun relatie tot de wereld waarvan hij deel uitmaakt. Anders gezegd: de metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van het Ding an sich begeven, maar Kant vindt dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.


Als Kant schrijft dat de aanleg tot transcendente begrippen in onze rede op ‘natuurlijke doelen’ moet zijn gericht, ‘omdat alles wat in de natuur ligt oorspronkelijk toch aan een nuttig doel moet beantwoorden’, grijpt hij terug op Aristoteles’ gedachte van een perfect georganiseerde wereld waarin alles een doel heeft en niets voor niets bestaat. Het bestaan van een voorzienige, planmatig te werk gaande Schepper lijkt daarbij al te zijn verondersteld. Maar ook op deze wijze kan het bestaan van God niet worden bewezen, hooguit waarschijnlijk geacht. (Trouw)


Kant stelt dat er iets is, iets dat buiten de zintuiglijk waarneembare wereld ligt waarmee wij in ons dagelijks bestaan te maken hebben. Hij beklemtoont zelfs dat de menselijke rede een natuurlijke aanleg heeft tot metafysica die beantwoordt aan een even natuurlijke behoefte om de alledaagse leefwereld te ontstijgen.


Onze handelingsvrijheid, het bestaan van God of van een onsterfelijke ziel zijn zaken die we strikt genomen niet kunnen bewijzen, maar die aan gene zijde van de grens zeer wel mogelijk zijn, en die in ons morele handelen zelfs onontbeerlijke uitgangspunten zijn. Door de onbedwingbare behoefte verder te zoeken dan de ons bekende werkelijkheid worden we volgens Immanuel Kant behoed voor de grote gevaren die ons wereld- en mensbeeld bedreigen: het fatalisme, het materialisme en het naturalisme. (Trouw)


Bronnen o.a.: IJzeren lijst, Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant, Alexandra van Ditmars, filosofie.nl | Kant und das Ding an sich, Erich Adickes, 1977 | De kritiek op Kants filosofie, Tilburg School of  Catholic Theology, Tilburg University | Immanuel Kant en zijn visie op de werkelijkheid, Rienk-Jan Benedictus, isgeschiedenis.nl | Aristoteles, de eerste filosofie, Carlos Steel, Historische Uitgeverij, Groningen | Wat is metafysica? Tilburg School of Humanities, Tilburg University, Verantwoordelijk docent prof. dr. P.H.A.I. Jonkers en prof. dr. ing. R.P.H. Munnik; techniek drs. N.C. de Groot | Prolegomena, Immanuel Kant, Uitgeverij Boom, Amsterdam, oorspr. 1783, uitgave 1999 | Kant veroorzaakte een revolutie in de wijsbegeerte, Trouw, 10 juli 1999.

Beeld: risvegliodiunadea.altervista.org

Foto: Harald Haacke – Standbeeld van Immanuel Kant in Kaliningrad (Königsberg), Rusland. Replica door Harald Haacke van het origineel door Christian Daniel Rauch, verloren gegaan in 1945.

‘Spiritualiteit taboe in academische kringen’

heavensgates-229

Volgens prof. Hans Gerding gaat het bij spiritualiteit en mystiek in de eerste plaats om ervaringen en die ervaringen maken deel uit van een heel spectrum van verschillende soorten buitengewone ervaringen. En die kunnen meer zijn dan wanen, verkeerd geïnterpreteerde zintuiglijke indrukken of hersenprocessen. Gerding spreekt vrijdag 9 december 2016 op de Universiteit Leiden over empirische metafysica, tijdens een symposium ter gelegenheid van 15 jaar Filosofie & Spiritualiteit.

Wie grensoverschrijdende ervaringen opvat als empirische metafysica, verplicht zich aannemelijk te maken dat die ervaringen (soms) meer kunnen zijn dan wanen, verkeerd geïnterpreteerde zintuiglijke indrukken of (zieke) hersenprocessen. Als vervolgens empirische metafysica verbonden kan worden met zingeving, kan de filosofie daar verdieping zoeken en zal de psychologie de implicaties ervan moeten nagaan in onderzoek, theorievorming en therapie.’ (Universiteit Leiden)

Gerding stelt – in zijn rede Filosofische bespiegelingen rond spiritualiteit – dat wie op zoek gaat naar beschouwingen over dit onderwerp rijkelijk beloond wordt. Hij komt dan onder meer uit bij Plato over een bijna-doodervaring; visioenen van Plotinus; Immanuel Kant over de buitengewone ervaringen van mysticus Swedenborg. Maar ook bij Schopenhauer en zijn empirisch bewijs voor zijn metafysica; de mystiek van Henri Bergson, en bij grensoverschrijdende buitengewone ervaringen die voor Otto Duintjer onderwerp zijn van diepgaande filosofische reflectie.

