Een epische zoektocht naar de waarheid

logicomix.jpg

Een epische en welhaast spirituele zoektocht naar absolute zekerheid en waarheid wordt verteld door de ogen van filosoof en logicus Bertrand Russell, één van de belangrijkste denkers die zich met deze queeste heeft beziggehouden. Filosoof en wiskundige Emanuel Rutten verwijst naar de beeldroman Logicomix van Apostolos Doxiadis en Christos Papadimitriou. Op zijn website geeft hij op hoofdlijnen de belangrijkste momenten van deze fascinerende zoektocht naar absolute zekerheid weer.

Russell dacht te vinden wat hij tevergeefs had gezocht…

Meetkundige bewijsvoering toonde hem de enige weg tot de werkelijkheid: de rede. Hij kwam voor het eerst in aanraking met de heerlijke ervaring iets te weten met absolute zekerheid. En zo werd logische bewijsvoering zijn weg naar de waarheid.’

Alleen… Russell hoorde dat we ook de axioma’s van de wiskunde gewoon moeten aannemen en dat stelde hem teleur. Hem was immers verteld dat we in de wiskunde alles moeten bewijzen wat we zeggen.

Wat is echter de waarde van bewijs als het berust op iets wat onbewezen is? Zelfs in de wiskunde moeten we in de bewijsvoering op een bepaald moment gewoon sommige dingen aannemen.’

Toch besloot Russell wiskunde te gaan studeren, maar vond uiteindelijk dat er ronduit slordig gedacht werd in de wiskunde.

Zijn kennismaking met de ‘koningin der wetenschappen’ was echter opnieuw een grote teleurstelling. In de wiskunde van zijn tijd werden veel begrippen niet scherp gedefinieerd. Er werd zelfs gewerkt met vage begrippen zoals ‘oneindig klein’. De op Newtons calculus teruggaande wiskunde waarmee Russell geconfronteerd werd was veel minder gedisciplineerd dan de strenge axiomatische meetkunde van De Elementen van Euclides. Russell vond dat er ronduit slordig gedacht werd in de wiskunde.’

Russell vormde de rotsvaste overtuiging dat de fundamenten van de wiskunde rot zijn, dat het bouwwerk van de wiskunde op instorten staat, en besloot filosofie te gaan studeren. Ook dat leverde aanvankelijk een teleurstelling op. Wiskundigen proberen in ieder geval elkaar niet tegen te spreken, vond hij, maar filosofen zijn het onderling totaal niet eens…

Plato stelt dat wat je ziet slechts een slechte kopie is van de ware werkelijkheid, terwijl voor Aristoteles de basis ligt in wat hij waarneemt. Volgens Descartes bestaat er een tegenstelling tussen geest en materie, terwijl Spinoza dit ontkent. En zo gaat het maar door. Met zijn vriend Moore zocht hij verlichting bij een op dat moment populaire Hegeliaan. Maar daarin vond hij evenmin iets. Hij zocht een methode om werkelijk iets van kennis te verwerven.’

Russell maakte vervolgens kennis met de logica en besloot logicus te worden, maar ook logica voldeed niet, hij wilde immers absoluut zekere kennis over de wereld vergaren. Hij begon te werken aan een boek dat alle fundamentele problemen zou moeten oplossen. Maar toen stuitte de logicus op een paradox die later de beroemde Russell paradox genoemd zou worden. De hele verzamelingenleer van de Duitse wiskundige George Cantor stortte hiermee in.

Het voert te ver om in dit blog het volledige – en ook wel spannende – verhaal weer te geven. Daarvoor verwijs ik naar het blog van Rutten, en Logicomix zelf. Ik wil nog wel even filosoof Ludwig Wittgenstein noemen, de leerling van Russell, die stelde dat de logica niets meer betreft dan de vorm van onze taal. Een groep visionairs in Wenen – De Wiener Kreis – had het idee dat het werk van Wittgenstein hen volgens henzelf de mogelijkheid gaf om religie, metafysica, ethiek, enz. totaal te verbannen uit het rationele gesprek, want waarover niet logisch gesproken kan worden, is letterlijk onzin.

Wittgenstein liet hen in een ontmoeting echter weten dat de betekenis van zijn werk hen totaal ontgaan was. Zijn punt is precies het tegenovergestelde. De dingen waarover niet logisch kan worden gesproken zijn de enige die er echt toe doen. Deze dingen tonen zich.’

(Wittgenstein bedoelt met ‘tonen’ zoiets als bij kunst: kunst is in staat om dingen te tonen en duidelijk te maken die niet in taal te vatten zijn. ‘Dat wat niet gezegd kan worden, kan eventueel wel getoond worden’. PD)

Zie: De kleine Logicomix

Logicomix |ISBN: 9789049501723 | Paperback, 346 blz | € 12.50 | Maart 2011
Logicomix is een unieke beeldroman over de spirituele odyssee van de grote filosoof Bertrand Russell. Tijdens zijn gekwelde zoektocht naar de absolute waarheid kruist zijn pad dat van grote denkers als Frege, Hilbert, Gödel en Wittgenstein. Maar Russells ambitieuze doel – het bepalen van onwrikbare grondslagen voor de wiskunde – blijft buiten bereik. Toch houdt hij koppig vast aan zijn missie, die zijn carrière en persoonlijk geluk bedreigt en hem uiteindelijk bijna tot waanzin drijft. Logicomix is zowel een historisch epos als een verklaring van de grootste ideeën van de wiskunde en moderne filosofie. In een expressieve klare lijn, met een intrigerend verhaal en rijke karakterschetsen, maakt dit boek filosofische logica voor iedereen toegankelijk. (lebowskipublishers.nl)

Leven met een besef van het goddelijke

earth-sunlight

‘Marilynne Robinson stelt een atheïstische lezer als mijzelf in staat zich te identificeren met de ervaring van een gevallen wereld, vol van pijn en verdriet, maar ook doordrongen van goddelijke genade.’ Dit zegt recensent Mark O’Connell in The New Yorker over de ‘onbeschaamd christelijke’ romans van Robinson. ‘Ik heb veel literatuur gelezen over religie en de religieuze ervaring, denk aan Tolstoj, Dostojevski, Flannery O’Connor, de Bijbel, maar alleen bij Robinson heb ik daadwerkelijk gevoeld wat het betekent om te leven met een besef van het goddelijke.’

