De vervagende grens tussen geloof en ongeloof: God, iets of niets?

god_iets_of_niets_cover

Bewust de grens vervagen tussen filosofie en theologie. Dat wil post-theïstisch theoloog Taede Smedes met zijn nieuwe boek God, iets of niets? Hij maakt gebruik van denkmethodes uit beide disciplines om na te denken over de grensvervaging tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ die in onze samenleving in toenemende mate aan de orde is. Smedes beperkt zich als christelijk theoloog en westers godsdienstfilosoof tot de grensvervaging tussen christelijk ‘geloof’ en ‘ongeloof’.

Smedes’ boek is direct boeiend en daarom lastig weg te leggen. Het boek heb ik nog niet uit, ben aangeland bij hoofdstuk 5 (van de zes.) Soms duizelt het me even vanwege alle informatie, maar het is bijzonder prettig om op bijna encyclopedische wijze – zonder saai te worden – een helder overzicht te krijgen van wat mensen wel of niet geloven, en welke trefwoorden daarbij horen. Alle terminologie die de laatste tijd om je oren vliegt, zoals het nieuwe atheïsme, religieus atheïsme, religieus naturalisme, transcendentie, anatheïsme en (post)theïsme wordt helder beschreven. En soms poëtisch verwoord.

Het is niet een houding van wachten totdat het heil ons, ooit, komt bezoeken. Nee, het is een houding van zoeken, maar niet naar iets wat we kwijt zijn en verlangen, maar zoeken vanuit het vertrouwen dat we al gevonden zijn. En wat we zoeken, is het suizen van een zachte stilte dat zich verbergt achter en via onze beelden ervan en ons spreken erover.’ (Uit: God, iets of niets?)

Geloof’ en ‘ongeloof’, komen aan bod, belief en faith worden nader geduid. En bijvoorbeeld het verschil tussen ‘religie’ en ‘god(s)geloof’. En ‘ongebonden spirituelen’ en ‘ongebonden gelovigen’. Dan is er ook nog de vraag of mensen een ‘godsdienstig’ dan wel een ‘niet-godsdienstig’ geloof hebben; of een ‘transcendent-godsdienstige overtuiging’ of een ‘transcendent-niet-godsdienstige’ of ook een ‘immanente’ overtuiging.

Het gaat over ‘religieuze flexibiliteit’ en zo komen we tot het fenomeen multiple religious belonging, ‘meervoudige religieuze betrokkenheid’ of hybride religiositeit: het feit dat mensen elementen van verschillende religies met elkaar mengen, affiniteit of verwantschap ervaren tussen verschillende religies.

Het is een theologisch boek dat een poging wil doen om die persoonlijke interesse en fascinatie zowel filosofisch en theologisch te doordenken, te verwoorden en te verantwoorden voor geïnteresseerde lezers. Het is een poging om het perspectief van de ander – de religieuze atheïst – te begrijpen en te duiden, en misschien zelfs te verbinden met een opvatting van het heilige die voorbij de tegenstelling van ‘transcendent’ en ‘immanent’, van ‘heilig’ en ‘profaan’ gaat. Als zodanig is het een oefening in post-theïstische hermeneutiek.’ (Uit: God, iets of niets?)

De ontwikkelingen in het religieuze landschap worden nauwkeurig weergegeven en besproken. Zo lees ik over gelovigen die traditionele ideeën over God en geloof loslaten, maar ook dat veel ‘ongelovigen’ geloviger blijken dan vaak wordt toegegeven. Smedes ontkomt natuurlijk niet aan de term ‘spiritualiteit’ en ziet dat als de persoonlijke beleving van de in religie beleefde transcendente dimensie, de grondhouding die iemand heeft tegenover het leven en hoe dat geleefd zou moeten worden.

