Terug naar onze oorspronkelijke religieuze bronnen?

bronneneninvloedenUU

‘Het publieke domein in Nederland is een lege polder waar iedereen mag zeggen wat hij of zij wil, maar waar zo min mogelijk diversiteit gedoogd wordt,’ zegt Wim Hofstee, universitair docent sociale en culturele antropologie van religie aan Faculteit der Geesteswetenschappen, Universiteit Leiden. ‘Nederlanders lijken zich niet bewust van hun eigen identiteit als tolerante natie.’

Een ander aspect is de verdraagzaamheid jegens andere religies zoals de islam. Van moslims wordt gevraagd ‘zich aan te passen’. Maar waaraan, aan wat? Het publieke domein in Nederland is een lege polder waar iedereen mag zeggen wat hij of zij wil, maar waar zo min mogelijk diversiteit gedoogd wordt. Aanpassen en participeren in een leeg publiek domein. Dit is wat vrijheid betekent in Nederland.’

Ook filosoof Emanuel Rutten ziet een lege polder, zelfs een leeg Europa, en volgens hem beschikken we niet langer over een gedeelde zinsamenhang die onze eigen concrete individualiteit overstijgt, en missen we een overstijgend samenhangend zinverband dat ons bezielt en waarin wij onszelf opgenomen weten. Het religieuze is in Europa grotendeels aan het teloorgaan, stelt hij.

Het zich terugtrekken van met name het christendom uit onze Europese cultuur leidt tot een uitwissing van bindende betekenisvolle zinverbanden. Hierdoor worden we teruggeworpen op onze eigen individuele particulariteit.’

Volgens de filosoof is het door meer en meer mensen gevoelde verlies van binding dan vooral het gevolg van het inmiddels al decennialang verwaarlozen van de bezielende religieuze dimensie van het menselijk bestaan.

En dit terwijl juist religie cruciaal is om tot een hechte leefgemeenschap te komen. Religie gaat niet voor niets terug op het Latijnse ‘religare’ wat ‘verbinden’ betekent. Religie ligt ten grondslag aan de eenheid van elke samenleving.’ 

Maar intussen is het dus aanpassen en participeren in een leeg publiek domein, want dat is wat vrijheid betekent in Nederland. Hofstee:

De overheid creëert de opstandigheid tegen en van andersdenkenden helemaal zelf. Het gevolg is een toenemende politieke apathie bij de bevolking die zich o.a. vertaalt in lage opkomstcijfers bij verkiezingen, een dalend vertrouwen in bestaande politieke instituties. Dat bedreigt op termijn vrijheid en democratie, omdat de legitimiteit van het handelen van de overheid een publiek draagvlak nodig heeft.’

Volgens Rutten is het wegvallen van een gemeenschappelijke horizon van zin en betekenis verantwoordelijk voor een erodering van onze maatschappij.

Het sociaal atomisme is in Europa te ver doorgeschoten. Dat heeft geleid tot een vergaande maatschappelijke onthechting en verlies van bestemming. Door het in Europa weer teruggrijpen op onze oorspronkelijke existentiële religieuze bronnen, kan binding en gemeenschapszin hersteld worden. Alléén zo kan Europa de verwarring achter zich laten.’

Zie:
* De leegheid van het publieke domein (Hofstee)
* Wat veroorzaakt de Europese onthechting? (Rutten)

Beeld: © iStockphoto.com/1001nights

‘God laat zich niet in een vacuüm persen’

doortoheaven
En wat is dat vacuüm dan? Volgens de Russische fysicus Yury Kronn komen daar alle beroemde vergelijkingen uit de natuurkunde vandaan, waarbij de invloed van alle andere energieën is uitgesloten. In dat vacuüm laat God zich niet persen. Zou die zich dan in de donkere materie bevinden? Immers, 4% is alles wat we kunnen zien, horen, bouwen, organiseren, meten en weten. Dan is er nog de 96% die we niet zien, maar alles schijnt te bepalen…

Natuurkundige dr. Alan Ross Hugenot stelt ook dat wat sterrenkundigen met hun telescopen hebben gezien slechts vier procent van het heelal omvat. De overige 96 procent bestaat uit donkere energie en donkere materie. ‘Dat is meer dan genoeg ruimte voor zowel ons bewustzijn als het hiernamaals,’ zegt Hugenot.

In The Optimist vraagt Jurriaan Kamp zich af of het realistisch is aan te nemen dat 96 procent geen enkele invloed op ons leven heeft. Yury Kronn, over wie Kamp schrijft, is ervan overtuigd dat alles wordt bepaald door de onbekende en nauwelijks begrepen energieën van die 96 procent van onze werkelijkheid.

In zijn onderzoek komt Kronn, verbonden aan de Quantum University, Honolulu, Hawaii, uit bij chi en prana, de ‘levenskracht van het universum’. Maar ook bij chakra’s, meridianen en mantra’s. Inmiddels vindt hij in zijn onderzoeken steeds meer bewijs voor ‘subtiele energie’: de term die steeds vaker opduikt als aanduiding voor die 96 procent van onze werkelijkheid. Het lijkt wel of new age terug is. Volgens The Optimist ontmoeten de werelden van spiritualiteit en wetenschap elkaar. De brug tussen ‘new age’ en de nieuwe wetenschap?

We kunnen die subtiele energie niet zien. We kunnen haar niet meten. Maar we weten dat zij bestaat, omdat we de effecten ervan op levenloze materie en levende wezens kunnen waarnemen. Zij beïnvloedt alles wat er is.’ (The Optimist)

Dit is in strijd met de reguliere natuurwetenschap: de donkere energie heeft geen enkele invloed op ons, is het idee. De reguliere wetenschap weigert volgens Kronn ernaar te kijken en bestempelt iedereen die dat wèl doet als pseudowetenschapper. Dat noemt hij een enorme vergissing.

Als je een vis vraagt wat de basisvoorwaarde voor zijn bestaan is, zal hij zeggen: ‘water’. In werkelijkheid is het echter de zuurstof die in het water is opgelost – zuurstof die hij niet kan zien of proeven – die hem in staat stelt te leven. Net zo, betoogt Kronn, is het de subtiele energie – en niet datgene wat we kunnen meten in die minuscule 4 procent van onze werkelijkheid – die de sleutel vormt tot ons bestaan.

