
Rabbi met wetsrol (Marc Chagall – 1887 – 1985) ‘In dit schilderij stelt Chagall in sobere kleuren en lijnen een religieuze jood centraal. Gehuld in een gebedsmantel, de gebedsriemen om het voorhoofd en de arm gebonden, houdt de man een Torarol in zijn handen.’ © Marc Chagall, c/o Pictoright Amsterdam/Chagall ®, Chagall is a registered trademark, owned by Comité Marc Chagall/Stedelijk Museum Amsterdam
‘Verdreven uit Jeruzalem, beroofd van tabernakel en menora,
restten ons slechts de boeken’
( jodenenwoorden, Amos Oz en Fania Oz-Salzberger)
Scriptie: Paul Delfgaauw. Ter afsluiting van de opleiding Religiestudies, richting Media & Cultuur – Academie voor Geesteswetenschappen, Utrecht, 2019. (Voorheen: HGU, Hogeschool Geesteswetenschappen, Utrecht.)
Begeleider: Drs. Philippe van Heusden: theoloog/judaïcus, uitgever en tekstschrijver, (mede)auteur van o.a. Christelijke Encyclopedie en NBV Studiebijbel. Docent Bijbel, Jodendom en Christendom.
Eindredactie: PD.
Inleiding
Toelichting
Het begin
Joden verspreid over de wereld
De mondelinge traditie op schrift
De Tanach en de Tora
§1. De Tanach
§2. De Tora
§3. De Tora en de Tanach
§4. De Tanach en de Dode Zeerollen
§5. De Tora in het computertijdperk
De Talmoed 1
§1. Twee Talmoediem
§2. ‘Alles staat erin’
§3. De Tosefta
§4. De Talmoed en andere joodse boeken verboden
§5. De Talmoed als encyclopedie en vraagbaak
De Midrasj Rabba
De Misjnee Tora
De Kabbala
§1. De Zohar
§2. De kabbalist
§3. De Talmoed en de huidige wetenschap
De Sjoelchan Aroech
De Haggada
Responsa-literatuur
Geschiedenis van de joodse vrouw
Het anders draagbare Joodse vaderland
Niet-Joden en de Tora
Samenvatting, eindconclusie, reflectie
Literatuur
Inleiding
Wat is er geschreven na de Tora, die God 3300 jaar geleden aan Mosje op de berg Sinaï leert? De Tora, ook bekend als de Vijf Boeken van Mozes, is de basis van het Joodse geloof, later op schrift gesteld als Schriftelijke Leer. De Tora wordt door de joden beschouwd als een letterlijk verslag van de woorden van God. Vervolgens verschijnen er in de loop der eeuwen – als reactie hierop – vele geschriften, traktaten en commentaren, en commentaren op commentaren. In de loop der eeuwen kreeg de Eeuwige antwoord in vele geschriften, traktaten, op stenen tabletten, papyri, perkament en papier. ‘Vanaf de Tora worden de joden echte boekenwurmen’.
Houden de vele geschriften binnen het jodendom verband met het voortbestaan van het Joodse volk? De vraag is of de joden zonder de Tora en hun andere boeken, het grootste gedeelte van hun wortels verloren zouden hebben in de toenmalige – en huidige – diaspora.
Op de Tora krijgt God commentaar op commentaar…
De scriptie is een verkennend literatuuronderzoek als kennismaking met het jodendom en richt zich op een beperkt aantal geschriften en boeken. Naast de betekenis ervan, is eveneens gekeken naar de waarde die ze hebben voor het behoud van de eigen, joodse, identiteit. Dit vanwege de talloze vervolgingen van het Joodse volk, hun verstrooiing buiten Palestina, en de onzekerheid over een eigen territorium.
‘Immense bergketens van geleerde boeken’
Het is ondoenlijk alle geschriften te noemen, zelfs maar kort te bespreken, gezien de onuitputtelijke hoeveelheid geschriften die er over het jodendom te vinden zijn. De inhoud van deze scriptie is vooral gebaseerd op een persoonlijke keus. Enige schroom hierbij ontstaat wel als ik lees wat de Britse historicus van Joodse afkomst, Simon Schama, in het voorwoord van zijn boek in De Geschiedenis van de Joden schrijft. Hij verwijst hierin naar Prediker die vermanend zegt: ‘Mijn zoon, er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af.’ Schama verwoordt daarbij het gevoel dat ik herken dat ‘iedereen die zich aan de Joodse geschiedenis waagt, zich wel geïntimideerd moet voelen door de immense bergketens van geleerde boeken die achter hem oprijzen’.
Het idee om deze scriptie de titel ‘Het draagbare Joodse vaderland’ te geven, is overgenomen van de formulering door de Duitse dichter en schrijver van Joodse afkomst, Heinrich Heine. Ook de joodse hoogleraar Hebreeuwse literatuur Amos Oz (1939-2018), gebruikte die bewoording. Hij zocht indertijd ‘bij gebrek aan een geografisch afgebakend vaderland beschutting in het ‘draagbare vaderland van de literatuur’.’
Jodendom eerste religie van de monotheïstische religies
Aan de basis van deze scriptie ligt mijn brede interesse in religie (en filosofie) sinds mijn middelbareschooltijd. Het jodendom is de eerste religie van de monotheïstische religies, en vormt de basis van het christendom, waar ik in ben opgegroeid.
Over het Joodse volk kom ik meer te weten tijdens de lessen op de middelbare school en vervolgopleidingen. Het gaat dan echter vrijwel steevast over de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en het voortdurende conflict in het Midden-Oosten, over de strijd tussen Israël en de Palestijnen vanaf 1948. Zelden of nooit gaat het over de joodse cultuur en religie. Dat geldt eveneens voor de media. Het Joodse volk wordt vooral politiek belicht vanuit het Midden-Oostenconflict.
De interesse in ‘mijn eerste religie’ heeft zich niet in de laatste plaats extra verdiept bij de opleiding Religiestudies (Richting Media & Cultuur) aan de Hogeschool Geesteswetenschappen Utrecht, in 2017 voortgezet als Academie voor Geesteswetenschappen.
PTSS
Een onderliggend motief speelt mee. Als sociotherapeut, tot 2009 werkzaam in een kliniek en polikliniek* waar oorlogsslachtoffers worden behandeld, ontmoet ik mensen met een joodse achtergrond. Ook werk ik tijdelijk in de polikliniek in Amsterdam met tweede en derde generatie joodse oorlogsslachtoffers. Cliënten zijn veelal gediagnosticeerd met PTSS: Post-Traumatisch Stress Syndroom, een syndroom dat zelfs tot in de vijfde generatie ‘doorgegeven’ kan worden.
In de kliniek, waar ik ook ’s avonds en ‘s nachts werk, spreek ik regelmatig met een aantal van hen, individueel of in groepsgesprekken. Door de verschillende gesprekken, vaak ook ‘informeel’, buiten de ‘behandeluren’, word ik geraakt doordat zij nog altijd lijden onder hun ervaringen, zowel in de oorlog als erna, in de maatschappij van vandaag de dag. De joodse cliënten kunnen, behalve over (‘doorgegeven’) oorlogservaringen, ook over hun cultuur en religie vertellen. Op een vaak bezielende praten zij over hun geloof en handelen ernaar.
* Stichting Centrum’45, Oegstgeest. Nu: ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum.
Toelichting
Hierboven zeg ik dat het eigenlijk onmogelijk is alle joodse geschriften te noemen, gezien de onuitputtelijke hoeveelheid geschriften die er te vinden zijn. Maken immers niet alle woorden, boekrollen, geschriften, boeken en alle commentaren op de Tora deel uit van het ‘draagbare Joodse vaderland’? Joden gebruiken van begins af hun geheugen om hun heilige woorden door te geven, van generatie op generatie. Voortdurend noteren zij ook steeds weer nieuwe commentaren en inzichten, aanvullingen op de Talmoed, tot op de dag van vandaag. Ook nu de joden sinds 1948 eigen grond onder de voeten hebben, een werkelijk vaderland, een echte staat, Israël, blijkt de studie en het uitdiepen van hun geloof door te gaan.
‘De beste bescherming is de geest,’ zegt Berhard-Henri Lévi in de EO-documentaire Je zal maar uitverkoren zijn, over een draagbare identiteit. Eigenlijk is het jodendom sinds de vernietiging van de tweede tempel ‘mobiel’ gegaan. Echter de geest alleen is onvoldoende, het geheugen kan niet alles opslaan. De weerslag van de geest, woorden op papier, het geschrift, blijft van belang, voor de joden van levensbelang.
‘Joden hebben een ‘draagbare’ geschiedenis en een ‘draagbare’ identiteit, te weten hun woorden en boeken’, zegt Simon Schama. Volgens Amos Oz en historicus Farina Oz-Salzberger – in hun boek joden en woorden – zijn de ‘joodse continuïteit en de Joodse uniciteit zelfs niet afhankelijk van centrale plaatsen, monumenten, heroïsche figuren of rituelen, maar van geschreven woorden en een permanent debat tussen de generaties’
‘Woorden vormen het hart van de Joodse cultuur’
Amos Oz zocht indertijd ‘bij gebrek aan een geografisch afgebakend vaderland beschutting in het ‘draagbare vaderland van de literatuur’, zoals Cyrille Offermans in De Groene Amsterdammer schrijft. En eigenlijk zochten alle joden die beschutting gedurende vele eeuwen in hun teksten.
Sinds 1948 breidt het joodse geografische vaderland zich nog steeds uit, door (omstreden) kolonisatie van land dat aan de Palestijnen toebehoort. Het Joodse vaderland groeit, wellicht om redenen dat Israël het definitieve gevoel van veiligheid nog altijd niet heeft gevonden. Woorden en boeken als vaderland blijken uiteindelijk toch niet genoeg, al hebben ze eeuwenlang meegeholpen zich overal in de diaspora stand te houden. Joden hebben waarschijnlijk voortdurend het gevoel ieder moment verdreven te worden.
Het ‘draagbare vaderland’ blijft zo van extra levensbelang. ‘Lezen en ‘lernen’,’ aldus Jessica Durlacher in een recensie over het boek joden en woorden, ‘waren volgens Oz en Fania Oz-Salzberger
‘geen luxe, maar bittere noodzaak, ontstaan nadat er meerdere pogingen waren gedaan om het Joodse volk in zijn totaliteit te vernietigen. Het wonder dat de teksten in leven bleven en de studie en de dialogen werden voorgezet, wordt in dit boek door de zoektocht naar de herkomst van deze ‘lees- en schrijfcultuur’ schitterend aangetoond.’

Het draagbare Joodse vaderland: ‘Ze Sefer Raziël Ha-Gadol Ha-Niteen Le-Adam Ha-Risjon’ (‘Dit is het boek van de Grote Raziël dat aan de eerste mens werd gegeven’) – Onbekende kopiist – 17e eeuw – Handschrift, inkt op papier – Koninklijke Bibliotheek Den Haag / Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (Joods Historisch Museum, foto: PD)
Tocht door de woestijn
De Tanach, de Hebreeuwse Bijbel, verving het land Israël en de heilige tempel, zo schreef Heinrich Heine. Of zoals Oz en Oz-Salzberger het uitdrukten: ‘Verdreven uit Jeruzalem, beroofd van tabernakel en menora, restten ons slechts de boeken’. Het ‘draagbare joodse vaderland’ begon al met het tabernakel, het draagbare heiligdom waarin de Stenen Tafelen tijdens de tocht door de woestijn vervoerd werden.
Volgens De Groene Amsterdammer hebben ‘woorden de joden houvast geboden’.
Aan de geschriften en boeken voeg ik dan ook nog de joodse kleding en sommige andere attributen aan toe. Ook hierin zijn zelfs woorden te vinden die mede het hart van de joodse cultuur vormen: letterlijk draagbare, korte geschriften. Al in de vijfde eeuw v.C. wil de Israëlitische-Judese klasse van priesters en schriftgeleerden de Tora overal met zich meenemen en laten zien, en eveneens beschikbaar laten zijn in miniatuurvorm, op bezittingen en personen. Voorbeelden hiervan zijn nog altijd te vinden zoals gebedsriemen, gebedsmantels, en de mezoeza’s.
De Talmoed centraal
Nu al meen ik te moeten concluderen dat er geen specifieke geschriften of boeken bestaan, die model kunnen staan voor het ‘draagbare Joodse vaderland’, of het moet de Talmoed zijn, die ik tussen alle boeken en geschriften wel het meest tot de verbeelding sprekende ‘draagbare joodse vaderland’ vind behoren. De Talmoed staat dan ook centraal in deze scriptie. Daarnaast heb ik mij beperkt tot andere boeken en van belang vind bij het onderwerp, zoals naast de Tora ook de Tanach, de Midrasj Rabba, de Misjnee Tora, ook wel de Tweede Tora genoemd, en Sjoelchan Aroech, die een van de meer belangrijkere boekwerken wordt genoemd naast de Tora en de Talmoed.
Door… zonder einde
De Talmoed wordt dus nog altijd geschreven en de boeken die erdoor ontstaan, zijn zo talrijk, dat welhaast niet meer van ‘draagbaar’ gesproken kan worden. Intussen gaat ook de dialoog tussen de generaties van het jodendom, door. Door… zonder einde. En alles, de woorden en de dialoog, behoort nu tot de kern van het Joodse vaderland, als het ‘draagbare Joodse vaderland’.