Mensen rapporteren ervaringen waarin heel verschillende grenzen overschreden worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om de grens van leven en dood, de grenzen van ruimte en tijd, of om grenzen rond het vertrouwde besef van identiteit. In deze grensoverschrijdingen, waarvoor ik ook het woord ‘transcendentie’ gebruik, zijn aspecten van spiritualiteit of mystieke verbinding te ontdekken.’ (Gerding)

Prof. dr. Hans Gerding, die in 2013 afscheid nam als bijzonder hoogleraar Metafysica in de Geest van de Theosofie aan de Universiteit Leiden, stelt dat al die buitengewone ervaringen voor filosofen niet zomaar een interessant gegeven zijn om hun denken aan te scherpen, maar dat in deze ervaringen inzichten naar voren kunnen komen die door denken alleen niet kunnen worden bereikt. Hij verwijst naar Schopenhauer, die dit zegt:

‘…die intrede in het rijk van de vrijheid (kan) niet bewust worden afgedwongen; zij komt (…) plotseling, als van buitenaf, aanwaaien. … Als gevolg van die genadestaat ondergaat het hele wezen van de mens een fundamentele verandering en ommekeer: hij wil niets meer van al datgene wat hij tot dusverre zo fel begeerde, en een nieuw mens neemt als het ware de plaats in van de oude … in plaats van het rusteloze dringen en drijven … zien we dan die vrede verschijnen die verhevener is dan alle rede, die volslagen luwte van het gemoed, die diepe rust, dat onwankelbare vertrouwen en die intense blijmoedigheid…’ (Schopenhauer)

Gerding stelt dat wat Schopenhauer hier schrijft, duidelijk niet bedacht is, maar beleefd. Hij heeft die ‘…verheven vrede, vrijheid, en luwte van het gemoed…’ ervaren en heeft geprobeerd om die ervaring achteraf in woorden filosofisch te duiden.

1152721905-arthur-schopenhauer-quote-everyone-takes-the-limits-of-his-own-vision

Mystici rapporteren, zo zegt Geldring, een onbelemmerd contact met ‘heel het zijn’, en ervaren dit als ‘genade’ en ‘bevrijding’ van begrensdheid. Grensoverschrijdende ervaringen worden volgens Gerdien in de samenleving massaal gerapporteerd, en zijn alleen maar uitzonderlijk tegen de achtergrond van een ‘denkklimaat’ dat niet in staat is recht te doen aan het grensoverschrijdende karakter van deze ervaringen.

In de mystieke beleving, zo leren we van de fenomenologie van deze ervaringen, treden er processen en functies van ons systeem in werking die buiten onze rationele controle liggen. Overgave en meegeven aan wat zich voltrekt is wat er dan van je gevraagd wordt.’ (G)

Kant formuleerde een toetsingscriterium om de ervaringen zoals Schopenhauer die beleefde, te toetsen. Gerding beschrijft als voorbeeld uitgebreid het verhaal van de inktpot van Schopenhauer, en stelt dat waar het hem om gaat dat deze ervaringen, ook los van de filosofie van Schopenhauer of welke filosofische of spirituele context dan ook, gezien kunnen worden als aanwijzingen voor transcendentie, het overschrijden van grenzen. Gerding werkte dit in zijn rede verder uit. Om met enige spijt ook te constateren dat wie over spiritualiteit begint, gemakkelijk tegen een taboe aanloopt dat vergelijkbaar is met het taboe op seks in de Victoriaanse tijd.

Dit taboe op spiritualiteit, zo bleek onlangs nog uit een enquête, leeft vooral in academische kringen die zich daarmee niet alleen isoleren van de rest van de bevolking maar ook, zo blijkt uit hedendaags historiografisch onderzoek, van hun eigen geschiedenis.’ (G)

De rede werd  door Gerding uitgesproken ter gelegenheid van zijn afscheid als bijzonder hoogleraar Metafysica in de Geest van de Theosofie aan de Universiteit Leiden op vrijdag 1 februari 2013. Opmerkelijk en uitermate boeiend.