Volgens The Optimist is de meest raadselachtige eigenschap van subtiele energie de interactie ervan met het bewustzijn. De menselijke geest is in staat subtiele energie te sturen en te instrueren om te doen wat zij wil. In het artikel in de papieren The Optimist staan veel voorbeelden van ervaringen met de subtiele energie.

En zo gaat het in The Optimist over chi-energie, dat tot de subtiele energie behoort; pranische geneeskunde; energetische methoden zoals reiki; homeopathie; aura’s; acupunctuur; foto’s van watermoleculen door de Japanse onderzoeker Masaru Emoto; piramiden; en Stonehenge en subtiele energievelden.

Kronn, die volgens The Optimist hecht aan de strenge wetenschappelijke normen waarmee hij werd opgeleid, ondanks het feit dat hij werkzaam is op een terrein dat door de wetenschap niet wordt erkend, heeft geen zin te wachten tot de wetenschap in staat is te bewijzen hoe subtiele energie werkt.

We kunnen niet verklaren wat er in het veld van subtiele energie gebeurt, maar voor de feiten die we tijdens experimenten vaststellen, kunnen we wel degelijk wetenschappelijk bewijs leveren.’

Kronn leeft en werkt sinds een jaar of twaalf in Medford, Oregon, waar hij zijn onderzoeksprogramma voortzet en steeds meer bewijs vindt voor het feit dat subtiele energie ‘de software van het leven’ bevat.

Zie:
* The Optimist, lente 2016 / Nr. 168
A Physicist’s View of the Afterlife: Weird Quantum Physics

Illustr: Concept image of a ‘door to heaven’ (Shutterstock)

‘Evolutie is een doelgericht proces’

Gorilla.pixabay


‘Hoe is het mogelijk dat de natuur – zonder hulp van bovenaf – zulke prachtige en nogal ingewikkelde levende bouwwerkjes kan maken?’ Dit vroeg filosofiedocent Jan-Auke Riemersma zich gisteren af in zijn blog Evolutie is doelgericht. Hij concludeert uiteindelijk dat evolutie inderdaad kan worden beschouwd als een doelgericht proces.

Sterker: juist wie evolutie beschouwt als een doelgericht proces is in staat om te verklaren waarom de natuur opereert als een ‘logicus’ uit wiens hand de mooiste ontwerpen ontstaan.’

Riemersma gaat nog verder en concludeert dat je evolutie kunt beschouwen als een proces dat verenigbaar is met de gedachte dat er een God bestaat. De filosoof beschouwt evolutie als een doelgericht proces en het doel van levende bouwwerkjes is om zich voort te planten. Riemersma komt zelfs bij het christendom uit.

Het is daarom mogelijk om het christendom in dit opzicht te beschouwen als een – gegeven het wetenschappelijk wereldbeeld – ‘adequate’ religie.’

Marcel Sarot, decaan van de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg en hoogleraar fundamentele theologie, verwees eind vorig jaar naar predikant Carel ter Linden, voor wie het aanvaarden van de evolutietheorie juist betekent dat ons geloof in een goede Schepper moet wijken.

Zó veel lijden zonder zin: het lijkt niet met het bestaan van een goede God te rijmen. Ter Linden trekt de consequentie en concludeert dat die goede Schepper dan niet bestaat. Het lijkt een moedige stap: als blijkt dat je geloof onwaar is, dan moet je er niet tegen beter weten in aan vasthouden, maar de feiten onder ogen zien en het opgeven.’

2pc-s


S
arot stelt als reactie hierop dat Ter Linden ook de vraag had kunnen stellen of de theologische theorie van de geleide evolutie wel een goede theorie is in plaats van te concluderen dat God niet bestaat.

Als het evolutieproces een van de manieren is waarop God in deze werkelijkheid handelt, dan hebben wij te maken met een God voor wie het doel de middelen heiligt, een God die met een groot cynisme en zonder oog voor het leed dat Hij veroorzaakt de schepping naar Zijn einddoel leidt.’

Uit de openbaring kent hij deze God niet en vindt dat de toeschrijving van het evolutieproces aan de God van het christendom in de krachtigste termen moet worden afgewezen.

Een dergelijke toeschrijving is een overblijfsel van een primitief heidendom, dat de willekeur van de schikgoden verantwoordelijk houdt voor alles wat gebeurt. Kortom, met de oude Ter Linden wijs ik de identificatie van het evolutieproces met het handelen van een goede God af.’

Sarot wijst hiermee niet de gedachte van een in de schepping handelende God af en maakt een scherp onderscheid tussen het scheppingsgeloof dat God verantwoordelijk houdt voor het geheel en de overtuiging dat God verantwoordelijk is voor allerlei specifieke gebeurtenissen en processen in de schepping. Hij vindt dat laatste vaak niet het geval.

Je zou het kunnen vergelijken met een ouder: die is wel verantwoordelijk voor het ontstaan van zijn kinderen, maar niet voor alles wat in het leven van die kinderen gebeurt. Het evolutieproces is een proces in de schepping, geen deel van het scheppen zelf.’

Zie:
* Evolutie is doelgericht (Jan-Auke Riemersma)
* Evolutie en de goede Schepper (Marcel Sarot)

Foto: Pixabay
Cartoon: users.skynet.be

‘Zwijg dus, en klets niet over God’

thomasvanaquino
Er was weer een debat over God. Met Philipse & Rutten. Zinvol? De Italiaanse filosoof en theoloog Thomas van Aquino was een vertegenwoordiger van de theologische stroming die er grote nadruk op legde dat God een geheim is dat ons ver te boven gaat en dat wij nooit in de greep krijgen. Aldus Jozef Wissink, emeritus-hoogleraar praktische theologie van de Universiteit van Tilburg op de publieksite de Bezieling. ‘Thomas wilde God steeds beter leren niet-kennen’.

