Geloof, filosofie, robots en cyborgs

wijwordenwakker.org

Vrijdag verschijnt Alleen God kan ons nog redden, over techniekfilosoof Egbert Schuurman. Veel eerder verscheen, over filosoof Martin Heidegger, Alleen nog een God kan ons redden. Twee boeken met nagenoeg dezelfde titel. Beide handelen onder meer over technologische ontwikkelingen. Schuurman nu actueel over robots en cyborgs, genetische manipulatie, de klimaatcrisis en politiek. 

Heidegger (1889 – 1976) stelde al lang geleden dat de mens geen greep meer heeft op de moderne technologische ontwikkelingen; het wezen van de techniek onttrekt zich zelfs volledig aan menselijke beheersing.

EgbertSchuurman


Het boek over filosoof, ingenieur en ex-politicus (ChristenUnie) Schuurman heeft als ondertitel: Tegendraads christen in een seculier land. Het is een biografie van de hand van historicus en journalist Remco van Mulligen over het leven van emeritus-hoogleraar voor de stichting Christelijke Filosofie (SCF) en medeoprichter van het Lindeboom Instituut. Van Mulligen is verbonden aan het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

Schuurman (1937), die in 1972 promoveerde op het proefschrift Techniek en Toekomst — Confrontatie met wijsgerige beschouwingen, publiceert veel over technische onderwerpen. Zijn afscheidscollege aan de Wageningen Universiteit was De uitdaging van de Islamitische technologiekritiek. Hij schreef vaak in relatie tot bijvoorbeeld evolutie, filosofie en geloof. Volgens deze filosoof wordt de westerse cultuur te veel bepaald door technologie en een ethiek van materialisme en secularisme.

In de afwijzing van deze ‘technologische cultuur’ moeten de christenen de handen ineen slaan met gematigde moslims, betoogde Schuurman. Beide verzetten zich immers tegen de ‘religie van de materie’ en streven een duurzame samenleving na.’ (Uit: Islam, een godsdienst of niet, deel 3, Leonard Kool, Isaac Jansz)

In Islam stelt Schuurmans dat islamitische fundamentalisten hun strijd tegen het Westen voeren vanwege het technologische, niet-religieuze karakter van de westerse samenleving.

MartinHeidegger


Heideggers Alleen nog een God kan ons redden is de weergave van een gesprek in Der Spiegel (mei 1976) met journalist Rudolf Augstein. De filosoof stelt zelfs dat de filosofie naar zijn oordeel geen verandering meer in de hedendaagse wereldsituatie kan brengen (Die Philosophie ist am Ende). Door het interview werd de uitspraak van Heidegger “Alleen nog een God kan ons redden” beroemd.

Het is de cybernetica die volgens Heidegger de plaats van de filosofie heeft ingenomen. Deze uitspraak, al in 1966 gedaan, kan profetisch worden genoemd, gezien de omvang, snelheid en reikwijdte van de informatierevolutie sinds de jaren ’80.’

De boekpresentatie van Alleen God kan ons nog redden is op 6 oktober. Van Mulligen laat in de biografie de veelzijdigheid van Schuurman zien. Het geeft bovendien een tijdsbeeld van Nederland in een periode van enorme veranderingen: van een verzuild land naar een seculiere natie. Schuurman zocht zich daarin als orthodox christen een weg. In een slotinterview gaat de filosoof en politicus op frisse manier in op de meest actuele kwesties. Kritisch, maar tegelijk optimistisch en hoopvol, aldus de uitgever.

In januari 2018 organiseert de SCF een bijeenkomst over Egbert Schuurman op de jaarlijkse conferentie. Er wordt dan dieper ingegaan op de relevantie van Schuurmans filosofische erfenis voor nu en de toekomst.

