‘Het universum is wat niet groter gedacht kan worden’

HET ABSURDE UNIVERSUM, van Patrick Chatelion Counet, zullen veel lezers als overrompelend en absurd ervaren. Consequent ironisch schrijft de wetenschapsfilosoof en theoloog over ‘wetenschap’ en mystiek. ‘Wetenschap’ tussen aanhalingstekens want voor hem is wetenschap veelal fictie en fantasie. Toch is het een in alle opzichten uiterst boeiend essay, waarin de auteur bij wijze van samenvatting ‘in het besef dat ik daarmee het geloof in de wetenschap van velen ondermijn’, 95 absurdistische stellingen aan ‘de poort van het huidige wetenschapsgebouw’ spijkert. ‘God is een absurdum in het kwadraat’.

‘Dit boek is een uitnodiging om het mysterie te omarmen en te erkennen
dat geloof voortkomt uit het besef van het onverklaarbare’
(Het absurde universum)

Leibniz
Het absurde universum zag 7 maart 2024 het licht. De auteur heeft ‘absurd’ in zijn boek ‘zo eenvoudig als maar kan (sic) gedefinieerd als iets-wat-niet-kan’. Hij parafraseert wiskundige en filosoof Leibniz als hij zegt, dat het absolute weten stukloopt op de absurditeit dat dit universum – tegen alle logica in – er is, omdat het logischer ware geweest indien er niets was.

Het universum kán niet. Hetzelfde geldt voor God. Hij is hooguit de verdubbeling van het probleem: of hij is uit het niets voorgekomen of hij bestaat van eeuwigheid – beiden kunnen niet, dus God kan niet. Toch is er nog hoop voor God, want als iets wat onmogelijk is, toch bestaat – het universum -, waarom God dan niet?’
(Chatelion Counet)

Anselmus
Natuurlijk haalt de auteur Anselmus erbij. Anselmus van Canterbury voor wie ‘God een vat vol tegenstrijdigheden’ is, en ‘tegelijk het onwrikbare uitgangspunt waarover men kennis en inzicht dient te verwerven’. In 1077 formuleerde de middeleeuwse theoloog een definitie van God. Voor Chatelion Counet geldt de uitspraak van Anselmus: ‘God is wat niet groter gedacht kan worden’ met enige (atheïstische) aanpassing ook voor het universum:

Mutatis mutandis: het universum is wat niet groter gedacht kan worden.’
(Chatelion Counet)


Anselmus van Canterbury

Anselmiaans-nostalgische God
Chatelion Counet stelt over de theorie van parallelle universa dat die inhoudt dat er naast het onze nog andere universa bestaan.

Maar dan nog lachen we met de theoloog uit Canterbury al deze universa in hun gezicht uit omdat ze binnen het ene totaal vallen dat we anselmiaans-atheïstisch universum noemen of anselmiaans-nostalgische God!’
(Chatelion Counet)

Kosmologie
Chatelion Counet filosofeert er ironisch op los, en stelt dat als er iets vóór de oerknal bestond, dit eveneens tot het anselmiaanse universum behoort.

Kosmologie is geen natuurkunde. Kosmologie is logica en theologie.’
(Chatelion Counet)

Een voortdurend NU
Onder een artistieke weergave van Einsteins gedachte-experiment over relativiteit, is onder meer zijn commentaar:

Ik help u uit de droom: Einstein relateert (dat is de betekenis van relativiteit) waarneming aan de snelheid in het inertiaalstelsel* van de waarnemer, maar dat neemt niet weg dat alles in het heelal sequentieel simultaan gebeurt. Eenvoudiger gezegd: er is (‘is’ in de zin van zijn en bestaan) geen verleden en toekomst. Er bestaat alleen een voortdurend NU, een simultaan heden. Ook al kunnen u en ik dat niet gelijktijdig waarnemen.’
(*Intertiaalstelsel: een assenstelsel dat met constante snelheid voortbeweegt, of stilstaat, PD)


Patrick Chatelion Counet ‘Wij scheppen een universum naar ons eigen beeld’

Het kind van de theologie
De auteur noemt zijn boek filosofisch. ‘Over wetenschap. Over wat we weten, denken te weten en niet weten’. Met veel toepasselijke, originele foto’s met bijschriften en schema’s. En ruim vijftig bladzijden bibliografie en dito eindnoten. Met ook weer absurde en ironische verwijzingen, zoals naar Herman Finkers, waarmee Chatelion Counet het hoofdstuk Fysica, het kind van de theologie begint.