Over God weten we met name, wat Hij niet is. Dat komt omdat God de Schepper is van alles. Dat houdt in dat God niet zelf deel uitmaakt van de schepselwereld en dus anders van die wereld verschilt dan de schepselen van elkaar verschillen. Onze begrippen en woorden functioneren binnen ‘alles’ en zijn ontworpen om zicht te krijgen op de schepselen en hun onderlinge samenhang. Ze zijn dus niet zomaar geschikt om over God te denken en te spreken. Er is Thomas veel aan gelegen om in het denken dit geheim-karakter van God te eerbiedigen.’

Voor Van Aquino bleef God onuitputtelijk, niet te vatten, elke morgen nieuw, want hoe, zo dacht hij, zouden we een eeuwigheid toe kunnen met een God, die niet op deze wijze geheim zou zijn?

Dat betekent wel dat we nooit bezitters worden van God. Als we bidden tot ‘onze’ Vader, betekent dat eerder dat wij van Hem zijn dan dat Hij van ons is. Het betekent ook dat we alle beelden van God, die we ons telkens weer maken, ook steeds opnieuw moeten terugnemen, stuk slaan.’

Late-middeleeuwer mysticus Meister Eckhart, aangehaald door hoogleraar godsdienstfilosofie aan de VU, Henk Vroom (1945-2014), in Een waaier van visies, stelde dat God naamloos is omdat niemand iets van hem kan kennen.

Daarom zegt een heidense meester: wat wij van de eerste oorzaak kennen of uitzeggen, zijn we meer zelf dan dat het de eerste oorzaak zou zijn, want die is boven ieders uitzeggen en verstaan verheven.’

Eckhart op zijn beurt haalde Augustinus aan die zei dat het schoonste wat een mens over God kan zeggen hierin bestaat dat hij uit wijsheid van innerlijke rijkdom kan zwijgen.

Zwijg dus en klets niet over God, want doordat je je mond vol hebt van hem, lieg je en doe je zonde. Maar wil je zonder zonde zijn en volkomen, klets dan niet over God! Ook moet je God niet willen kennen, want God is boven alle kennen verheven.’

Filosofen Emanuel Rutten en Herman Philipse ‘kletsten’ toch en filosoof Jan-Auke Riemersma spoedde zich 14 april naar hun debat over God bij de Katholieke Studentenvereniging Utrecht. Hij botste tegen beslisbomen, het kosmologisch argument en finetuning. Als God bestaat, zegt Riemersma, waarom kunnen we dat dan niet gemakkelijk ontdekken of zien? De hele oefening maakt de indruk dat iemand ons iets wil laten geloven, niet dat iemand ons de waarheid uit de doeken doet.

Het mag dan zo zijn dat ’t bewijs voor het bestaan van God nog nooit zo goed in de verf gezeten heeft als de laatste jaren, veel effect sorteert ’t niet. De mensen, ’t publiek dat alles zwijgend aanhoort, stemt met de voeten: feit is dat de bewijzen voor God niet ernstig worden genomen en dat het geloof in het bestaan van God in hoog tempo afkalft. Om een of andere reden doen de argumenten voor het bestaan van God hun werk niet. Vermoedelijk omdat ze onverhoopt toch teveel mankementen hebben. Een andere verklaring is er niet.’

Terug naar Eckhart. Want God blijkt zo nabij! Filosofe Welmoed Vlieger zegt dat er iets bijzonders is – met de mystieke eenwording – bij Eckhart, namelijk dat deze onmogelijk door een mens gevonden of bereikt kan worden om de eenvoudige reden dat God en mens in de kern nooit van elkaar gescheiden zijn geweest en ook nooit zullen zijn.

God is zo ontzaglijk nabij, dat de mens, in zijn diepste grond of wezen, zelfs volledig met hem samenvalt. Eckharts mystiek draait dus niet zozeer om eenwording (in de zin van ‘vereniging’ van wat daarvoor nog gescheiden was) maar om eenheid, oftewel: om wat ís. En hier blinkt Eckhart uit in eenvoud: we hoeven helemaal nergens naartoe, er valt niets te bereiken, want we zijn er al. En je kunt nu eenmaal niet bereiken wat er al is.’

We zijn er al! 😉

Zie:
Geloof als inzicht
Een waaier van visies
Philipse en Rutten debatteren over God
* Leven zonder waarom – eenvoud bij Meister Eckhart

Illustr: Gebed van Thomas van Aquino: ‘Grant me, O Lord my God, a mind to know you, a heart to seek you, wisdom to find you, conduct pleasing to you, faithful perseverance in waiting for you, and a hope of finally embracing you. Amen.’  (sphotos-b.xx.fbcdn.net (Pinterest – Lorie Holtmeier)

‘Overeenkomsten neoliberale ideologie met moslimfundamentalisme’

neoliberalisme

De mens heeft onzichtbare en niet meetbare emotionele behoeftes die onderkend en beleden moeten worden om de geest gezond te houden. ‘De visie op de mens met zijn emotionele en dus immateriële behoeftes wordt in onze materialistische, door toetsen, testen, statistieken en breinonderzoeken geobsedeerde maatschappij in het beste geval genegeerd en in het ergste geval als achterlijk weggezet.’ – Dit zegt schrijfster Sana Valiulina in de NRC over de moraalvrije ideologie die de mens tot een louter rationeel wezen heeft gereduceerd.

Nu religie samen met Maria van de eeuwigdurende bijstand is weggevallen, blijven de grote vragen voor de meeste mensen onbeantwoord. Evenmin kunnen ze worden beantwoord door de nieuwe technologieën, laat staan door plat amusement.’

Maar die vragen ontstaan vanuit de diepste emotionele behoeften van de mens, vanuit zijn donkere, irrationele kanten. Valiulina stelt nu dat die donkere kanten door het neoliberalisme worden ontkend en genegeerd.

Het lijkt alsof die predikers nooit een behoorlijk boek hebben gelezen waarin de complexe menselijke conditie uiteen wordt gezet.’