In spiritualiteit komt, zeg maar, de emotionele kant van religie tot uiting en, daarmee verbonden, de levenshouding die iemand heeft. Dat wil niet zeggen dat ik alle spiritualiteit als religieus beschouw, maar wel dat religie in mijn ogen altijd een spirituele dimensie heeft, die neerkomt op een persoonlijke beleving van wat als heilig wordt beschouwd. Als die persoonlijke beleving er niet is, wordt religie iets louter cognitiefs, als iets waarvan je aanneemt dat het zo is, zonder dat ook als zodanig ervaren te hebben. Een louter cognitieve religie lijkt me amper levensvatbaar. Spiritualiteit is nodig voor religie zoals water voor een plant om te kunnen bloeien.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes duidt helder de grote onderzoeken, zoals God in Nederland, die liepen van 1966 tot 2015. Voorts beschrijft hij het nieuwe atheïsme en de polarisering van discussies omtrent religie, behandelt het religieus atheïsme, het religieus naturalisme, het post-theïsme, religie en het transcedencentiebesef, en het verdwijnend onderscheid tussen het ‘religieuze’ en het ‘seculiere’.

Het mooie van dit boek vind ik vooral dat je op boeiende wijze wordt geconfronteerd met geloof en niet-geloof in allerlei vormen, met levensbeschouwingen van mensen, met de persoonlijke beleving, ideeën over God en (on)geloof, uiteenlopende denkers, verwondering en ontzag voor de kosmos, met het sacrale, en dat je zelfs niet hoeft te geloven dat God bestaat om toch in God te kunnen geloven. Vele boeiende, tot voortdurend nadenken stemmende, gedachtegangen vind je in God, iets of niets?, zoals bijvoorbeeld die van religieus atheïst Ronald Dworkin, Amerikaans rechts- en moraalfilosoof:

Religie is een diepgeworteld, stellig en allesomvattend wereldbeeld: het stelt dat een inherente, objectieve waarde alles [doordringt], dat de wereld en zijn schepselen ontzagwekkend zijn, dat het menselijk leven zin en het universum orde heeft. Het geloof in een god is slechts een mogelijke [manifestatie] of gevolgtrekking van dat diepgewortelde wereldbeeld.

Religieuze atheïsten geloven niet in een god en verwerpen daarom de wetenschap van conventionele religies en de goddelijke plichten (…). Maar ze aanvaarden dat het objectief gezien uitmaakt hoe een mensenleven verloopt en dat iedereen een aangeboren, onvervreemdbare ethische verantwoordelijkheid heeft om te proberen naar omstandigheden zo goed mogelijk te leven. Ze aanvaarden dat de natuur niet slechts een kwestie van gedurende zeer lange tijd samengebrachte deeltjes is, maar iets van wezenlijke verwondering en schoonheid.’ (Uit: God, iets of niets?)

Of de gedachtegang van de twee prominente Franse denkers Luc Ferry en Marcel Gauchet over de veranderende positie van religie in de samenleving.

Wat wij meemaken zijn twee gelijktijdige processen: een afscheid van de religie, verstaan als het einde van het vermogen van het religieuze om het politieke en sociale leven te structureren; en de duurzaamheid van het religieuze in de innerlijke overtuiging van individuele mensen, welke overtuiging tal van historisch en nationaal bepaalde vormen kan aannemen.

(…) Zelfs daar waar de teruggang van de religie, ook wat het persoonlijk geloof betreft, het verst is voortgeschreden, betekent dit niet dat de interesse voor het spirituele eenvoudigweg verloren zou zijn. Zonder dat wij dit op dit moment al te nauwkeurig willen omschrijven, zullen wij eronder verstaan: het zich bezig houden met de laatste vragen, vragen die te maken hebben met het lot van de mens, met de betekenis van de fundamentele levenservaringen, en met de grote lijnen van de ethische oriëntatie van het bestaan.’

God, iets of niets? – De postseculiere maatschappij tussen GELOOF en ONGELOOF | Taede Smedes | ISBN: 9789462983137 | Verschijningsdatum: 12-09-2016 | Paperback | 312 pagina’s | Ook verkrijgbaar als: eBook (PDF)eBook (ePub)

Spreken wetenschap en geloof over een en dezelfde werkelijkheid?