Vóór God was er niets, en Maria is zijn moeder.’
(Herman Finkers)

Geloof dat begrip zoekt
De auteur zegt de oude kerkvaders niet te begrijpen als zij zeggen dat God zonder oorsprong is. Begrijpen is onmogelijk, je kunt hooguit geloven dat het waar is. En zo komen we uit bij weer andere adagia van Anselmus die de auteur verder uitwerkt in het hoofdstuk Geloof dat begrip zoekt. Geloof ligt naast wetenschap, geloof in big bang naast God.

Uiteraard mag je ten eeuwigen dage naar bewijs en begrip blijven zoeken, maar je geraakt nooit verder dan het anselmiaanse fides quarens intellectum: geloof dat naar begrijpen zoekt.’ (…) Of credo ut intelligam: dat betekent dat men ‘gelooft opdat men tot begrip moge komen.’
(Chatelion Counet)

Het absurdum
Logica (en wiskunde) noemt de auteur het instrument waarmee we naar de werkelijkheid kijken. Volgens hem bezitten we niets dan logica en daarmee zien we het grootste deel van de werkelijkheid.

Wanneer de logica ons naar gebieden brengt waar we met ons verstand niet meer bij kunnen – ‘oneindigheid’ of ‘niets’, of dingen buiten ruimte en tijd, of nieuwe universa (achter of ín zwarte gaten), of in de tijd terugreizende antideeltjes – dan betreden we het terrein van het absurdum.’
(Chatelion Counet)

Wij zijn een zin- en betekenisgevend wezen
Voor de mens is het onmogelijk geen orde of patronen te zien. Onze geest, zegt Chatelion Counet, creëert overzichtelijkheid en werkelijkheid. Niet in de filosofisch-idealistische zin: er is daar iets, out there (but not the truth).

We creëren werkelijkheid in semiotische zin. Wij zijn een zin- en betekenisgevend wezen (homo semioticus). Achter onze betekenisgevende theorieën, beelden, voorstellingen, verschuilt zich iets wat we nooit zullen kennen (ignorabimus). Wij géven de werkelijkheid betekenis (religieus, wetenschappelijk). Het is een misverstand te denken dat de werkelijkheid betekenis bezit of hééft, en dat we die ontdekken. Zonder ons heeft niets betekenis – en omgekeerd: op zichzelf bestaat er geen betekenis.’
(Chatelion Counet)


Heino Falcke

Het ‘fotogenieke gat’
Het ‘fotogenieke gat’ van hoogleraar astrodeeltjesfysica en radioastronomie Heino Falcke: het bewijs van het bestaan van een zwart gat, geleverd in de vorm van een foto, vindt de auteur verbijsterend. Dit kan helemaal niet, want uit een zwart gat ontsnapt geen licht en kan niet gefotografeerd worden. ‘Zo’n vage afbeelding waarin men van alles kan zien’.

Het is een computercompilatie, die met behulp van kunstmatige intelligentie fotonen per golflengte, radiogolven en andere data analyseert en deze tot een ‘ingekleurde foto’ componeert. (…) Een serieuze bedenking bij de afbeelding is dat het licht dat men waarneemt niet de waarnemingshorizon van een zwart gat is (het gat zelf is sowieso onzichtbaar), maar ander omgevingslicht. Het licht en de radiogolven kunnen voor hetzelfde (dure) geld afkomstig zijn van andere sterren, objecten en nevels in het gefotografeerde gebied en zelfs van sterren achter dat gebied.’
(Chatelion Counet)

Geen bewijs voor de oerknal
Als laatste voorbeeld van het absurde universum van Chatelion Counet nog even over ontstaan en herkomst van de maan, waarover in de wetenschap volgens de auteur nog steeds geen algehele consensus bestaat.

