De verloren kunst van de heilige geschriften

unnamed

Karen Armstrong signaleert ten opzichte van de heilige geschriften een groot onbegrip, wat volgens haar de hoofdoorzaak is van de huidige religieuze geschillen in de wereld. Weloverwogen en deskundig pleit ze voor een terugkeer naar de oude interpretatie van de religieuze teksten als basis van een betekenisvol en empathisch wereldbeeld.

Armstrong wijst ons de weg bij het beteugelen van de arrogantie, de intolerantie en het geweld die het gevolg zijn van de gebrekkige hedendaagse uitleg van de heilige geschriften.

De heilige geschriften waren altijd een middel voor mensen om hun materiële bestaan te ontstijgen en in aanraking te komen met het goddelijke. In onze seculiere samenleving hebben de teksten deze unieke functie verloren om een meer praktische toepassing te krijgen: de Bijbel wordt gebruikt om homoseksualiteit en anticonceptie te veroordelen, de Koran dient om oorlog en terrorisme te rechtvaardigen en met behulp van de Thora wordt beslag gelegd op leefgebieden.

Karen Armstrong (1944) is een van de meest geliefde auteurs op het gebied van religie. Nadat ze zeven jaar als non in een klooster woonde, verliet ze de orde om Engels te studeren in Oxford. Armstrongs oeuvre omvat bestsellers als Een geschiedenis van God(1993), De strijd om God (2001), Islam (2004), De wenteltrap (2003), Compassie (2011) en In naam van God (2014).

De verloren kunst van de heilige geschriften | Karen Armstrong | Verschijnt 27 juni | Luxe paperback| 496 pag. | €29,99 | ISBN: 978 94 031 6630 8 | E-book: € 14,99 | Oorspronkelijke titel: The Lost Art of Scripture | Vertaling: Bep Fontijn, Carola Kloos, Albert Witteveen

Denkbeelden kunnen ook migreren

9200000014025543

Week van de Klassieken – Alles is terug te leiden naar ondeelbare eenheden, minuscule bouwblokjes, leerdichtte Lucretius al in de laatste eeuw v.C. Atomen noemde hij die blokjes, naar het Griekse a-tomos (‘het ondeelbare’). Lucretius gaf hiermee de filosofie door van Epicurus, volgens wie het heelal uit lege ruimte en atomen bestaat. Die had dat weer van de ‘lachende filosoof’, wiskundige en astronoom Democritus (460 v.C. – 370 v.C.), de grondlegger van het atomisme. Voor hem bestonden er maar twee verschillende dingen: de ruimte en atomen.

Lucretius schreef het leerdicht De Rerum Natura (De natuur der dingen) en vertelde hierin over natuurlijke vormen, zoals de zon, maar ook dieren en het atoom. Van wetenschappelijk en filosofisch werk maakte Lucretius poëzie. Over existentiële vragen dacht hij na, zoals of er leven is na de dood, wat de ziel is en waar we vandaan komen. In Wetenschap zonder bewijs blijft Ingeborg Swart zich verwonderen over hoeveel de klassieke ‘wijsheren’ al wisten.

Lucretius schrijft over allerlei natuurverschijnselen (en culturele en godsdienstige), en besteedt een flinke tijd aan de grondstof van alles. Hij beredeneert dat alles uiteindelijk terug te leiden moet zijn naar ondeelbare eenheden, minuscule bouwblokjes. (…) Samen met enkele andere filosofen verdedigde hij dit idee. Deze voorvechters van de atomenleer hadden de techniek niet om hun theorie te testen. Zij gingen puur uit van wat voor hen logisch te beredeneren was, en wonderbaarlijk genoeg kwamen ze zo op deze theorie.’ (Swart)

Biologe Swart komt hierop door de Week van de Klassieken (4 t/m 14 april 2019) die dit jaar een programma biedt voor jong en oud rond het thema ‘Van heinde en verre. Migratie in de klassieke wereld’. Migratie gaat echter over meer dan alleen bevolkingsstromen: kennis, macht en denkbeelden kunnen ook migreren, en dat gebeurde ook al in de klassieke wereld. Volgens Swart is het in de huidige wereld vol testapparaten en technologische vooruitgang bijna ondenkbaar om een theorie voor te stellen zonder die te bewijzen. Of zonder in elk geval een opzet daarvoor te geven. – In deze tijd wordt John Dalton gezien als de grondlegger van de atoomtheorie. Hij stelde voor het eerst een echt atoommodel op.

Vroeger moesten ze wel. En was iemand het niet met je eens, dan moest je met nog sterkere argumenten komen om hem van je gelijk te overtuigen. Zonder een handige foto door een elektronenmicroscoop om je atomen te laten zien. Misschien moeten we af en toe weer terug naar die werkwijze: vooraf goed nadenken over alle aspecten van een onderwerp en pas dan actie ondernemen.’ (Swart)  

De wereld waarin wij leven wordt geheel beheerst door natuurlijke processen, en in zes boeken zet Lucretius deze in De Rerum Natura uiteen, stelt Hans Oranje in Trouw.