Alleen nog een God kan ons redden | Martin Heidegger – R. Augstein | Uitgeverij Klement | Vertaling P. Beers | januari 2006 | Druk 1 | ISBN10 9077070176 | ISBN13 9789077070178 | € 14,99

Alleen God kan ons nog redden | Paperback | 384 blz. | Buijten en Schipperheijn B.V., Drukkerij en Uitgeversmaatschappij | 2017 | EAN: 9789058819567 | € 29,90

Beeld: wijwordenwakker.org

Update 7 3 2024 (Lay-out)

Socrates: ‘Voltooid leven is aan de goden’

Die-Toteninsel_Boecklin-620x350

In de Phaedo is Socrates ervan overtuigd dat zijn ziel bij haar scheiding van het lichaam nog ergens bestaat en niet geheel verdwijnt. Cebes, een pythagoreïsch filosoof, trekt dat idee van Socrates in twijfel en zegt dat de meeste mensen eerder aannemen dat de ziel op het ogenblik van de dood oplost en nergens meer is. Socrates laat het hier niet bijzitten en legt in de Phaedo zijn overtuiging uit.

Als de ziel bij de dood in het niets verdwijnt, dan is Socrates’ hoop voor de ziel van de filosoof gunstig lot na de dood in feite niets dan een vrome zelfbegoocheling.’ (De twijfel van Cebes in: De filosoof en de dood)

Cebes, een van de goede vrienden van Socrates, vraagt zich af waarom het niet geoorloofd zou zijn om de hand te slaan aan zichzelf, als sterven en doodgaan – zeker voor de filosoof – iets goeds is en geen reden voor treurnis en jammerklacht. Socrates pleit echter voor moreel onderzoek van de ziel, en vindt dat ‘de ziel van de mens na zijn dood voortbestaat en nog een zekere kracht en kennis bezit’, zoals Plato dat in de Phaedo weergeeft.

Socrates vindt dat ook voor wie de dood beter is, het verkeerd is zichzelf die weldaad te bewijzen, en stelt het voor als een absoluut verbod. Rudi te Velde, in het boek De filosoof en de dood, legt uit dat zelfs waar zich in de praktijk een uitzondering lijkt voor te doen en wellicht voor sommigen de dood beter is, dit in de ogen van Socrates niet leidt tot een uitzondering op de regel. Een actueel thema in tijden waarin veel mensen ‘lijden aan een te lang geworden leven’.

Stel dat de mensen onder de hoede van de godheid staan, dan moet een verstandig mens het juist erg vinden als de dood een einde maakt aan zijn toebehoren tot de goden.’ (Uit: De filosoof en de dood)

Het lijkt me waarschijnlijk mede door het idee van het voortbestaan van de ziel na de dood waarom Socrates vindt dat het uitgesloten is dat sterven beter is dan leven. Hij wil immers tijdens het leven goed zorg dragen voor de ziel omdat zij qua deugd en inzicht zo goed mogelijk wordt. De eerste echte filosoof uit de Griekse Oudheid geeft in zijn religieuze voorstelling drie argumenten voor dat voortbestaan: het argument van de cyclus, het herinneringsargument en het verwantschapsargument. Ze komen alle drie aan de orde in de Phaedo en Te Velde analyseert en interpreteert ze in zijn boek. Ik noem ze hier summier.

Het argument van de cyclus berust op de gedachte dat de levenden en de doden betrokken zijn in een  soort kringloop en in een voortdurende uitwisseling met elkaar staan. De dood is geen absoluut einde maar een overgang en transformatie.

Bij het herinneringsargument draagt de ziel kennis in zich die ze niet op grond van de waarneming heeft verworven, maar die ze reeds moet hebben opgedaan voorafgaande aan haar lichamelijke aanwezigheid in de wereld. Dit impliceert, dat de ziel tevoren reeds bestond en dus, naar het schijnt, iets onsterfelijks is.

Defilosoofendedood

Het verwantschapsargument is gebaseerd op de gedachte dat de ziel een verwantschap vertoont met de altijd eendere en onveranderlijke Vormen (de Ideeënleer van Plato, PD) en op grond daarvan niet vatbaar is voor vergaan of uiteenvallen.

Als jullie [Cebes en Simmias (ook een filosoof en vriend), PD] deze argumentatie verbinden met de stelling waarover we het vroeger eens werden, namelijk dat alles wat leeft uit het dode ontstaat. Want als onze ziel al tevoren bestaat, en als zij bij haar intrede in het leven en haar geboorte noodzakelijk uit niets anders geboren kan worden dan uit de dood en het dood zijn, dan moet zij toch ook na de dood blijven bestaan, omdat ze later opnieuw geboren moet worden? Het bewijs waarover je spreekt is dus nu al geleverd.’ (Socrates)

Socrates stelt dat de goden zorg dragen voor de mensen en dat wij behoren tot de kudde van de goden en de mens zichzelf niet mag doden, voordat ‘de god een soort noodzaak op hem afstuurt’. De dood vindt Socrates dus niet iets wat in de handen van de mens zelf ligt, maar wat hem overkomt op het moment dat het zover is. Wanneer ons leven voltooid is, is dat aan de goden.