Het neoliberalisme moet volgens Valiulina ook niets van kunst en literatuur hebben omdat deze zich bezighouden met die donkere, onvoorspelbare kanten en laten zien dat de mens meer is dan alleen een economische eenheid, gedreven door zijn maag en libido, of, zoals het nationalisme ons wil doen geloven, door de angst en achterdocht naar de ander.

In haar afkeer voor kunst en literatuur vertoont de neoliberale ideologie interessante overeenkomsten met uitgerekend het moslimfundamentalisme. Dat immers, keurt ook alle uitingen van de menselijke ziel, zoals muziek, dans en poëzie, kortom alles wat niet in de pas loopt met die enige grote waarheid, af of verbiedt het.’

Valiulina stelt ook dat de humaniora, de zogenaamde menswetenschappen, een steeds kleinere rol krijgen toebedeeld in onze kennismaatschappij. Zij verwijst naar de Leidse professor (historicus) Johan Huizinga die in In de schaduwen van morgen al in 1935 stelde dat ethiek, het domein van de geesteswetenschappen, hopeloos bij de techniek was achtergebleven en in razend tempo veel van zijn glans verloor in het licht van de nieuwe, krachtige ideologieën.

Wat ons nekt, is de ondraaglijke platheid van het bestaan, gepredikt door de ideologen van eigen bodem.’

Zie: Ach toe, mag het bestaan iets minder plat?

Beeld: The American Dream, Salvador Dali (Pinterest)

Sana Valiulina (Tallinn, 1964) studeerde in Moskou Noorse taal- en letterkunde en woont sinds 1989 in Amsterdam. Ze schreef eerder Het kruis (2000), Vanuit nergens met liefde (2002), Didar en Faroek (2006, nominatie Libris Literatuurprijs), Honderd jaar gezelligheid (2010) en Kinderen van Brezjnev (2015)

Markus Gabriel, wetenschappers en ‘achterlijke religieuzen’


Het Westen,’ zegt hoogleraar kennistheorie Markus Gabriel, ‘maakt een pathologische denkfout. We zien onszelf als een wetenschappelijk en technologisch ontwikkelde gemeenschap die afstand heeft gedaan van religie. De Ander beschouwen we dientengevolge als een stelletje achterlijke religieuzen.’ De Volkskrant sprak met hem over zijn net verschenen boek Waarom we vrij zijn als we denken – filosofie van de geest voor de eenentwintigste eeuw. 

‘Zolang we religie vooral als bijgeloof zien en menen dat wij verder ontwikkeld zijn omdat we een wetenschappelijk wereldbeeld hebben, zijn wij echt degenen die blind zijn’

‘Dat God vanuit nergens alles kan overzien, dat wisten we natuurlijk al, maar dat wetenschappers hetzelfde proberen te doen, beseffen helaas minder mensen.’

Het wetenschappelijk wereldbeeld wil ons doen geloven dat de geest niet bestaat, dat alles materie is, dat we geen vrije wil hebben en uiteindelijk halen ze daarmee de menselijke waardigheid onderuit, stelt Gabriel. – En dat doet het…

‘…door ons te reduceren tot een ding. Neem Darwinitis. Dat is een wijdverbreid fenomeen. Het is een poging een verschijnsel dat zich nu voordoet te verklaren door een verhaal te bedenken over premenselijke dieren. Stel, ik hou vooral van de blauwe periode van Picasso en niet zo van de rode. Dan zou ik het volgende kunnen beweren. Een miljoen jaar geleden was er iemand, van wie ik toevallig afstam, en die had een serieus probleem met een rode leeuw. Vanaf dat moment haten de Gabriels rood.’ 

De wereld bestaat uit meer dan materie, er zijn ook mogelijkheden en concepten en droombeelden. Aldus Gabriel op een TedX-bijeenkomst in München, nu twee jaar geleden, waar hij in achttien minuten zijn filosofie uitlegde, en verklaarde waarom de wereld niet bestaat en witte wonderpaarden wel. Om recht te doen aan alles wat bestaat, moeten we af van de gedachte dat er één wereldbeeld is dat alles verklaart. De wereld is niet de som van de natuurwetten en evenmin een schepping, zei hij in Vrij Nederland.

Religie hebben wij volgens Gabriel – de ‘jonge god van de Duitse filosofie’ – nodig als corrigerende factor. Niet omdat God bestaat, maar omdat religie een bepaalde vorm van denken met zich meebrengt die we niet mogen vergeten. De wereld willen vatten in één enkele formule komt volgens Gabriel voort uit angst, uit de wil om grip te krijgen op iets dat oneindig gefragmenteerd en in zichzelf gebroken is; er zijn geen uitspraken die algemeen geldig zijn.

‘De naturalisten, dat zijn types zoals Dick Swaab, die ons voorhouden dat we gedetermineerd zijn door de neurobiologische processen in ons brein, of dat we niet meer voorstellen dan een radertje in een mechanische wereld. De constructivisten, dat zijn de opvolgers van Immanuel Kant, die ons willen doen geloven dat niets is wat het lijkt en dat waarheid slechts een constructie is van het menselijk bewustzijn.’

Volgens de filosoof is het heel goed mogelijk om adequate kennis te hebben van de dingen die ons omgeven, alleen niet door alles te reduceren tot een hoop elementaire deeltjes. Gabriel staat wellicht mede daarom niet onwelwillend tegenover religie. Het natuurwetenschappelijke wereldbeeld vindt hij een ontoelaatbare versimpeling van de wereld waarin wij leven als je alles reduceert tot een berg elementaire deeltjes.

‘Het Zwarte Woud bestaat dankzij een onverklaarbare toevalstreffer van het universum, maar als je zo over de beboste hellingen uitkijkt, denk je niet alleen aan de geologische processen die het hebben gevormd. Je kan het zien als inkomstenbron wanneer je het hout verkoopt, als habitat van de dieren die er leven of je kan er een frisse neus halen. Als je wilt begrijpen wat zien inhoudt, is het eenzijdig om alleen de zenuwen te onderzoeken die ons brein met onze ogen verbinden. Het bekijken van een schilderij van Monet kan ook veelzeggend zijn. Je hebt verschillende perspectieven nodig.’