Ontstaan en oorsprong van de rest van het heelal vormt evenwel geen probleem. De oerknal kan ook buiten de wetenschap op brede consensus rekenen. Hoe groot deze consensus ook is, bewijs voor de oerknal is er niet. Het is een geloof.’
(Chatelion Counet)

Bron:
Het absurde universum – Hoe de wetenschap stukloopt op de ongrijpbare werkelijkheid | Patrick Chatelion Counet | VBK Media | KokBoekencentrum | 352 pagina’s | € 27,99 | E-book € 14,99

Gerelateerd:
* En God ontstak de Oerknal – Er was eens… in het TijdRuimteloze, God, die besloot samen met miljarden engelen de kosmos te scheppen. (2015)
* ‘God is veel groter dan je kunt denken’ – De foto van het zwarte gat voelde voor Falcke alsof hij keek naar ‘de poorten van de hel’, naar ‘het einde van ruimte en tijd’. (2021)
* De duizelingwekkende diepten in de kwantumfysica – ‘Het lijkt dat men bestanddelen heeft gevonden van wat men vroeger ‘geest’ noemde.’ (2022)

Noot van de redactie: Met dank aan KokBoekencentrum die GODENENMENSEN spontaan een recensie-exemplaar van Het absurde universum toestuurde. – Binnenkort verschijnt – na bovenstaande eerste indruk van dit essay – de recensie op RELIFILOSOFIE.
! UPDATE: Recensie van bovenstaand boek blijkt ondoenlijk, er staat zo veel informatie in, allemaal zeer de moeite waard, maar niet in een adequate recensie samen te vatten helaas. Tip: Lees zelf het boek: verrassend en boeiend op iedere pagina. (November 2025)

Beeld: Wereldschildpad Atuin de Grote (Hebban.nl)
Beeld Anselmus: Bibliotheek Brugge
Foto Patrick Chatelion Counet: De Brug Nijmegen 
Foto Heino Falcke: Bert Beelen (De Gelderlander)

De God Denkbaar Denkbaar Alles

Kan een allesomvattend, goddelijk perspectief op de werkelijkheid wel bestaan? Deeltjesfysicus Heinrich Päs vindt dat ‘waarschijnlijk onmogelijk, maar het is denkbaar. Dat iets niet mogelijk is voor ons, betekent niet dat het niet bestaat.’ – Willem Frederik Hermans zei in 1956 over zijn boek De God Denkbaar Denkbaar de God: ‘Het gaat over een God Denkbaar. Een god kan Denkbaar zijn… maar denkbaar, wat is niet allemaal denkbaar? Alles is denkbaar.’  In The One (2024) zegt Päs dat alles in het universum een ​​aspect is van één verenigd geheel. – Dat ‘alles één is’ geloofde Plato lang geleden al. 

‘Tweeduizend jaar geleden stelde Plato dat het universum één is. De kwantummechanica bewijst zijn gelijk’
(Heinrich Päs)

Dit idee, dat monisme wordt genoemd, heeft een rijke geschiedenis van drieduizend jaar: Plato geloofde dat ‘alles één is’, maar het monisme werd later door de middeleeuwse kerk als irrationeel verworpen en als ketterij onderdrukt. Niettemin bleef het monisme bestaan, wat een inspiratiebron was voor de verlichtingswetenschap en de romantische poëzie.’
(Uit: The One)

Heinrich Päs toont aan hoe het monisme – zo leert The One – de hedendaagse natuurkunde zou kunnen inspireren, hoe het de intellectuele stagnatie zou kunnen doorbreken die de vooruitgang in de moderne natuurkunde heeft verzand. En de wetenschap kan helpen de ‘grote theorie van alles‘ te verwezenlijken waar zij al tientallen jaren naar streeft.


‘Hoe een eeuwenoud idee de toekomst van de natuurkunde bepaalt’ Heinrich Päs

Heinrich Päs (1971) is hoogleraar theoretische natuurkunde aan de Technische Universiteit Dortmund en doet onderzoek naar neutrino’s en kosmologie. Eerder schreef hij het boek The Perfect Wave (2014) over de mysterieuze eigenschappen van neutrino’s.

Päs schreef het boek The One waarin hij stelt dat moderne ontwikkelingen in de natuurkunde erop wijzen dat het universum één geheel is, waarin alles met elkaar samenhangt – een idee dat aansluit bij eeuwenoude monistische filosofische theorieën zoals die van de Griekse filosoof Plato (ca. 427-347 v. Chr.).’
(Webredacteur Jonathan Janssen, Filosofie Magazine)

Janssen schrijft dat volgens Päs de ideeën van de moderne natuurkunde goed aansluiten bij verschillende monistische theorieën uit de geschiedenis van de filosofie. Een daarvan is de filosofie van Plato, die onze werkelijkheid beschrijft als een zwakke representatie van een perfecte en eeuwige ‘ideeënwereld’.