Zie voor de complete rede: Filosofische bespiegelingen rond spiritualiteit

Beeld: Bestaan hemel en hel? Voor religieuze mensen vormt de onzichtbare, metafysische wereld een krachtige inspiratiebron waardoor ze soms ver boven hun beperkte zelf uit kunnen stijgen. (picturesofheaven.net)

Het mini-symposium vindt plaats op vrijdag 9 december in het Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden (zaal: 011) | Aanvang: 13.00 uur | Toegang: gratis + feestelijke borrel na afloop in De Grote Beer | Andere sprekers: theoloog Barbara Swaan over Simone Weil en vriendschap | antropoloog Rico Sneller over Tussen extase en hysterie. Ludwig Klages en de filosofie | filosoof Angela Roothaan over De hermeneutiek van Bomen in een Afrikaanse context | filosoof Gerard Visser over De Moeder de vrouw.

UPDATE 11-12-2016: Bijlage Studium Generale Maastricht 1 december 2016

‘Ik heb een natuurlijke verklaring dus daarom bestaat God niet’

just_confusing_evolution_god_417335
‘Heeft Roberts er bij stilgestaan dat een universum welke uit louter toeval is ontstaan, zonder reden, zonder doel, zonder aanleiding, waaruit vervolgens toevallig leven is ontstaan, met als bijproduct wezens die kunnen denken, dat dit denken ook doelloos, redeloos en toevallig zou moeten zijn?’ Dit zegt auteur en uitgever Erwin de Ruiter naar aanleiding van een interview met paleoantropoloog Alice Roberts over haar vorige maand verschenen boek Het ongelooflijke toeval van ons bestaan.

Indien het redeneren echter toch zinvol en redelijk wordt geacht is het alleszins redelijk te veronderstellen dat dit niet toevallig kan zijn.’ (De Ruiter)

De Ruiter noemt het boek wetenschappelijk met een filosofische lading. Volgens de auteur wil ‘toeval’ zeggen: ‘zonder bedoeling, terwijl die er wel lijkt te zijn’. En of het allemaal wetenschappelijk is wat zij schrijft? Roberts noemt bijvoorbeeld de menselijke dooierzak nutteloos: het is nog een restant van voorouders van ons die eieren legden. Maar volgens biologen is de dooierzak juist van vitaal belang bij de ontwikkeling van het embryo.


Alice Roberts: ‘Ontwerp door god onwaarschijnlijk’

Het oog wordt ook vaak gezien als een bijzonder aspect van de mens. ‘Creationisten gebruiken het wel eens als voorbeeld dat er wel een god moet zijn: zoiets ingewikkelds moet wel vanuit het niets ontworpen zijn’, zegt Roberts. Maar toch is het oog niet perfect: de bedrading komt uit de voorkant van het netvlies, wat resulteert in een blinde vlek. ‘Als ik almachtig zou zijn, had ik ervoor gezorgd dat de bedrading uit de achterkant kwam. Het feit dat dat niet zo is, maakt het wat mij betreft zeer onwaarschijnlijk dat het menselijk lichaam door een god is ontworpen.’ (NewScientist)

Bioloog dr. George Marshall, lector Oogwetenschap aan de universiteit van Glasgow, stelt echter: ‘Het idee dat het oog aan de verkeerde kant is bedraad, komt voort uit een gebrek aan kennis van de oogfunctie en de anatomie van het oog.’ Zie: Is het oog verkeerd ontworpen?


Volgens Roberts zijn lichaamsdelen ontworpen voor een bepaalde functie. De Ruiter vindt dat Roberts de ontwerper probeert te omzeilen door te zeggen dat ontwerp geen ontwerper impliceert, net zomin als evolueren een evolueerder.

Even de definities erbij pakken (van Dale): ontwerp: een omschreven plan, evolutie: geleidelijke ontwikkeling. Oké, nu haar zin nog een keer gebruiken: een omschreven plan heeft geen bedenker nodig, net zo min als geleidelijke groei een ‘groeier’ nodig heeft. Het is zoiets als zeggen dat een welgemikte gooi geen werper nodig heeft, net zomin als dat een opgroeiend kind een groeier nodig heeft. Uhhh huh? Ik zou zeggen dat Roberts de Ontwerper niet zo goed omzeild heeft: ze wijst recht in Zijn richting.’ (De Ruiter)

hetongelooflijketoevalvanonsbestaanVolgens De Ruiter speelt de naturalistische opvatting van Roberts haar vermoedelijk parten als ze zegt

Zou je evolutie opnieuw afdraaien vanaf het begin dan zouden er geen mensen zijn. En de mens als zodanig evolueert nog steeds.’