Gabriel heeft vaak het gevoel ergens toe op aarde te zijn en zegt dat de bron van het gevoel dat wij ergens voor bestaan ’m daarin zit dat we met andere mensen samenleven.

‘De bron van de zin van ons eigen leven zijn de mensen, de anderen. Niet goden of het lot. De anderen en niets buiten de mens.’

Bronnen:
* ‘Terwijl wij feestten maakten zij wapens’ (de Volkskrant 26 maart 2016)
* ‘Je moet zo veel mogelijk goeds bereiken’
(VN 8 april 2014)

Waarom we vrij zijn als we denken | ISBN 9789089538727 | Paperback | 304 p. | 2016 | 1e druk | Boom

‘Wij zijn door en door vrij, juist omdat we levende wezens met een geest zijn. Dat betekent echter niet dat we daarom niet gewoon tot het dierenrijk behoren. Wij zijn noch genenkopieermachines waarin een stel hersenen is geplaatst, noch engelen die in een lichaam zijn verdwaald, maar werkelijk de vrije levende wezens met een geest die we al duizenden jaren denken te zijn en die ook in politiek opzicht voor hun vrijheid opkomen.’
– In Waarom we vrij zijn als we denken gaat Markus Gabriel op zoek naar onze persoonlijke identiteit. Welke eenheid verbergt zich achter onze zintuiglijke indrukken, emoties en ideeën? Volgens Gabriel is ons handelen niet te herleiden tot neurale processen, maar ook niet tot een goddelijke orde of een andere vorm van ideologie. Gabriel neemt ons mee op een verrassende reis waarin we onszelf eindelijk leren kennen. (Uitgeverij Boom)

Update 10-02-2025 (Lay-out, herstel links)

‘Eerst waren er heel veel goden, en toen maar Eentje’

Avatars_of_Vishnu
‘Maar was die God er nu eerst, of hebben de mensen hem verzonnen? Typisch zo’n vraag waar ik me vroeger heel druk over kon maken (het moest en zou een verzinsel zijn) en waarvan ik nu denk: het maakt niet veel uit. Diep gevoelde overtuigingen worden reëel in hun effecten. De mensen die God bedachten, werden, terwijl ze daar mee bezig waren, ook weer uitgevonden door die God. Verzinsels kunnen waar worden.’ Dit schrijft filosoof Stephan Sanders aan journalist Yvonne Zonderop in de briefwisseling Geloofsbrieven van twijfelaars in de Groene Amsterdammer.

In De Groene Amsterdammer staat dat Stephan Sanders denkt dat hij gelovig is. Samen met Yvonne Zonderop gaat hij per brief op zoek naar wat die hang naar het religieuze nu eigenlijk is. ‘Ik wil alleen geloven als ik niet per se hoef te geloven.’ De briefwisseling is vorig jaar november gestart en duikt af en toe op in het opinieblad.

Ik kan er maar niet over uit dat mensen, zoveel duizenden jaren geleden, zich een God uit de grond hebben gestampt. Eerst heel veel goden, en toen maar Eentje, waarmee dankzij de joden het monotheïsme was geboren. Die ene God is voor mij van belang, omdat daarmee ook één (1) geweten werd geschapen. Je kunt met je gewetensbezwaren niet meer shoppen langs verschillende goden, net zo lang tot je vindt wat je belieft; er is er maar één toetssteen waaraan je je moraal en gedrag kunt toetsen. De geboorte van het ene, ondeelbare geweten, dat mogen de joden op hun naam zetten.’ (Sanders)

Sanders heeft lang niets van zich laten horen, omdat hij aan het dubben was.

Dat zal de rest van mijn leven wel doorgaan. Maar zo’n onwrikbaar geloof in God dat nooit eens wankelt, is dat niet de uiterste blasfemie? In die zin ben ik heel religieus.’ (Sanders)

Het wachten is nu weer op Zonderop. Zij reageerde in eerste instantie op Sanders die in Vrij Nederland schreef dat hij denkt dat hij gelovig is. Sanders, door Zonderop een vrijdenkend en weldenkend boegbeeld genoemd, is volgens haar – tegen de  officiële stroom in – religieus aan het worden. En raakte bij haar een gevoelige snaar. Ze wilde het graag onderzoeken, in een briefwisseling met Sanders, hoe lastig ook. Want, schrijft ze, schrijven over geloven is als glibberen op het ijs: geloof, de kerk, de bijbel, probeer het maar eens te ontwarren.

Over de vraag of het bestaan van God te bewijzen valt, wordt, liefst wetenschappelijk, serieus debat gevoerd. Maar waar wordt de beleving erkend? Ook daarom vond ik jouw ‘bekentenis’ zo mooi. De vraag of God dood is of toch bestaat, vind ik steeds trivialer, schrijf je. Het gaat om willen of niet willen geloven. Dat lijkt mij helemaal waar.’ (Zonderop)

Geloven of niet is voor mij een kwestie van denken, net zo goed als willen. Dat is meer protestants dan katholiek, zo begrijp ik. Het reflecteert mijn leven nu, niet de relicten uit mijn jeugd. Wel de hoop en wel vertrouwen voelen, zonder te zeggen: ik geef mij over. Wat denk je, geloof ik dan al?’ (Zonderop)

Sanders schrijft terug en probeert een antwoord te formuleren. Hij vindt het een mooie laatste zin van haar en verwondert zich over haar reactie als zij eerst schrijft ‘wel de hoop en vertrouwen te voelen’ zonder dat zij wil spreken van overgave, en dan hem nota bene vraagt: ‘Wat denk je, geloof ik dan al?’ Uiteindelijk zegt hij:

