‘Opnieuw ruimte voor kennisclaims over God’

ContraKant

De Duitse filosoof Immanuel Kant ontwikkelde ruim tweehonderd jaar geleden een kennisleer op grond waarvan kennis over het transcendente onmogelijk is. Volgens filosoof Rutten bleef Kant onterecht vasthouden aan het idee dat de mens niets kan weten over datgene wat niet in de zintuiglijke ervaring gegeven is. Januari 2020 verschijnt Contra Kant – Herwonnen ruimte voor transcendentie. Hierin gaat Rutten in op het idee van Kant dat wij alleen iets zouden kunnen weten over wat in de zintuiglijke aanschouwing gegeven is.

Kants kennisleer legde mede de basis voor het algemeen geaccepteerd raken van een positivistisch wereldbeeld*. Filosoof Emanuel Rutten laat in dit boek zien dat Kant ernaast zat.’ (KokBoekencentrum) 

Volgens Rutten wordt ons denken vaak zonder dat wij ons hiervan bewust zijn diepgaand bepaald door Kantiaanse motieven: ongetwijfeld vormt de radicale scheiding tussen geloven en weten één van de belangrijkste motieven van Kants wijsgerig systeem:

Met zijn radicale scheiding tussen geloof en weten voltooide Kant een denkbeweging die al door Hume was ingezet. Het radicale van deze scheiding bestaat hieruit dat geen enkele geloofsclaim als kennis wordt beschouwd. Met weten heeft geloven volgens Kant niets te maken. Bovendien kan volgens Kant geen enkele claim over het bovenzintuiglijke gelden als kennis.’

Het menselijk weten is – zoals Rutten al eerder weergaf in zijn masterscriptie wijsbegeerte Het kenbare noumenale: transcendentie binnen de wereld voor onsbij Kant beperkt tot kennis van het zintuiglijk waarneembare. Alléén het zintuiglijk ervaarbare kan bij Kant object van kennis zijn. Zo bakent Kant de grenzen van ons kennen genadeloos en hermetisch af:

Iedere opvatting over het bovenzinnelijke wordt door hem dus beschouwd als een niet tot onze kennis behorende geloofsovertuiging. Volgens Kant weten wij helemaal niets van het bovenzintuiglijke. Elke vorm van traditionele speculatieve metafysica of rationele theologie wordt door hem dan ook volstrekt afgewezen. Het is precies deze overtuiging die door Kant na hem breed heeft postgevat in het westerse denken. De idee dat de mens geen kennis kan bezitten over het bovenzinnelijke is ons denken ten diepste gaan bepalen.’

Rutten ontwikkelde echter een alternatieve kennisleer volgens welke we in tegenstelling tot Kants epistemologie wel degelijk kennis kunnen verwerven van het bovenzinnelijke. ‘Zo wordt in onze tijd opnieuw ruimte gemaakt voor kennisclaims over God’.

* Het wereldbeeld waarin alleen voor waar doorgaat wat ‘de wetenschap’ positief heeft vastgesteld.

Contra Kant | Emanuel Rutten | EAN 9789043533591 | KokBoekencentrum Non-Fictie | Pag. 176 | € 17,99

‘Ik ben mijn geest’

A-New-Perception-of-the-I-AM-Presence-Chart-summitlighthouse.nl

‘Onze identiteit wordt volledig bepaald door ons geestelijk leven. Zonder dit mentale leven zouden wij ophouden een persoon te zijn.’ Wiskundige en filosoof Emanuel Rutten stelt dat de mens een innerlijk mentaal leven heeft: ‘We ervaren, voelen, denken, interpreteren, geloven, willen, verbeelden, begeren, herinneren, hopen en verwachten van alles. Dit maakt ons tot wie wij zijn.’ Rutten geeft hiermee repliek op bewegingswetenschapper Bart Klink die stelt dat dit alles slechts ‘hersenactiviteit’ is.

‘Ons geestelijk leven lijkt inderdaad iets fundamenteel anders dan hersentoestanden, het voelt intuïtief anders. We hebben een sterke dualistische intuïtie, maar die intuïtie is onjuist gebleken door voortschrijdend wetenschappelijk inzicht, zoals met veel andere intuïties ook is gebeurd.
Daarentegen is het reductionisme alleen maar sterker komen te staan door nieuwe ontwikkelingen in de neurowetenschappen omdat het de beste verklaring biedt voor al de bevindingen. De identiteitstheorie, die het bewustzijn ziet als een hersentoestand, blijft daarmee nog steeds de meest plausibele positie. Dit betekent ook dat het bestaan van de Ultieme Geest – God – onwaarschijnlijker wordt.’