5b_galileitrial

Volgens theoloog, bioloog en filosoof Palmyre Oomen zijn zowel natuurwetenschap als theologie gericht op waarheidsvinding. En daarmee raken we volgens Oomen aan de complexiteit van de verhouding van natuurwetenschap en geloof/theologie. ‘De visie dat geloof en wetenschap met elkaar botsen, elkaar uitsluiten en niet te verenigen zijn, is de visie die op dit moment als eerste opkomt, zeker bij iedereen die er zich niet vakmatig mee bezig houdt. Het is de grondtoon van de oeverloze debatten op weblogs over schepping of evolutie, waarin de ene partij veelal geen spaan heel laat van de andere.’

De conflictvisie op geloof en wetenschap, is een visie die zowel opgeld doet aan de geloofskant als aan de wetenschapskant. Dat is duidelijk te illustreren aan de strijd rond de evolutietheorie. Vanuit de geloofskant wordt dan benadrukt dat Darwins theorie overduidelijk de goddeloze aard van de wetenschap toont. Evolutietheorie is immers strijdig met hoe Gods schepping in de Bijbel beschreven staat. Geloof in Gods schepping sluit derhalve – volgens deze zienswijze – een acceptatie van Darwins evolutietheorie volstrekt uit. Gelovigen die deze radicale mening zijn toegedaan (‘creationisten’) worden er fervente bestrijders van de gangbare wetenschap van.’

In haar artikel in de Bezieling vraagt Oomen zich af of er een derde weg is. Ze staat daarvoor stil bij pogingen (vanaf ruwweg de jaren tachtig van de vorige eeuw) waarin geprobeerd wordt het christelijk geloof en de inzichten van de wetenschap weliswaar te onderscheiden, maar ze áls onderscheiden toch op elkaar te betrekken.

Theologen die – in plaats van voor conflict of tweedeling – voor deze ‘derde positie’ kiezen gaan ervan uit dat, ondanks het genreverschil tussen het geloofsdiscours en het wetenschappelijke discours, de scheiding tussen die twee niet zo volstrekt kan worden doorgevoerd als de tweedelingsmensen voorstaan, omdat beide perspectieven toch op een of andere manier betrekking hebben op een en dezelfde werkelijkheid.’ 

De vraag voor Oomen is niet óf maar hóe we deze ideeën opnemen, oppervlakkig en ondoordacht óf genuanceerd en kritisch.

Dit laatste is wat deze theologen voorstaan, en daarmee stellen ze zich dus een wezenlijk moeilijke taak, namelijk wel het genreverschil tussen geloof en wetenschap erkennen (tegen de conflictpositie in), maar dat toch niet als excuus nemen om beide domeinen los van elkaar te laten (tegen de tweedelingspositie in). Nee, ‘we distinguish in order to relate’ zo karakteriseert John Haught deze positie met een middeleeuws adagium.’

Oomen noemt de vraag ‘Hoe kun je nog op een zinnige manier in God geloven (in Gods invloed op de wereld bijvoorbeeld) als je de wetenschap serieus neemt?’ in zekere zin het Leitmotiv van deze ‘derde weg’: deze derde weg zoekt, om na het onderscheiden van geloof en wetenschap, de reflectie op het geloven toch in relatie te brengen met de wetenschap.

Als voorbeeld – hoe kan het ook anders – neemt zij de evolutietheorie en stelt dan dat de typische Geloof&Wetenschap-reactie is dat de evolutie haar inderdaad niet haar geloof in schepping ontneemt, maar ze vraagt zich dan af hoe schepping dan – uitgezuiverd – te verstaan is. Met deze houding begint het werk pas, zo stelt Oomen. Zij heeft het dan over ‘gaatjes’ in sommige fundamentele natuurwetten (kwantummechanica en chaostheorie).

Dat wil zeggen laten zien dat de wereld op een fundamenteel niveau niet een gesloten keten van oorzaak en gevolg is, maar ‘open’ is. Deze ‘basale openheid’ zou dan ruimte geven – zo is de idee – voor een handelen van God in de wereld zónder natuurwetten te doorbreken. Dit is een binnen theologie die in gesprek is met natuurwetenschap breed aangehangen idee: God dus gezien als schepper van de wetten, én handelend in de speelruimte die sommige van die wetten laten.’