In de eerste twee boeken behandelt hij uitputtend Epicurus’ leer van de (onzichtbare) atomen en de lege ruimte, die in hun voortdurende werveling de zichtbare werkelijkheid tot stand brengen. Zoals Lucretius het Griekse woord ’atoom’ vermijdt, maar van zaden, kiemen of (eerste) deeltjes spreekt, gebruikt Schrijvers [de vertaler P. H. Schrijvers, PD] ook nergens het woord atoom – terecht, want door de moderne atoomfysica waar Lucretius uiteraard geen weet van had, is dat woord misleidend. Dat neemt niet weg dat ’De natuur van de dingen’ altijd en met de Verlichting in toenemende mate een invloedrijke doordenking van de fysieke werkelijkheid is geweest.’ (Trouw, 2009)

De Rerum Natura – Leerdicht over de Natuur | Titus Lucretius Carus | Vertaling: Marguerite Prakke | 240 pag. | Verschenen in de serie DAMON Klassiek | € 24,90 | ‘Ruim tweeduizend jaar geleden schreef Titus Lucretius Carus het leerdicht De Rerum Natura (De Natuur van de Dingen) waarmee hij de filosofie van de Griekse wijsgeer Epicurus onder de aandacht van het Romeinse publiek wilde brengen. (…) De filosofie van Epicurus bood: vrij van angst voor de goden, vrij van angst voor de dood, met vrienden onder elkaar in vrede discussiëren en de geheimen van de natuur ontraadselen. Door alles te weten kan de angst voor het onbekende overwonnen worden en kunnen de goden die geweld, oorlog en bijgeloof in de hand werken, buiten spel worden gezet.’ (Damon)

‘In circa 7500 dichtregels, verdeeld over zes hoofdstukken, ontvouwt Lucretius de fascinerende wereld van de atomen en de onmetelijke leegte, vertelt hij over onszelf, onze geest, onze ziel en zintuigen, geeft seksuele voorlichting en eindigt met het ontstaan en het reilen en zeilen van de wereld waarin we leven. Op rationele wijze legt hij de wondere verschijnselen in de hemel en op aarde uit. De lezer raakt ontroerd, gefascineerd, geamuseerd en staat versteld. Het is opvallend dat de problemen die Lucretius aansnijdt nog zo verbijsterend actueel zijn.’

Bronnen o.a.:
Epicurus (Filosofie Magazine)
Wetenschap zonder bewijs (Ingeborg Swart)
John Dalton (atoomtheorie)

Beeld: Aziloth Books

De mythologische Reis van de Held

follow-your-bliss-joseph-campbell

Wanneer je je ‘bliss’ volgt – dat wat je diep raakt en waarvan je het gevoel hebt dat het je leven is – en je de moed hebt gehoor te geven aan je roeping, dan opent zich het leven. En gaan er, daar waar eerst alleen maar muren stonden, deuren voor je open, aldus cultuurfilosoof Joseph Campbell. Dan kan je de Reis van de Held beginnen. Onze psyche blijkt buitengewoon gevoelig voor wat je mee gaat maken tijdens die reis. Campbell beschrijft zeven fases ervan. Je kunt ze herkennen in verhalen en speelfilms.

Zoals Star Wars, The Matrix, Watership Down, Avatar, de Lord of the Rings-trilogie en The Lion King. Films die door miljoenen mensen gezien zijn en waarbij volgens filosoof Eric Peeters altijd wel een bepaalde fase direct in het hart naar binnen kwam. Dat hij gefascineerd werd door denkers als Freud en vooral door de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung, is merkbaar door zijn kijk op de psychologische kant van mythen.

De films hebben op hun beurt weer inspiratie gevonden bij oude mythen, sprookjes, legenden, volksvertellingen en de grote heilige verhalen. Campbell las ze allemaal en ontdekte er een grondpatroon in, zag ook een verband tussen die mythen en de verhalen die hij kende van de kerk. Heel bijzonder was voor hem de legende van Koning Arthur.
Volgens OHM wordt de reis van de held verbeeld in de Mahabaratha en de Bhagavad Gita door de dialoog tussen Arjuna en Krishna. Op weg met de held (Arjuna) en zijn mentor (Krishna) volgen we de weg van duister naar licht.

‘In al die verschillende verhalen ontdekte hij een wonderlijke overeenkomst. Alle verhalen hadden een universeel patroon. Er is volgens Campbell één groot oerverhaal. Een verhaal met archetypische patronen. En behalve dat hij ontdekte dat er een grondpatroon bestaat, maakte hij ook duidelijk wat de bedoeling van dat grondpatroon is. Dat deed hij in vele werken. De bekendste is The Hero with a thousand faces dat hij uitbracht in 1949.’ (Peeters)

De fasen die Joseph Campbell noemt zijn: de proloog (of de voorbereiding); de oproep; de helpers; de drempel; beproevingen; de krachtbron (het elixer, de apotheose) en de terugkeer naar de wereld.