Samenvatting hoofdstukken
Hoofdstuk 1 opent met de vraag hoe het allemaal begint. In het begin was het God die zich openbaart, en de ‘Mondelinge Leer’ dicteert aan Mosje. Vervolgens wordt deze leer op schrift gesteld en schrijven de Joden gedurende de eeuwen erna er zeer vele commentaren op. Vandaag de dag gaat dat door, zowel mondeling als schriftelijk.
2 gaat over de niet-aflatende vervolgingen van de Joden en de verstrooiing van hen – door de geschiedenis en tijd heen – in de meest uiteenlopende delen van de wereld. Het leidt tot onzekerheid over de eigen Joodse identiteit.
3 maakt duidelijk dat de schriftelijke traditie niet simpelweg het opschrijven van mondelinge overleveringen is.
4 belicht de Tanach en de Tora. Hierin wordt onder andere duidelijk dat ‘Tora’ twee betekenissen heeft.
5 behandelt de Talmoed die één groot commentaar op de Tora is. De Talmoed in de betekenis van ‘studie’ of ‘onderwijzing’. Dit hoofdstuk gaat ook over de bedreigingen van en liefde voor de Talmoed, en twee verschillende visies erop.
6 bespreekt een van de klassieke midrasjwerken, de Midrasj Rabba (‘Grote Midrasj’), een verzameling commentaren op de Vijf Boeken van Mosje en de vijf megilot (‘feestrollen’).
7 behandelt de Misjnee Tora, ook wel de Tweede Tora genoemd. Dit boek iseen herhaling of samenvatting van de Tora, en gaat vooral over het belang van de Halacha (het geheel van leefregels, wetten), die echter wel met zijn tijd moet meegaan.
8 vertelt over de mystieke kant van het Jodendom. Hetgaat over de Zohar, ook wel geduid als het hoofdwerk van de Kabbala. De jonge student Chaim Vital, in de roman De kabbalist, leert door de Kabbala onder meer de wetten kennen en het universele principe van het heelal. Hij wil dit toegankelijk maken voor de mensheid. Een link wordt gelegd met de Talmoed, waar Chaim al iets te weten zou kunnen komen over wat zich in het heelal afspeelt.
9 is getiteld Sjoelchan Aroech. Dit wordt een van de meer belangrijkere boekwerken genoemd naast de Tora en de Talmoed, en de werken van rabbi en filosoof Maimonides.
10 bespreekt de Haggada (meervoud: Haggadot). Dit zijn verhalen die over alles gaan wat ‘niet-halachisch’ is, zoals allerlei folklore, theologische beschouwingen, parabelen, legenden, mythisch aandoende verhalen en ethische anekdotes.
11 gaat over de zgn. Responsa-literatuur. Hierin staan meer commentaren op de Talmoed. Deze literatuur ontstaat nadat de Talmoed officieel wordt afgesloten rond 500 n.Chr.
12 gaat over de invloed van vrouwen op de Joodse religie.
13 behandelt het anders-draagbare Joodse vaderland, bijzondere vormen van draagbare korte geschriften.
14 bespreekt wat niet-Joden aan de Tora en andereboeken zouden kunnen hebben.
15 is de afsluitende samenvatting, eindconclusie, reflectie op leerproces
16: Literatuurlijst.
Het begin
God openbaart zich – volgens de Joodse overlevering – zo’n 3300 jaar geleden aan de profeet Mosje. Op de berg Sinaï ontvangt hij van God de Tora, ook wel ‘De Vijf Boeken van Mosje’ genoemd (Beresjiet, Sjemot, Vajikra, Bemidbar en Devariem.) De Tora wordt gesymboliseerd door de ‘Stenen Tafelen’, met daarop de ‘Tien Uitspraken’. Binyomin Jacobs (opperrabbijn InterProvinciaal Opperrabbinaat – IPOR) noemt dit ‘de Schriftelijke Leer, gedicteerd door God’.
Later, in de tijd dat Mosje 40 jaar door de woestijn trekt, zet hij dat op schrift: de Torarollen, ook wel ‘Het Boek van de Wet van Mosje’ genoemd. De oude Israëlieten zien hun God in de eerste plaats als wetgever, ‘God is de grote wetgever in de hemel’.
In jodenenwoorden zeggen Amos Oz en Fania Oz-Salzberger dat ‘de Joodse continuïteit en de Joodse uniciteit niet afhankelijk zijn van centrale plaatsen, monumenten, heroïsche figuren of rituelen, maar van geschreven woorden en een permanent debat tussen de generaties’.
Tora voor iedereen bedoeld
‘Het Joodse volk ontstond buiten Israëls grenzen. Geen enkel volk is dit gelukt. We werden volk in Egypte en kregen onze grondwet, de Tora, in de woestijn. Exact 3330 jaar geleden werd het vertrapte slavenvolk een Joods volk, dat een geheel eigen leven zou gaan leiden in de gemeenschap der volkeren. Er ontstond voor het eerst in de geschiedenis een natie zonder vaderland, midden in de woestenij, ver weg van iedere cultuur en beschaving. De Tora zou hun transportabele vaderland worden, G’ds ethiek hun spirituele centrum tijdens hun reis door de diaspora. We kregen de Tora in de woestijn: “Gelijk de woestijn, behoort de Tora aan niemand toe”. De Tora is voor iedereen bedoeld en is niet het exclusieve bezit van het Joodse volk.’
De joodse identiteit vormt zich in het begin in Judea en Babylon. Schriftgeleerden en profeten verzamelen en beschrijven herinneringen, mondelinge overleveringen, folklore en teksten. Het begin van de uiteindelijke Hebreeuwse Bijbel ontstaat tussen de zevende en vijfde eeuw v.C. Het woord ‘Bijbel’ is hier trouwens verwarrend, want dat woord wordt pas in de Middeleeuwen gebruikt. Daarvoor spreekt men over ‘de Geschriften’.
Het meegeven van de joodse identiteit en hun geschiedenis aan kinderen, begint in de vroege jeugd, bij het ‘begin’. ‘Meteen na het spenen,’ zeggen Amoz Oz en Fania Oz-Salzberger. Peuters krijgen het ‘aloude verhaal’ mee vanaf het ogenblik dat ze woordjes kunnen begrijpen en sommigen kunnen deze op driejarige leeftijd al lezen. Aan de eettafel met het gezin, is de Talmoed niet ver te vinden. Deze schrijft bepaalde regels voor om binnen de familie de discussie aan te gaan over de Tora. Dat zet zich voort in het klaslokaal in gesprekken met leraren.
Ook al is er geen rabbijn of synagoge in de buurt, in ieder gezin is wel iemand die iets over de Tora of de Talmoed kan vertellen, belangrijke verzen, een verhaal of een lied kent. Zelfs als er geen boeken zijn, kennen de joden teksten uit hun hoofd.
‘Een zekere vreemdeling kwam op bezoek bij [de Joodse wetgeleerde] Sjammai met de vraag: ‘Hoeveel wetten bestaan er voor u en de uwen?’
‘Twee,’ antwoordde Sjammai, ‘een geschreven wet en een mondelinge.’
‘Ik aanvaard de eerste, maar niet de tweede. Bekeer me maar tot het Jodendom,’ zei de bezoeker. Woedend wees Sjammai hem de deur. De man had meer geluk bij [de Joodse wetgeleerde] Hillel, die hem vriendelijk ontving en erin toestemde dat hij hem zou bekeren. Geleidelijk slaagde hij erin hem te bewijzen dat de twee tradities nodig waren en bij elkaar hoorden.’
Joden verspreid over de wereld
Joden hebben een ‘draagbare’ geschiedenis en een ‘draagbare’ identiteit, te weten hun woorden en boeken,’ zegt Simon Schama, de schrijver van De geschiedenis van de Joden. Mede door de geschriften kunnen zij hiermee hun identiteit behouden en overdragen aan volgende generaties.
Het Joodse volk heeft eeuwenlang moeten ondergaan dat vreemdelingen hun grondgebied in bezit nemen, dat zij zelf verdreven worden of als slaaf verhandeld. Een voortdurende vernedering die er wel toe leidt dat hun etnisch zelfbewustzijn sterk wordt gevoed. ‘In die door nationalisme gevoede frustratie en afkeer hadden zij zich altijd vastgeklampt aan het geloof in hun God, in Jahweh, en aan een onblusbare hoop op de komst van de messias (de redder) die Jahweh hen zou zenden.’
Bezettingen en vervolgingen vangen al aan vanaf de begintijd van het Joodse volk, met de verwoesting van Jeruzalem en de Eerste Tempel van deze stad in 587 v.C.
In het jaar 70 n.C., kort na de opstand van de joden tegen de Romeinen, wordt de Tweede Tempel verwoest door Rome, en Jeruzalem heroverd. In de eeuwen erna verspreiden de joden zich over vele landen, zonder nog over een eigen staat te beschikken. Nergens vinden zij een echt thuis, altijd zijn er vervolgingen en verbanningen. Joden komen wel in opstand als zij onderdrukt worden of aan religieuze eisen van hun overheersers moeten voldoen.
Joden wonen – na de verwoesting van de Eerste Tempel in 586 v.C. – in afgesloten nederzettingen in Babylonië (in het huidige Irak, ten zuiden van Bagdad.) Het lukt hen om daar gezaghebbende academies voor joodse studies te stichten. De Talmoed Bavli: de Babylonische Talmoed, vindt hier, vanaf de derde eeuw n.C., zijn oorsprong. De invloed van de Talmoediem (commentaren op de Tora) spreidt zich uit over de joden in de hele Diaspora.
Ook zijn er joden die in Palestina blijven wonen en er een school voor Joodse studies oprichten. Zo ontstaat rond 400 n.C. de Talmoed Jeroesjalmi: de Palestijnse Talmoed. Later, vanaf de zestiende eeuw, wordt het stadje Tzfat, in Galilea, het centrum van de mystieke, kabbalistische, beweging.
Het leeuwendeel van de Tora wordt volgens Schama geschreven ‘in tijden dat de zwakheden van de staatsmacht het meest opvallen’. De draagbare boekrol wordt door hem betiteld als ‘het tegenwicht van het zwaard’.
Unieke Joodse visie
‘Toen dat gebeurde, ontstond het idee dat het Joodse leven gelijkstond aan de Joodse woorden, en dat die zouden blijven bestaan ondanks grillen van de macht, verlies van land of onderwerping van het volk. Omdat andere monotheïstische boekgeloven het woord en het zwaard juist verenigden in plaats van ze te scheiden, zou dat een unieke Joodse visie blijken te zijn.’
En sinds 1948 is er de hoop dat het ‘draagbare vaderland’ ook structuur zal bieden aan het nieuwe werkelijk bestaande vaderland dat Israël heet. Die structuur zal ook dan nodig zijn in de strijd om behoud die Israël tot op de dag van vandaag moet voeren.

Torarol – ‘Het tegenwicht van het zwaard’ (Simon Schama) foto: Pixabay
De mondelinge traditie op schrift
In de laatste eeuwen voor het begin van onze jaartelling worden al mondelinge teksten overgedragen van meester / schriftverklaarder op leerling. Aan deze meesters / schriftverklaarders en de leerlingen worden eisen gesteld. Zij moeten voortkomen uit de geloofsgemeenschappen, mogen niet buiten deze gemeenschappen hun werk verrichten, maar als ‘diepgeworteld in en gevormd door de geloofstraditie’ alleen binnen deze gemeenschappen hun verhalen doorgeven. De schrifttraditie dient als norm en regel van het geloof te worden aanvaard en belijd te worden als een heilige schrift.
Op deze manier komt het tot de vorming van de Canon (de Hebreeuwse Bijbel of de Tanach.) En de Canon moet levend blijven – hiermee wordt bedoeld dat deze voortdurend geactualiseerd wordt door de ‘vragen der tijden’. Bovendien wordt nauwkeurig bijgehouden welke uitspraken van wie afkomstig zijn. Volgens dr. R. Boon is het ‘opleveren van de namen van de geleerden, met hun leringen in een opvolgingsketen, in zijn beginstadium nog te vinden in de Tanach’. (N.B. Boon spreekt van ‘Oude Testament’.) De verschillende inzichten worden nauwkeurig, met de namen van de geleerden erbij, vermeld. De Joodse Canon krijgt uiteindelijk zijn beslag in de dagen van de schriftgeleerden Ezra en Nehemia, midden 5e eeuw v.C.
De Tanach en de Tora
§1. De Tanach
De Joodse literatuur blijkt niet altijd eenduidig in betiteling of betekenis van de verschillende boeken. Belangrijk is het om te weten dat het woord ‘Tora’ in drie betekenissen gebruikt wordt. In de beperkte betekenis van het woord wordt er de Vijf Boeken van Mosje mee bedoeld. Maar ook staat het woord ‘Tora’ voor de Tanach, de ‘Geschreven Tora’. Die bestaat uit de Tora (De Wet), de Neviiem (Profeten) en de Ketoeviem (Geschriften.) In het woord ‘Tanach’ vind je eigenlijk drie woorden, aangeduid met de eerste letters van Tora, Neviiem en Ketoeviem. (K wordt als CH uitgesproken.)