(Bart Klink in: Waarom de geest is wat het brein doet)

Ons innerlijk geestelijk bestaan is volgens Klink ‘volledig identiek aan breinprocessen: de menselijke geest is restloos gelijk aan een verzameling stoffelijke hersenprocessen’. Wij zijn ons brein… Volgens Rutten is er een goede reden om te denken dat mentale ervaringen niet identiek zijn aan neurale processen in de hersenen.

Wij kennen onze mentale gewaarwordingen alleen van binnenuit, vanuit het eerstepersoonsperspectief. Het zijn innerlijke subjectieve ervaringen en dus van een heel andere orde dan groepjes vurende neuronen. Zo hebben mentale ervaringen geen massa of volume, en hebben neuronen geen gevoel. Daarom zijn mentale gewaarwordingen niet hetzelfde als de neurale processen die zich in ons brein afspelen. De geest is ongelijk aan het brein omdat zij metafysisch van een andere aard is.’
(Rutten in: Dualisme van lichaam en geest zo gek nog niet)

In zijn repliek op geloofenwetenschap.nl bespreekt Rutten Klinks argumenten voor de bewering dat wij ons brein zijn, oftewel dat ons geestelijk leven identiek is aan breinprocessen. Rutten toont aan dat geen ervan sterk genoeg is om onze diepliggende intuïties over de aard van onze geest te loochenen.

Een analogie
‘Een hoeveelheid water neemt een bepaalde ruimtelijke vorm aan indien deze in een plastic zakje wordt gegoten. Het water in het zakje zal uiteraard van vorm veranderen indien het zakje wordt vervormd. Omgekeerd zal iedere vormverandering van het water gepaard moeten gaan met een identieke vormverandering van het plastic. De vorm van het water hangt dus nauw samen met de vorm van het zakje. Er is zelfs sprake van een één op één correspondentie tussen beiden.
Toch volgt hieruit niet dat het water en het plastic zakje identiek zijn. Evenmin volgt dat het water voor zijn bestaan afhankelijk is van het zakje. Ook los van het plastic zakje bestaat het water immers. En precies hetzelfde geldt voor de relatie tussen ons brein en onze geest.
Hoewel mentale toestanden en breintoestanden inderdaad hecht samenhangen, zoals de moderne hersenwetenschappen laten zien, volgt hieruit niet dat ze identiek aan elkaar zijn. Correspondentie is inderdaad nog geen identiteit.’

(Rutten in: Dualisme van lichaam en geest zo gek nog niet)     

Rutten stelt dat we niet weten hoe geest en stof interacteren. Zolang echter de mogelijkheid van deze interactie niet uitgesloten is, levert dit voor onze diepe fundamentele intuïtie dat we niet identiek aan ons brein zijn geen probleem op. ‘Geest en stof staan voortdurend in wisselwerking met elkaar. Daarover zijn we het allemaal eens.’

Maar dan kan die continue wisselwerking zelf als beginsel van individuatie worden gezien. Deze geest is mijn geest precies omdat ze voortdurend met mijn lichaam interacteert. Om dezelfde reden hoort die van jou bij jou. En dit alles vanuit een eerste toevallige of eerste intentionele distributie van geesten over lichamen. Bovendien is dit mijn geest omdat ik het ben. Ik ben mijn geest.’
(Rutten in: Waarom wij niet hoeven te geloven dat wij ons brein zijn)

Bronnen:

* Bart Klink: Waarom de geest is wat het brein doet  (geloofenwetenschap.nl) – Zie voor de uitgebreide versie hiervan: Dualisme, reductionisme en the hard problem of consciousness in De Atheïst.

* Emanuel Rutten: Waarom wij niet hoeven te geloven dat wij ons brein zijn: Repliek op Klink (geloofenwetenschap.nl)


* Emanuel Rutten:
  Dualisme van lichaam en geest zo gek nog niet. (Wijsgerige reflecties)

Beeld: summitlighthouse.nl

Actueel bestaan God hoe dan ook mogelijk

AcademyPlato

Een gloednieuw Godsargument werd – op vakantie in Frankrijk – ontwikkeld door filosoof Emanuel Rutten. Een argument voor het actueel bestaan van God dat geïnspireerd is op een lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Volgens Rutten is het Godsargument gebaseerd op een buitengewoon laagdrempelig begrip van bestaan. Iets bestaat dan en slechts dan als het mogelijk is. Met het toeschrijven van ‘bestaan’ aan iets is dus nog niet veel gezegd. De vraag is dan ook niet of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag is of God potentieel of actueel bestaat.’