In de ‘proloog’ moet je wel op de een of andere manier ontwaken. Wakker worden uit de bedrieglijke ‘Go-with-the-flow’, waarin je denkt niets meer te wensen te hebben. Want direct daar onder duwt iets van: ‘Is-dit-alles?’ Plotseling vraag je je af wie je eigenlijk bent en wat je hier komt doen. Een diep verlangen jezelf te zijn borrelt op, een ander verlangen dan je voortdurende opoffering aan verwachtingen van iedereen.

Bronnen:

* Joseph Campbell ‘de reis van de held’ (Eric Peeters)

* De zeven fasen (Eric Peeters)

* Finding Joe: A Joseph Campbell documentary (trailer) (Diygenius)

* De weg van de held (Bram Moerland)

Beeld: Diygenius.com
Update 01-03-2025 (Lay-out, links)

Kosmische spiritualiteit bij natuurwetenschappers

kosmosstichtingOHM

‘Kosmische spiritualiteit kan je pas overvallen als je je bladen vol formules even opzijschuift,’ zegt filosoof en Spinoza-kenner Herman De Dijn in Eos-Magazine, het magazine dat ook ‘in tijden waarin de waarheid onder druk staat een stem geeft aan de wetenschap’. Het staat in het Eos-blog Niet-gelovig en diepreligieus van Sylvia Wenmackers, onderzoeksprofessor in de wetenschapsfilosofie aan de KU Leuven, gespecialiseerd in de grondslagen van kansrekening en fysica. Wenmackers schrijft hierin over kosmische spiritualiteit bij natuurwetenschappers.

Wenmackers vertelt over de dichter Leo Vroman die zich afzette tegen religieus extremisme en geloofde dat alles heilig is. Hij schreef over de ‘Natuur’ – en dan moet ik direct aan Spinoza denken – en later verving hij dat volgens Wenmackers in ‘Systeem’, in een poging een onpersoonlijk godsbeeld te creëren. Zij ziet overeenkomsten tussen het godsbeeld van Vroman en dat van Albert Einstein. En ja, dan komt Spinoza natuurlijk ook voorbij.


Een psalm voor dit heelal

Systeem! hoe graag met U alleen
verklein ik in mijn droom Uw blote
heelal tot knuffelbare grootte
en koester U door mij heen!

Hoe dolgraag schurkt mijn oude huid
flink langs Uw Tijdeloos Begin,
zaait er mijn dood verleden in
en zuigt er mijn toekomst uit!

Maar ach ik zit hier met mijn wit
vel vol beeld- en tegenspraak
en weet niet wat het scheelt:

eerst stond er niets, en nu weer dit,
ik weet het niet en schrijf maar raak
en toch is dit Uw beeld

Gij doet mij schrijven want ik maak
per ongeluk Uw beeld

Gij schrijft mij nooit, ik schrijf te vaak
en heb U weer verveeld.

Leo Vroman


De onderzoeksprofessor ziet ruimte voor een ‘ongelovige religiositeit’, waartoe Einstein en sommige andere wetenschappers zich aangetrokken voelen. Al gauw lopen er lijntjes tussen Vroman, Spinoza en Einstein. En dan komen we vanzelf bij ‘niet-gelovig en diepreligieus’. Filosoof en Spinoza-kenner Herman De Dijn wordt erbij gehaald. Die schreef over kosmische spiritualiteit. Over ‘voorwetenschappelijke verwondering over het mysterie van de natuur’, en om ‘de ondervinding een heel klein stukje van de werkelijkheid te begrijpen’.

Wie gezien de ontwikkelingen van de neurowetenschap denkt dat hij het begrip ziel (of persoon) moet opgeven en dus ook zijn gedrag tegenover mensen moet veranderen, heeft het onderscheid tussen wetenschappelijk en existentieel weten niet begrepen.’ (De Dijn)

Het besef dringt bij De Dijn door dat de mens deel uitmaakt van een veel grotere werkelijkheid. En dat kan resulteren in ‘mysticisme’ of kunstuitingen.

En wetenschappelijke activiteit kan pas tot deze vorm van spiritualiteit leiden als theoretici hun bladen vol formules opzijschuiven en de werkelijkheid als geheel beschouwen.’

Wetenschappers zouden cynisch kunnen worden en zich afvragen:

Wat heeft het voor nut om aan wetenschap te doen als we zelfs op het toppunt van ons inzicht nauwelijks iets begrijpen? Of sceptisch: begrijpen we er dan wel echt iets van, of maken we ons dat zelf wijs?’

Maar dan zegt de Dijn:

Het gaat veeleer om het beleven van de confrontatie tussen onze gesofisticeerde wetenschap en het radicaal andere universum dat zich van ons begrip niets aantrekt, terwijl we er toch deel van uitmaken.’

Zie:  Niet-gelovig en diepreligieus – EOS-Magazine (april 2019)

Beeld: ohmnet.nl