Plato schreef al dat wat wij waarnemen een projectie is van de fundamentele werkelijkheid. In zijn allegorie van de grot zitten er een aantal gevangenen in een grot, die de werkelijkheid buiten de grot niet kunnen zien maar enkel de schaduwen van objecten op de muur. Op dezelfde manier zijn onze dagelijkse ervaringen volgens Plato slechts een uitvloeisel van ons beperkte perspectief op de werkelijkheid.’
(Päs, Filosofie Magazine)


‘On demand’ quantumverstrengeling – TU Delft

Essayist Maarten van Buuren stelt zelfs dat God dankzij de quantummechanica terugkeert als alomvattende kiemkracht in de Natuur. Het idee dat alle natuurprocessen gehoorzamen aan de wet van afkoeling en verval moet volgens hem worden herzien. Over zijn boek Quantum, de oerknal en God dat in 2021 verscheen, interviewden Hans Rutten en Jacques Poot de auteur.

Er gaapt een kloof tussen onze waarneming en de dynamiek waar alles uit voortkomt. Over die grens en over de oorsprong van de dingen gaat het in Quantum, de oerknal en God.’
(Academie op Kreta)

‘Het mystieke is niet hoe de wereld is, maar dat zij is’
(W. F. Hermans, 1921-1995)

 
Willem Frederik Hermans met zijn poes Sebastiaan in 1955

Wim Davidse, auteur van het boek Er is meer in ons – leren van de mystici, vertelt in Ongrond over ‘een werkelijkheid die in wezen geestelijk van aard is’. Hij haalt een prachtig voorbeeld aan uit Helgoland van de natuurkundige Carlo Rovelli. Die beschrijft in het begin van zijn boek mooi hoe die duizelingwekkende diepten ontdekt worden in de kwantumfysica.

Davidse verwijst ook naar computerwetenschapper en filosoof Bernardo Kastrup die zegt dat fysische entiteiten geen zelfstandig bestaan hebben.

Het zijn verschijningsvormen of beelden van een diepere laag van de werkelijkheid, die in wezen geestelijk van aard is.
(Kastrup)

Een werkelijkheid die in wezen geestelijk van aard is…

Dat is nu net wat mysticus Erik van Ruysbeek (1915-2004) bedoelde toen hij schreef dat men in de fysica bestanddelen heeft gevonden van wat men vroeger ‘geest’ noemde.’
(Davidse)

Bronnen:
* ‘De kwantummechanica laat zien dat alles met elkaar verstrengeld is’
(Filosofie Magazine, 6 maart 2024)
* The One. How an ancient idea holds the future of physics| Heinrich Päs| Uitgever Icon Books | 15-02-2024 | Paperback | 368 pagina’s | € 18,95
* Quantum, de oerknal en God
(Lemniscaat, Maarten van Buuren)
* De duizelingwekkende diepten in de kwantumfysica (Goden En Mensen, 2022)

* Een ander verhaal dan hemel, hel en reïncarnatie (Goden en Mensen, 2021)
* De God Denkbaar Denkbaar de God (Willem Frederik Hermans, 1956)

Beeld: Cover van Quantum (detail), Manjit Kumar, Hoofduitgeverij Mondadori)
Beeld Heinrich Päs: Next Big Idea Club Magazine
Beeld Quantumverstrengeling:  Info via Kennislink
Foto Willem Frederik Hermans met zijn poes Sebastiaan in 1955 – Geportretteerd door Ed van der Elsken. Ed van der Elsken/Nederlands Fotomuseum

De duizelingwekkende diepten in de kwantumfysica

De fysica heeft volgens mysticus Erik van Ruysbeek – in een beschouwing over de relatie tussen geest en stof – de stof diepgaand onderzocht en duizelingwekkende diepten ontdekt. Het lijkt dat men bestanddelen heeft gevonden van wat men vroeger ‘geest’ noemde. Van Ruysbeek zegt in zijn boek Mystiek en mysterie dat het er op lijkt ‘dat de fysica langzamerhand de mystiek, of sommige ervaringen van de mystiek op het gebied van de observatie, begint in te halen’.