Ik ben geneigd, Yvonne, te zeggen: ‘Ja, jij gelooft.’ Jij bent bezig met geloven, en dat is het. Dit twijfelen, ineens denken: ‘Laat ik gvd stoppen met die onzin’, om daarna toch weer tegen heug en meug te moeten constateren dat het Evangelie van het Niets je te mager is. Te resoluut ook, te stellig. ‘In geval van twijfel, grijp naar het iets’, heb ik mijzelf de laatste jaren geleerd. Nee, dat betekent in mijn geval niet het ‘ietsisime’, waar oud-columnist Plasterk zo fijntjes gehakt van heeft gemaakt – geheel ten onrechte, vind ik inmiddels: iets­isme lijkt me heel wat realistischer dan het nietsisme, waarin bijvoorbeeld Heidegger zo uitblonk, en waarvan de filosoof Carnap dan weer filosofisch gehaktbrood maakte. Zeker van het Niets dat ook nog eens kan ‘Nietsen’. Daarbij is geloven in God: appeltje, eitje.’ (Sanders)

Zie: ‘In geval van twijfel, grijp naar het iets’ – Briefwisseling – Geloofsbrieven van weifelaars (De Groene Amsterdammer)

Foto: Vishvarupa (Sanskriet voor ‘die met alle/vele vormen/kleuren’) was in de oudste Indiase mythologie een kosmogone godheid, die aan de oorsprong van de schepping ligt en deze ook weer kan absorberen. (flickr.com –  Steve Jurvetson) – In India verdrong uiteindelijk de allerhoogste Brahman de vele goden uit de veda’s. (PD)

‘De wereld wordt steeds religieuzer’


UITGELICHT (2016) Religiewetenschapper Ernst van den Hemel pleit in De Groene Amsterdammer voor meer religiekennis. ‘Religie is inzet van veel maatschappelijke conflicten. Populistische groeperingen als Pegida, Front National en PVV grijpen de joods-christelijke traditie doelbewust aan om scheidslijnen aan te scherpen met mensen uit andere religies en culturen. De wereld wordt tegelijkertijd steeds religieuzer.’ 

‘Als je het aan Wilders overlaat om de islam te definiëren,
en ik ben bang dat het beeld van de islam voor veel mensen bepaald wordt door de PVV, moet je niet raar opkijken wanneer kloven in de maatschappij zich verdiepen.’

(Ernst van den Hemel)

In de serie De goddeloze samenleving in De Groene Amsterdammer pleit Van den Hemel voor meer religiekennis, want nu is het zo dat de ‘hobby van babyboomers’ alles wat maar naar religie riekt, bestempelen als ouderwets, en die houding vindt hij niet enkel kortzichtig en achterhaald, ze heeft zelfs gevaarlijke kanten.

De wereld wordt tegelijkertijd steeds religieuzer. Dan kun je niet volhouden dat godsdienst er niet meer toe doet, omdat wij ons er in de jaren zestig zo fijn van bevrijdden.’

Van den Hemel stelt in zijn proefschrift dat calvinisten uit hun geloof de overtuiging putten dat ze in opstand moesten komen tegen intolerantie.

Door de eeuwen heen zijn daarvan vele voorbeelden te geven, zo toonde hij aan in zijn proefschrift. Geloof levert dus niet alleen gehoorzaamheid en inperking op, maar ook twijfel, rebellie en openheid.’

Het valt best mee – of tegen, laat Van den Hemel weten, met de veel bezongen individualisering van Nederland. En voor de secularisering geldt eigenlijk hetzelfde, want ook al zijn veel kerken leeggelopen, we ademen nog steeds de diepe invloed van het christelijk geloof.

Ons beeld van emancipatie, van gelijkheid, van secularisatie is wel degelijk beïnvloed door die christelijke traditie. Om ons heden te begrijpen, heb je kennis nodig van het religieuze verleden.’

Van den Hemel vindt dat religiewetenschappen bestaansrecht heeft, alleen al omdat de oude scheidslijnen tussen religieus en seculier aan vervanging toe zijn.

Maar Nederland blijft grotendeels onkundig van de religiewetenschappelijke blik op religie en samenleving. Er wordt flink gediscussieerd over populisme en de islam, maar een geïnformeerd debat over godsdienst komt daarbij amper van de grond. Bij wijze van grap met een serieuze ondertoon spreekt de van oorsprong Duitse theologe Manuela Kalsky van het posttraumatische stresssyndroom in Nederland.’

De persoonlijke opvatting van Van den Hemel is dat het publieke debat in Nederland vaak van een armoedig niveau is en dat dit ernstige maatschappelijke gevolgen heeft.

Als je het aan Wilders overlaat om de islam te definiëren, en ik ben bang dat het beeld van de islam voor veel mensen bepaald wordt door de PVV, moet je niet raar opkijken wanneer kloven in de maatschappij zich verdiepen.’

Religie, zo stelt Van den Hemel, is een explosieve groeimarkt. Maar als we echt iets willen veranderen, moeten we ervoor zorgen dat kennis van religie in Nederland veel weidser verspreid wordt.

‘84 Procent van de wereldbevolking is religieus, over vijftig jaar is dat 87 procent. In dat licht is het bizar om kennis van religie te verwaarlozen. Dat is soms tegen het zere been van veel mensen die juist dachten dat ze van religie af waren.’

Van den Hemel vindt dat we de erfenis van de ontkerkelijking kritisch moeten bezien en voor hem is het duidelijk dat daar een hoop oud zeer zit.

Maar het houdt geen stand om religie ouderwets en intolerant te noemen, en seculiere cultuur hedendaags en tolerant. Die versimpeling levert een vertekend beeld op van een steeds religieuzere wereld.’

Naarmate maatschappijen zich verder ontwikkelen, stelt Van den Hemel neemt de invloed van religie af, zo is het idee.

Hiermee wordt een versimpeling van de westerse geschiedenis verheven tot norm. Als je niet uitkijkt, eindigt dat met een monoculturele visie op het heden die blind is voor eigen dogmatiek. Religie kan een verbredende kracht zijn, en wat zich als bevrijding van religie presenteert, kan beklemmend worden. Dat wordt nu vaak vergeten.’