Socrates heeft zich duidelijk verdiept in de Orphische tradities. Te Velde verwijst dan ook naar een spreuk van het Orphisch intiatieritueel, waarin het gaat om een ‘zuivering’ door te streven naar inzicht. Het zegt dat wie zonder inwijding in de Hades komt, er in de ‘Modderpoel’ zal liggen; maar wie gezuiverd en ingewijd is, bij aankomst met de goden zal samenwonen. – De ware filosofie is een oefening in het sterven. We hebben dus nog veel inzicht op te doen in ons leven.

Bron: De filosoof en de dood | Rudi te Velde over Plato’s Phaedo: analyse en interpretatie | Uitgeverij DAMON, Budel | 2002 | 190 bldzn | ISBN 90 5573 306 7 | NUR 730 | € 17,90
In de Phaedo schildert Plato Socrates als een nieuwe Theseus die het gezelschap van vrienden bevrijdt van hun natuurlijke bevangenheid door de doodsangst en ze een uitweg toont naar een vrij en redelijk leven in de wijsbegeerte. (Damon)

Beeld: Het dodeneiland is een reeks schilderijen van de Zwitserse kunstschilder Arnold Böcklin. Hij maakte tussen 1880 en 1886 vijf versies van het Het dodeneiland.
Het belangrijkste thema van het schilderij kan worden getypeerd als: de transitie van leven naar de dood. De interpretatie van Böcklin geeft daarbij geen enkele referentie aan fysiek verval, in lijn met het in die tijd heersende taboe: over de dood werd niet gesproken, laat staan over de aftakeling van het lichaam. Er werd een beeld gecreëerd alsof het leven na de dood naadloos doorliep, toentertijd ook gestalte krijgend in monumentale grafmonumenten voor de rijkeren. Ook Böcklins werk past in dat denken. (Wikipedia)

De moderne droom van de Godgeworden mens

12

‘Wie kan de definitieve uitkomst voorzien?’ vroeg Freud zich ooit af, geciteerd door filosoof Ger Groot in De geest uit de fles. Freud had het toen over ‘de eindeloze reeks van zelfontwerpen zonder richtsnoer of doel die tot een gevoel van onbehagen leidt’. Religie speelt bij de uitkomst ervan misschien een grotere rol dan Groot zelf vermoedt, ook gezien het feit dat er op aarde vele malen meer gelovigen dan ongelovigen zijn, aldus Simone Bassie & Michel Dijkstra in een recensie over zijn boek in hun artikel De denker en de dode God.  

De filosofie wil net als haar tweelingzusje de wetenschap, de mens en zijn wereld begrijpen en daar zijn altijd onvermijdelijk dromen, visioenen en beloften mee gepaard gegaan.’ (Ger Groot)

Kennis en inzicht gaan volgens de auteurs – in Volzin – nu eenmaal gepaard met zulke zaken. Het bijzondere van filosofie is volgens Groot echter dat zij ‘nooit bij zichzelf blijft stilstaan, altijd op zichzelf vooruitloopt en een toekomst ontwerpt – die zich zelden op die manier waarmaakt.’ Wijsgerig denken wordt dus gekenmerkt door openheid en het kritisch bevragen van eerdere ideeën en vooronderstellingen, aldus Bassie en Dijkstra.

Volgens Groot is de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte ‘één aanhoudende poging in het reine te komen met dit verlies van een goddelijk ankerpunt. De betekenis daarvan gaat veel verder dan de religieuze vraag of iemand in God gelooft’.’

degeestuitdeflesHoewel de filosoof atheïst is, schuift hij volgens Bassie en Dijkstra het fenomeen religieus geloof niet zomaar terzijde.