Tora wordt ook nog anders omschreven: ‘Tot de wijzen haar interpreteren is de Tora nog niet volledig, maar is ze slechts de helft. Want de Tora wordt in elke generatie naar de noden van juist die generatie geduid, en God verlicht de ogen van de wijzen in elke generatie, zodat zij in Zijn Tora vinden wat op hun situatie slaat.’ Dit is de derde betekenis, die aangeduid wordt als ‘mondelinge Tora’ en die de Talmoed omvat en alle commentaren daarna van alle plaatsen en tijden tot op vandaag.
Weinigen zullen hebben gedacht dat het kleine bolwerk van David, de hoofdstad van een onbeduidend koninkrijk, het brandpunt van de wereld zou worden. Ironisch genoeg werd de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar de opmaat voor de heiligheid van de stad, want juist door deze ramp gingen de Joden de glorie van Zion beschrijven en bejubelen. Gewoonlijk leidden rampen als deze tot het verdwijnen van volkeren. Maar de geestdrift van de overlevende Joden, hun volhardende toewijding aan hun God en vooral het boekstaven in de Bijbel van hun geschiedenis zoals zij die zagen, legden de basis voor de roem en de heiligheid van Jeruzalem. De Tanach, de Hebreeuwse Bijbel, verving het land Israël en de heilige tempel, en werd, in de woorden van Heinrich Heine, het ‘draagbare vaderland der Joden, het draagbare Jeruzalem’. Niet één stad heeft een eigen boek en niet één boek is zo bepalend geweest voor het lot van een stad.’
§2. De Tora
De Tora (‘Onderricht’, ‘Wegwijzer’, ‘Levende Wet’ of Pentateuch), als eerste deel van de Tanach – wordt ook wel het oudste boek van de Joodse ‘vaderlandse geschiedenis’ genoemd, omdat de wordingsgeschiedenis van het Joodse volk erin is opgenomen. Het bevat vijf boeken: Beresjiet, Sjemot, Vajikra, Bemidbar en Devariem. Summier volgt hieronder de inhoud van ‘De Vijf Boeken van Mosje’.
Boek 1. Beresjiet (‘In het begin’)
Beresjiet betekent ‘In het begin’ en vormt het beginwoord van het gelijknamige boek: ‘In het begin’ (schiep God hemel en aarde). Het is joods gebruik geschriften met openingswoorden aan te duiden. In het boek Beresjiet is het scheppingsverhaal opgenomen en de geschiedenis van de mensen van Adam en Eva tot en met de dood van Jozef in Egypte. Jozef werd onderkoning over Egypte, kon zo zijn familie redden van de hongersnood, en het volk van Israël (Israëlieten, later het Joodse volk) van de ondergang. Ook is hierin een aantal voorschriften / geboden te vinden, over onder meer de ‘liefdesplicht’ (het zorgen voor nakomelingen), gerechtigheid, de noodzaak van het vervolmaken van de wereld, en deze in te richten naar ‘G’ddelijke criteria’.
Boek 2. Sjemot (‘Namen’)
‘Sjemot’ betekent letterlijk ‘namen’, naar het beginwoord van het boek: ‘Dit zijn de namen’ (van de kinderen van Israël, die naar Egypte kwamen). Hierin wordt onder meer het ontvangen van de Tora door Mosje op de berg Sinaï beschreven. In dit boek staan eveneens voorschriften, onder meer over de bouw van het tabernakel (het draagbare heiligdom waarin de Stenen Tafelen tijdens de tocht door de woestijn vervoerd werden. Ook zijn er kledingvoorschriften te vinden, en voorschriften over de omgang met de medemens en diens bezittingen.
Boek 3. Wajikra (‘Hij riep’)
‘Wajikra’ is Hebreeuws voor ‘Hij riep’. Het is het openingswoord van dit geschrift: ‘De Heer riep’. (Mosje en sprak tot hem vanuit de tent van samenkomst). Dit gaat met name over Joodse wetten en aanbiddingsvoorschriften, en over dieren die gegeten of niet gegeten mogen worden. Ook zijn er feesttijden in opgenomen, zoals de sjabbat en het Loofhuttenfeest.
Boek 4. Bamidbar (‘In de woestijn’)
‘Midbar’ betekent ‘woestijn’ en ‘ba’midbar’ ‘in de woestijn’. Het woord is verwant aan ‘dabhar’ (‘woord’) en ‘medaber’ (‘spreken’). Adonai spreekt in de woestijn, op een stille plaats, zodat Zijn stem gehoord wordt. In dit boek zijn voorschriften te vinden over onder meer hoe je geloften aflegt, en over erfrecht van dochters. Daarnaast ook verhalen over Mirjam, de zuster van Mosje, over de ‘verspieders’ die verslag doen over het in bezit te nemen land Kanaän, en over de opstand van de leviet Korach tegen Mosje.
Boek 5. Devariem (‘Woorden’)
Het Hebreeuwse woord voor ‘woorden’ is ‘devariem’. Het boek Devariem begint dan ook met ‘Dit zijn de woorden die Mosje tot heel Israël sprak’. Hierin staat een verslag over wat er gebeurd is in de veertig jaren na de uittocht in Egypte. Over Mosje, die uiteindelijk op 120-jarige leeftijd sterft, nadat hij nog wel vanaf de berg Nebo het land Kanaän heeft kunnen zien, het land dat de ‘Heere’ aan het volk van Israël geeft.
§3. De Tora en de Tanach
De Tora
Beschouwd als de Tanach – bestaat uit de Tora, de Neviiem en de Ketoeviem.
Tora (‘Wegwijzer’)
Hierin zijn opgenomen de vijf boeken van Mosje: Beresjiet, Sjemot, Vajikra, Bemidbar en Devariem. Ook wel de Pentateuch (= ‘De Vijf Rollen’) genoemd. De Wet wordt beschouwd als de kern van het Jodendom.
Neviïem (De Profeten)
De vijftien boeken die hierin staan, staan op naam van verschillende profeten. Er wordt uitgelegd hoe de leefregels en wetten uit de Tora moeten worden toegepast. Neviiem is onderverdeeld in de grote profeten: Jehosjoea (Jozua), Sjoftiem (Richteren), Sjemoe’eel I en II (I en II Samuël) en Melachiem I en II (I en II Koningen) en de late profeten: Jesjajahoe (Jesaja), Jirmijahoe (Jeremia), Jechezkeel (Ezechiël), en de twaalf kleine profeten. Dit zijn Hosjea (Hosea), Joël (Joël), Amos (Amos), Ovadja (Obadja), Jona (Jona), Micha (Micha), Nachoem (Nahum), Chavakoek (Habakuk), Tsefanja (Zefania), Chagai (Haggai), Zecharja (Zacharia), Mal’achi (Maleachi).
Ketoeviem (De Geschriften)
In de Ketoeviem staan de boeken Tehiliem (Psalmen), Misjlee (Spreuken), Ijov (Job), Sjier haSjiriem (Hooglied), Roet (Ruth), Eecha (Klaagliederen), Kohelet (Prediker), Megilat Ester (Ester), Daniël (Daniël), Ezra (Ezra), Nechemja (Nehemia), Divree haJamiem I (I Kronieken), Divree haJamiem II (II Kronieken).
§4. De Tanach en de Dode Zeerollen
Fragmenten uit bijna alle boeken van de Tanach worden aangetroffen in de Dode Zeerollen, in 1947 door een herdersjongen gevonden bij Qumran. De oudste dateren uit de derde eeuw voor onze jaartelling, en bevatten Joodse geschriften, geschreven tussen 300 v.C. tot het begin van onze jaartelling. Later blijkt deze rollen één van de belangrijkste archeologische vondsten te zijn op het gebied van de oude Joodse geschiedenis.
‘Dit bevestigde het vermoeden dat de Hebreeuwse Bijbel toen al in zijn huidige vorm bestond en weersprak de bewering van sommige historici dat hij pas in het begin van de eerste eeuw voor Christus was voltooid. De oudste in die tijd bekende Hebreeuwse Bijbel in het Hebreeuws stamde uit de tiende eeuw na Christus. Opeens vond men een vrijwel compleet manuscript van de Bijbel dat meer dan duizend jaar ouder was!’
§5. De Tora in het computertijdperk
De Tora kan tegenwoordig ook met behulp van de computer bestudeerd worden. Het staat volgens rabbijn R. Evers weliswaar nog in de kinderschoenen, maar de voorlopige resultaten noemt hij ‘verbluffend’. Als voorbeeld geeft hij dat de namen van 150 toonaangevende geleerden reeds opgespoord zijn in de Tora, met hun geboorte- of overlijdensdatum. ‘De kans dat dit ‘toevallig’ gebeurt is één op de miljard… Zo staat in de hoofdstukken 11 en 12 van Exodus de naam van Maimonides (RaMBaM) verborgen, zijn hoofdwerk Misjnee Tora (zijn codex) en zijn geboortedatum (14 Nisan 1135.)’
RaMBaM is een verkorting van de naam van rabbi en filosoof Moshe ben Maimon: Maimonides (1135-1204).
In de Kabbala wordt regelmatig naar geheime codes verwezen en momenteel wordt informatietechnologie toegepast bij het kraken van die codes. Ingevoerde Tora-teksten worden met de verklaringsmethode Gematria (= getallenwaarde) onderzocht. Evers veronderstelt dat ‘de computer bezig is aan te tonen dat er iets bovenmenselijks in de Tora gaande is’.
De Talmoed
§2. Twee Talmoediem
Er bestaan, zoals eerder vermeld, twee Talmoeds of Talmoediem: de Bavli (Babylonische Talmoed) en de Jeroesjalmi (de Palestijnse Talmoed. Opgemerkt moet hier worden dat als er gesproken wordt over de Talmoed, meestal de Bavli bedoeld wordt, omdat deze als meest gezaghebbend te boek staat.
De Talmoed van Babylon en de Talmoed van Jeruzalem, Halacha en Aggada, Tanna’iem en Amora’iem: laat u niet ontmoedigen door deze termen. Ze verwijzen naar de verscheidenheid van het talmoedische oeuvre. De Misjna (herhaling van de besluiten en de opinies van de leermeesters) is er de basis voor; de Gemara (onderwijs door commentatoren waarin uitvoeriger op allerlei zaken wordt ingegaan) is er een uitwerking en uitbouw van.
Op het eerste gezicht raak je misschien het spoor bijster. Al die verhalen, al die problemen, al die botsingen tussen de ideeën, al die citaten, al die argumenten en tegenargumenten: je zou bijna de weg kwijtraken in deze verwarring. Dat kan gebeuren.
De verwarring is slechts oppervlakkig. In feite is de Talmoed een gebouw met een strakke structuur. Alles zit op zijn plaats. De verbindingen ga je vanzelf ontdekken. De logica die dit alles onderbouwt, is onweerlegbaar.’
De Talmoed wordt gezien als één groot commentaar op de Tora. Maar eigenlijk zijn het oneindig veel commentaren. En dan zijn er nog de commentaren op commentaren. Deze krijgen, hoe omstreden dan ook, allen een plaats, en niet alleen in de Talmoed. Er verschijnen regelmatig, ook vandaag de dag, zelfstandige boeken die eveneens commentaar geven op de Tora.
In de Talmoed zijn zes boeken te vinden, onderverdeeld in traktaten, waarin hoofdstukken met wetsbepalingen. Het zijn de eeuwenoude mondelinge verklaringen van de Tora, die op schrift zijn gesteld, en de basis vormen om het jodendom te kunnen begrijpen.
Uiteenlopende voorschriften staan erin, zoals de verplichting om bij het oogsten een deel te reserveren voor minderbedeelden; voorschriften over akkerbouw: om bijvoorbeeld het land braak te laten liggen; schulden kwijt te schelden. En ook voorschriften hoe de sjabbat te vieren; het Pesachfeest; het Soekotfeest (Loofhuttenfeest); het nieuwjaarsfeest en andere algemene regels voor feestdagen; wetsbepalingen over huwelijk en echtscheiding; bepalingen over civiel en crimineel recht. En ook ‘heilige zaken’, zoals omgaan met (het verbranden van) offervetten, alles wat met de Tempeldienst verband houdt, en cultische reinheid.
De sleutel van het leven
De begeestering en intensiteit waarmee vele Joden omgaan met de Talmoed is opvallend. Voorbeelden hiervan geeft de documentaire De sleutel van het leven. Deze laat uitgebreid zien hoe de arts Jacob de Leeuwe, een afstammeling van de Praagse geleerde rabbi Jehoeda Löw, aan ‘een onmogelijk monnikenwerk’ werkt: het vertalen van de (Babylonische) Talmoed in het Nederlands. De documentaire straalt die begeestering en intensiteit vooral uit als De Leeuwe wereldwijd jesjiva’s bezoekt, de Talmoed-scholen voor jongens en jongere mannen.