Oomen beaamt wel dat je zo een gek Godsbeeld krijgt: eerst maakt God wetten, die hij niet kan of niet wil doorbreken; vervolgens heeft God gelukkig sommige van die wetten zo gemaakt dat er een mogelijkheid voor hem is om alsnog in de wereld van invloed te zijn.

Zo’n beeld roept toch, bij mij in ieder geval, grote ongemakkelijkheid op. Het geeft een gespleten beeld van God, en het ontkracht ook de autonomie van de betrokken gebeurtenissen. Wat hebben die eigenlijk nog zélf te doen of in te brengen? Wie is er dan verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld? En bovendien: dreigt zo niet dat we wederom over God spreken in een enkel objectiverende taal, waarbij het eigene van het geloof kwijtgespeeld wordt?’

Opmerkelijk boeiende gedachten van Oomen vind ik, waarover ze zelf zegt dat haar artikel slechts enkele van de vele, meer of minder geslaagde, pogingen om het gelovig denken over God in relatie wil brengen met inzichten en theorieën uit de natuurwetenschappen. Als het goed is níet om zich daar onkritisch aan uit te leveren, maar om het potentiële belang ervan ten goede te laten komen aan de verdieping van het geloofsverstaan.

Met zo’n ander denkmodel komen er bij Oomen heel andere beelden vrij voor het denken over God-mens-wereld. Voor een proeve daarvan verwijst zij naar haar artikel over Schepping, in het Belgische Tijdschrift voor Geestelijk Leven, een tweemaandelijks tijdschrift voor spiritualiteit.

Zie: Geloof en wetenschap onderscheiden maar niet gescheiden (ze gaan beide over de ene werkelijkheid)

Beeld: Toen de Italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei zei dat hij het eens was met de theorie van Copernicus beschuldigde de katholieke kerk hem van ketterij. Galilei werd berecht en tot aan zijn dood veroordeeld tot huisarrest. (schrijfgenoten.nl)

Aardse mystiek: een kleine filosofie van de verwondering

sky-ditch-eye-hole-large

‘Wijsheid ontstaat in een ingewikkeld samenspel tussen mij en dat wat ik niet ben, tussen ik en niet-ik, tussen mij en de filosofische, religieuze en artistieke traditie. Zij ontstaat in de ruimten tussen verstand en gevoel, naïviteit en ervaring, speelsheid en ernst, denken, intuïtie en waarneming.’ Dit zegt filosoof Arnold Ziegelaar in zijn boek Aardse mystiek. Een kleine filosofie van de verwondering. Volgens godsdienstfilosoof en theoloog Taede Smedes een van de beste filosofieboeken van 2015.

Ziegelaar betoogt dat er zoiets bestaat als een aardse mystiek, een levensbeschouwing die niet zweverig is en in harmonie met het redelijk denken.

Klassieke denkers keken verwonderd naar de kosmos, terwijl moderne denkers het bestaansmysterie proberen te naderen met termen als existentie, authenticiteit en moraliteit. Voortbouwend in deze traditie ontwikkelt Ziegelaar een kleine filosofie van de verwondering.’ (ISVW)

Ziegelaar is in het begin van zijn boek wars van de gedachte dat het leven vooral vrijblijvend en aangenaam moet zijn en pleit voor een beschouwelijke afstand tot het genivelleerde alledaagse niveau dat wordt beheerst door praktische kennis en vaardigheid die nodig zijn om te kunnen functioneren.

Filosofische inzichten worden geassocieerd met aanspraken die uitstijgen boven of dieper zijn dan de aanspraken van het alledaagse denken.’ (Ziegelaar)

Hij stelt dat ieder zijn mening heeft over wat waar of wijs is, en de relativiteit ervan van de plicht ontslaat die mening diepgaand te onderzoeken.