Zie: ‘84 procent van de wereldbevolking is religieus’ (De Groene Amsterdammer)

Beeld: Rijksuniversiteit Groningen (RUG)
Nederland op 1: VRPress (Trouw, 7 6 2024)
Update september 2025 (Lay-out, foto)

De Bijbel vanuit evolutionair perspectief

DevloedJeroenBosch
Het oerboek van de mens is erg boeiend. Vooral op het Oude Testament werpen de agnosten Carel Van Schaik en Kai Michel een verrassend licht. Ze zetten in elk geval meer aan het denken dan Richard Dawkins, die in zijn beschouwingen over godsdienst blijft steken in schimpscheuten.’ Dat constateert Elseviers Gerry van der List in de recensie Dagboek van de mensheid. ‘Fascinerend boek van de Nederlandse evolutiebioloog Van Schaik biedt een verrassend perspectief op de Bijbel.’

Met de Duitse wetenschapsjournalist Kai Michel schreef hij Het oerboek van de mens (Uitgeverij Balans), een fascinerende kijk op het boek der boeken vanuit evolutionair perspectief. Van Schaik en Michel zien in de Bijbel het ‘dagboek van de mensheid’. ‘(Van der List)

Balans stelt dat de schrijvers verrassende betekenissen ontdekken in oude, soms raadselachtige geschiedenissen en tot een nieuwe visie komen op de culturele ontwikkeling van de mens sinds het begin van onze beschaving.

Gewapend met de laatste inzichten uit de cognitiewetenschappen, de ontwikkelingsbiologie, de archeologie en de godsdienstgeschiedenis zijn biologisch antropoloog Carel van Schaik en historicus Kai Michel op reis gegaan door het boek der boeken, van de Hof van Eden tot de heuvels van Jeruzalem.’ (Uitgeverij Balans)

hetoerboekvandemensIn de inleiding van hun boek stellen de auteurs dat er meer dan duizend jaar geschreven is aan de Bijbel, dat het bijna 2000 jaar lang de lotgevallen van een groot deel van de wereldbevolking heeft bepaald en dat meer dan twee miljard mensen hem nu nog als heilige schrift vereren.

‘De evolutiewetenschappen richten zich al geruime tijd op de menselijke cultuur. Sinds enkele jaren doen ze ook onderzoek naar de aard en functie van religie. Constaterend dat geen enkele cultuur zich op enig moment zonder vormen van geloof wist te redden, kwam de afgelopen jaren interdisciplinair geloofsonderzoek op gang. En op één punt lijken de onderzoekers het eens te zijn: religiositeit hoort bij de standaarduitrusting van de mens. De aangeboren neiging om achter alles het werk van bovennatuurlijke krachten te vermoeden, is eigen aan de condition humaine.’ (Uit: Het oerboek van de mens)

Het boek houdt de chronologische volgorde van de Bijbel aan. Daarbij concentreren de auteurs zich op de centrale episodes, zodat de lezers tevens een overzicht krijgen van de belangrijkste verhalen uit de Bijbel. Zij vragen zich tegelijk af of zij nu echt als eersten een Bijbel zouden weten bloot te leggen die verborgen inzichten bevat over de evolutie van de mens.

Het ontbreekt nog altijd aan godsdiensthistorisch onderzoek vanuit evolutionair perspectief. Nog steeds heeft geen enkele evolutiewetenschapper de Bijbel grondig geanalyseerd en nagegaan of de Heilige Schrift zijn theorieën bevestigt. Vanuit antropologisch perspectief wordt hooguit een enkele afzonderlijke passage bestudeerd.’

Het boek concentreert zich vooral op het Oude Testament. Volgens Van Schaik en Michel heeft dit Bijbeldeel meer dan het Nieuwe Testament betrekking op de fundamentele verandering in het gedrag van de mens, een verandering die het verloop van de menselijke geschiedenis niet eerder en ook later nooit meer zo ingrijpend heeft bepaald.

Daarmee leggen we meteen de fundamenten voor het begrijpen van het Nieuwe Testament, dat ons met Jezus niet alleen een persoonlijkheid opleverde wiens charisma nog altijd doorwerkt, maar ook een nieuwe visie op de verborgen wetmatigheden in de wereld om ons heen.’

Aan de overige vier boeken van Mozes, die de uittocht van het volk Israël uit Egypte als thema hebben, besteden de auteurs het tweede deel.

Daar laten we zien wat een cultureel meesterwerk de wetboeken van Mozes eigenlijk zijn. Ook gaan we in op de bijzondere omstandigheden die ervoor zorgden dat hier überhaupt monotheïsme kon ontstaan. Verder beschrijven we waarom de idee dat er nog maar één God zou zijn, van wie ook nog eens geen beeld meer gemaakt mocht worden, de mens in hevige geloofsnood bracht – en nog altijd brengt.’

In het derde deel gaat het over de Nevie’iem, de Profeten, waartoe de boeken Jozua, Richteren, Samuel, Koningen en de geschriften van de profeten zelf worden gerekend.

Daarin rijzen niet alleen vragen over hemelse gerechtigheid en moraal, maar komt ook het heikele thema boven van de goddelijke macht. En draait het om het kunnen bewaren van sociale samenhang en hoe voorkomen kan worden dat het egoïsme van een enkeling de samenleving ten onder doet gaan.’

In het vierde deel, dat over de Ketoeviem gaat, stuiten de schrijvers op teksten zoals de Psalmen of het boek Job en komen zij een persoonlijk soort geloof tegen dat gelovigen ook in onze tijd ervaren, waarbij God hun gesprekspartner is.

Maar hier gaat het ook om existentiële vragen: waar komt het lijden vandaan? Wat maakt dat we bang zijn om dood te gaan? We verdenken de monotheïstische God ervan dat hij hier zelf een handje heeft geholpen door de problemen te veroorzaken waarvoor hij tegenwoordig vaak te hulp geroepen wordt.’

Het laatste deel betreft het Nieuwe Testament dat zijn speciale karakter pas echt goed kan ontvouwen tegen de achtergrond van de Hebreeuwse Bijbel. Er zijn duidelijke continuïteiten te zien, maar ook hoe de culturele evolutie in een voortdurend verrijkingsproces een verbazend wonderwerk creëerde, waarin de menselijke natuur volledig aan haar trekken komt.