In mijn romans’, zo vertelt Robinson in Felix Meritis als ik [Yvonne Zonderop, PD] haar na afloop van haar lezing interview, ‘poog ik een besef hoog te houden van een heilig en intens krachtige realiteit van menselijk bewustzijn en innerlijk leven. En als ik maar enigszins dreig te generaliseren, vraag ik op voorhand excuus, want dat is dan mijn eigen tekort­koming. Ik denk dat wij het fundamentele idee van de eigenheid van een mens en de mogelijkheden die dat biedt opnieuw moeten ontdekken.’ 

Volgens Yvonne Zonderop, van De Groene Amsterdammer, in een interview met Robinson, zet laatstgenoemde zich vooral af tegen het idee dat wetenschap en religie elkaar uitsluiten en dat met de komst van de Verlichting de koude ratio is gaan prevaleren.

Het lijkt wel, zo zei ze in Felix Meritis, alsof we de Verlichting datgene hebben laten worden wat haar critici aanvankelijk tegen haar inbrachten, zodat het zichzelf de grootste poëzie uit de menselijke beschaving dreigt te ontzeggen. Het kernidee, namelijk dat iedereen in beginsel toegang zou moeten krijgen tot alle vruchten van de menselijke geest, is het beste wat de mensheid kon overkomen. Wetenschappers die beweren dat de Verlichting en religie niet samen kunnen bestaan, doen dus niet alleen zichzelf te kort, maar beperken ook de waarde van wetenschap.’

Robinson stelt dat haar spiritualiteit, ‘om dat woord te gebruiken’, is dat zij accepteert dat er een realiteit bestaat die veel groter is dan waar wij affiniteit mee hebben.

Calvijn zegt: de wereld is een school. We worden steeds naar een nieuw niveau van begrip getild. Het enige dat wij daar aan kunnen geven is onze aandacht. Ik kan mij van God geen voorstelling maken, dat zou idolatrie zijn, zoals Calvijn terecht stelt. Ik ga ervan uit dat ik verbaasd zal zijn als ik hem tref. De enige omschrijving van God die ik kan bedenken luidt: genade.’

Robinson vindt het noodzakelijk onderscheid te maken tussen de religie die inzicht biedt in de menselijke conditie met alle muziek en literatuur die daarbij hoort’, zegt ze, ‘en het demografische begrip religie, dat iedereen in een bepaalde hoek bezemt.

Dit laatste maakt van religie een soort stammenstrijd, ik kan het niet anders noemen. En daarmee brengt het de echte waarde buiten bereik van wat elke grote religie onderwijst, namelijk: heb uw naaste lief, die hele oude wijsheid. Ik doceer veel uit de Bijbel. En dan zie je hoe Jezus Dominicus citeert die dat al zegt: heb uw naaste lief.’

Elk beroep op een christelijke identiteit dat wortelt in zulk instinctief groepsdenken vindt Robinson niet alleen totaal ongepast maar ook slecht geïnformeerd, want de religie waar het een claim op legt kent in haar aard geen grenzen, geen beperkingen en geen rechthebbenden.’

Laat mensen zich liever laten inspireren door die onbekende God, zegt Robinson. ‘Onze essentiële ontmoeting in de wereld is met het beeld van God. En dat is altijd die ander.’

Zie: Het religieus aangedreven humanisme van Marilynne Robinson
Juist toen we dachten dat God het publieke domein in Nederland definitief had verlaten, steekt religie de kop weer op. Het aantal moslims groeit, nieuwe vormen van zingeving bloeien op en er klinkt een roep om christelijke waarden. Kunnen we – en willen we – eigenlijk wel zonder religie? Onder de titel De goddeloze samenleving praat Yvonne Zonderop het komende jaar met denkers en onderzoekers uit binnen- en buitenland over de plaats van religie anno nu. Deze keer Marilynne Robinson over religie als stammenstrijd en waarom de bijbel nooit de gemakkelijkste weg wijst. (Deel 3 van De goddeloze samenleving nu ook online in De Groene Amsterdammer.)

Beeld: gettyimages.nl

God zei: ‘Denk! (Dan besta je!)’

René-Descartes-1596-1650-580x350

God geeft te denken. Slim van de organisatie van de Nacht van de Theologie om als thema het denken te bedenken. God moet minstens zelf denken als Hij uitroept: ‘Denk!’ Dat betekent tevens dat Hij bestaat. Immers – René Descartes wist het al – ‘Ik denk, dus ik besta.’ God denkt, dus Hij bestaat. Dat is nog eens een Godsbewijs! Zou dat een van de resultaten kunnen zijn van theologie als wetenschap van God? Daar kan het ongetwijfeld een hele lange nacht over gaan.

Een groot misverstand in de samenleving is dat religie ons eigen denkvermogen uitschakelt. Maar God gaf niet de opdracht om hem klakkeloos en zonder vragen te gehoorzamen. Hij maakte de mens met een eigen wil en denkvermogen – de mens kán domweg niet anders. Een resultaat van het denken over God is de wetenschap theologie.’ (NvdT)

De Nacht van de Theologie gaat over wat denken over God heeft opgeleverd.

Hoe kun je denken en theologiseren over Iemand die je niet ziet? Is er – door recente ontwikkelingen – in de maatschappij een verkeerd beeld ontstaan van religie en theologie?’ (NvdT)

Filosoof Descartes trok indertijd eerst alles in twijfel. Niet alleen God zag hij als iemand die je niet ziet, het hele aardse bestaan zou een illusie kunnen zijn! Misschien droomde hij wel. Maar hij kon aan alles twijfelen, dat was zeker. En als je kan twijfelen, betekent dat dat je kan denken. En toen wist hij: cogito ergo sum: ik denk dus ik besta.