Deze opvatting staat de ontwikkeling van wijsheid in de weg, want die is juist niet louter ‘subjectief’ in de zin dat ik haar kant-en-klaar in mijzelf kan vinden.’ (Ziegelaar)

De docent filosofie verwijst naar Plato die een strikt onderscheid maakte tussen episteme (echte kennis) en doxa (mening).

Meningen zijn gemakzuchtig, oppervlakkig, grof, slecht gefundeerd en nagepraat. Kennis is een vrucht van moeite, verdieping, nuancering, studie, reflectie, van bescheidenheid en besef van onwetendheid indachtig de complexiteit van het onderwerp. Verder is een scherp en kritisch oog nodig voor het onderscheid tussen het ware en het onware, het gefundeerde en ongefundeerde, het verplichtende en het gemakzuchtige.’ (Ziegelaar)

Maar Aardse mystiek gaat over heel veel meer. Een diepgaande recensie kan je vinden in het artikel Een ‘aardse mystiek’ voor filosofische zinzoekers bij NieuwWij, waarin Smedes stelt dat Ziegelaar onder ‘aardse mystiek’ een denken ‘van onderop’ verstaat, dat de verwondering van het bestaan wil aanwakkeren en filosofisch doordenken.

Ziegelaar schreef een filosofieboek dat tegelijkertijd erg spiritueel is. Het is een boek dat de dichotomie tussen atheïsten en godgelovigen weet te overstijgen en iedere polarisering uit de weg gaat. Een must-read voor zinzoekers.’ (Smedes)

Zie: Een ‘aardse mystiek’ voor filosofische zinzoekers (Taede Smedes)
Foto: ISVW

Aardse mystiek – Inleiding in de filosofie van de verwondering | Auteur: Arnold Ziegelaar Uitgeverij: ISVW Publishers | Aantal pagina’s: 414 | ISBN: 9789491693557 | Prijs: € 27,50 Klik hier om het boek te bestellen.

Leven met een besef van het goddelijke

earth-sunlight

‘Marilynne Robinson stelt een atheïstische lezer als mijzelf in staat zich te identificeren met de ervaring van een gevallen wereld, vol van pijn en verdriet, maar ook doordrongen van goddelijke genade.’ Dit zegt recensent Mark O’Connell in The New Yorker over de ‘onbeschaamd christelijke’ romans van Robinson. ‘Ik heb veel literatuur gelezen over religie en de religieuze ervaring, denk aan Tolstoj, Dostojevski, Flannery O’Connor, de Bijbel, maar alleen bij Robinson heb ik daadwerkelijk gevoeld wat het betekent om te leven met een besef van het goddelijke.’

In mijn romans’, zo vertelt Robinson in Felix Meritis als ik [Yvonne Zonderop, PD] haar na afloop van haar lezing interview, ‘poog ik een besef hoog te houden van een heilig en intens krachtige realiteit van menselijk bewustzijn en innerlijk leven. En als ik maar enigszins dreig te generaliseren, vraag ik op voorhand excuus, want dat is dan mijn eigen tekort­koming. Ik denk dat wij het fundamentele idee van de eigenheid van een mens en de mogelijkheden die dat biedt opnieuw moeten ontdekken.’ 

Volgens Yvonne Zonderop, van De Groene Amsterdammer, in een interview met Robinson, zet laatstgenoemde zich vooral af tegen het idee dat wetenschap en religie elkaar uitsluiten en dat met de komst van de Verlichting de koude ratio is gaan prevaleren.

Het lijkt wel, zo zei ze in Felix Meritis, alsof we de Verlichting datgene hebben laten worden wat haar critici aanvankelijk tegen haar inbrachten, zodat het zichzelf de grootste poëzie uit de menselijke beschaving dreigt te ontzeggen. Het kernidee, namelijk dat iedereen in beginsel toegang zou moeten krijgen tot alle vruchten van de menselijke geest, is het beste wat de mensheid kon overkomen. Wetenschappers die beweren dat de Verlichting en religie niet samen kunnen bestaan, doen dus niet alleen zichzelf te kort, maar beperken ook de waarde van wetenschap.’

Robinson stelt dat haar spiritualiteit, ‘om dat woord te gebruiken’, is dat zij accepteert dat er een realiteit bestaat die veel groter is dan waar wij affiniteit mee hebben.