Dit is echter, aldus De Ruiter, niet uit het bestuderen van de natuur op te maken en verwart Roberts haar wetenschappelijke conclusies met filosofische beginselen, heeft ze zich misrekend en veronderstelt dat een bestuderen van de natuur uitsluitsel kan geven over de boven-natuur (het bovennatuurlijke/metafysische.)

Het is alsof iemand een televisie van binnenuit bestudeert en aangeeft dat er inderdaad sprake is van elektronica, bedrading, energie, led, maar dat dit zichzelf volkomen verklaart en dat de uitkomst – dat wat er wordt uitgezonden – berust op bijzonder toeval. Niets wijst op een bedenker van programma’s of een maker van een televisie. Echter, hoewel de studie van de televisie je duidelijk kan maken dat er sprake kan zijn van een ontwerp zal een gedetailleerde studie van de processor je niet verder helpen bij dit vraagstuk. Gek genoeg lijkt Roberts dit echter te impliceren. Roberts heeft een omgekeerde ‘God of the gaps’ verklaring: ik heb een natuurlijke verklaring dus daarom bestaat God niet.’

Alice RobertsHet ongelooflijke toeval van ons bestaanUitgeverij Lannoo | 392 pagina’s | september 2015 | 24,99 euro

Zie: Op zoek naar de evolutionaire wortels van het menselijk lichaam

Zie: Het ongelooflijke toeval van ons bestaan

Illustr: Baloocartoons.com

Update: 30102015 17.37 uur.

Impliceert informatie in DNA een Schepper?

GrantCeesDekker
Over de (grijze) cellen van bioloog René Fransen en moleculair bioloog Peter Borger. In een discussie tussen wetenschappers over de cel lees je en passant dat de informatie in ons DNA – de grote verzamelstructuur van genetische informatie in de cel  – een Schepper impliceert. Dit dispuut volgt op een interview met bionanowetenschapper Cees Dekker die een ‘paar babystapjes’ wil zetten in de ontrafeling van het leven. In het RD is de discussie losgebarsten.

Fransen ontkent dat het DNA werkelijk een informatieopslag en verwerkingssysteem is, vergelijkbaar met een computer. Dat er geen informatie in het DNA zit, is de opvatting die met name door de atheïstische gemeenschap wordt gehuldigd, omdat informatie een Schepper impliceert. Maar we hebben echt te maken met gecodeerde informatie, en niet met metafoor als we over informatie in het DNA praten.’ (Borger)

renefransenVolgens René Fransen (foto li: RF) is de uitspraak van Peter Borger (foto onder: cip.nl) dat informatie een ‘immateriële component’ van het leven is, niet wetenschappelijk maar puur metafysisch.

Borger beweert verder dat volgens het ‘mainstreamparadigma’ in de biologie het leven simpel is. Dit is onjuist: de evolutietheorie stelt slechts dat leven simpel begonnen is. We weten niet hoe het leven begon, maar experimenten met chemische evolutie laten zien hoe niet-levende systemen zichzelf al kunnen namaken en daarbij ook kunnen veranderen.’ (Fransen)

Een leuk ander metafysische duwtje komt van Bart van den Dikkenberg in het Reformatorisch Dagblad, in gesprek met oeuvreprijswinnaar Dekker, die een beurs van 3,5 miljoen krijgt voor kunstmatige celdeling: ‘Als het wetenschappers lukt een kunstmatige cel te maken, hebben ze op zijn minst aangetoond dat daar intelligentie voor nodig is’.

Dekker lacht. ‘Je moet onderscheid maken tussen wetenschappelijk onderzoek en de metafysische duiding die je daaraan geeft. Wetenschappers onderzoeken de natuur en zien daarachter misschien een goddelijk plan of louter toeval. Dat verschil in duiding was er 2500 jaar geleden al bij de Griekse filosofen. Deze discussie zal door dit onderzoek niet opeens heel anders lopen.’ (RD)

peterborgercipnlToch gaat Van den Dikkenberg door en vraagt zich af of de cel dan niet a priori op te vatten is als het werk van een schepper. Daar is niets mis mee, vindt Dekker die als christen ook de hand van God ziet in de schepping. God was er volgens hem bij toen de eerste moleculen de eerste cellen vormden die aan het begin stonden van een lange keten van de evolutie van het leven die ten slotte uitliep op de mens; was er zelfs de schepper van.