Als militair ingenieur belandt hij in het leger van Maurits en na een inspirerende ontmoeting met de Nederlandse wetenschapper Isaac Beeckman krijgt hij een visioen dat hem zijn roeping openbaart: de waarheid te zoeken. Om die te vinden besluit Descartes eerst aan alles te twijfelen. Niets blijkt zeker, behalve dat alles te betwijfelen is: cogito, ergo sum (‘Ik denk, dus ik ben’) is de enige waarheid die Descartes kan vinden.’ (filosofie.nl)

Toen dat voor hem duidelijk was, ging hij verder denken, vanaf de bodem. Hij bedacht uiteindelijk een volmaakt wezen, en die gedachte (God zei: Denk!) kon alleen maar van een volmaakt wezen komen, iets dat zelf volmaakt was. En dat kon alleen maar God zijn.

Descartes Godsbewijs luidt aldus: Wij zouden zelf volmaakt moeten zijn om de voorstelling van een volmaakt wezen te kunnen voortbrengen. Ik zelf ben niet de oorzaak van mijn bestaan, ik kan het noch verlengen, noch in stand houden. ‘Daaruit, dat ik besta en de voorstelling bezit van een volmaakt wezen, volgt met volledige duidelijkheid dat God ook bestaat.’ (Descartes, Vertoog over de methode)

Descartes bedacht dat de mens alleen maar geschapen kon worden door iemand die groter was dan de mens. Zo kwam hij bij God uit. Iemand die kleiner is dan de mens, zou de mens nooit kunnen geschapen kunnen hebben.

Met dit brokje zekerheid, aldus Filosofie Magazine, weet Descartes zowel het bestaan van God (de ‘perfectie’ van God impliceert eveneens zijn bestaan) als het bestaan van de werkelijkheid af te leiden (God garandeert de echtheid van de buitenwereld).

Daar we de voorstelling van God of van een Hoogste Wezen in ons hebben, kunnen we terecht onderzoeken, door welke oorzaak we haar hebben, en we vinden in haar een zodanige verhevenheid, dat we daaruit volledig zeker zijn dat ze ons niet kan zijn ingegeven dan door iets waarin waarlijk de volheid aller volmaaktheid is, dat is niet anders dan door een God die waarlijk bestaat. (Descartes, Vertoog over de methode)

Het thema van de Nacht van de Theologie 2016 op 25 juni is ‘God zei: denk!’. 

Beeld: René Descartes (isgeschiedenis.nl)

Op eigen kracht tot kennis van God komen, kan dat?

Mattheus

‘Wij denken dat we er op eigen kracht achter kunnen komen wie God is. Dat is de zogenaamde ‘wending naar het subject’ die al eeuwen gaande is. Maar kunnen wij wel op eigen kracht tot kennis van God komen?’ Hierover gaat morgen de promotie van Eric Edwin Bouter aan de VU Amsterdam: ‘Geloven op gezag. Een kritische analyse van de Newmanreceptie bij Noordmans inzake de Kerk en de wending naar het subject’. Deze studie onderzoekt hoe Oepke Noordmans het gedachtegoed van John Henry Newman heeft ontvangen. 

De wending naar het subject heeft meegebracht dat de mensen worden geacht kennis van de hun omringende werkelijkheid (inclusief God) op te bouwen vanuit zichzelf.’

Interessant. Klinkt heel actueel. Of moeten we (weer) geloven op gezag, opdat God weer tegen ons  kan zeggen wat Hij wil? En dat daarmee de westerse mens de omgang met God terugwint? De remedie hiervoor is wat Newman en Noordmans voorstaan: geloven doen we op gezag.

Wij kennen God doordat ons met gezag wordt aangezegd wie Hij is. Beiden lokaliseren dat gezag in de Kerk.’

Newman wilde hiervoor opgenomen worden in de rooms-katholieke kerk en Noordmans zocht het liever in een nieuwe kerkorde voor de hervormde kerk. We hebben het hier wel over theologen die inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige hebben verwisseld, maar het is een actueel vraagstuk, gezien ook het promotieonderzoek. En boeiend in een tijd dat vele gelovigen zich juist van alle gezag afwenden en hun eigen God aan het opbouwen zijn vanuit zichzelf.

Het klinkt in eerste instantie redelijk: Noordmans en Newman zijn ervan overtuigd dat deze wending een verdere ontvouwing van het christelijk geloof mogelijk maakt. Want in de christelijke traditie wil geloven zeggen: je persoonlijk verhouden tot God. Je zou in deze tijd zeggen: heel spiritueel. En dat zoeken overstijgt wat mij betreft het christelijke en al het andere kerkelijke. Het gaat er immers om je persoonlijk te verhouden tot God?

Met geloven op gezag denken nu velen welk gezag dan, en waar is dat werkelijke gezag nog te vinden en plausibel? Noordmans en Newman vreesden in hun tijd al subjectivering en individualisering van het geloof. In de wending naar het subject construeert men namelijk zelf het beeld van God.

Geloven, aldus Newman, wordt dan tot selfcontemplation want het is bezig zijn met je eigen gedachten over God. ‘Liberalisme in godsdienst’ noemt Newman dit. Noordmans vreest iets soortgelijks en spreekt ervan dat zo de openbaring wordt ‘uitgerekt op een menselijk raam’.

God en mens worden als het ware in elkaar geschoven zodat een monistisch denkklimaat ontstaat. Met deze verschillende bewoordingen bedoelen Noordmans en Newman hetzelfde: door de wending naar het subject kan God niet meer tegen de westerse mens zeggen wat Hij wil. De westerse mens verliest daarmee de omgang met God.’

Bouter sluit af met de vraag hoe het staat met de wending naar het subject in de 21ste eeuw. Hij concludeert onder meer dat de protestantse kerken zich voor de toekomst van de Kerk op Rome dienen te richten.
Wending naar het Vaticaan?

Zie: Achter wat het belangrijkste in je leven is, kom je niet op eigen kracht.’

Beeld: Rembrandt van Rijn – Mattheüs wordt bijgestaan door een engel als hij zijn evangelie schrijft. Schilderij van Rembrandt (1606/7-1669). (The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei. DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202. Distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH.)

‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’

Gerard Reve beschrijft in Graf te Blauwhuis de grafsteen van een doodgeschoten jongen: ‘Hij rende weg, maar ontkwam niet, en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud. Een strijdbaar opschrift roept van alles, maar uit het bruin geëmaljeerd portret kijkt een bedrukt en stil gezicht. Een kind nog. Dag lieve jongen.’ Dan richt Reve zich tot God, en vraagt lichtelijk verongelijkt: ‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’

‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’
(Gerard Reve)

Journalist en schrijver Tobias Reijngoud haalt een gedicht van Reve aan in zijn blog God is een werkwoord. Hij zegt daarin dat de vraag of God bestaat of niet kinderachtig is en bovendien niet erg relevant.

Waar het om gaat is de vraag of ik zélf in staat ben om God in mijn leven te creëren. God schept míj niet, ik schep hém. Of niet natuurlijk, de keuze is aan mij.’

De vraag doet er voor Reijngoud eigenlijk niet toe, zegt hij, want of ik nou in zijn bestaan geloof of niet, waar het om gaat is de vraag of ik in staat ben om hem na te volgen.

Kan ik doen wat hij doet – of in elk geval doen wat er over hem geschreven wordt? Deze vraag geldt niet alleen voor mij, hij geldt voor iedereen. Ook voor atheïsten, sorry… Die noemen het navolgen van God alleen anders. Medemenselijkheid bijvoorbeeld. Of duurzaamheid.’

Geloven is voor Reijngoud niet iets vrijblijvends, hij vindt het hard werken. Niet iets voor alleen op zondagmorgen in de kerk, of voor tijdens de wekelijkse meditatiecursus.

In tegendeel, wanneer navolging centraal staat, wordt religie onderdeel van het leven. Of beter: wordt het de houding waarmee je in het leven staat. Elke dag, elk uur.’

Als puber las Reijngoud Reve en dacht bij het gedicht van Reve: inderdaad, God bestaat niet. En dat Koninkrijk… tja… daar kunnen we natuurlijk nog lang op wachten.

Maar later las ik de teksten van de middeleeuwse monnik Thomas a Kempis, en realiseerde ik me dat ik zelf aan het werk moet. Thomas a Kempis schrijft: ‘Het koninkrijk Gods is in u.’ De paradijselijke toestand van de hemel op aarde is dus niet iets wat ooit misschien een keer ‘als vanzelf’ gaat komen. Het zal niet ‘uit den hogen nederdalen’. Zo gemakkelijk gaat het niet. We moeten het zelf scheppen. Niet later, maar hier en nu. Door niet te haten, door anderen te helpen, door respectvol met de natuur en de aarde om te gaan, en door God na te volgen. Want God bestaat niet, hij gebeurt. Of niet natuurlijk. De keuze is aan ons.’

Zie: God is een werkwoord (Volzin)

Beeld: Thomas@Kempis | Bill Murphy | 1993 | Oil on canvas | 20″x24″ | {BM00111} | Painting  ©1997-2016 i.Murphy | USA
Update: 10 12 2024 (lay-out)

Geloof zonder religieus vangnet

ceci est un dieu

Voor theoloog Frits de Lange, predikant en lid van de PKN, heeft het leven geen hoger doel of zin dan dit leven zelf. ‘Er is geen tweede wereld achter of boven deze, we hebben er maar een.’ Het valt op in zijn essay Religieloos christendom dat hij de woorden van Jezus aan het kruis niet begrijpt. Hij ziet slechts een stervende man, die God verwijt dat Hij er niet is. Jezus bedoelde echter met zijn woorden: ‘Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?’ allesbehalve dat God er niet is.

De Lange, hoogleraar ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), Groningen, zou toch moeten weten dat in de joodse traditie het tot op de dag van vandaag de gewoonte is om de boeken van de Pentateuch (of de Tora) aan te duiden met het eerste belangrijkste woord of regel. Ook sommige psalmen worden nog altijd naar hun eerste woorden of regel genoemd. Dan komen we er achter dat de psalm die Jezus uitsprak aan het kruis weliswaar begint in wanhoop, maar eindigt in een jubelende stemming van geloof en hoop. Het slot luidt:

Het nageslacht zal Hem dienen en ieder vertelt zijn kinderen over Hem. Zij zullen Zijn recht en goedheid doorgeven aan allen die nog geboren moeten worden, omdat Hij alles heeft volbracht.’

De Lange verwijst naar Peter Rollins van de emerging church movement. Ook Rollins veronderstelt ten onrechte de godverlatenheid van Jezus en denkt dat God-die-bestaat Jezus aan zijn lot overliet. Op grond van deze verkeerde interpretatie noemt De Lange het christelijke geloof een rare, onbetrouwbare religie. Hij zegt dit in zijn essay En God sprak: Ik besta niet, in Trouw.

Het christelijk geloof ontspringt en leeft van de herinnering aan een religieus trauma. Als het een religie is, dan is het er een die voortdurend zichzelf ontkent en moet overwinnen.’

Zonder het woordje God zou De Lange niet kunnen – hij gebruikt het in woordcombinaties als Godallemachtig… – maar vraagt zich af of hij gelooft dat God bestaat. Er zijn volgens hem bijvoorbeeld niet voldoende data aanwezig om in te stemmen met het bestaan van een mensachtig Hoogste Wezen dat het universum bestuurt. Hij vindt de christelijke God er te menselijk voor, te kwetsbaar, te zeer op liefde aangelegd, om tegelijk ook heerser van het universum te zijn.

De Lange verwijst naar de vader die zijn zoontje probeerde gerust te stellen, in de buurt van theater Le Bataclan, kort na de aanslag op 13 november vorig jaar. De vader beaamde het idee van zijn zoontje dat de kaarsjes en bloemen er zijn om hen te beschermen. Waarop een glimlach om de mond van het jongetje verschijnt. Misschien is dat geloof tot zijn essentie teruggebracht, stelt De Lange, geloof in de glimlach.

Geloof is een overgave aan het leven, zonder religieus vangnet. Het biedt geen zekerheden, maar drijft op vertrouwen, hoopt tegen beter weten in.’