Het lijkt dat men bestanddelen heeft gevonden van wat men vroeger ‘geest’ noemde.’
(Erik van Ruysbeek (1915-2004)

Wim Davidse, auteur van het boek Er is meer in ons – leren van de mystici, vertelt hierover in Ongrond. Over ‘een werkelijkheid die in wezen geestelijk van aard is’. Hij haalt een prachtig voorbeeld aan uit Helgoland van de natuurkundige Carlo Rovelli. Die beschrijft in het begin van zijn boek mooi hoe die duizelingwekkende diepten ontdekt worden in de kwantumfysica.

In de zomer van 1925 ging de 23-jarige Duitse student Werner Heisenberg naar het eiland Helgoland om daar enkele weken in eenzaamheid door te brengen. Hij was daar vooral om zich helemaal onder te dompelen in het probleem dat hem obsedeerde: de banen van een elektron rond de kern van een atoom. De fysicus Niels Bohr had waargenomen ‘dat elektronen in de atomen rond de kern draaiden in exact bepaalde banen, op exact bepaalde afstanden van de kern, met exact bepaalde energieën’. En dan sprongen ze ook nog eens op magische wijze van de ene baan op de andere.
(Rovelli)


Zie ook boekbespreking Ilse van Leeuwen:
Academie voor Geesteswetenschappen

In de eenzaamheid op Helgoland probeerde Heisenberg iets uit te rekenen wat de onbegrijpelijke regels van Bohr zou kunnen verklaren. Hij sliep weinig en nam slechts korte rustmomenten, die hij doorbracht met het beklimmen van de rotsen op Helgoland. Op 7 juni begonnen zijn berekeningen te kloppen, hij kon hiermee de consistentie van de nieuwe kwantummechanica aantonen.
Heisenberg geeft weer wat er toen bij hem gebeurde: ‘Het eerste ogenblik was ik erg geschrokken. Ik had het gevoel dat ik door de oppervlakte van de atomaire verschijnselen heen naar een diep daaronder liggend fundament van een vreemde interne schoonheid keek.’
(Rovelli)

Davidse zegt dat Heisenberg in dit geval stuitte op een soort onderliggende orde, die zich kenbaar maakte door zijn wiskundige verhoudingen. Dat was voor hem toen een mysterie, zou je kunnen zeggen. Zo’n mysterie is er nog steeds in de fysica, leidt hij af uit de bevindingen met teleportatie. Daarbij is waargenomen dat twee elementaire deeltjes met elkaar ‘verstrengeld’ kunnen zijn. 

Als je dan de toestand van het ene deeltje verandert, verandert het andere deeltje gelijktijdig, ongeacht op welke afstand het zich bevindt. (…) Deze kwantumverstrengeling lijkt het mogelijk te maken informatie over te brengen zonder dat deze kan worden gehackt. Een stap in de richting van een kwantumcomputer.’
(Davidse)

Hoe kan het, zo vervolgt Davidse, dat twee elementaire deeltjes gelijktijdig veranderen, ook al bevinden ze zich op 1000 km (of veel meer) afstand van elkaar? Ook hier lijkt weer sprake van een mysterieuze, onderliggende, of bovenliggende (?) orde.

Computerwetenschapper en filosoof Bernardo Kastrup zegt dat fysische entiteiten geen zelfstandig bestaan hebben. Davidse verwijst naar hem.

Het zijn verschijningsvormen of beelden van een diepere laag van de werkelijkheid, die in wezen geestelijk van aard is.’
(Kastrup)

Kastrup zegt dit op grond van zijn ervaringen met de kwantumfysica als medewerker bij het CERN, het instituut voor onderzoek naar elementaire deeltjes in Geneve.