Ik zie het als een geschenk van God. Ik geloof dat Hij de wereld heeft geschapen door middel van evolutie. Het is echter nog volslagen onbekend hoe de eerste cellen ooit zijn ontstaan. Het mechanisme daarachter kennen we nog niet.’ (Dekker)

cees_dekkerHet woord scheppen leidt bij mij even tot religieuze verwarring als Cees Dekker (foto li: twitter) zegt dat hij als nanobioloog een (kunstmatige) cel gaat scheppen. Gelukkig bedoelt hij met dat scheppen zoiets als een architect doet die een gebouw ‘schept’. De wetenschapper waant zich gelukkig geen god. 🙂

Genoemde biologische discussie is voor geïnteresseerden te volgen – zonder betaalmuur, niet op zondag, dat heeft de Schepper liever niet 😉 – in het RefDag. De redetwist heeft eigenlijk als onderliggende agenda of God als Schepper iets met de cel – en dus met het hele leven – te maken heeft. Metafysica en wetenschap als strijdtoneel, een wedstrijd tussen de grijze cellen van de wetenschappers…

Volgens Borger, gisteren in zijn laatste bijdrage, hebben Fransen en ForumC zich ten doel gesteld om ‘survival of the fittest’ te combineren met ‘heb je naaste lief als jezelf’. Hij noemt dat een onzinnig, tegenstrijdig compromis.

De data spreken tegen universele gemeenschappelijk afstamming en tonen dat selectie geen rol van betekenis speelt om biologische oorsprongsvraagstukken te verklaren. Dit is ook het geluid dat steeds meer evolutiewetenschappers laten horen, zoals Andreas Wagner en James Shapiro. Als christen is er dus geen enkele reden achter Darwin aan te (blijven) lopen.’ (Borger)

Hoe dan ook, volgens Fransen doet Borger het onderzoek dat Dekker gaat uitvoeren geen recht.

‘Dit onderzoek zal ons meer leren over de schoonheid van de schepping en over manieren waarop wij die schepping kunnen gebruiken voor nuttige toepassingen.’ (Fransen)

Zie voor meer: over o.a. Encode, RNA, evolutietheorie en ‘junk-DNA’:

* Cees Dekker: Babystapjes om het leven te begrijpen
* Bouwen van levende cel op voorhand mislukt
* Te snelle conclusies over de cel
* Grootste deel DNA is functioneel
* Encode wel degelijk doorslaggevend

Foto: Dekker group TU Delft

‘De empirische wetenschap evolueert tot intellectuele gevangenis’

theflathearthsociety,org
In het artikel God en wetenschap stelt Philipe Dalleur dat de empirische wetenschap opbotst tegen de metafysische muren van haar kennen: de mysteries van het zijn, van zijn ontologische samenstelling en van de diepe oorsprong van zijn wetten.

Sommige wetenschappers breken hun hoofd over de vorming van ons universum door zich af te vragen: kan men wetenschappelijk analyseren wat er gedurende de Big Bang gebeurd is, of voor deze gebeurtenis, en zelfs hopen daarin zingeving te vinden tenminste indien de tijd zelf een zin had? Kan men een wetenschappelijke betekenis geven aan een schepping, spontaan of niet, vanuit het niets, of aan een eeuwige wereld zonder oorsprong? Men vindt hier het duizelingwekkend probleem van het zijn.’

De Italiaanse prof. Dalleur zegt dit in een onlangs gestarte tiendelige serie bij het Belgische Didoc, onder de naam De hedendaagse wereld begrijpen. In deel drie bespreekt hij de crisis van de metafysica en de theologie; een nieuw begrip van wetenschap; de ‘exacte’ wetenschap en metafysica, en God en de wetenschap. Er volgen nog zeven delen.

De crisis van de metafysica en de theologie
De metafysica, stelt hij, gaat over al wat bestaat, en dus ook over God, zijn bestaan en zijn natuur. Voor de theologie, aldus de doctor in de Toegepaste Wetenschappen en in de Filosofie, zal het cruciaal zijn de betrouwbaarheid van haar bronnen te bewijzen, zoals de geschiedkundige wetenschappen dat doen.