Zie: En God sprak: Ik besta niet 

Zie ook: ‘Aan het kruis ervaarde Jezus dat er geen God is’ (VanGodenEnMensen)

Beeld: ‘The Monstrosity of Christ’: een tekening van Michelangelo met een Jezus in doodstrijd die de blik vergeefs naar de hemel wendt, en dan de tekst à la Margritte aan de voet van het kruis: Ceci est un dieu. (agreatercourage.blogspot.nl)

‘Kosmische wereldbeschouwing heeft behoefte aan een mondiale spiritualiteit’

earthrise
Volgens benedictijn en zenleraar Willigis Jäger is er geen plaats meer voor een God die 2000 jaar geleden zijn zoon heeft gezonden om ons de weg te wijzen en over ons te oordelen. Dat zegt Ronald Hermsen in zijn boekbespreking van Voorbij God. ‘De kosmische wereldbeschouwing van de 21e eeuw heeft behoefte aan een mondiale spiritualiteit.’ 

In zijn onlangs verschenen boekje Voorbij God antwoordt Willigis Jäger (1925) op de vraag wat God voor hem betekent: ‘God is de naam van een werkelijkheid die het niveau van onze persoonlijke kennis overstijgt. Een werkelijkheid die zich uitdrukt als dat wat ik ben. Daarom vier ik mijn leven als uitdrukking van deze goddelijke oergrond.’

Volgens Jäger  moeten we onze ik-beperking overwinnen, want ons wereld- en mensbeeld zijn zo radicaal veranderd dat ook het religieuze zelfbeeld een verandering moet ondergaan: religies moeten ons een moderne, actuele duiding van ons leven geven; dat is het doel van de mystiek en van zen.

Heere Heeresma is ook voorbij God. God bestaat niet. De remonstrantse dan, want die vindt hij strijdig met de Bijbelse bron van het remonstrantisme. Heeresma lijkt zich nog vast te klampen aan de voorbije God.

Geloven, in de bijbels-Hebreeuwse betekenis van het woord, is geen kwestie van verzinnen of bedenken, maar van vertrouwen. (…) Van mij mag je geloven wat je wilt. Maar ik pleit wel voor zindelijk denken en intellectuele zuiverheid. En daar zondigde de Remonstrantse Broederschap tegen door de Bijbelse God voor haar doe-het-zelfcampagne te gebruiken en alleen dat te geloven wat haar goed uitkomt.’

Voorbij openbaring. Ondertussen begint ex-atheïst en filosoof Stephan Sanders het geloof te ontdekken – een late coming-out – hij heeft geen plotselinge openbaring gehad of zoiets, maar werd zo wanhopig van de parmantigheid waarmee de niet-gelovers en de niets-weters hun stellingen verdedigen. En:

‘De liefde is zo’n godsgeschenk, dat je wel van heel goeden huize moet komen om die te verbieden. De beleving van liefde is nu juist een van de grootste religieuze ervaringen die ik heb gehad.’

Sanders concludeerde in de Verwondering al, bij Annemiek Schrijver, dat zijn vroegere gehechtheid aan de seculiere maakbaarheidsgedachte uit de jaren zeventig een vorm van indoctrinatie is geweest. Dit ‘Evangelie van het Niets’ is wat hem betreft niet veel anders dan een constructie die nergens toe leidt: “Geef mij maar God!” Hoe die God er dan uit ziet, blijft onduidelijk. Sanders is duidelijk nog op zoektocht.

Voorbij islam. Intussen passen Sjiitische jongeren hun islam aan Nederlandse normen aan en zoeken oplossingen voor de vraag hoe zij voor hun werk klanten moeten begroeten maar geen hand mogen geven. Of wat ze moeten doen als er alcohol gedronken wordt. Cultuurkatholiek Ger Groot vindt hun oplossing geniaal.

Mag je niet aanschuiven bij een tafel waarop alcohol geschonken wordt? Zet er dan een ander tafeltje vlak naast waarop alleen vruchtensapjes mogen staan. Het gebod is gered maar de sociale gezelligheid ook. Als cultuurkatholiek vind ik dat een geniale oplossing, waarin ik heel wat van de roomse geest herken. En dat terwijl sjiieten bekend schijnen te staan als de protestanten van de islam.’

De benedictijn lijkt dit alles ver te willen overstijgen in zijn boek Voorbij God. De titel zegt alles. Hij vindt dat wie denkt dat hij God kent, te vergelijken is met de eend die meent dat zijn parkvijvertje de oneindige oceaan is.

Jäger ziet de rooms-katholieke kerk en alle religies als belangrijke en noodzakelijke verworvenheden, maar vindt ook dat ze zich niet of nauwelijks inspannen om hun starheid te overwinnen. Hierdoor kunnen ze geen antwoord bieden op de geheel nieuwe manier waarop oude geloofsvragen opnieuw worden gesteld en blijven ze in gebreke in het onderricht van het mystieke gebed. Hij zegt dan ook: ‘de kosmische wereldbeschouwing van de 21e eeuw heeft behoefte aan een mondiale spiritualiteit.’

Voorbij God – In Voorbij God brengt Willigis Jäger de belangrijkste ervaringen en inzichten uit zijn rijke spirituele leven bij elkaar: de essentie die voorbij alle denken ligt, voorbij alle verschijnselen, voorbij God. Hij wordt hierbij gedreven door de diepe wens iedereen die er voor openstaat te helpen door te dringen tot de universele dimensie die ons beperkte bestaan omvat en overstijgt. Alleen een mensheid die deze volgende stap in de Grote Evolutie bereid is te nemen heeft een werkelijke toekomst. (Uitgeverij Asoka)

Zie:
* Voorbij God
* Godsdiensten zijn niet eeuwig en rotsvast
* Sjiitische jongeren passen islam aan Nederlandse normen aan
* Mijn God bestaat niet
* De nieuwe vrienden van de remonstranten
* ‘God’ zeggen zonder te giechelen
* ‘Ex-atheïst Stephan Sanders: ‘Eigenlijk bad ik altijd al’

Foto: Nasa

Israël: nog zo’n 224 jaar te gaan

DSCF4999.000

Rabbijn Raphael Evers (re) sprak woensdag in een lezing tijdens de studiemiddag Geweldsteksten van de Raad van Kerken over teksten die ‘ons vanuit de Hemel geschonken zijn, teksten die de basis vormen van ons volksbestaan en ons heilig zijn’. Hij haalde het traktaat de Pirkee Awot uit het Joodse gebedenboek aan, dat stelt dat de wereld op drie principes berust: waarheid, recht en vrede.