‘Talmoed betekent leren. Wij mensen zijn op de wereld gekomen om te leren. Nog nooit heeft iemand dit in het Nederlands vertaald. En ik vind dat dat moet gebeuren, want de Talmoed moet en kan overal in de wereld geleerd worden. Tot in Korea bij wijze van spreken toe. En in Nederland zijn ook heel veel niet-Joodse mensen die de Talmoed leren. (…) ‘Talmoed is eigenlijk het brein van de wereld. De Tora is de blauwdruk van de wereld. Maar de Talmoed is het denken.’
(Talmoedist Jacob de Leeuwe in: De sleutel van het leven.)
In de Talmoed zijn regelmatig de namen Sjammai en Hillel te vinden: Sjammai van de School van Sjammai, en de Joodse wetgeleerde Hillel I de Oudere van de School van Hillel. In het begin van onze jaartelling hebben zij verschil van mening over de uitleg van sommige wetten. Als ze er ruzie over maken, klinkt er een stem uit de hemel. ‘Elè we’elè divree Elohim chajem’: jullie hebben allen gelijk; jullie geven allebei Gods levende woord door.
Volgens Peter Tomson, schrijver van Als dit uit de hemel is? Over Jezus en het Jodendom, zegt de hemelse stem ook: ‘Beide zijn de woorden van de levende God, maar de Halacha is volgens de school van Hillel.’ De leerlingen van Hillel komen daardoor als overwinnaars uit de strijd, waarschijnlijk mede doordat de visie van Sjammai in de Talmoed door zijn fanatisme lager aangeschreven staat. Hillel neemt meestal ‘de creatievere, lossere mening voor zijn rekening, en Sjammai verwoordt vaak de logischer striktere variant’.
De Talmoed is opgebouwd uit de Misjna en de Gemara. De Misjna is de eerste geschreven versie van de ‘mondelinge Tora’, de verklaringen bij de SchriftelijkeTora, zoals Mosje deze krijgt van God. Volgens opperrabbijn van de IPOR, Binyomin Jacobs, worden er – als de vervolgingen beginnen en de Joden zich verspreiden – van de mondelinge overleveringen steeds aantekeningen gemaakt. Die dreigen verloren te gaan. Om dit te voorkomen wordt alles compact samengevat in de Misjna. De Gemara is de uitwerking en uitbouw van de Misjna. Deze wordt wel omschreven als ‘de minutieuze notulen van discussies tussen Joodse geleerden uit Palestina en Babylonië’.
Volgens Shmuel Katz, rabbijn in Amsterdam, zijn er tussen het jaar 250 en ongeveer tussen 500, 550 n. C. allerlei discussies ontstaan over wat de Misjna nu eigenlijk zegt. Ook die discussies zijn volgens hem verwerkt in de Gemara.
Verwarring is er ook over welke rabbijn de Misjna geschreven of geredigeerd heeft. De naam van rabbi Juda ha-Nasi wordt genoemd. En die van rabbi Akiva. Eveneens wordt rabbi Juda ha-Nasi (Juda de Prins) genoemd als uiteindelijke redacteur van de Misjna.
Overleven
Volgens de Joods-Amerikaanse schrijver Elie Wiesel (1928 – 2016) openbaart de Talmoed ons een fascinerende wereld die het volk van Israël de kans geeft – omdat het zijn taal en zijn ziel erin terugvindt – eeuwen van haat en geweld te overleven te midden van vijandige vreemdelingen. Hij zegt dat de Talmoed voor het Joodse volk een levende kracht betekent, en noemt het méér dan een boek, bibliotheek en levenswijze. ‘Het is de uitdrukking van een gezamenlijk geheugen dat niets verloren laat gaan, want niets wordt terzijde geschoven.’

Babylonische Talmoed (christipedia, wiki commons)
§2. ‘Alles staat erin.’
In Mijn liefde voor de Talmoed beschrijft Wiesel op geheel eigen wijze – zonder de pretentie een handboek of wetenschappelijk werk te schrijven – ‘portretten van rabbi’s, zieners, dromers en exegeten’. Veel (mythische) verhalen passeren de revue waarin zich ‘onzichtbare poorten openen naar oude schatten en tevens naar de meest actuele problemen’.
Deze Nobelprijswinnaar voor de Vrede (1986) laat hierin vooral zijn hartstocht zien als hij het heeft over de schoonheid, de rijkdom en de eenvoud van de Talmoed. Wiesel zegt dat ‘de verteller spreekt en niet de onderzoeker’. Om die reden noemt hij ook geen bronnen en geeft hij geen verwijzingen.
‘Talmoed’ betekent ‘studie’ of ‘onderwijzing’. Wiesel zegt dat als van de Tora gezegd kan worden dat zij geen begin heeft, men van de Talmoed moet zeggen dat hij geen einde heeft. De Talmoed is weliswaar beëindigd, maar het boek is niet afgesloten. De Joden willen hun werk blijvend voortzetten. De Talmoed is in de loop der tijd met duizenden boeken uitgebreid en dat gebeurt nog steeds. Volgens Wiesel is er altijd wel ergens een leermeester die er zijn bijdrage aan levert.
Sacrale dimensie
‘Een simpel voorval is niet simpel meer in de Talmoed. Een ruzie tussen kooplui en huisvrouwen krijgt er een sacrale dimensie. Zo eenvoudig ligt het: het alledaagse wordt opgetild. Zo werkt de Talmoed: niets is banaal of onbenullig; zelfs het geringste en minderwaardigste wordt verheven.’
Wiesel ziet de Talmoed als een geheimzinnig schild tegen vijanden, dat de Joden in de loop der eeuwen enige bescherming biedt. Vaak is geprobeerd – door ‘degenen die de joden haatten’ en ‘vijandige koningen’ – de Talmoed in diskrediet te brengen of te vernietigen. Er zijn ook pogingen gedaan om de teksten te weerleggen. Zo worden rabbi’s bijvoorbeeld gedwongen twistgesprekken te voeren met afvalligen. Ook worden decreten gepubliceerd die de Talmoed in de ban doen of die zelfs eisen dat deze in het openbaar zal worden verbrand. ‘Maar de Talmoed overleefde het,’ schrijft Wiesel, ‘dankzij het Joodse volk. Ongetwijfeld zou het Joodse volk zonder de Talmoed het grootste gedeelte van zijn wortels hebben verloren toen het werd verstrooid.’
‘Overal wordt [in de Talmoed] benadrukt dat de studie een geneesmiddel is tegen het kwaad, zoals het gebed dient als bescherming tegen ongeluk. Door het gebed heeft men invloed op God, zodat hij invloed kan uitoefenen op de gebeurtenissen die ons van nabij raken, maar door de studie betrekt men Hem bij allerlei discussies, waarin hij zich trouwens niet altijd van zijn beste kant laat zien. Zo gaat het nu eenmaal, en zelfs God kan er niets aan doen: in discussies die gaan over de uitleg van de wet, weegt het woord van de wijze zwaarder dan het visioen van de profeet. (…) ‘Blader door dit boek,’ zegt een wijze, ‘blader er goed door, want alles staat erin.’
§3. De Tosefta
De Tosefta komt veelal overeen met de Misjna en is in ongeveer dezelfde tijd geschreven. De Tosefta betekent ‘toevoegen’. Wetenschappers vragen zich af welke tekst er het eerst is, en wat dan het doel is van de tweede, en of beide teksten noodzakelijk zijn. Een van de ideeën hierover luidt dat de werken zich gelijktijdig ontwikkelen, maar toch onafhankelijk van elkaar zijn geschreven. In de Talmoed wordt de Tosefta toegedicht aan rabbi Hiyyah en rabbi Oshaya.
Volgens Sjef Laenen, auteur op het gebied van Joodse mystiek, is het grote verschil dat de Tosefta zeer veel tradities heeft overgenomen die in de Misjna niet te vinden zijn. In de Misjna staan geen esoterische onderwerpen. Die zijn wel in de Tosefta te vinden.
§4. De Talmoed en andere joodse boeken verboden
De Talmoed wordt in het verleden – vooral in christelijke kringen – niet altijd gewaardeerd en uit onbegrip bespot en belasterd. Onder de Franse koning Lodewijk IX (1214 – 1270) worden er Talmoed-verbrandingen georganiseerd. In de Middeleeuwen wordt de Talmoed gezien als ‘de enige echte verdorven Bijbel vol Joodse vergissingen’. In augustus 1553 oordeelt de Raad van Kardinalen – een adviesorgaan van de Rooms-Katholieke Kerk – dat de Talmoed blasfemie is en vaardigt de raad een bevel uit deze te verbranden. Op de eerste dag van Rosj Hasjana – het Joodse Nieuwjaar – worden exemplaren van de Talmoed verbrand op de Campo de Fiori in Rome. Later gebeurt dat ook in Bologna, Ravenna, Florence, Mantua, Urbino, Ferrara en in Venetië, het centrum van de Hebreeuwse boekdrukkunst.
In de tijd van Pius VI, die in 1775 aantreedt, ‘de ergste van zijn Joden hatende voorgangers’ genoemd, lijkt het alsof de Verlichting in de Pauselijke Staat – dat zich uitstrekte van Ancona naar het zuiden, en de Marken en Umbrië besloeg – nooit heeft bestaan.
Ten tijde van de Franse Revolutie (1789 – 1799) vindt er in Frankrijk een campagne van ‘ontkerstening’ plaats. Alle kerken worden gesloten en het belijden van de ‘bijgeloven’ in het openbaar wordt verboden. Eveneens moeten synagogen dicht. Het gebruik van de Hebreeuwse taal wordt verboden. In Straatsburg worden boeken verbrand. Siertorens van Tora’s en jads (de bladwijzers voor de Tora) worden omgesmolten. In Metz vernietigt men in het openbaar – en plechtig – Torarollen.
Cultureel doodvonnis
‘Het dragen van een geel embleem was verplicht, en opnieuw werden alle beroepen en ambachten behalve de kledinghandel verboden terrein voor de Joden. In Ancona mochten ze geen muziek- of dansles meer geven, twee van hun specialiteiten. Het bezit van Hebreeuwse boeken was verboden, laat staan het uitgeven of kopen ervan, en de sbirri, politieagenten, deden invallen en voerden karren vol boeken af, wat gelijkstond aan een cultureel doodvonnis.’
§5. Talmoed als encyclopedie, vraagbaak en discussieboek
In de documentaire De sleutel van het leven zegt Nathan Lopes Cardozo, een rabbijn in Jeruzalem, dat de ‘Talmoed de encyclopedie is van het Jodendom’.
‘Met dat verschil dat het volledig chaotisch is. Er is geen A, B, C, zoals we dat in een normale encyclopedie kunnen vinden. Het zijn gesprekken, discussies, die er niet om liegen tussen ongeveer 400 vroege rabbijnen tussen de jaren 100 en 500 die allemaal met elkaar in gesprek zijn, allemaal met elkaar in de clinch liggen en het bijna nergens over eens zijn. En die proberen om oplossingen te vinden voor de problemen van het leven. Voor Joden, maar ook voor niet-Joden. En dat doen op een manier die wij in het Westen helemaal niet kennen. Het is geen Grieks denken waar alles methodologisch wordt aangepakt, maar het is van de ene op de andere kant. Het houdt zich bezig met rechtsproblemen, schadevergoeding en gaat dan opeens over naar de vraag hoe een vrouw haar man kan verleiden in de slaapkamer.’
(Lopes Cardozo)
Volgens Wiesel behoort de Talmoed niet aan een enkel tijdperk, een enkele school of een enkele meester, maar weerspiegelt hij een veelheid aan ideeën, en oneindige verscheidenheid van interpretaties.
‘Zo kunnen dankzij hem twee tegenstanders weer bij elkaar komen en zich met elkaar verzoenen. In het rijk van de Talmoed vind je mildheid en striktheid, welwillendheid en strengheid, fantasie, nauwkeurigheid en overdrijving. (…) De Talmoed betekent vreedzaam samenleven, verdraagzaamheid, respect voor kennis en verbeelding, eerbetoon aan woorden en hun melodie.’
Ook vindt Wiesel dat de Talmoed een fascinerende wereld openbaart die het volk van Israël de kans geeft – omdat het zijn taal en zijn ziel erin terugvindt – eeuwen van haat en geweld te overleven te midden van vijandige vreemdelingen.
‘Onze genealogie is geen bloedlijn maar een tekstlijn,’ zeggen Amoz Oz en Fania Oz-Salzberger. Zij stellen dat het voortbestaan van de Joden altijd afhankelijk is geweest van gesproken en geschreven woorden, van een almaar uitdijend labyrint van interpretaties, debat en meningsverschillen, van een uniek menselijke verstandhouding.
‘Eigenlijk verrast iedere tekst,’ vertelt Jacob de Leeuwe. ‘Ik ben de laatste tien jaar van mijn carrière met natuurgeneeskunde bezig geweest. In de Talmoed staan verrassend veel kruiden waarvan nu bekend is dat ze geneeskrachtig zijn. Denk aan gember en kumar.’
De Talmoed en de vele andere boeken van het Jodendom laten een enorme verscheidenheid aan inzichten zien, en dat er niets niet gezegd mag worden. Niets wordt terzijde geschoven. Nathan Lopes Cardozo zegt over de Talmoed dat er gesprekken in staan, discussies, die er niet om liegen. Zij proberen zo oplossingen te vinden voor de problemen van het leven.