Rutten wil met Plato laten zien hoe kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel maar actueel bestaat. Want dat geldt niet voor alles of iedereen. De eenhoorn bijvoorbeeld. Die bestaat potentieel, maar niet actueel, net als blauw en rood gras. Mensen bestaan weer wel actueel, maar vierkante cirkels niet, ook niet potentieel. Dat eenhoorns potentieel bestaan, komt doordat ze denkbaar zijn, actueel bestaan ze niet. En als uitgegaan wordt van de vormenleer van Aristoteles, bestaat de eenhoorn potentieel en niet actueel.

Kunnen we zicht krijgen op wat potentieel bestaan in metafysische zin betekent? Wat zijn de waarheidscondities van de uitspraak dat iets potentieel bestaat? Hoe kunnen we de specifieke zijnswijze van het potentieel bestaan in het vizier krijgen?’

In De Sofist doordenkt Plato de implicaties van de leerstellingen voor ware negaties (begrip dat het tegenovergestelde is van een ander begrip) van de presocratische filosoof Parmenides van Elea. Dat leidt ertoe dat er op de leerstellingen geen enkel probleem ontstaat. Plato tracht hierin ware negaties te behouden door ze zodanig te interpreteren dat het dictum (uitspraak) van Parmenides over ware negaties niet geschonden wordt. Een argument voor het actueel bestaan van God, zo stelt Rutten, is uiteindelijk geïnspireerd op de lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Hij baseert dit actuele bestaan van God op vijf premissen die hij in zijn artikel Plato’s De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument schematisch weergeeft.

Nu kan over God zinvol gesproken worden. God moet dus bestaan. Want over wat niet is kan niet zinvol gesproken worden. De positie van de atheïst kan dus niet weergegeven worden door het oordeel “God bestaat niet”. Met het begrip ‘God’ lijkt anders gezegd op voorhand niets mis. God kan begrepen worden als een bewust wezen dat de eerste oorzaak van de wereld is. En dit begrip is niet contradictoir zoals het begrip vierkante cirkel. Het kan coherent gedacht worden. Maar dan is het actueel bestaan van God hoe dan ook mogelijk. God kan op zijn minst actueel bestaan. Het is dus niet zo dat God niet bestaat: God bestaat actueel of potentieel.’

Rutten vergelijkt zijn nieuwe argument met het Godsargument van Anselmus. Voor Anselmus is de vraag evenmin of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag voor hem is of God in het verstand of in werkelijkheid bestaat. En waar hij beargumenteert dat God niet in het verstand maar in werkelijkheid bestaat, wil Rutten laten zien hoe uitgaande van een analoog inclusief zijnsbegrip kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel maar actueel bestaat.

Het actueel bestaan van God is volgens Rutten niet onmogelijk. Hij vindt het plausibel te beweren dat God in elk geval mogelijk actueel bestaat. God kan actueel bestaan. Wie meent dat het onmogelijk is dat God actueel bestaat en dat daarom volgt dat God niet bestaat zal met een inhoudelijk argument moeten komen.

Zie: Plato’s De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument

Beeld: Plato’s Academie. Mozaïekvloer in Pompeï.

Er is meer… dan God

SONY DSC

‘Is er een ultieme reden voor het bestaan van God? Als ik één vraag aan God zou mogen stellen dan zou dat deze zijn: ‘God, weet U waarom U bestaat? Kent U de ultieme reden en laatste grond voor uw eigen bestaan?’ Voor filosoof Emanuel Rutten is het bestaan van God – in het licht van de bekende voor- en tegenargumenten – heel waarschijnlijk. De filosoof vraagt nu aandacht voor de vraag waarom God bestaat. Wat is de reden van Gods bestaan, de ultieme grond of oorsprong daarvan.

Het lijkt absurd te veronderstellen dat God als de ultieme eerste oorzaak van alles wat er bestaat het antwoord op deze vraag niet zou weten. In en door en uit God is alles geworden wat er geworden is en zonder God zou er niets geworden zijn. God staat dus aan de grond van de werkelijkheid en overziet alles wat bestaat. Het lijkt dan ook niet goed voorstelbaar dat God de ultieme reden voor zijn eigen bestaan niet zou kennen en zou antwoorden: ‘Waarom ik besta? Geen idee. Misschien is er helemaal geen reden voor mijn bestaan.’

De vraag waarom God bestaat, moet volgens Rutten een ultiem antwoord hebben, ook al zegt hij dat we dat antwoord nooit zullen weten. Desalniettemin zegt hij wel iets over de aard van dit antwoord, en vindt hij dat de reden van Gods bestaan in elk geval niet kan liggen in een externe oorzaak.