Het woord vrede maakt zo een indruk omdat het gemis ervan zo pijnlijk duidelijk is. Vrede is een vaag begrip en ligt gemakkelijk met zichzelf overhoop. Vrede met onszelf hebben is al een heksentoer, vrede vinden in G’d is een levenstaak, en harmonie met het milieu lijkt nauwelijks meer haalbaar.’

Evers noemde vrede een geschenk van de medemens en een gave G’ds, maar de menselijke houding van ‘geen geweld’ ontstaat niet vanzelf.

Non-violence’ als het ‘ontbreken van gewelddadige uitbarstingen’ is te weinig. Wil er sprake zijn van enige duurzame vrede dan moeten wij hoger reiken.’

De rabbijn, verbonden aan het Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap, vertelde over het Hebreeuwse woord voor vrede: sjalom, van het werkwoord sjaleem, dat volledig of perfect betekent. Sjalom is een van de G’dsnamen.

Het heeft de bijbetekenis van harmonie. De Tora bezigt de term sjalom in intrapsychische, intermenselijke, internationale en religieuze zin. Alles tezamen genomen zou men sjalom het beste kunnen vertalen als ‘een toestand van volledige harmonie in iedere relatie.’

Volgens Evers plaatst de joodse traditie de bron van alle onvrede en geweld bij de zondeval van Adam, die oorspronkelijk een volkomen geïntegreerde persoonlijkheid was zonder innerlijke drang tot kwaad. Maar Adam at van de boom van kennis van goed en kwaad, het symbool van de huidige menselijke natuur, waarin harmonie en geweld, vrede en onvrede onafscheidelijk met elkaar verbonden zouden blijven.

In overdrachtelijke termen schildert de Tora het ontstaan van de tegenstrijdige menselijke psyche, die de primaire conflictstof zou vormen, in de eerste plaats voor de mens zelf. Voortaan zou hij al zijn levensdagen doorbrengen met het bevechten van zijn innerlijke onvrede en paradoxale instelling. De strijd tussen zijn animale en spirituele aanleg zou de rest van de menselijke geschiedenis bepalen.’

En daarvoor schiep G’d, aldus Evers, naast de kwade aandrift, de Tora om de mens uit zijn paradoxale situatie te bevrijden. De Tora is ‘free for all’: het staat iedereen vrij om het jodendom aan te nemen en om zich de praktijk van de Tora eigen te maken.

Slechts door middel van Tora-studie en –praktijk treedt de mens in contact met zijn Schepper, hetgeen het beginpunt vormt van iedere vorm van werkelijke harmonie: intrapsychisch, intermenselijk, internationaal en tussen mens en G’d.’

Er bestaat ook nog zoiets als het recht op zelfverdediging, want in de Tora staat ook dat ‘indien iemand het erop aanlegt u te doden, wees hem dan voor en dood hem eerst’. Evers stelde dan ook dat de enige oorlog die onder de huidige omstandigheden toegestaan is, een defensieve oorlog is. Oorlog uit zelfverdediging wordt door de halacha (Joodse wet) voorgeschreven. Wanneer het voortbestaan van G’ds volk op het spel staat, wordt de gewapende strijd zelfs een gebod, waarin iedereen moet participeren.

Maar er is uitzicht op vrede – al kan volgens mij Israël zelf vrede geenszins voor elkaar krijgen, de Tora ten spijt – vernam ik naarmate de lezing van de rabbijn vorderde: de mensheid wordt voorbereid op het Messiaans vredesrijk. Joden geloven in de komst van de Messias. De wereld, zoals wij die in de huidige gedaante kennen, zal volgens de Talmoedische traditie zesduizend jaar voortduren. De mensheid heeft dus, gegeven het feit dat we ons nu bevinden in het jaar 5776, nog 224 jaar te gaan. Volgens het utopisch Messianisme ontstaat er dan een universeel vrederijk van liefde en gerechtigheid.

Het utopisch Messianisme staat een universeel vrederijk van liefde en gerechtigheid voor ogen. Oorlogen bestaan niet meer, G’ds woord zal vanuit Zion de hele wereld bestrijken, en alle volkeren zullen in harmonie en eenheid aan de G’ddelijke verwachtingen voldoen. De wereldwijde bereikbaarheid en communicatie, de allesziende satellieten kunnen bij het verspreiden van de G’dskennis in de tijd van de Messias een belangrijke rol spelen.’  

Volgens Evers ligt de eindtijd dus niet meer veraf. De Messias zal zich vòòr het jaar 6000 openbaren.

Bron: Lezing en dossier Geweldsteksten – Raphael Evers
Foto: Studiemiddag Raad van Kerken, Utrecht (PD)

OnZen: Jan Bor over zen en religie als ‘gedateerde troep’

OnZen

‘Wie zoekt naar spiritualiteit komt onherroepelijk in aanraking met zen. Zen zou de ultieme weg naar innerlijke vrijheid zijn, maar in de praktijk maakt zen juist afhankelijk. Net als andere religies – want dat is zen – roept de zen namelijk op tot volgzaamheid en afhankelijkheid van een geestelijk leider. Zij die goeroe of meester spelen kunnen het niet laten om kerkjes rond hun persoon en boodschap op te richten. Zo maken ze hun leerlingen afhankelijk, en juist niet vrij.’

Aldus Jan Bor over zijn boek OnZen. Hij waarschuwt: trap er niet in! En verwijst naar een uitspraak van Kant die stelde dat Verlichting je van je verstand bedienen is zonder de leiding van een ander.

Moderne spiritualiteit is in het verlengde daarvan je eigen weg zoeken. Het is wars van elke vorm van georganiseerde religie en daarmee wars van welke vorm van geestelijke autoriteit ook. Wie deze moderne spiritualiteit zoekt, zal zich moeten voeden met ’s werelds grootste filosofieën en de taalvirtuositeit van filosoof Jan Bor.’