Geen vaste waarheid
Een voorbeeld hiervan ervaar ik in de kliniek, waar een Joodse cliënt over de Talmoed vertelt en hoe hij deze gebruikt. Hij slaat de Talmoed open als er zich problemen voordoen in zijn gezin, of bij zijn vrienden. Gezamenlijk wordt dan gezocht naar voorbeelden om het probleem dat zich voordoet naast de gevonden teksten te leggen. Hij gaat er vanuit dat er geen vaste waarheid bestaat, maar dat je samen, met behulp van regels, voorschriften, wetten en commentaren naar interpretaties kan zoeken. Dit helpt om allerlei problemen op te lossen.
Toch is er niet voor alle problemen een hulpmiddel. In deze tijd stapt een stijgend aantal jongeren uit de strenge ultraorthodoxe Joodse gemeenschap. Dat aantal wordt door het Israëlische bureau voor de statistiek geschat op ongeveer duizend per jaar. De ultraorthodoxe bevolkingsgroep zelf betreft ruim een miljoen mensen, gemeenschappen waarvan de een nog strenger is dan de ander. Volgens Dvori Marmurstein worden jongeren al veroordeeld om een te kleurig shirt. ‘Als ze ons niet zouden verstoten, maar omarmen, zou iedereen terugkomen’, zegt zij.
Zoals bij de meeste religies zijn er ook binnen het Jodendom ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’. Niet iedereen evolueert mee in de tijd. Er zijn moderne inzichten, zegt De Leeuwe in De sleutel van het leven. Hij vindt de Talmoed heel modern, heel open en dynamisch. ‘Er zijn rabbijnen van verschillende signaturen,’ zegt de Leeuwe. ‘En die staan lijnrecht tegenover elkaar. En dat is juist het mooie van het Jodendom: die multi-polariteit. De Talmoed niet letterlijk opvatten. Dat is juist in het Jodendom niet het geval.’ Stenigen bijvoorbeeld, moet je niet letterlijk nemen, vindt hij, omdat het een wijze van uitdrukking is. Bedoeld wordt geestelijk stenigen.
Jesjiva (Talmoedschool)
De Leeuwe bezoekt, samen met Lopes Cardozo een jesjiva. Er klinkt lawaai van jewelste. Druk wordt gediscussieerd en gereciteerd. Niemand is het met elkaar eens.
‘We zijn hier aan het discussiëren wat God nou eigenlijk op de berg Sinaï een paar duizend jaar geleden aan ons gezegd heeft,’ zegt een van de studenten.
‘Weten jullie dat nog steeds niet?’ is de vraag. Het antwoord is dat ze er inderdaad nog steeds over aan het discussiëren zijn.
‘En dat is precies waarom het Jodendom in leven is gebleven,’ zegt De Leeuwe. ‘Die discussie, het niet met elkaar eens zijn. Er moesten wel leefregels gemaakt worden: hoe met elkaar om te gaan. Maar het hele idee is die discussie door te zetten. En niet om een einde aan die discussie te maken. Sommige rabbijnen willen dat wel: zo is het en niet anders.’
In de jesjiva vertelt een student aan De Leeuwe de Talmoed te leren met vrienden. Zij bestuderen op dat moment de Sanhedrin. (Dat betekent ‘gerechtshof’, en gaat over de inrichting en samenstelling van de rechterlijke macht, getuigenverhoor en criminele rechtspraak.)
‘In de latere hoofdstukken van de Talmoed staan heel veel onderwerpen die de moderne mens raken. Over de Messiaanse tijd, de tijd van economische inflatie, ik wil de mensen laten pakken door wat in de Talmoed staat,’ zegt de student. Hij vindt dat die kennis die in de Talmoed staat – de manier van denken, de manier van zijn en mens-zijn – door iedereen gedeeld zou moeten worden. Dat moet doorgegeven worden.
Jacob de Leeuwe merkt op dat de Halacha nooit met de tijd is meegegaan. De Talmoed noemt hij in dit verband een boom met honderden takken, maar ‘wij zijn die boom gaan snoeien!’
‘Er blijft alleen een hoofdtak over. Maar het gaat om dat hele bladerdak. Al die verschillende manieren waarop we de Talmoed kunnen uitleggen. De Talmoed is geschreven voor de mens, zodat hij ermee kan leven. Niet om ermee dood te gaan. Het is dus heel modern, heel open, heel dynamisch. Dus die Halacha moet met de mensen meegaan. We moeten zelfs teksten toevoegen aan de Talmoed, omdat er modernere inzichten zijn.’
(De Leeuwe, in de Sleutel van het leven.)
De Midrasj Rabba
Het woord midrasj komt van het werkwoord ‘onderzoeken’, ‘uitleggen’ en ‘verklaren’. Eén enkele uitleg wordt midrasj genoemd. De midrasjiem (meervoud) hebben de vorm van leervoordrachten, preken, metaforen en parabels. Ze zijn geschreven vanaf de vijfde tot de vijftiende eeuw. Daarna verschijnen er verschillende bloemlezingen met midrasjiem, waarvan de bekendste JalkoetSjimoni (‘Verzameling van Sjimon’) is. Er wordt verondersteld dat het hier om Sjimon Hardasjan van Frankfurt gaat.
Een van de klassieke midrasjwerken is de Midrasj Rabba (‘Grote Midrasj’), een verzameling commentaren op de Vijf Boeken van Mosje en de vijf feestrollen). De teksten zijn van generatie op generatie doorverteld en uiteindelijk opgeschreven rond de vijfde eeuw. De feestrollen worden voorgelezen tijdens vijf feesten: Shir hasjirim tijdens Pesach, Roet bij het Wekenfeest, Eecha bij Tisja Beav, Kohelet bij het Loofhuttenfeest en Esther bij Poeriem. In de christelijke Bijbel worden zij respectievelijk genoemd: Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker en Esther. Het woord ‘feestrollen’ blijkt niet altijd zo vrolijk als het doet voorkomen. Bijvoorbeeld bij Eecha. Hierin worden de verwoestingen van de twee Tempels herdacht en andere rampen die het Joodse volk zijn overkomen. Ook de Midrasj Rabba is weer een voorbeeld van hoe voortdurend de geschiedenis van het Joodse volk wordt overgedragen aan steeds weer nieuwe generaties.
De Misjnee Torah
Maimonides (1135-1204) is een belangrijke figuur, na Mozes en Rabbi Akiva denkelijk de derde grote leraar, in de twaalfde eeuw. Hij is geboren in Cordova in Spanje en na omzwervingen terechtgekomen in Fosfat (oud-Caïro.) Zijn vader is Talmoedgeleerde, en als deze komt te overlijden, vat Maimonides het plan op om zowel Joden als niet-Joden te laten zien dat geen Leer zo verheven is als de Tora. Volgens Maimonides is ‘de Tora vanuit de hemel geopenbaard. Dat betekent dat de gehele Tora die wij nu in handen hebben de Tora is die aan Mosje wordt geschonken en dus in haar geheel uit ‘Gods mond’ afkomstig is’.[1]

Maimonides merkt dat er behoefte is aan een leerboek, waarin alle bepalingen die in de Talmoed verspreid voorkomen, overzichtelijk en duidelijk samengebracht worden. Zo kunnen zijn leerlingen voorbij gaan aan de moeilijke redeneringen in de Talmoed.
Zijn werk, de Misjneh Torah, wordt in de Joodse geschiedenis gezaghebbend genoemd. Het is zowel een herhaling als samenvatting van de Tora, ook wel de Tweede Tora genoemd. In het voorwoord ervan zegt Maimonides dat dit boek bedoeld is om de hele voorafgaande onoverzichtelijke halachische literatuur overbodig te maken. De Misjneh Torah is een vervolg op Maimonides’ Boek der Geboden waarin hij een compleet overzicht geeft van de gehele Halacha.
De Halacha – waarin de onveranderbare 613 mitswot (geboden en verboden) zijn opgenomen – is de benaming voor het volgen van de juiste levenswandel, het juiste gedrag, en is vooral te vinden in de rabbijnse literatuur en de Tanach. Het handelt over het toepassen en interpreteren van de Tora. Om de Halacha te leren, te praktiseren en te onderwijzen wordt ook in deze tijd soms naar Maimonides verwezen, ook wel de ‘belangrijkste rabbijn uit het post-Talmoedisch jodendom’ genoemd. De beste manier zou zijn – en dat beval Maimonides dus zelf ook al aan in zijn boek om de Halacha te leren begrijpen – is om de Misjneh Tora te bestuderen. En dan ook nog zowel na als tegelijk met de bestudering van de Tanach.
Het woord Halacha (‘gaan’) duidt ook op de levensweg die de Joodse mens dient te af te leggen. Halacha is de totaliteit van wettelijke voorschriften uit de Tora en de Talmoed en ook de latere daarop gebaseerde bindende rabbinale uitspraken. Over de Halacha wordt gezegd dat dit ‘altijd het belangrijkste voertuig is van de Joodse traditie, dat het een manier van leven verschaft met een sterke samenbindende kracht, een beschutting tegen een vaak vijandige buitenwereld en veel mogelijkheden om uitdrukking te geven aan de trouw van het Joodse volk en de traditie’.
De Kabbala
§1. De Zohar
Er wordt gezegd dat geen boek, na de Talmoed, zo veel invloed heeft op alle aspecten van het Joodse leven als de Zohar. Deze wordt beschouwd als een kabbalistische (Joods-mystieke) midrasj van de Tora, en maakt onderdeel uit van de verzameling commentaren op de Tora. De Zohar wordt ook wel geduid als het hoofdwerk van de Kabbala. Volgens de traditie wordt geadviseerd de Kabbala pas te bestuderen, na ingevoerd te zijn in de Talmoed, en na het veertigste levensjaar.
De Kabbala wordt door Mosje als onderdeel van de Tora ontvangen (het werkwoord ‘k b l’ betekent: ‘ontvangen’, en is sinds de Middeleeuwen de naam voor de Joodse mystiek.) Het zou slechts aan enkele Wijzen zijn doorgegeven. Door ‘G’ddelijke genade’ worden geheimen onthuld en uiteindelijk opgenomen in de Zohar (13e eeuw.) Men vermoedt dat de schrijver en samensteller ervan de Spaanse kabbalist Mozes de Leon is, maar die noemt de beroemde Misjna-geleerde en mysticus Sjimon bar Jochai (2e eeuw) als auteur, waarschijnlijk naar het gebruik om een geschrift gezag te geven door het toe te schrijven aan een gezaghebbend persoon. Bar Jochai wordt ook wel als de grondlegger van de Kabbala gezien.
Als een van de fundamentele werken van de Kabbala wordt het traktaat Sefer Yetsira (het Boek van de Schepping) genoemd. Het wordt ‘volgens de meeste geleerden’ zelfs aan aartsvader Abraham wordt toegeschreven, en zou de essentie van de Kabbala bevatten, ‘de Geheime Leer der Joden’. Het is gebaseerd op de geheime leer van de kosmogonie, over het ontstaan van het heelal, en de kosmologie, dat zich bezighoudt met de oorsprong en de evolutie van het heelal. De Sefer Yetsira is waarschijnlijk in de tweede of derde eeuw samengesteld.
Mystieke kennis
De Kabbala zou als gids bedoeld zijn voor degenen die de bron van hun ziel willen bereiken, en wordt gezien als mystieke kennis, ‘verborgen wijsheid’, binnen het Jodendom. Het is de studie van goddelijke inspiratie en profetie en wordt een weg genoemd om God te benaderen en Hem trouw te blijven.

Sefer Yetsira, eerste druk, Mantua 1562 (Joods Historisch Museum, Amsterdam, foto: PD)
Het gaat in de Kabbala ook om ‘Gods uniciteit, Voorzienigheid en wereldleiding’, en hoe de mens de wereld kan verbeteren door de geboden en verboden uit de Tora na te leven.
Juliaan van Acker, emeritus hoogleraar orthopedagogiek aan de Radbouduniversiteit Nijmegen noemt de Kabbala in 2017 meer dan ooit noodzakelijk: ‘De Joodse mystiek biedt de diamanten die het leven op deze aarde draaglijk kunnen maken’.
‘Joodse denkers en talmudexegeten zoeken al meer dan duizend jaar naar de antwoorden op bovengenoemde essentiële vragen [over de zin van het leven]. Dat heeft geleid tot de Kabbala, een Joodse mystiek die zich onderscheidt van een christelijke mystiek doordat het geen vorm is van extase, maar een intellectueel en karaktervormend proces’.
De geschiedenis leert dat in de 16e eeuw jonge kabbalisten woonden in Tzfat (Safed), een stad in de bergen van Galilea – het ‘thuis van een gemeenschap van kabbalistische mystici’. Het zijn volgelingen van de nieuwe wijzen als kabbalist Mosjee Cordovero, schrijver van een boek over ethiek: De palm van Debora – in de 16e eeuw voor het eerst gepubliceerd in Venetië. De naam van het boek is ontleend aan het verhaal van Devorah de Profetes in Sjoftiem (Richteren 4:5.) Ook schreef Cordovero De granaatappelboomgaard (Pardes Rimoniem), een rationele interpretatie van de Zohar, gebaseerd op een vers uit het Hooglied.