God is als de eerste oorzaak van de wereld immers zelf niet veroorzaakt. God kan evenmin zichzelf veroorzaakt hebben. Zelfveroorzaking is namelijk onmogelijk omdat je al moet bestaan om jezelf te kunnen veroorzaken. Ook kan de reden van Gods bestaan niet gelegen zijn in Gods aard of natuur.’

Rutten vraagt zich heel wat af, terwijl hij ook stelt dat Gods aard of natuur alleen bestaat als God bestaat, terwijl de reden voor het bestaan van God niet van Gods bestaan afhankelijk kan zijn.

Antwoorden dat het wezen of de essentie van God samenvalt met te bestaan helpt evenmin. Want waarom zou zo’n mysterieuze essentie bestaan? Wat is daar dan de reden voor? En bestaat genoemde essentie eigenlijk wel onafhankelijk van het bestaan van God?’

De filosoof van het epistemisch-modaal godsargument (2012) stelt dat de enige mogelijkheid die redelijkerwijs overblijft, is dat God bestaat omdat God noodzakelijk bestaat vanwege een reden die niet is terug te voeren op iets in of van God.

Die reden kan dan alleen nog maar zijn dat Gods bestaan wordt geïmpliceerd door een aantal absolute waarheden oftewel waarheden die zo dermate onafwendbaar en onvermijdelijk zijn dat ze in iedere mogelijke wereld waar zijn en ook waar zijn wanneer er helemaal geen wereld zou zijn. Deze waarheden gelden dus noodzakelijk. Ze zijn hoe dan ook onontkoombaar.’

Rutten stelt dat de dwingend eruit volgende conclusie dat God bestaat, daarmee eveneens onvermijdbaar is. Precies dat vindt hij dan de ultieme reden waarom God bestaat: deze ultieme waarheden vormen dus het antwoord op de vraag waarom God bestaat.

God zelf kent ze redelijkerwijs. Ze vormen de absolute oorsprong van Gods bestaan. Maar dan zijn deze laatste waarheden het eigenlijke eerste beginsel van de werkelijkheid. Niet God maar zij vormen de ware grond en oorsprong van de wereld.’

En de reden voor het noodzakelijk waar zijn van deze laatste waarheden vindt de filosoof in en voor zichzelf volstrekt evident en daarom onvermijdelijk.

Ze kunnen vanuit een absoluut perspectief bezien evident niet anders dan waar zijn. Deze in absolute zin zelfevidente waarheden zijn waar, onafhankelijk van welke mogelijke wereld gerealiseerd is en onafhankelijk van of er überhaupt een wereld gerealiseerd is. Daarom zijn ze noodzakelijk waar.’

Volgens Rutten betreffen de laatste waarheden het absolute, en een denkbeeldige lijst waarop ze allemaal staan kan aangeduid worden als de absolute metafysica. Hij benoemt de vier verklaringsmodellen van Aristoteles op grond van: waarvoor het dient, waaruit het bestaat, wat het tot stand brengt, of waarop het gericht is. Rutten geeft een vijfde verklaringsmodel.

We verklaren God vanuit het feit dat Gods bestaan geïmpliceerd wordt door onvermijdelijke in zichzelf evidente waarheden. Ze maken het als het ware waar dat God bestaat. Ze zijn constitutief voor Gods bestaan. Ze dwingen zogezegd God te bestaan. Er is voor God geen ontsnappen aan en dat komt louter en alleen door die laatste waarheden. Gods bestaan wordt erdoor afgedwongen. Ze forceren het bestaan van God zonder vorm-, materie-, werk- of doeloorzaak van Gods bestaan te zijn.’

De filosoof eindigt zijn betoog met de opmerking dat hoewel de vraag waarom God bestaat principieel kan worden beantwoord, wij als mensen nimmer in staat zullen zijn om het waarom van God te achterhalen. Maar op grond van bovenstaande vindt hij het redelijk om te denken dat er laatste waarheden zijn die zelfs voor God het eigenlijke eerste beginsel vormen. Op deze manier wordt het bestaan van God en daarmee het wereldraadsel maximaal gedesacraliseerd oftewel gedemystificeerd.

God bestaat, stelt Rutten, omdat deze in zichzelf evidente en onontwijkbare waarheden dat eenvoudigweg onafwendbaar waarmaken.

Niet God maar zij vormen de ultieme absolute oorsprong. Niet God maar zij zijn het eerste beginsel. In het imaginaire geval dat aan God die bovengenoemde ene vraag wordt gesteld, zijn zij het antwoord.’

Zie: Waarom bestaat God?

Foto: Sunrise – © Renate Dostell