Erik van Ruysbeek (1915 – 2004)

Een werkelijkheid die in wezen geestelijk van aard is.’ Dat is nu net wat Erik van Ruysbeek bedoelde toen hij schreef dat men in de fysica bestanddelen heeft gevonden van wat men vroeger ‘geest’ noemde.’
(Davidse)

Zie: De fysica haalt de mystiek in (Wim Davidse, Ongrond, 2022)

Mystiek en mysterie | Erik Van Ruysbeek | Ankh-Hermes, Deventer | 1992 | ISBN 9020255967 | 112 pagina’s
Vanuit een grote bescheidenheid beseft de auteur dat het spreken over mystiek en mysterie slechts stamelen blijft. De mens moet kunnen relativeren en zich niet inbeelden dat hij de enige is die openbaringen van de waarheid in zich draagt. Als van Ruysbeek schrijft, beschrijft bij één getuigenis te midden van vele mogelijke visies.
De auteur meent dat binnen de grenzen van het weten dat hem werd gegeven, de mystieke ervaring zeker de ervaring is die het verst in de menselijke werkelijkheid binnendringt en de mens in alle tijden misschien speciaal in ontredderde crisistijden zoals de huidige het grondigst kan helpen om zijn pad op aarde te leren vinden.
Wie de top van de berg bereikt, zal in detail zien hoe alle bestijgingswegen een gelijkwaardigheid hebben en in hetzelfde onzeglijke mysterie uitmonden. De auteur hoopt dat de lezer zelf op zoektocht gaat naar het wezen der dingen.’
(Ankh-Hermes)

Beeld: zingevinggezocht.substack.com
Beeld Erik van Ruysbeek: coverfoto De smaak van honing

UPDATE 22 10 2022: Mystiek en mysterie weer op voorraad bij BoekenSchaap

Bewustzijn aparte dimensie universum?

‘Ach bewustzijn dat is niet zo bijzonder, dat zijn gewoon een paar hersencelletjes die wat doen’, kreeg cognitief neurowetenschapper Jacob Jolij ooit te horen van zijn practicumbegeleider. Hij zegt dit in zijn onlangs verschenen boek Wat is bewustzijn nou eigenlijk?. Hierin zet hij ‘alle deuren naar wat bewustzijn zou kunnen zijn open. Zijn zoektocht voert de lezer van de neurobiologie naar de natuurkunde, de kwantummechanica, de filosofie en zelfs naar de parapsychologie’. Moeten we bewustzijn eerder buiten het brein zoeken, wellicht als aparte dimensie van het universum, vraagt Jolij zich af.

Ik bleek een veel spiritueler aangelegd persoon dan bij mijn rol als harde hersenwetenschapper paste. Het idee dat je bewustzijn een ‘bijproduct’ is van de je hersenactiviteit en dat er niet meer is, leek op zo’n fundamentele manier onverenigbaar met wie ik in de kern ben, dat dat inderdaad niet veel langer goed kon gaan. Het roer moest dus om. Maar ja, hoe dan? Ik heb existentiële vragen. Wie ben ik? Wat is mijn geest? Wat is bewustzijn? Het ‘wetenschappelijke’ standpunt dat je geest is wat je brein doet – eigenlijk de basis waarop de moderne cognitieve neurowetenschap is gebaseerd – ‘voelt’ voor mij verkeerd.
(Uit: Wat is bewustzijn nou eigenlijk?)

In een interview met Marjoleine de Vos, in NRC, gaat het onder meer om wat een van de belangrijkste basisaannames in cognitief wetenschappelijk onderzoek stelt, namelijk dat het brein en de geest feitelijk hetzelfde zijn: ‘The mind is what the brain does’. Jolij interesseert zich voor parapsychologie en voor kwantummechanica – en of je daar iets aan hebt voor het begrijpen van bewustzijn.

Wie de woorden ‘kwantum’ en ‘bewustzijn’ in één zin noemt wordt meteen al met pek en veren het gebouw uitgejaagd’, lacht hij.’ 
(NRC)

Het idee dat bewustzijn uit de hersenen komt, is bij Jolij, afdelingshoofd van het DataLab Sociale Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen, nooit in de basis beland. Hij heeft daar een wetenschapsfilosofisch probleem mee, maar ook een persoonlijk probleem.

Met dat persoonlijke is het uiteraard begonnen. Het idee dat bewustzijn iets bijzonders is en dat je geest iets bijzonders is, zat er bij mij al heel jong in. Je kan toch niet de complexiteit van wat je bent als mens, en de betekenis die alles heeft in de wereld, platslaan tot het bewegen van moleculen in pak ’m beet 1.400 gram hersenmassa? Dat is zo’n enorme reductie.
(NRC)

Jolij legt uit wat er bedoeld wordt met bewustzijn. Lichtdeeltjes vallen op een banaan en dan kan je die zien. Maar de ervaring het zien van de banaan is voor hem bewustzijn. Hij noemt ook het kleurenschouwspel, dat door licht door een glas-in-loodraam op de vloer valt. ‘Zonder licht dat door dat raam valt heb je dat kleurenspel niet, is er geen bewustzijn.’ Bewustzijn is voor de neurowetenschapper de ervaring an sich.