§2. De kabbalist
In de roman De kabbalist van Geert Kimpen zijn omschrijvingen te vinden die aanzetten tot meer verdieping in wat de Kabbala inhoudt. Een eenduidig antwoord op de vraag wat de Kabbala dan inhoudt, is echter niet zomaar voorhanden. Als je zoekt naar omschrijvingen en betekenissen van de Kabbala stuit je op zeer uiteenlopende informatie.
In De kabbalist wil een jonge student, Chaim Vital, de Kabbala toegankelijk maken voor de mensheid en zijn inzichten helder op papier zetten. Voordat hij zo ver is, heeft hij echter vele bedenkingen over de Tora en dan vooral over de vele commentaren erop. Hij vindt het vreemd dat er geen consensus te vinden is over ‘nog maar het geringste vers uit de Vijf Boeken van Mosje’. Chaim heeft het idee dat iedereen elkaar probeert te overtroeven met het schrijven van de dikste boeken met de vaagste interpretaties.
Uiteindelijk werpt hij zich toch met hartstocht op de studie van de Kabbala, op zoek naar concrete antwoorden. Geert Kimpen zelf zegt hierover dat de Kabbala het antwoord heeft op alle grote vragen van de mensheid, maar dat ‘tot 1600’ alleen de mystici de antwoorden kunnen begrijpen.
Het universele principe van het heelal
‘Chaim Vital, een jongeman in De kabbalist, moet kiezen tussen ultieme wijsheid en ultieme liefde. Hij is de zoon van de beroemde Toracommentator Yosef Vital en in het boek volg je de eigenzinnige en boeiende zoektocht van Chaim, die al zijn vrije tijd besteed aan de studie van de Kabbala. Hij wil er God mee leren kennen, meer nog, Hem ontmoeten. En ook wil hij de grootste kabbalistische schrijver aller tijden worden. Door de Kabbala wil Chaim onder meer de wetten, het universele principe, van het heelal leren kennen.’
§3. De Talmoed en de huidige wetenschap

Videostill: Metratron | Leo Villareal | New York, 2002 | Gloeilampen, plexiglas, elektrische hardware | ‘De vorm van dit lichtsculptuur is geïnspireerd op een geometrisch patroon uit de oudheid, ook wel de ‘kubus van Metratron’ genoemd. Volgens sommigen zou het een blauwdruk van het universum zijn.’
(Joods Historisch Museum – Videostill: PD)
Als Chaim Vital, de hoofdpersoon in de roman De kabbala, zich in de Talmoed zou verdiepen, zou hij al iets van het heelal weten, nog voordat de huidige wetenschap dit bevestigt. In Berachot (Zegenspreuken), het eerste traktaat in de Talmoed, staat dat het heelal veertien quadriljoen sterren telt. Dit blijkt overeen te komen met de huidige astronomische wetenschappen. Een bijzondere overlevering, waarvan De Leeuwe zegt dat het ‘een wijsheid is die indertijd op de een of andere manier geopenbaard moet zijn’.
Zo gaat het volgens De Leeuwe die de vertaling van de Berachot afrondt in 2012, veelvuldig. Dat je in de Talmoed leest over zaken die later bewezen worden in de moderne wetenschap.
Water uit het ‘uitspansel’
Een ander frappant voorbeeld uit de Talmoed, is in de Taäniet (Vastendag) te vinden, eveneens een traktaat in de Talmoed. Hierin wordt vermeld dat er dagelijks 600.000 ton water in de atmosfeer terecht komt – niet uit de wolken, maar uit het ‘uitspansel’. Waarschijnlijk wordt dat in dit traktaat beschreven omdat de voorschriften van de vastendag worden verbonden met het oog op (uitblijvende) regen en andere weersomstandigheden. Bijzonder is in dit verband de ontdekking van de Nederlandse sterrenkundige J.H. Oort, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, dat vlak buiten ons zonnestelsel dagelijks miljarden meteorieten verdampen en als water in onze dampkring terechtkomen. De hoeveelheid blijkt 600.000 ton water te zijn.
De Leeuwe publiceerde zijn vertaling van de Taäniet in 2015 en sprak hierbij over het ‘watermanagement van Onze Lieve Heer’. ‘Water is een sleutel tot het leven,’ zo citeert hij de Talmoed.
De Sjoelchan Aroech
Dit boek (‘gedekte tafel’) – evenals de Misjnee Tora halachische literatuur – wordt als een van de belangrijke boekwerken genoemd naast de Tora en de Talmoed en de werken van Maimonides. Hierin staan de Joodse leefregels, die over de hele wereld door de orthodoxie worden erkend als de gezaghebbende ‘codificatie’, dat wil zeggen gerangschikt en gesystematiseerd. Het is geschreven door Rabbijn Josef Karo en verscheen rond 1500 n.C.
Deze ‘encyclopedie voor het hele Joodse leven’ is in 2006 in verkorte versie verschenen als Kitsoer Sjoelchan Aroech, en in het Nederlands vertaald door Rabbijn Evers voor een breed publiek. Volgens Evers is deze ‘verkorte versie van de Joodse codex’, waarvan Rabbi Sjlomo Ganzfried (1804-1886) de auteur is, een ‘typische neerslag van eeuwenoude discussies over de Joodse levenswandel’. Het vormt een combinatie van de letter en van de geest van de Joodse wet, en is het resultaat van onderzoek van de Geschreven Tora en een diepgaande analyse van de Mondelinge Leer. Evers zegt hierover:
‘Volgens het Talmoedische gezegde, dat men ‘de leerlingen altijd in zo kort mogelijke bewoordingen moet onderwijzen’, heeft Rabbi Sjlomo Ganzfried die voorschriften overgeslagen die niet iedereen dagelijks nodig heeft. Daarom zijn ingewikkelde regels, zoals de voorschriften van het schrijven van Sefer Tora (Tora-rol) of vermengingen van melk en vlees en de bouwvoorschriften van de rituele baden, weggelaten. De gedachte hierachter is dat deze zaken toch alleen door gespecialiseerde Rabbijnen worden gepaskend (beslist).’
De Haggada
Binnen de Halacha – voorschriften uit de Tora – is ook niet-halachisch materiaal in te vinden: de Haggada (‘verhaal’ of ‘vertelling’, meervoud: Haggadot.) Ze gaan over alles wat ‘niet-halachisch’ is, zoals folklore, theologische beschouwingen, parabels, legenden, mythisch aandoende verhalen en ethische anekdotes.
De Halacha is te omschrijven als ‘zijnswijze’ en de Haggada als ‘zienswijze’. De Haggada is het verhalende gedeelte – waarin altijd een moraal aan is verbonden – van de Halacha.
De eerste Haggadot verschijnen al kort na de uitvinding van de boekdrukkunst.
Een voorbeeld van een Haggada is het verhaal van de uittocht uit Egypte, beginnend bij de voorbereiding tot de uittocht zelf. Het wordt voorgelezen tijdens Pesach, wanneer de bevrijding uit Egypte gevierd wordt. De Haggada behandelt de volgorde van de maaltijd en geeft er uitleg over. Op bijgaande foto ligt bij elk bord een Haggada. Volgens Emile Schrijver, conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana, is dit het meest geïllustreerde Joodse boek in de geschiedenis. Elders wordt de Haggada een van de meest populaire joodse boeken genoemd.

Responsa-literatuur
De Talmoed wordt officieel afgesloten rond 500 n.C. maar sindsdien blijft de stroom commentaren doorgaan. De Talmoed is eigenlijk nooit af. Dat komt ook omdat er nog altijd kwesties ontstaan waarop geen antwoord is te vinden in de Talmoed. Dat heeft te maken met het ontbreken van centraal gezag op religieus gebied en met veranderende levensomstandigheden die nieuwe vragen uitlokken. Er zijn vele meningen over vele kwesties en die worden alle te boek gesteld. Daardoor verschijnen er allerlei responsa-bundels (Sjeëlot oetesjoevot (‘vragen en antwoorden’.) Een ervan, ‘alom geprezen’, verscheen in 1712 en heeft als titel Chacham Zwi, van de hand van de Amsterdamse rabbijn Tswi Hirsch ben Jacob.
Sinds 1963 wordt de responsa-literatuur verzameld in The Global Jewish Database: Het Responsa-project, waarin honderden responsa-boeken zijn te vinden, voor iedereen toegankelijk, ook voor wetenschappers op seculier gebied, die daarmee toegang hebben tot het gehele Joodse leven in al zijn facetten.
Geschiedenis van de joodse vrouw
De Joodse vrouw speelt een aparte rol binnen het ‘draagbare’ Jodendom. Letterlijk apart, want vanaf de eerste eeuwen waarin het Jodendom zich ontwikkelt, is zij lange tijd niet welkom in geleerde kringen. Wel wordt over de vrouw geschreven. Zo staan in de Talmoed onder meer regels over het huwelijkscontract en andere zaken uit het burgerlijk recht; over hoe te handelen bij overspel. Hierbij wordt de wetsbepaling expliciet beschreven als: ‘Een vrouw, verdacht van overspel’, en wordt er verwezen naar het vierde boek van de Tora, Numeri 5:11. (Numeri wordt ook wel Bemidbar genoemd of Numberi.) Dit hoofdstuk in de Talmoed is getiteld: Nasjiem (= vrouwen.)
Na de Tweede Joodse Opstand tegen de Romeinse overheersers (135 n.C.) ontstonden in de diaspora joodse gemeenschappen. De joden waren hun thuisland kwijt, maar ze hadden wel hun geleerdheid en hun boekrollen. Vrouwen mochten niet meedoen, geleerdheid was een mannenzaak, met de verwijzing naar de Jeruzalemse Talmoed. Die zei immers in Devariem over de woorden: ‘Prent ze uw zonen in.’
Vergeet dat het Bijbelse Hebreeuws ‘kinderen’ kan bedoelen bij gebruik van de inclusieve mannelijke meervoudsvorm. De Talmoedisten hadden geen boodschap aan een alternatieve grammatica. ‘Uw zonen,’ benadrukt rabbi Simon, niet ‘uw dochters’.’
Vrouwen zwegen niet
De geschiedenis leert dat vrouwen in ieder geval niet zwegen. In de Talmoed staat dat van de ‘tien maten spraak die de wereld kreeg toebedeeld, de vrouwen er negen hebben genomen’.
Toch, in de vroegmoderne tijd (tussen ong. 1500 en 1800 n. C.), hebben zij in de Joodse gemeenschappen ‘in oost en west’ geen toegang tot de kringen van de geleerden en worden zij door de wet gediscrimineerd. Vrouwen moeten thuisblijven en zijn ondergeschikt aan de man. Bovendien staan zij lager in aanzien en mogen ze zich niet in het openbaar uitspreken. Vanwege hun menstruatiecyclus worden zij periodiek als onrein beschouwd. Dat is de reden dat zij geen heilige ambten mogen betrekken en ook niet studeren.
Tegen het eind van de middeleeuwen treedt er ‘op veel plaatsen in de diaspora wel verbetering op in hun maatschappelijke positie en krijgen vrouwen toegang tot onderwijs. In Sefardische gemeenschappen [Joden afkomstig uit Spanje en Portugal] van na het Spaanse Edict van Verdrijving van 1492, kunnen veel vrouwen lezen en schrijven en laten ze schriftelijke getuigenissen na. Ook in Midden- en Oost-Europa was de maatschappelijke positie van de vrouwen beter dan in de tijd van de Talmoed (tussen ong. 500 en 1000 n. C.)’.
Boeken worden pas veel later bereikbaar voor vrouwen. Ze zijn vrijwel alleen te vinden op plaatsen waar de mannen zich doorgaans ophouden, zoals in synagogen en leerhuizen, waar de vrouwen niet mogen komen. De geschiedenis van de Joodse vrouwen staat volgens jodenenwoorden ‘dus in rechtstreeks verband met de materiële geschiedenis van het boek. In veel delen van Europa worden boeken uiteindelijk steeds makkelijker beschikbaar en betaalbaar, al voor de uitvinding van rabbi Gutenberg in Mainz en daarna helemaal’. (Gutenberg vindt rond 1445 de drukpers uit.)
‘Toen boeken eindelijk in huis gehaald konden worden, leidde dat tot drie grote veranderingen: in de organisatie en rituelen van het huisgezin, in de aard en genres van boeken, en in de vrouwen zelf, die eindelijk toegang kregen tot het geschreven woord.’
Dit blijkt ook uit veel documenten (brieven, testamenten en verzoekschriften) die mogelijk door vrouwen zijn geschreven of gedicteerd. Deze vindt men eind negentiende eeuw bij toeval in een geniza (opslagruimte in een synagoge.) Men stuit op honderdduizenden Hebreeuwse boekrollen, perkamenten, boeken en tekstfragmenten die tot dan toe als verloren gelden of zelfs onbekend zijn.