Godsdienstfilosoof Taede A. Smedes lijkt zich wezenloos te schrikken van dit nieuwe boek en daar geeft hij uitgebreid verbijsterde woorden aan bij NieuwWij, waar hij een gedegen recensie schrijft over OnZen. Hij verwachtte een beter geschrift van de filosoof en vindt Bors antireligieuze houding zelfs stuitend.

De definitie van religie als een keuze voor heteronomie en dus voor hiërarchie en onderdanigheid meent Bor bij Marcel Gauchet te kunnen vinden. Bor schrijft dat Gauchet meent dat religie als keuze voor heteronomie uiteindelijk verdwijnt en dat daarmee religie verdwijnt.’

Terwijl filosoof Gauchet (samen met filosoof Luc Ferry) juist stelde dat wat in de religies zijn uitdrukking vond een vorm moet vinden buiten de godsdienst. (Hierover schreef Smedes onlangs drie blogs: Luc Ferry en Marcel Gauchet over het religieuze na de religie.)

Met andere woorden, Gauchet (en ook Ferry) zien weliswaar traditionele vormen van religie verdwijnen, maar er voor in de plaats komt iets anders. Religie in haar herkenbare vormen verdwijnt, maar ‘het religieuze’ en ‘het heilige’ blijven en worden getransformeerd tot nieuwe vormen. Er is dus religie na de religie (aldus de titel van het boekje van Ferry en Gauchet).’

Afgelopen zaterdag was een interview te horen bij NPO Radio 1, waarin Bor het waarom vertelde van een boekje over moderne spiritualiteit. Hierover zei hij onder meer:

Omdat mijn haren recht overeind gaan staan van de honderden nieuwe sektes die ons land inmiddels rijk is en die hun inspiratie uit het Oosten putten. Ik erger me dood aan de pretenties van de voorgangers van dit soort clubjes, de nieuwe priesters dus. Ik ben nog nooit een leraar, een meester te zijn tegengekomen die niet eigenlijk een loopje met de waarheid nam. Dat kennen we natuurlijk ook al uit de katholieke kerk, of uit andere christelijke kerken. Maar bij Zen dachten we: dat gaat om de waarheid.’

Als filosoof wilde Bor de waarheid leren kennen, zo vertelt hij. En vooral: wie ben ik? Via Zen – ‘die lui hebben het over het verliezen van je ego’ – zou hij leren hoe hij zijn ego kan loslaten, maar hij zegt zijn ego nog nooit te zijn tegengekomen. Hij weet niet eens wat ze ermee bedoelen. Volgens hem zijn ‘die lui’ rattenvangers van Hamelen, ze willen volgelingen hebben. Volgens Bor is het het hart waarnaar je uiteindelijk zoekt. Toch zegt hij van zen geleerd te hebben dat het er om gaat dat je al die beelden die je van jezelf hebt, die je verstoren en je in de weg staan, dat je wat relaxter, wat opener staat naar de werkelijkheid.

Smedes blijft verbijsterd in zijn recensie Jan Bor rekent af met alles wat stinkt naar zen en religie. Het boek lijkt hem een uiting van grote, persoonlijke woede en opgehoopte frustratie. Bors tekeer gaan tegen religie als ‘infantiel’ en ‘voor de eenvoudigen van geest, zij die zelf niet kunnen of willen of hoeven nadenken’ doet niet onder voor de simplistische nieuw-atheïstische retoriek. Smedes vindt het een filosoof onwaardig.

Bors boek lijkt zelf onderdeel te zijn van een dynamiek van drang naar een grotere persoonlijke vrijheid en naar een grotere autonomie. Door alle schepen achter zich te verbranden en zich op te stellen als een eenling met een eigen, unieke, louter individuele spiritualiteit, zegt Bor eigenlijk schijt te hebben aan de rest van de wereld. Dat is blijkbaar waar autonomie voor staat. Tsja, Bor mag dat vinden, dat is zijn goed recht. Maar is dat een spirituele houding? Hij mag het denken, ik vind het weinig verheffend.’

De godsdienstfilosoof is duidelijk teleurgesteld in OnZen en vermoedt dat het komt door de weinig vernieuwende visie van Bor zelf.

Hij [Bor] vindt zen een vorm van religie en als zodanig ‘gedateerde troep’. Het probleem is dat Bor zelf gevangen lijkt te zijn in een achterhaalde wijze van denken, namelijk door religie en heteronomie gelijk te stellen en tegenover vrijheid en autonomie te zetten. Bor is dus niet minder dan een Verlichtingsdenker van het oude stempel, iemand die meent dat de mens als een monade is, een louter subject dat op zichzelf bestaat en zichzelf de wet kan stellen.’

Zie:
* Jan Bor rekent af met alles wat stinkt naar zen en religie (Taede A. Smedes)
* Jan Bor, filosoof
* Jan Bor over zijn boek ‘OnZen, over moderne spiritualiteit’ (NPO Radio 1)

Maarten van Buuren en de ‘denkdingen’ van Spinoza

Filosoferen met Maarten van Buuren over Spinoza. De filosoof is vol van die andere filosoof uit de 17e eeuw en wil nog veel meer van hem weten dan hij al in zijn boek Spinoza, Vijf wegen naar de vrijheid laat zien. Zo’n zestig leden van studentenvereniging Suster Bertken van de Open Universiteit Utrecht luisterden afgelopen donderdag dan ook aandachtig naar de geestdriftige spraakwaterval van de spreker. Over ‘denkdingen’ en de werkelijkheid.

‘In een vrij staatsbestel is ieder vrij
om te denken wat hij wil
en te zeggen wat hij denkt’
(Spinoza)

Spinoza is volgens Van Buuren ‘hot’, ‘in’ en ‘actueel’. Er wordt veel over de ‘filosoof onder de filosofen’ geschreven, ook romans. Bij Spinoza kom je dingen te weten over zelfbeschikking, macht, intuïtie, meningsuiting en vrijheid. Van Buuren is benieuwd naar wat hij nog meer zal leren van Spinoza. Zo verdiept hij zich, geïnspireerd door Spinoza, verder in de Stoa, de stoïcijnse filosofen Seneca en Epictetus. Van Buuren is bezig met een constante inhaalslag, zoals hij zegt.