Ik ben dan ook wel weer voldoende wetenschapper om me te realiseren dat je op basis van een ‘gevoel’ geen harde uitspraken kunt doen over hoe zoiets complex als bewustzijn echt in elkaar zit. Wetenschap is namelijk geen geloof. Ik wil best accepteren dat bepaalde antwoorden die ik zoek fundamenteel onbewijsbaar zijn, maar om blindelings álles aan te nemen, gaat mij ook weer te ver. Er zijn namelijk best verschijnselen waar je ‘wetenschappelijke’ uitspraken over kunt doen, zelfs als dat op het eerste gezicht onmogelijk lijkt.’
(Uit: Wat is bewustzijn nou eigenlijk?)

Als het nu eens waar zou zijn, het komt vast te staan: wij zijn ons brein, dan zou Jolij teleurgesteld zijn, want dan blijft bewustzijn bestaan, maar is het wel heel beperkend voor zaken als vrije wil, keuzevrijheid, betekenis.

Bewustzijn is een breed en fascinerend onderwerp waar zeer veel mensen, uit alle tijden en alle windstreken, zich over verwonderd hebben. Onze tocht brengt ons dan ook langs verschillende wetenschapsvelden: filosofie, psychologie, biologie en ook een aardige portie natuurkunde. En in een zoektocht naar wat bewustzijn is, zul je soms flinke omwegen moeten maken om meer te leren over de vakgebieden en zienswijzen die je niet zo goed kent.’
(Uit: Wat is bewustzijn nou eigenlijk?)

Wat is bewustzijn nou eigenlijk? | Jacob Jolij | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | 1-10-2020 | 288 pp. | € 22,99 | E-book € 12.99 | Met uitvoerige begrippenlijst, literatuur en index

Zie ook: Jacob Jolij: ‘Het gaat mij om wat ons tot mens maakt’ (NRC)

Luisteren: Radio NPO1

Beeld: ilsebloem.nl

Spreken wetenschap en geloof over een en dezelfde werkelijkheid?

5b_galileitrial

Volgens theoloog, bioloog en filosoof Palmyre Oomen zijn zowel natuurwetenschap als theologie gericht op waarheidsvinding. En daarmee raken we volgens Oomen aan de complexiteit van de verhouding van natuurwetenschap en geloof/theologie. ‘De visie dat geloof en wetenschap met elkaar botsen, elkaar uitsluiten en niet te verenigen zijn, is de visie die op dit moment als eerste opkomt, zeker bij iedereen die er zich niet vakmatig mee bezig houdt. Het is de grondtoon van de oeverloze debatten op weblogs over schepping of evolutie, waarin de ene partij veelal geen spaan heel laat van de andere.’

De conflictvisie op geloof en wetenschap, is een visie die zowel opgeld doet aan de geloofskant als aan de wetenschapskant. Dat is duidelijk te illustreren aan de strijd rond de evolutietheorie. Vanuit de geloofskant wordt dan benadrukt dat Darwins theorie overduidelijk de goddeloze aard van de wetenschap toont. Evolutietheorie is immers strijdig met hoe Gods schepping in de Bijbel beschreven staat. Geloof in Gods schepping sluit derhalve – volgens deze zienswijze – een acceptatie van Darwins evolutietheorie volstrekt uit. Gelovigen die deze radicale mening zijn toegedaan (‘creationisten’) worden er fervente bestrijders van de gangbare wetenschap van.’

In haar artikel in de Bezieling vraagt Oomen zich af of er een derde weg is. Ze staat daarvoor stil bij pogingen (vanaf ruwweg de jaren tachtig van de vorige eeuw) waarin geprobeerd wordt het christelijk geloof en de inzichten van de wetenschap weliswaar te onderscheiden, maar ze áls onderscheiden toch op elkaar te betrekken.