Calvijn zegt: de wereld is een school. We worden steeds naar een nieuw niveau van begrip getild. Het enige dat wij daar aan kunnen geven is onze aandacht. Ik kan mij van God geen voorstelling maken, dat zou idolatrie zijn, zoals Calvijn terecht stelt. Ik ga ervan uit dat ik verbaasd zal zijn als ik hem tref. De enige omschrijving van God die ik kan bedenken luidt: genade.’

Robinson vindt het noodzakelijk onderscheid te maken tussen de religie die inzicht biedt in de menselijke conditie met alle muziek en literatuur die daarbij hoort’, zegt ze, ‘en het demografische begrip religie, dat iedereen in een bepaalde hoek bezemt.

Dit laatste maakt van religie een soort stammenstrijd, ik kan het niet anders noemen. En daarmee brengt het de echte waarde buiten bereik van wat elke grote religie onderwijst, namelijk: heb uw naaste lief, die hele oude wijsheid. Ik doceer veel uit de Bijbel. En dan zie je hoe Jezus Dominicus citeert die dat al zegt: heb uw naaste lief.’

Elk beroep op een christelijke identiteit dat wortelt in zulk instinctief groepsdenken vindt Robinson niet alleen totaal ongepast maar ook slecht geïnformeerd, want de religie waar het een claim op legt kent in haar aard geen grenzen, geen beperkingen en geen rechthebbenden.’

Laat mensen zich liever laten inspireren door die onbekende God, zegt Robinson. ‘Onze essentiële ontmoeting in de wereld is met het beeld van God. En dat is altijd die ander.’

Zie: Het religieus aangedreven humanisme van Marilynne Robinson
Juist toen we dachten dat God het publieke domein in Nederland definitief had verlaten, steekt religie de kop weer op. Het aantal moslims groeit, nieuwe vormen van zingeving bloeien op en er klinkt een roep om christelijke waarden. Kunnen we – en willen we – eigenlijk wel zonder religie? Onder de titel De goddeloze samenleving praat Yvonne Zonderop het komende jaar met denkers en onderzoekers uit binnen- en buitenland over de plaats van religie anno nu. Deze keer Marilynne Robinson over religie als stammenstrijd en waarom de bijbel nooit de gemakkelijkste weg wijst. (Deel 3 van De goddeloze samenleving nu ook online in De Groene Amsterdammer.)

Beeld: gettyimages.nl

‘Kosmische wereldbeschouwing heeft behoefte aan een mondiale spiritualiteit’

earthrise
Volgens benedictijn en zenleraar Willigis Jäger is er geen plaats meer voor een God die 2000 jaar geleden zijn zoon heeft gezonden om ons de weg te wijzen en over ons te oordelen. Dat zegt Ronald Hermsen in zijn boekbespreking van Voorbij God. ‘De kosmische wereldbeschouwing van de 21e eeuw heeft behoefte aan een mondiale spiritualiteit.’ 

In zijn onlangs verschenen boekje Voorbij God antwoordt Willigis Jäger (1925) op de vraag wat God voor hem betekent: ‘God is de naam van een werkelijkheid die het niveau van onze persoonlijke kennis overstijgt. Een werkelijkheid die zich uitdrukt als dat wat ik ben. Daarom vier ik mijn leven als uitdrukking van deze goddelijke oergrond.’

Volgens Jäger  moeten we onze ik-beperking overwinnen, want ons wereld- en mensbeeld zijn zo radicaal veranderd dat ook het religieuze zelfbeeld een verandering moet ondergaan: religies moeten ons een moderne, actuele duiding van ons leven geven; dat is het doel van de mystiek en van zen.

Heere Heeresma is ook voorbij God. God bestaat niet. De remonstrantse dan, want die vindt hij strijdig met de Bijbelse bron van het remonstrantisme. Heeresma lijkt zich nog vast te klampen aan de voorbije God.