De moderne theologie moet een uiterst nauwkeurige en systematische methode volgen voor haar onderzoek naar God en naar wat Hem betreft. Zij moet ook gebaseerd zijn op de Openbaring, op de religieuze ervaring van de mens en van de culturen, en op de meest betrouwbare conclusies van de filosofie.’

Een nieuw begrip van wetenschap
Hierin stelt Dalleur dat de moderne wetenschap zich bezighoudt met veranderingen op materieel gebied, niet met de schepping uit het niets in de eigenlijke betekenis. Iedere secundaire oorzaak heeft noodzakelijkerwijs een eerste oorzaak van metafysische, ontologische aard. Hij stelt dat het afwijzen van deze meta-empirische grondslag – verwijzend naar David Hume – leidt naar een gesloten scepticisme dat het metafysisch verklaren van de bestaansreden van de dingen uitsluit.

Er bestaan zogenaamde humane en historische wetenschappen, niet direct exact want de ervaring is er onrechtstreeks (getuigenissen, overblijfselen, documenten) of niet reproduceerbaar. En zij zijn min of meer ongeschikt voor de uiterst strikte wiskunde. De theologie kan aanspraak maken op een gelijkaardig wetenschappelijk statuut, verschillend van dat van de exacte wetenschappen. Een wiskundige formulering of een wetenschappelijk experiment — in de moderne empirische zin, te vergelijken met de wet van de zwaartekracht — van God en van zijn handelen is onmogelijk.’

‘Exacte’ wetenschappen en metafysica
Elke poging, zo vindt Philipe Dalleur (foto: ditattica.pusc.it), om de kennis van God en van zijn handelen te herleiden tot mechanische oorzaken – wat Creation Science en Intelligent Design doen – lijkt gedoemd te mislukken. De empirische wetenschap evolueert volgens hem in een soort intellectuele gevangenis, opbotsend tegen de metafysische muren van haar kennen: de mysteries van het zijn, van zijn ontologische samenstelling en van de diepe oorsprong van zijn wetten.

PhotoWebIn feite is het universum van de kennis open, onbegrensd zoals de Copernicaanse wereld en niet eindig zoals die van Ptolemeüs. Maar de begrippen oneindigheid, eeuwigheid en almacht vallen buiten het experimenteel bereik, zodat hun gebruik door de moderne wetenschap eigenlijk niet wetenschappelijk maar metafysisch gegrond is. Sommige hedendaagse wetenschappers overschrijden de metafysische drempel, die ze weigerden te overschrijden, om in meta-empirische speculaties te vervallen. Hun wetenschap wordt zoals een religie met haar geloof en haar dogma’s.’ 

God en de wetenschap
O
ns begrip van God is volgens Dalleur een meta-empirische projectie waar geen woorden voor te vinden zijn eerder dan onuitsprekelijk, meer gekend door analogie, eminentie en ontkenning dan door bevestiging: On-eindig, Al-machtig, Absolute goedheid,… Volgens hem waren de belangrijkste wetenschappelijke denkers bekende gelovigen: hun wetenschap was verenigbaar met hun geloof. Dit veranderde vanaf het einde van de 18e eeuw toen zich kritische stemmen verhieven, eerst tegen het christendom en dan tegen het geloof in een persoonlijke God.

De moderne wetenschap heeft ook aanwijzingen gevonden voor compatibiliteit tussen haar theorieën en een machtige intelligente Schepper: de entropie die universeel lijkt, het begin van ons universum dat berekend werd op 13,7 miljard jaar geleden, verrassende coïncidenties in zijn constanten en zijn wetten, de onherleidbaarheid van het menselijk intelligent bewustzijn, enz. Het gaat niet om mathematische bewijzen voor de schepping door God, maar om betekenisvolle aanwijzingen, vooral in een context die vijandig staat tegenover het geloof.’

Ten slotte stelt Dalleur dat de mens een bijzonder wezen is met karakteristieken die niet reduceerbaar zijn tot de materie: bovennatuurlijke (meta-natuurlijke) verlangens en spirituele eigenschappen. En ook dat de anti-theologische invloed ook zeer zichtbaar is in de reflecties die zich baseren op minder exacte wetenschappelijke theorieën, zoals evolutie en de neurowetenschappen.