Het feit dat God met Jezus van Nazareth een menselijk gezicht krijgt, speelt hierbij een wezenlijke rol. Maar daar blijft het niet bij. Van Maria tot aan de duivel, van de opstanding tot aan de Apocalyps: het Nieuwe Testament heeft veel meer achter de hand. Als een hybride religie die uiterst rijk is aan facetten zal het christendom carrière maken, maar ook tegemoet moeten komen aan de meest tegenstrijdige aanspraken.’

De auteurs stellen dat zij in essentie zeker niet uit zijn op het presenteren van een nieuwe theologische of godsdienstwetenschappelijke Bijbelinterpretatie.

Wij willen vooral laten zien wat de Bijbel verder nog allemaal te bieden heeft. We zijn er vast van overtuigd dat er een verborgen Bijbel bestaat, een die ontdekking verdient, die helpt bij het oplossen van mysterieuze vraagstukken, zoals dat van de woede van de oudtestamentische God of van het wonderlijke fenomeen dat zelfs mensen die helemaal niet in God geloven zich tot Jezus aangetrokken voelen.’

UPDATE 21 03 2016 17:16 uur: VPRO Boeken – Wim Brands in gesprek met Carel van Schaik
http://www.vpro.nl/boeken/programmas/boeken/2016/20-maart.html

Het oerboek van de mens | Kai Michel, Carel van Schaik | Uitgeverij Balans | 448 pagina’s | februari 2016 | ISBN: 9789460030475 (e-book, € 9,99) | 9789460030468 (paperback, € 27,50)

Zie:
Het oerboek van de mens (Uitgeverij Balans)
Dagboek van de mensheid (Elsevier – € 0,29 via Blendle)

Beeld: De zondvloed, Jeroen Bosch (ca. 1450–1516) – collectie.boijmans.nl

Update: Zondag NPO 1 20 maart 11.20 uur VPRO Boeken – Wim Brands in gesprek met Carel van Schaik over Het oerboek van de mens.

Laat de wetenschap God binnen?

the_astronomer_1668_xx_louvre_paris_france4
‘De wetenschap heeft de verre ruimte, de verre tijd en de verre materie verkend, en geen plek voor of behoefte aan God aangetroffen. Nu voor het eerst het bewustzijn wordt bestudeerd, is er een koers ingeslagen die tenslotte zal leiden tot de beschouwing van de ‘verre geest’. En al doende kan de wetenschap zich uiteindelijk gedwongen zien om God binnen te laten.’ – Dit schreef de Britse natuurkundige Peter Russell al in 1996 in The Optimist. Volgens Filosoof Emanuel Rutten, nu in Wijsgerig Perspectief, wijst bewustzijn inderdaad naar boven.

The Optimist – een onafhankelijk opinietijdschrift over mensen en ideeën die de wereld veranderen – stelt dat de wetenschap toentertijd weinig raad wist met het bewustzijn en voor God was er al helemaal geen plaats in de natuurwetenschappen. Maar Peter Russell denkt dat onderzoek naar het raadsel van het bewustzijn, de natuurkundigen ook bij God zal brengen.

Niet het concept van God dat we bij de hedendaagse religies tegenkomen – die onvermijdelijk blootgesteld waren aan vervorming en verlies bij de overdracht van de ene generatie op de volgende, maar de God die het wezen vormt van ons eigen zelf, de kern van het bewustzijn.’ (Russell)

Russell stelt dat deze mogelijkheid absoluut taboe is binnen het hedendaagse wetenschappelijke superparadigma en trekt een vergelijking met Galileo die het Vaticaan meedeelt dat de Aarde niet het centrum van het heelal vormt.

Maar als er een ding zeker is in de wetenschappen, dan is het dat alle zekerheden gaandeweg verschuiven. De wetenschappelijke modellen van vandaag zijn op vrijwel elk onderzoeksterrein radicaal verschillend van die van twee eeuwen geleden. Wie weet hoe de paradigma’s van het volgende millennium eruit zullen zien.’ (Russell)

Rutten doet alvast een – filosofische – poging en stelt dat het duidelijk is dat op enig moment in de ontstaansgeschiedenis van de kosmos het bewustzijn zijn intrede deed. De herkomst van natuurlijk bewustzijn is volgens de filosoof niet gelegen in onbewuste materie, want het is onredelijk om te stellen dat het natuurlijk bewustzijn in de kosmos wordt veroorzaakt of geproduceerd door onbewuste stof.

De suggestie dat stof of materie bewustzijn kan voortbrengen, gaat diepgaand in tegen onze intuïtie. (…) Dat natuurlijk bewustzijn hetzelfde zou zijn als materie is buitengewoon onwaarschijnlijk. Onze gevoelens en gedachten hebben immers geen massa, geen volume en geen dichtheid. Omgekeerd hebben bewuste mentale ervaringen allerlei eigenschappen die bewegende materiedeeltjes niet hebben, zoals het in zichzelf verwijzen naar iets anders en het geladen zijn met betekenis.’ (Rutten)

Rutten stelt dat de herkomst van het natuurlijk bewustzijn gelegen moet zijn in een bewustzijn dat zelf niet natuurlijk is en redelijkerwijs is gelegen in een bewust wezen dat buiten de kosmos bestaat en op enig moment bewustzijn in de kosmos bracht.

Dit bovennatuurlijke bewuste wezen is de ultieme verklaringsgrond en oorsprong van al het natuurlijk bewustzijn in de kosmos en mag dan ook met recht God genoemd worden. Het bestaan van bewustzijn in de kosmos geeft dus aanleiding tot een redelijk argument voor het bestaan van God. In elk geval levert het er een buitengewoon sterke aanwijzing voor op.’ (Rutten)

Zie:
God staat op de drempel van de wetenschap (Peter Russell)
Bewustzijn wijst naar boven (Emanuel Rutten)

Beeld: Johannes Vermeer, De astronoom, 1668 (Louvre, Parijs) – Het schilderij toont een man die een hemelglobe bestudeert. Op de werktafel ligt de Institutiones Astronomicae et Geographicae van Adriaan Metius (1621) opengeslagen, die de onderzoeker in dat hoofdstuk III adviseert om behalve op mechanische instrumenten en kennis van geometrie ook op inspiratie door God te vertrouwen. (Civis Mundi)