Van Buuren wijst op het woord en in de uitspraak van Spinoza en benadrukt het enorme verschil tussen denken en zeggen. Denken moeten we kritisch doen, zegt Spinoza: we moeten het niet maar een beetje doen en kritiekloos onze impulsen volgen, anders worden we slechts geleid door passies. Je kunt met behulp van de rede tot de waarheid komen, bij je zelf komen.

Denken kan je wat je maar wil, maar iets zeggen is wezenlijk anders. Over de buren kan je van alles denken, maar van alles over ze zeggen is een ander ding. En zo ligt de grens van vrijheid van meningsuiting bij tweedracht zaaien, bedreiging en geweld. De opvattingen van Spinoza, zo leert Van Buuren, zijn zo terug te vinden in onze rechtspraak: Spinoza was van wezenlijke invloed.

Er zijn denkdingen en werkelijke dingen. Volgens Spinoza bestaan Licht en Leven. Duisternis niet, dat is een denkding. Witte dingen bestaan. Witheid niet. Wilshandelingen bestaan. De Wil niet. Impulsen bestaan. Liefde en Haat niet. Het Lichaam bestaat. Geest of Ziel niet. Duisternis is het ontbreken van licht, dood het ontbreken van leven. Ons gedrag wordt bepaald door wilsimpulsen waarmee mensen hun hele dag, rennend en vliegend, vullen. We denken een Wil te hebben als we koffie gaan zetten, maar de Wil is een denkding: het bestaat niet.

‘Denken is de weg naar geluk en zaligheid’
(Spinoza)

Volgens Spinoza is er alleen materie en snappen we nog niet voor de helft hoe mooi en geniaal materie in elkaar zit. Er is alleen materie, alleen natuur. Daar moeten we over nadenken en geen mythes over verzinnen. En die natuur = substantie = God.

vanBuuren

We zijn volgens Spinoza van de Natuursituatie overgegaan naar de Samenleving. In de Natuursituatie is alles toegestaan. Natuurrecht: er is geen goed of kwaad, geen misdaad, geen verschil tussen mens en dier. Maar de natuurrechten werden overgedragen naar de Samenleving die onderlinge afspraken maakte om het leven enigszins te ordenen. Maar het natuurrecht duurt voort en dat zie je aan hoe goederen in de wereld (slecht) worden verdeeld. Het Samenlevingsrecht corrigeert de ernstigste uitwassen.

‘Spinoza bracht een revolutie teweeg in het denken over God, de mens en de plaats van de mens in de wereld. Een revolutie zo radicaal dat de consequenties ervan nog altijd niet goed zijn doorgedrongen. Spinoza toont vijf wegen naar de vrijheid: zelfbeschikking, de immanentie van God, de wil tot macht, intuïtie als hoogste vorm van kennis en ‘eendracht maakt macht’.’
(Van Buuren)

Kennis heeft drie niveaus volgens de kennistheorie van Spinoza. Waarneming, rede en intuïtie. Waarneming is inadequaat, verward, geleid door passies. De rede is adequaat: die corrigeert passies. De waarheid kennen we intuïtief, maar moet zichtbaar gemaakt worden door de rede, anders wordt de intuïtie overstemd door drogredenen.

‘Veel commentatoren hebben Spinoza’s denken veroordeeld of er de radicaliteit van afgezwakt. Spinoza biedt hun daar de gelegenheid toe. Hij gebruikt standaardtermen van de toenmalige filosofie/theologie, maar hij verschuift de betekenis ervan zo ingrijpend dat ze een andere en vaak aan de oorspronkelijke betekenis tegengestelde betekenis krijgen. Nogal logisch dat de lezer het spoor bijster raakt en teruggrijpt naar de traditionele betekenis van de sleuteltermen op plaatsen waar Spinoza juist het tegendeel bedoelt.’
(Van Buuren)

Bovenstaande is een summiere samenvatting van wat Van Buuren bij vlagen ook nog eens geestig vertelde. Het is niet allemaal (samen) te vatten. Dat laatste soms letterlijk, want Spinoza is moeilijk uit te leggen, al deed Van Buuren zijn best Spinoza toegankelijker te maken. Spinoza. Vijf wegen naar de vrijheid lijkt me een aanrader na dit enthousiaste, gloedvolle betoog van Van Buuren. We zullen zeker meer van hem horen.

Spinoza, Vijf wegen naar de vrijheid | Maarten van Buuren | maart 2016 | Ambo|Anthos | € 19,99 | E-book: € 12,99 | 

Spinoza is even ingewikkeld als beroemd. Zijn Ethica geldt als onleesbaar. In Spinoza, filosoof van de vrijheid werpt Maarten van Buuren een verhelderend licht op Spinoza’s moeilijk doordringbare filosofie. Hij toont de vijf pijlers waarop Spinoza’s denken berust: streven naar zelfbeschikking, ontplooiing van macht, volgen van de intuïtie, samenwerking met anderen en vooral streven naar vrijheid. In deze oproep schuilt zijn blijvende actualiteit. Van Buuren plaatst Spinoza op toegankelijke wijze tussen filosofen die grote invloed hadden op zijn denken zoals Descartes, Hobbes en Hugo de Groot. Hij laat zien wat de kern is van Spinoza’s ethiek: bevrijding van bevoogding en het streven om in overeenstemming te leven met de wereld en met zichzelf. Alleen dan kan de mens gelukkig worden. (Ambo|Anthos)

‘Van Buurens Spinoza is niet het eerste boek dat een overzicht geeft van Spinoza’s denken, maar wel het eerste dat zoveel nuttig werk maakt van het verhelderen van de sleuteltermen die bij Spinoza zo’n verwarrende rol spelen.’
(Carl Peeters in VN

Foto: Maarten van Buuren bij de Open Universiteit Utrecht (PD)
Updates 15 03 2024 / 09 04 2025: Layout