De verenigbaarheid tussen de moderne wetenschap en het geloof vindt men niet in de exacte wetenschappen, maar in de metafysische aard van de realiteit die door deze wetenschappen geanalyseerd wordt. In de actuele discussies over God en de wetenschap is er een wederopbloei van de interesse voor de theologie van de natuur. Dat heeft soms geleid tot spectaculaire bekeringen, zoals die van de militante atheïst Anthony Flew. Laat ons hopen dat de discussie serener en meer opbouwend mag zijn dan in het verleden het geval was.’

Zie: De hedendaagse wereld begrijpen (3/10) (Didoc)

Illustr: theflathearthsociety.org – Een afbeelding van een houtgravure die te zien is in Camille Flammarions L’atmosphere Meterologie Populaire (1888) – in de legende van een missionaris uit de Middeleeuwen die vertelt dat hij het punt vond waar de hemel en de aarde raakte. Digitaal gerestaureerd en gekleurd.

De gravitatiewetten zijn niet verantwoordelijk voor ontstaan universum

puzzle_cook_big
‘Het mag zo zijn dat wij niets kunnen weten over de-wereld-in-zichzelf. Dit laat echter onverlet dat wij metafysica kunnen bedrijven binnen de-wereld-voor-ons.’ Dit zegt filosoof Emanuel Rutten in zijn voordracht Is de metafysica dood? die hij 18 februari uitsprak in Felix & Sofie. ‘De wereld zoals deze op en voor zichzelf is, de-wereld-in-zichzelf, blijft voor ons als mensen voorgoed verborgen. Alles wat wij denken en ervaren heeft hoe dan ook uitsluitend betrekking op de-wereld-voor-ons.’

De mens kan zich dus altijd bezighouden met de wereld-voor-ons. Dat is de wereld zoals wij deze als mensen denken en ervaren; het allesomvattende waarop al ons denken en ervaren onvermijdelijk betrekking op heeft. Dat mag volgens Rutten genoeg zijn, we zijn immers mensen en geen goden.

Rutten somt drie bezwaren op, die hij vervolgens pareert. Als eerste: sceptici stellen dat wij nooit toegang kunnen krijgen tot de werkelijke werkelijkheid. Als tweede veronderstelt het sciëntisme dat alléén de positieve vakwetenschappen een legitieme bron van uitspraken over de werkelijkheid zijn. Als derde zou de geschiedenis van filosofie en wetenschap hebben laten zien dat a priori intuïties onbetrouwbaar zijn en dus geen epistemische waarde hebben.

IMG-20130909-WA001In zijn betoog licht Emanuel Rutten (foto: ER) deze bezwaren en weerleggingen toe. Interessant wordt zijn betoog vooral aan het einde, waarin Rutten een klein stukje metafysica bedrijft aan de hand van de gravitatiewetten waarover Stephen Hawking beweringen doet in zijn boek The Grand Design. Hawking stelt hierin dat het universum zichzelf veroorzaakt heeft. Rutten noemt dat contradictoir. 

‘In de eerste plaats kan het universum niet voortgekomen zijn uit ‘niets’ indien, zoals Hawking zegt, de gravitatiewetten verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van het universum. Immers, je kunt van de gravitatiewetten veel zeggen, maar niet dat zij ‘niets’ zijn. Het zijn immers op z’n minst abstracte objecten.

In de tweede plaats kan het universum niet de oorzaak zijn van zichzelf. Niets gaat immers in ontologische of temporele zin aan zichzelf vooraf. De idee dat het universum zichzelf veroorzaakt is dan ook contradictoir.

In de derde plaats kan direct de vraag gesteld worden wat dan de grond zou zijn van de gravitatiewetten zelf. Waarom bestaan er überhaupt gravitatiewetten? En waarom dan deze wetten in plaats van één of meer andere – logisch eveneens mogelijke – wetten?

In de vierde plaats dient te worden opgemerkt dat wetten geen objecten met causale vermogens zijn. Wetten zijn proposities of beschrijvingen en proposities of beschrijvingen kunnen geen materie, energie, ruimte en tijd veroorzaken. Ook dit is dus incoherent.’

Zie: Is de metafysica dood? (Emanuel Rutten, pdf)

Illustr: Galaxy puzzle (nasasearch.nasa.gov)