Geloven, in de bijbels-Hebreeuwse betekenis van het woord, is geen kwestie van verzinnen of bedenken, maar van vertrouwen. (…) Van mij mag je geloven wat je wilt. Maar ik pleit wel voor zindelijk denken en intellectuele zuiverheid. En daar zondigde de Remonstrantse Broederschap tegen door de Bijbelse God voor haar doe-het-zelfcampagne te gebruiken en alleen dat te geloven wat haar goed uitkomt.’

Voorbij openbaring. Ondertussen begint ex-atheïst en filosoof Stephan Sanders het geloof te ontdekken – een late coming-out – hij heeft geen plotselinge openbaring gehad of zoiets, maar werd zo wanhopig van de parmantigheid waarmee de niet-gelovers en de niets-weters hun stellingen verdedigen. En:

‘De liefde is zo’n godsgeschenk, dat je wel van heel goeden huize moet komen om die te verbieden. De beleving van liefde is nu juist een van de grootste religieuze ervaringen die ik heb gehad.’

Sanders concludeerde in de Verwondering al, bij Annemiek Schrijver, dat zijn vroegere gehechtheid aan de seculiere maakbaarheidsgedachte uit de jaren zeventig een vorm van indoctrinatie is geweest. Dit ‘Evangelie van het Niets’ is wat hem betreft niet veel anders dan een constructie die nergens toe leidt: “Geef mij maar God!” Hoe die God er dan uit ziet, blijft onduidelijk. Sanders is duidelijk nog op zoektocht.

Voorbij islam. Intussen passen Sjiitische jongeren hun islam aan Nederlandse normen aan en zoeken oplossingen voor de vraag hoe zij voor hun werk klanten moeten begroeten maar geen hand mogen geven. Of wat ze moeten doen als er alcohol gedronken wordt. Cultuurkatholiek Ger Groot vindt hun oplossing geniaal.

Mag je niet aanschuiven bij een tafel waarop alcohol geschonken wordt? Zet er dan een ander tafeltje vlak naast waarop alleen vruchtensapjes mogen staan. Het gebod is gered maar de sociale gezelligheid ook. Als cultuurkatholiek vind ik dat een geniale oplossing, waarin ik heel wat van de roomse geest herken. En dat terwijl sjiieten bekend schijnen te staan als de protestanten van de islam.’

De benedictijn lijkt dit alles ver te willen overstijgen in zijn boek Voorbij God. De titel zegt alles. Hij vindt dat wie denkt dat hij God kent, te vergelijken is met de eend die meent dat zijn parkvijvertje de oneindige oceaan is.

Jäger ziet de rooms-katholieke kerk en alle religies als belangrijke en noodzakelijke verworvenheden, maar vindt ook dat ze zich niet of nauwelijks inspannen om hun starheid te overwinnen. Hierdoor kunnen ze geen antwoord bieden op de geheel nieuwe manier waarop oude geloofsvragen opnieuw worden gesteld en blijven ze in gebreke in het onderricht van het mystieke gebed. Hij zegt dan ook: ‘de kosmische wereldbeschouwing van de 21e eeuw heeft behoefte aan een mondiale spiritualiteit.’

Voorbij God – In Voorbij God brengt Willigis Jäger de belangrijkste ervaringen en inzichten uit zijn rijke spirituele leven bij elkaar: de essentie die voorbij alle denken ligt, voorbij alle verschijnselen, voorbij God. Hij wordt hierbij gedreven door de diepe wens iedereen die er voor openstaat te helpen door te dringen tot de universele dimensie die ons beperkte bestaan omvat en overstijgt. Alleen een mensheid die deze volgende stap in de Grote Evolutie bereid is te nemen heeft een werkelijke toekomst. (Uitgeverij Asoka)

Zie:
* Voorbij God
* Godsdiensten zijn niet eeuwig en rotsvast
* Sjiitische jongeren passen islam aan Nederlandse normen aan
* Mijn God bestaat niet
* De nieuwe vrienden van de remonstranten
* ‘God’ zeggen zonder te giechelen
* ‘Ex-atheïst Stephan Sanders: ‘Eigenlijk bad ik altijd al’

Foto: Nasa