Theologen die – in plaats van voor conflict of tweedeling – voor deze ‘derde positie’ kiezen gaan ervan uit dat, ondanks het genreverschil tussen het geloofsdiscours en het wetenschappelijke discours, de scheiding tussen die twee niet zo volstrekt kan worden doorgevoerd als de tweedelingsmensen voorstaan, omdat beide perspectieven toch op een of andere manier betrekking hebben op een en dezelfde werkelijkheid.’ 

De vraag voor Oomen is niet óf maar hóe we deze ideeën opnemen, oppervlakkig en ondoordacht óf genuanceerd en kritisch.

Dit laatste is wat deze theologen voorstaan, en daarmee stellen ze zich dus een wezenlijk moeilijke taak, namelijk wel het genreverschil tussen geloof en wetenschap erkennen (tegen de conflictpositie in), maar dat toch niet als excuus nemen om beide domeinen los van elkaar te laten (tegen de tweedelingspositie in). Nee, ‘we distinguish in order to relate’ zo karakteriseert John Haught deze positie met een middeleeuws adagium.’

Oomen noemt de vraag ‘Hoe kun je nog op een zinnige manier in God geloven (in Gods invloed op de wereld bijvoorbeeld) als je de wetenschap serieus neemt?’ in zekere zin het Leitmotiv van deze ‘derde weg’: deze derde weg zoekt, om na het onderscheiden van geloof en wetenschap, de reflectie op het geloven toch in relatie te brengen met de wetenschap.

Als voorbeeld – hoe kan het ook anders – neemt zij de evolutietheorie en stelt dan dat de typische Geloof&Wetenschap-reactie is dat de evolutie haar inderdaad niet haar geloof in schepping ontneemt, maar ze vraagt zich dan af hoe schepping dan – uitgezuiverd – te verstaan is. Met deze houding begint het werk pas, zo stelt Oomen. Zij heeft het dan over ‘gaatjes’ in sommige fundamentele natuurwetten (kwantummechanica en chaostheorie).

Dat wil zeggen laten zien dat de wereld op een fundamenteel niveau niet een gesloten keten van oorzaak en gevolg is, maar ‘open’ is. Deze ‘basale openheid’ zou dan ruimte geven – zo is de idee – voor een handelen van God in de wereld zónder natuurwetten te doorbreken. Dit is een binnen theologie die in gesprek is met natuurwetenschap breed aangehangen idee: God dus gezien als schepper van de wetten, én handelend in de speelruimte die sommige van die wetten laten.’

Oomen beaamt wel dat je zo een gek Godsbeeld krijgt: eerst maakt God wetten, die hij niet kan of niet wil doorbreken; vervolgens heeft God gelukkig sommige van die wetten zo gemaakt dat er een mogelijkheid voor hem is om alsnog in de wereld van invloed te zijn.

Zo’n beeld roept toch, bij mij in ieder geval, grote ongemakkelijkheid op. Het geeft een gespleten beeld van God, en het ontkracht ook de autonomie van de betrokken gebeurtenissen. Wat hebben die eigenlijk nog zélf te doen of in te brengen? Wie is er dan verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld? En bovendien: dreigt zo niet dat we wederom over God spreken in een enkel objectiverende taal, waarbij het eigene van het geloof kwijtgespeeld wordt?’

Opmerkelijk boeiende gedachten van Oomen vind ik, waarover ze zelf zegt dat haar artikel slechts enkele van de vele, meer of minder geslaagde, pogingen om het gelovig denken over God in relatie wil brengen met inzichten en theorieën uit de natuurwetenschappen. Als het goed is níet om zich daar onkritisch aan uit te leveren, maar om het potentiële belang ervan ten goede te laten komen aan de verdieping van het geloofsverstaan.

Met zo’n ander denkmodel komen er bij Oomen heel andere beelden vrij voor het denken over God-mens-wereld. Voor een proeve daarvan verwijst zij naar haar artikel over Schepping, in het Belgische Tijdschrift voor Geestelijk Leven, een tweemaandelijks tijdschrift voor spiritualiteit.

Zie: Geloof en wetenschap onderscheiden maar niet gescheiden (ze gaan beide over de ene werkelijkheid)

Beeld: Toen de Italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei zei dat hij het eens was met de theorie van Copernicus beschuldigde de katholieke kerk hem van ketterij. Galilei werd berecht en tot aan zijn dood veroordeeld tot huisarrest. (schrijfgenoten.nl)