Het anders draagbare Joodse vaderland
Er bestaat ook een andere vorm van draagbare geschriften. De Israëlitische-Judese klasse van priesters en schriftgeleerden gebruiken – rond de vijfde eeuw v.C. – draagbare geschriften in gestandaardiseerd alfabetisch Hebreeuws. De bedenkers van de Israëlitische boekreligie willen de Tora overal met zich meenemen en laten zien, maar ook beschikbaar laten zijn in miniatuurvorm, op bezittingen en personen.
Zo wordt, om de Tora in het klein bij je te hebben – ook als bescherming – de zogenaamde mezoeza bedacht. Het betekent ‘deurpost’. Die stamt uit de tijd van Mosje, waar in het de gewoonte werd om op deurposten teksten uit de Devariem te schrijven. Die traditie bestaat al eeuwen om die teksten in een kokertje aan de deurpost te bevestigen. Voor sommige Joden is dit essentieel.

‘Sjema: Hoor!’
In de kliniek ontvang ik een Joodse cliënte die voor behandeling wordt. Ze is blij met de eigen kamer die zij krijgt, maar het eerste wat zij doet, is een mezoeza uit haar tas halen, met de vraag of zij deze op de deurpost mag plaatsen. Het is geen vraag, want zonder de mezoeza wil en kan ze geen gebruik maken van de kamer. Ze vindt het belangrijk mij uit te leggen dat in het kokertje een tekst uit de Tora zit. Het blijkt een ‘wachtwoord’ van het Joodse geloof te zijn, ‘Sjema’, hetgeen ‘Hoor!’ betekent en daarmee begint een vers uit de Devariem, waarin de aanbeveling staat om de woorden van God op de deurpost te schrijven.)
Een ander voorbeeld om de Tora dicht bij je te dragen, zijn de tefilien. Dat zijn gebedsriemen waarmee je heilige woorden op je lichaam kan binden. Ze worden gebruikt bij het ochtend- of middaggebed, alleen niet op de sjabbat of feestdagen. Ze bestaan uit twee kleine doosjes, ook wel ‘huisjes’ genoemd, waaraan lange riemen zitten. Daarmee kan je de doosjes op het voorhoofd of op een arm binden. De tekst in de tefilien, ook uit de Devariem, luidt: כוּכְתַבְתָּ֛ם עַל־מְזוּז֥וֹת בֵּיתֶ֖ךָ וּבִשְׁעָרֶֽיךָ: ‘Gij zult deze mijn woorden in uw hart en in uw ziel leggen; gij zult ze tot een teken op uw hand binden en zij zullen een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn’.

Jongen met gebedsriemen (Pixabay)
Daarnaast bestaat er de zogenaamde talliet. Dit is een gebedsmantel van wol – omdat God gezien wordt als ‘herder van Zijn schapen’. Er zitten tzitzit (gebedskwastjes, als zegenbede) aan vast, aan de vier hoeken ervan. Het is de gewoonte dat, als de Sefer Tora (de geschreven Tora-rol) in de synagoge heen en weer wordt gebracht, voor- en nadat eruit wordt gelezen, de gelovigen de ingepakte rollen met een kwastje van hun gebedsmantel aanraken en kussen.

Mezoeza’s, gebedsmantels en tefilien geven naast de vele geschriften, zo extra mogelijkheden om zowel de eigen identiteit te versterken als de Tora in de wereld uit te dragen. Het zijn voorbeelden van een (letterlijk draagbaar) vaderland omdat ze delen van geschriften – hoewel de teksten kort zijn – dragen, die joden herinneren aan de oorspronkelijke geschriften. Zij dragen hun vaderland zo letterlijk bij zich, overal in de diaspora, en die werken tevens sterk bij aan de joodse identiteit.
Veel joden hebben er (in deze tijd toenemend) last van dat zij laten zien wie zij zijn: zij dragen hun vaderland zichtbaar uit en met zich mee.
Niet-Joden en de Tora
Het is mogelijk om een noachitische eed af te leggen waarmee je belooft je te zullen houden aan zeven basisregels die gelden voor alle mensen (in de Talmoed ‘benee Noach’ genoemd, ofwel ‘nakomelingen van Noach’.) Dit betreft het verbod op afgoderij in al haar vormen, op godslastering, op moord, op diefstal, op seksuele immoraliteit en op het eten van een deel van een levend dier. Tevens betreft het het gebod om rechtbanken in te stellen.
De Joden stellen dat deze noachitische geboden (een wet in de Tora voor niet-Joden), gelden voor de hele mensheid. De gedachte hierbij is dat alleen als iedereen, Jood en niet-Jood, zich aan deze zeven geboden houdt, een goede samenleving mogelijk is. Een slagzin hierbij luidt: ‘Keep the seven, go to heaven’, en komt van de Joodse Chabad-beweging, een Joodse chassidische groepering. Chabad staat voor wijsheid, geloof.
Komende Wereld
Volgens Maimonides, in de Misjnee Tora, Hilchot Melachiem 8, Halacha 11, definieert de Tora algemene gedragsregels: ‘Wie zich aan deze leefregels houdt omdat hij ze logisch vindt, wordt een chacham oemot haolam (niet-Joodse wijze) genoemd. Wie ze doet omdat ze door de Eeuwige gegeven zijn, heet een chassied oemot haolam (niet-Joodse getrouwe) en heeft deel aan de olam haba (Komende Wereld.)’
De eed en de genoemde algemene gedragsregels bevestigen de gedachte dat het ook voor niet-Joden de moeite waard is om kennis te nemen van de Tora en misschien nog wel meer van de Talmoed. Niet alleen vanwege de vele uiteenlopende onderwerpen die er in te vinden zijn, maar vooral ook vanwege de grote verscheidenheid aan visies, aan inzichten en aan meningen. Niet-Joden kunnen uitgebreid inzichten verzamelen uit de kennis die erin opgenomen is. Dat komt volgens het Jodendom ook de samenleving ten goede. Er is wijsheid in de Tora en de Talmoed te vinden waar alle mensen zich aan kunnen laven. Die inzichten en wijsheid zijn een waardevolle aanvulling op de nogal kil en kort beschreven zes noachidische verboden en een gebod: niet bepaald stimulerend geformuleerd voor niet-joden.
Over wat alle mensen aangaat
Met de Joodse literatuur kunnen de gojiem hun voordeel doen. Het bevat immers informatie en gedachtegangen – waar Wiesel al naar verwijst in Mijn liefde voor de Talmoed: over wat alle mensen aangaat, zoals ethiek; omgang met mensen; omgang met bezittingen; erfrecht; leefregels; literatuur; astronomie; kunst; akkerbouw en omgang met de oogsten; omgang met minderbedeelden; schulden en kwijtschelden; civiel en crimineel recht; reinheid; huwelijk en echtscheiding; het Kwaad; de rechterlijke macht; over leefwijzen; hoe oplossingen te vinden voor de problemen van het leven; en geboden en verboden om de wereld te verbeteren.
Samenvatting, eindconclusie en reflectie
Samenvatting
Er is zeer veel geschreven ten bate van het ‘draagbare Joodse vaderland’. Om te beginnen verschijnt de Tora (De Wet), later door Mosje op schrift gesteld. Hierop verschijnen vele commentaren, want de Tora leidt tot een permanent debat tussen vele generaties, dat nog altijd voortduurt. Schriftgeleerden en profeten verzamelen en beschrijven herinneringen, mondelinge overleveringen, folklore en teksten. Die leiden tot nog twee afdelingen Neviiem (Profeten) en de Ketoeviem (Geschriften.) De drie afdelingen bijeen vormen de Tanach.
De Talmoed is één groot commentaar op de Tora, opgebouwd uit de Misjna en de Gemara. De Talmoed is echter nooit af. Ook na de beëindiging ervan gaan de discussies door. In deze dagen verschijnen er nog altijd commentaren, en officiële inzichten krijgen hun plaats in aanvullende boeken.
De Midrasj Rabba is een verzameling commentaren op de Vijf Boeken van Mosje, en devijf ‘feestrollen’. De teksten zijn van generatie op generatie doorverteld en uiteindelijk opgeschreven rond de vijfde eeuw van onze jaartelling.
Andere boeken verschijnen, zoals de Tosefta, die veelal overeenkomt met de Misjna. Daarin zijn esoterische onderwerpen te vinden die niet in de Misjna staan.
Het boek de Misjnee Tora (Tweede Tora), komt uit in de twaalfde eeuw. Het is een herhaling en een samenvatting van de Tora. De Misjnee Tora biedt een compleet overzicht van de Halacha, de wettelijke regeling voor de dagelijkse levenspraktijk.
De Torarollen, de Talmoed en andere Hebreeuwse boeken hebben in de loop der tijden te lijden van onderwaardering en bespotting, tot aan verbranding toe. Maar de boeken overleven de geschiedenis. De veelheid van ideeën en de oneindige verscheidenheid van interpretaties, onder meer in de Talmoed, gaan niet verloren. Integendeel, er worden nieuwe ideeën verzameld en er komen nieuwe interpretaties bij. De taal en de ziel van het volk van Israël blijven behouden.
De Zohar is een kabbalistische uitleg van de Tora, en verschijnt in de dertiende eeuw. Het wordt gezien als mystieke kennis, de ‘verborgen wijsheid’ binnen het Jodendom.
De Sjoelchan Aroech (16 eeuw) is, net als de Misjnee Tora, halachische literatuur en wordt gezien als een van de belangrijkere boekwerken naast de Tora, de Talmoed en de werken van Maimonides. Hierin staan de Joodse leefregels. Er verscheen een korte versie van in het Nederlands, de Kitsoer Sjoelchan Aroech.
Niet-halachische werk zijn de Haggadot. Hierin staan dus geen wetten of voorschriften. In deze boeken zijn verhalen opgenomen, uit de mondelinge en schriftelijke Tora, over allerlei folklore, theologische beschouwingen, parabels, legenden, mythisch aandoende verhalen en ethische anekdotes.
De Responsa-literatuur bestaat uit responsa-bundels waarin commentaren staan op kwesties waarover in de Talmoed – officieel afgesloten rond 500 n.C. – geen antwoord is te vinden.
De Joodse vrouw speelt wel degelijk een rol binnen het ‘draagbare’ Jodendom. Apart, want vanaf de eerste eeuwen waarin het Jodendom zich ontwikkelt, is zij lange tijd niet welkom in geleerde kringen. Haar ‘aparte’ rol is letterlijk apart: afgescheiden van de mannen. Vrouwen mochten immers niet meedoen. Zie bij Geschiedenis van de joodse vrouw.
Basisregels gelden voor alle mensen
Niet alleen vanwege de vele uiteenlopende onderwerpen die in de Talmoed te vinden zijn, maar vooral ook vanwege de grote verscheidenheid aan visies, aan inzichten en aan meningen, kunnen niet-Joden uitgebreid inzichten verzamelen uit de vele kennis die erin opgenomen is.
Bijzondere andere vormen van het draagbare Jodendom, zijn attributen als de mezoeza, gebedsriemen en gebedsmantels.
Ten slotte klinkt er een mooie gedachte in het Jodendom door dat als iedereen, Jood en niet-Jood, zich houdt aan de zeven basisregels die gelden voor alle mensen, een goede samenleving mogelijk is.
Eindconclusie
In de diaspora hebben de vele geschriften van de Joden hen eeuwenlang inderdaad een onmisbare structuur en samenhang gegeven. Zij zorgen ervoor dat, hoezeer zij ook gedwongen worden tot verspreiding over de aardbol, een gedeelde Joodse identiteit nog altijd kan voortbestaan. Ondanks de vele vervolgingen, bedreigingen en verstrooiing, door de vele eeuwen heen vanaf 3300 v. C., en culminerend in de verschrikkingen in WOII, de Holocaust.
Dit verkennende literatuuronderzoek bevestigt mijn vermoeden dat er in de Tanach, maar vooral ook in de andere boeken, zoals de Talmoediem, uitgebreid houvast voor de Joden te vinden is. Deze kleine queeste heeft mij laten zien hoeveel moois er aan literatuur te vinden is, niet alleen op het gebied van geloof in God, maar ook wat betreft kennis van wereldse zaken tot aan het heelal toe. Ook die meegedragen kennis biedt de Joden door de eeuwen heen houvast en structuur.
Het valt op dat er veel verschillen van meningen en inzichten te vinden zijn in het joodse denken. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat alle commentaren – en commentaren op commentaren – vrijwel altijd toegevoegd in de verschillende werken om de ‘levende discussie’ gaande te houden waaraan de Joden zo aan gehecht zijn. ‘Het Joodse discours schommelt voortdurend tussen het formuleren van een gezaghebbende canon en het bevorderen van open debat.’
Het illustreert tevens de behoefte aan steeds weer nieuwe wetsregels omdat er in het dagelijks leven van de Joden voortdurend veranderingen plaatsvinden.
Talmoed betekent ‘uitwisseling’
Literatuuronderzoek laat zien dat binnen het Jodendom alles aan de orde mag komen: iedereen mag en kan stellig voor zijn mening uitkomen. Discussies over alle onderwerpen mogen er heet aan toegaan. Daardoor bieden ze een opening om er over na en door te denken. De discussie blijft altijd open. Over wetten mag eveneens van gedachten gewisseld worden. Telkens wordt de huidige tijd erbij betrokken, dat wil zeggen dat regels aangepast moeten en kunnen worden aan nieuwe ontwikkelen in het menselijk bestaan en de wereld om hem heen.