Groot stelt dat de zogenaamde ‘architectuur van het denken’ radicaal veranderd is door de reflectie op de dood van God. De Schepper viel namelijk samen met de absolute waarheid en werkelijkheid, maar de mens kan zich die rol nooit aanmeten: ‘Wanneer de mens in de moderne tijd ‘God wordt’ of minstens ‘voor God speelt’, zoals soms gezegd wordt, moet hij zich tegelijk rekenschap afleggen van de eindigheid of beperkingen die voor hem nu eenmaal wezenlijk zijn.’ Op die manier heeft het verdwijnen van het goddelijke fundament van de werkelijkheid de moderne mens gemaakt tot wie hij is.’ 

Paradoxaal genoeg, zo zeggen de auteurs, heeft het christendom zelf de afsterving van het geloof voorbereid. Het protestantisme brengt door zijn nadruk op de intimiteit van de gelovige met God, aldus de auteurs, namelijk het instituut kerk ongewild in diskrediet, en zo komt de absolute, uit de middeleeuwen stammende macht van de religie over de mens in gevaar:

Juist in haar toespitsing op de individuele mens bereidde de Reformatie in veel opzichten het moderne perspectief voor, waarin God steeds minder en de mens steeds meer de spil en grondslag van de wereld werd.’

Of je deze ontwikkeling nu positief of negatief beoordeelt, zeggen zij, maakt volgens Groot niet zoveel uit. Tenminste, als je de filosofische problematiek goed tot je laat doordringen:

Zolang de moderne droom van de Godgeworden mens duurt, ontkomt de filosofie niet aan de contradictie tussen de humanistische pretentie in hem een nieuwe grondslag van alles te hebben gevonden en het menselijk onvermogen daaraan te beantwoorden.’ 

04_oratio_de boer-groot_omslag_voorzijdeOp het eerste gezicht lijkt Groot zich met deze analyse in De geest uit de fles puur negatief uit te spreken over de rol van religie in de moderne tijd, aldus de recensenten, en zij stellen dat in een eerder werk, de met Theo de Boer gepubliceerde dialoog Religie zonder god (2013), Groot echter een ander perspectief schetst op religieus geloof.

Godsdienst laat ‘een opening in de werkelijkheid zien die het denken niet kan dichten’.’

Bassie en Dijkstra stellen dat volgens Groot een plechtige religieuze handeling de mens op het transcendente wijst en dat deze transcendentie echter uitdrukkelijk niet slaat op een de zichtbare werkelijkheid overstijgend wezen.

Integendeel: met Sartre vult Groot dit begrip juist zeer aards in. Door het bijwonen van een ritueel wordt de mens namelijk geconfronteerd met datgene wat zijn ego of bewustzijn overstijgt, namelijk de wereld of de medemens. Deze ontmoeting met de ander of het andere is precies wat de moderne mens nodig heeft.’

De auteurs vinden dat de moderniteit zich namelijk niet alleen kenmerkt door een reflectie op het verlies van God als de absolute waarheid, maar ook door de gerichtheid van het subject op zichzelf.

Met andere woorden: in de moderne tijd trekt de filosofie zich terug uit de werkelijkheid om zich puur op de inwendigheid van het bewustzijn te richten. Groot: ‘Als er immers íets is dat dit moderne subject kenmerkt, dan is het wel het feit dat het een zuivere innerlijkheid geworden is’.’

De vraag die zich bij deze these opdringt aan Bassie en Dijkstra is of Groot niet te veel aan de buitenkant van religie blijft staan.

Is religie voor een gemiddelde gelovige inderdaad hoofdzakelijk een praxis en denkt hij nooit na over wie God is en wat zijn verhouding ten opzichte van de Schepper inhoudt? Beschouwt hij God niet als iets dat of iemand die de zichtbare werkelijkheid overstijgt, dus de transcendente instantie die een ritueel als bidden zin geeft? Het is zeer de vraag of een gelovige zichzelf in het betoog van Groot kan herkennen.’

Ger Groot | De geest uit de fles | Lemniscaat | 360 blz. | € 34,50 | Theo de Boer & Ger Groot | Religie zonder God. Een dialoog | Sjibollet | 119 blz. | € 17,95

Zie: De denker en de dode God

Beeld: despiertacordoba.wordpress.com