Elie Wiesel zegt hierover dat ‘Talmoed ‘uitwisseling’ betekent ‘en (enige uitzonderingen daargelaten) ‘wederzijds respect’; dat wil zeggen: eerbied voor de ander: de meningen van de verliezende minderheid worden er evenzeer vastgelegd als die van de winnaar.’
‘Het gaat de Talmoed niet alleen om de uitkomst van de discussie, om de beslissing. Misschien is het debat zelf nog wel belangrijker, de argumenten voor en tegen, de meningen die soms lijnrecht tegenover elkaar kunnen staan en toch allebei even valide zijn. (…) “De uitspraken van beiden zijn woorden van de levende God”, zegt de Talmoed ergens over twee tegengestelde interpretaties van de Bijbeltekst.’
‘De Talmoed kan niet worden getypeerd als een verzameling fraai klinkende gedachten of ideeën. Integendeel. Alle menselijke vragen komen vanuit verschillende gezichtspunten ter sprake. Religie, ethiek, recht, ritueel, meerderheidsbesluiten en minderheidsstandpunten, eigendomsrecht, strafrecht of echtscheiding, alle vragen van het leven zijn bespreekbaar.’
De eerder genoemde ‘levende discussie’ over de vele geschriften draagt duidelijk bij aan de structuur en samenhang van het Joodse volk, niet in de laatste plaats doordat er hierdoor een voortdurende intensieve interactie tussen de joden plaatsvindt dat de onderlinge band versterkt. Die vorm van communicatie is van onschatbare waarde voor de joodse identiteit.
Dichter en schrijver Heinrich Heine heeft dus zeker een punt als hij het heeft over het draagbare Joodse vaderland en de relevantie ervan. En sinds 1948 is er de hoop dat het ‘draagbare vaderland’ zeker ook de structuur zal bieden aan het nieuwe werkelijk bestaande vaderland dat Israël heet, zoals het in de vele eeuwen na Mosje al heeft laten zien.
Reflectie
Het is waar als Wiesel zegt dat je je niet moet laten ontmoedigen door de vele termen in de Talmoed, ze verwijzen naar de verscheidenheid van het talmoedisch oeuvre. Hij erkent de verwarring die kan ontstaan als je kennis maakt met de botsingen tussen ideeën, als je de vele citaten leest en de argumenten en tegenargumenten. Volgens hem ga je de verbindingen uiteindelijk vanzelf ontdekken.
Als katholiek-opgevoed is voor mij het eerste kennisnemen van de Talmoed en de Kabbala een bijzonder gebeuren. Een eerste blik op de inhoud uit de Talmoed geeft de indruk van redelijke toegankelijkheid. Boeken over de Kabbala vind ik moeilijk te begrijpen, laat staan de Kabbala zelf. Ik hou me aan de Joodse aanbeveling dat je je eerst in de Talmoed moet verdiepen, voordat je de Kabbala openslaat. Als ik een deel van de Talmoed in de Nederlandse vertaling van De Leeuwe opensla, overkomt me hetzelfde als bij mijn NBV Studiebijbel. Ik lees en herken teksten, maar heb hulp nodig van de bijgevoegde uitleg en achtergronden.
Ik begrijp ook dat, vóór de tijd dat de Joodse Canon zijn beslag krijgt, leerlingen hun heil zoeken bij meesters en tekstverklaarders omdat men als leek – maar zeker ook als gelovige – niet onmiddellijk toegang hebt tot de werkelijke bedoelingen van de teksten. De verhalen op zich zijn intrigerend, maar het gaat toch om iets anders dan een simpel verhaaltje.
De studie van de Talmoed is de studie van de studie
Een en ander heeft er toe geleid dat ik in dit onderzoek boeken moest raadplegen die over de besproken boeken gaan. De toegang tot de originele boeken hebben behoorlijke drempels, en ik krijg het gevoel een beginnend leerling te zijn. Ik zoek ‘mijn meester’ in verhelderende artikelen, in de media, en in boeken die over de boeken gaan. In een later stadium zal ik de eerste bladzijde van het eerste Talmoed-boek op rustige wijze bestuderen, in ieder geval te gaan proeven in de hoop – en verwachting – dat de inhoud tot mij doordringt en ik de diepere betekenis vind. De Nederlandse vertaling door De Leeuwe zal daarbij zeker een gids zijn.
Elie Wiesel zegt in Mijn liefde voor de Talmoed dat in de (voltooide) editie van de Talmoed tweeëneenhalf miljoen woorden staan die bestudeerd moeten worden. ‘Talmoed’ betekent dan ook ‘studie’. ‘Dag en nacht’, zo is de joodse opdracht. ‘zult gij de Tora bestuderen’, en dat geldt zeker ook voor de Talmoed. Volgens Wiesel is de studie van de Talmoed zelfs de studie van de studie.
Midden-Oosten
Mijn onderzoek heeft geleid tot meer kennis van het jodendom. Ik besef als ‘goj’ slechts vaag te weten wat jood-zijn precies betekent. Natuurlijk heb ik tijdens mijn opvoeding en in scholen kennisgenomen van de geschiedenis van de joden. Dat betekent echter vooral kennis van de verschrikkingen van WOII, van de Holocaust. En in mijn verdere leven, word ik door kranten en televisie continu op de hoogte gehouden van het enorme en eindeloze conflict dat al sinds mijn geboortejaar plaatsvindt in Israël. Dat betekent dat ik vooral geïnformeerd word over conflicten en oorlogen in het Midden-Oosten.
Dit grote conflict in de wereld leidt af van het jodendom zelf, van de religie en cultuur, van de schoonheid van de Tora, de Talmoed en vele anderen boeken. In de media gaat het daar zelden of nooit over. Kennis nemen van het jodendom gaat niet via de media, want, zoals gezegd, daar gaat het alleen over het conflict. Kennis nemen van het joodse geloof doe je op via boeken, door je te verdiepen in de achtergrond van het joodse volk. En dan nog, als je via Internet naar websites zoekt, kom je in het conflict terecht. Je moet flink doorzoeken om sites te vinden waarop niet alleen maar voor- of tegenstanders van het conflict te vinden zijn, voordat je een website vindt met degelijke achtergrondinformatie van het joodse volk en cultuur. Ook in bibliotheken en boekwinkels moet je oppassen, om niet regelmatig een boek open te slaan dat… weer over het conflict in het Midden-Oosten een opinie heeft.
God, de ‘grote wetgever’
Dan heb ik het nog niet eens over God, de ‘grote wetgever’. Want met Hem is dit allemaal begonnen, 3300 jaar geleden. Alleen al kennisnemen van die geschiedenis tot heden is boeiend. Deze scriptie zet mij nog meer aan het denken over religie, met als nieuwe opening de religie en cultuur van het joodse volk, de bakermat van de monotheïstische religies. Mijn vooroordelen voorbij, want het joodse geloof blijkt niet star, is niet weg te zetten als alleen maar orthodox. Het is juist niet-dogmatisch, maar heeft een sterk gevoel voor behoud van de essentie vanaf de tijd dat de ‘Mondelinge Leer’ als geschenk uit de hemel neerdaalt. Het beschrijft de ontwikkeling van de joodse mens vanaf het moment dat Mozes van de berg afkomt, en de verdere geschiedenis, zowel religieus als cultureel en hun wederzijdse beïnvloeding.
Wat ik en de andere gojiem van de joden kunnen leren, zo begrijp ik de tekst uit Micha 6:8, een ethische geloofsbelijdenis: ‘Hij heeft u, o mens, bekend gemaakt wat goed is en wat de HEERE van u vraagt: niets anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.’
Ethisch handelen kan echter ook zonder de joodse godsdienst, want de voorschriften in de Tora voor niet-joden, gelden voor de hele mensheid. Het is dan ook mooi om hier in één zin – als variatie op Matteüs 7:12: ‘Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten’ – een samenvatting van de Tora te geven door Hillel:
‘Wat jij niet wil dat jou wordt aangedaan, doe dat je naaste niet aan.
Dat is de hele Tora. De rest is commentaar. Ga heen en leer.’
Literatuur
Boeken
Boon, R.B. (1973) De Joodse wortels van de christelijke eredienst, Uitgever: dr. R. Boon, Prof. Dr. G. van der Leeuw-Stichting, Den Haag
Endo, S.E. (2018) Jezus, uitgeverij Kok, Utrecht *
Evers, R.E., (2010) Jodendom, Religies van de wereld, uitgeverij Reality Bites Publishing
Evers & Stodel, L.E. & J.S., (2017) Jodendom, Een heldere inleiding, Meulenhoff
Heide, A.v.d.H., (2006) Het Jodendom, uitgeverij Kok, 2006, Utrecht
Kimpen, G.K., (2007) De kabbalist, uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam
Laenen, S.L., (2008) Joodse mystiek, Een inleiding, uitgeverij Kok
Lenoir, F.W. (2013) God?, uitgeverij Ten Have, Utrecht *
Oz, A.O., Oz-Salzberger, F.OS, (2014) Jodenenwoorden, De Bezige Bij, Amsterdam *
Sand, H.v.d.S., Tongeren, L.v.T. [red.], (1989) Naar mijn daden word Ik genoemd, uitgeverij Tabor, Brugge.
Schama, S.S., (2013) De geschiedenis van de Joden, deel 1: de woorden vinden – 1000 v. C. – 1492, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen *
Schama, S.S., (2017) De geschiedenis van de Joden, deel 2: erbij horen, Uitgeverij Atlas Contact Amsterdam/Antwerpen *
Sebag Montefiore, S.S.M, (2011) Jeruzalem. De Biografie, Nieuw Amsterdam Uitgevers *
Wiesel , E.W., (2015) Mijn liefde voor de Talmoed – portretten en legenden van Joodse wijsheid, Uitgeverij Kok – Kampen,
Yōse, ben, A.b.M., (2001) Het boek der Schepping, uitgeverij Schors, Amsterdam
* De digitale uitgave. De paginanummers in de voetnoten verwijzen naar de pagina’s, zoals te lezen op de grootste letterstand.
Krant
Schipper, J.S., (2019) ‘Ze doen alsof ik een besmettelijke ziekte heb’, NRC, 2 februari
Televisieprogramma
NPO (EO), (2018) De sleutel van het leven, Jacob de Leeuwe, 18 februari
NPO (EO), (2018) Je zal maar uitverkoren zijn, Maurice Swirc, aflevering 1: Een draagbare identiteit, 11 november
Online
bijbel.eo.nl, Mosje, de prins van Egypte
bijbelgenootschap.nl, Bijbel en kunst, De Masoretische Tekst
christenenvoorisrael.nl, Grootse Joodse geleerden: Hillel
crescras.nl Tijd om de Haggadot weer tevoorschijn te halen, Emile Schrijver
cult.tpo.nl, ‘De Kabbala: Waarom mystiek noodzakelijk is, Juliaan van Acker, 2017
digibron.nl, Taal van het Oude testament moet zo zuiver mogelijk tot ons komen, A. Stam, RD 21 11 91
godenenmensen.com, De kabbala als leidraad voor spirituele zelfontplooiing, Paul Delfgaauw
groene.nl, Een consequente grensganger, Cyrille Offermans, De Groene Amsterdammer, 19-01-2019
hetgoedeleven.com, Graven in de Nederlandse Talmoed, Hanneke Goudappel
israelendebijbel.nl, De dienst van Ezra als voorbeeld, Tora
Jodendom-online.nl, Waarom wonen de Joden zo wijdverspreid over de aardbol?, Opperrabbijn R. Evers
Joodsleven.nl, Encyclopedie van het Jodendom
joods.nl, Pesach, de haggada en de seder,
myjewishlearning.com, Mishnah and Tosefta
nieuwwij.nl, Mosje, Mosje, Moesa, een spirituele reus
nik.nl, Nederlands-Israëlitische Kerkgenootschap,
ohel-abrahem.nl, Ohel Abraham,
online-bijbel.nl, Prediker (12:12), responsa-forum.co.il, Het Responsa-project,
statenvertaling.net, Apocriefe geschriften,
statenvertaling.net, Bijbel en Kunst, Numeri 5
Foto’s
De foto’s zijn gemaakt door de auteur van deze scriptie, zijn vrij van rechten en komen van Pixabay of publiek domein Wikipedia.
Dankwoord
Mijn dank gaat uit naar mijn levenspartner Margaret van Mierlo, die mijn schrijfproces met gepaste afstand volgt, maar mij stimuleert tot en met de uiteindelijke voltooiing ervan. Ik ben vooral dankbaar voor haar kritiek. Haar bijna ‘talmoedische’ manier van commentaar geven, is van grote waarde. De gesprekken met elkaar tussen het schrijven door, leiden steeds weer tot verdieping van inzichten, niet alleen inhoudelijk, maar zeker ook voor opbouw van de scriptie. 💕
Update 2025:
N.B. Deze scriptie wordt voortdurend geredigeerd, niet qua inhoud, maar gecorrigeerd op stijl en taal. Uiteindelijk zal publicatie plaatsvinden als e-book via KOBO. (PD)
