Kan je een transcendente God logisch bewijzen?

universe anthropic
‘Er is een oneindig machtige tovenaar die de aarde gemaakt heeft en die alles kan wat wij niet kunnen en die aanbeden moet worden op woensdagen en die wel móet bestaan want dat is naar zijn ‘absolute’ aard.’ Dit is de conclusie uit de premissen: de aarde bestaat en de aarde komt ergens vandaan. Met deze schalkse, door hemzelf als onzinnig (lees: ongeldig) bestempelde redenering verbeeldt filosoof Jan-Auke Riemersma zijn ‘algemeen intuïtief bezwaar tegen godsbewijzen’. Hij geeft nog enkele parodieën op premissen en hun wonderlijke conclusies.

En dus bestaat GodBetekent dit dan dat alle godsbewijzen onzinnig zijn? Dat is lastig te zeggen. Maar het is op voorhand duidelijk dat het logisch onmogelijk is om uit een ‘natuurlijke’ wereld af te leiden dat er een ‘transcendente’ God moet bestaan.’

Volgens Riemersma (alias de Lachende Theoloog) heeft zeggen dat ‘de eerste oorzaak’ de transcendente God is, niets te maken met ‘eerlijke, ouderwetse’ logica, maar alles met de denkbeelden die behoren tot het geloof dat je aanhangt. Hij vindt het niet logisch om het bestaan van God logisch aan te tonen: wie gelooft dat God het meest perfecte wezen is dat wij kennen, ziet in dat het niet ‘logisch’ is om God ‘tevoorschijn’ te halen uit gewone, ‘aardse’ premissen. We veronderstellen immers dat God de wereld die Hij geschapen heeft, overtreft: God is transcendent.

In zijn recensie – in een ander artikel – van het boek En dus bestaat God, van Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder, stelt Riemersma dat de vraag of God bestaat in goede handen is bij de filosoof. Immers, de vraag of God bestaat kan niet worden beantwoord door de bioloog, de wiskundige of de fysicus. ‘Filosofen kunnen antwoord geven!’ stelt Riemersma.

Godisnooittevinden-Loesje-large
Hij is van mening dat filosofen werken aan argumenten die het geloof kunnen versterken, maar vraagt zich af hoe sterk of overtuigend de godsbewijzen zijn. De Lachende Theoloog gaat vooral in op het argument van de natuurwetten, waarin gesteld wordt dat de werkelijkheid geordend is.

Maar dat is werkelijk een al te optimistisch en gemakkelijk uitgangspunt. Hoe wéét de theist dat de gehele wereld geordend is? Is het niet mogelijk dat de mens voornamelijk de soort orde (logisch) ziet die hij nodig heeft? Vooralsnog beschikken we niet over een sluitende fysische beschrijving van de ‘gehele werkelijkheid’.’ 

Zijn volgende vraag is waar de natuurwetten dan vandaan komen: wie heeft de logische orde ingesteld? Volgens de schrijvers van En dus bestaat God is de verklaring… het bestaan van God. Volgens Riemersma komt dit bovennatuurlijke antwoord letterlijk uit de lucht vallen. De filosofen moeten van hem naar meerdere verklaringen zoeken. Misschien naar de duivel, suggereert de Lachende Theoloog, de natuurwetten zorgen immers ook voor bosbranden, vulkaanuitbarstingen en aardbevingen.

janriemersmafacebookWaarom denkt De Ridder dan dat God de enige redelijke verklaring is voor het bestaan van een natuurlijke orde? Omdat God zeer goede redenen had, volgens De Ridder, om onze wereld te voorzien van een logische orde: alleen in een wereld met een orde als de onze kunnen vrije, zelfstandig denkende mensen ontstaan. En dat is de bedoeling geweest van God.’ 

Jan-Auke Riemersma (foto: J-AR) noemt dit speculeren, want hoe kunnen wij weten welke redenen God had? De theïst zegt dat God noodzakelijk bestaat, en lijkt hiermee een denkfout te maken. Het beroep op Gods ‘noodzakelijk’ bestaan is niet toegestaan om de natuurlijke orde te verklaren. Je moet het bestaan van een logische orde veronderstellen om te kunnen bepalen dat God noodzakelijk bestaat. Maar dan is God als verklaring voor de orde in de werkelijkheid uiteindelijk ‘circulair’…

 Zie: 

Illustr: NPOwetenschap.nl

Volgens Sigmund Freud is het atheïsme een troostrijke illusie

atheists
Theepotisme is de ideologie die stelt dat in God geloven hetzelfde is als geloven in een vliegende theepot. Er is voldoende bewijs tegen theepotisme. Dus als volgens filosoof Bertrand Russell theïsme hetzelfde is als theepotisme, dan moet de atheïst, om zijn overtuiging te rechtvaardigen, net als de a-theepotist, krachtig bewijs tegen theïsme hebben.

Op de site Godsbewijzen staan een tiental ‘keukentafelargumenten’ op een rijtje die veelvuldig en gretig door atheïsten en relativisten worden gebruikt. De site noemt ze zwak, onsamenhangend en ze beargumenteren eigenlijk niets. Echter, de slechtste argumenten worden het meest gebruikt.

De waarheid’ bestaat gewoonweg niet, is er ook zo een. Filosoof Roger Scruton zegt hierover dat als iemand zegt dat er geen waarheden zijn, of dat alle waarheid ‘slechts negatief’ is, hij jou vraagt ​​om hem niet te geloven: Doe het dus niet!

loesje1Een ander argument van de keukentafel: Waarheid is gewoon een machtsmiddel om andere mensen mee te controleren. Theoloog Tim Keller zegt hierover dat als je zegt dat alle waarheidsaanspraken machtsspelletjes zijn, dat ook geldt voor je eigen bewering.

Als je (net als Freud) zegt dat alle beweringen over God en religie niet meer zijn dan psychologische projecties om je schuld en onzekerheid te hanteren, geldt dat ook voor je eigen bewering… Foucault probeerde anderen te overtuigen van de waarheid van zijn analyse, ook al ontkende hij het bestaan van de categorie waarheid.’ 

Over het argument dat de atheïst geen bewijslast moet dragen omdat atheïsme slechts de afwezigheid van geloof is, zegt filosoof William Lane Craig dat volgens deze nieuwe definitie atheïsme niet langer meer een visie of overtuiging is.

Als atheïsme wordt benaderd als een standpunt, namelijk het standpunt dat er geen God is, dan moeten atheïsten hun deel van de bewijslast dragen, die dit standpunt ondersteunt. Maar veel atheïsten geven openlijk toe dat ze een dergelijke bewijslast niet kunnen dragen. Dus proberen ze zich van hun epistemische verantwoordelijkheid te onttrekken door het atheïsme opnieuw te definiëren, zodat het niet langer een standpunt is, maar gewoon een psychische conditie, die als dusdanig niets beweert.’ 

Nog een laatste argument en dan verwijs ik naar de link die alle argumenten helder op een rijtje heeft staan. Atheïsten en relativisten zijn stil de laatste tijd, misschien hebben ze het tegenwoordig te druk met hun atheïstische kerkbezoek, dat heilzaam kan zijn en rust geeft. Dit argument luidt: Geloof in God is een waanidee, een troostrijke illusie voor mensen met een infantiele mentaliteit. Ofwel de freudiaanse/(neo)marxistische visie op het geloof in God. Sigmund-Freud-1936Hierover zegt wiskundige en wetenschapsfilosoof John Carson Lennox in zijn bestseller God: A Brief History of the Greatest One, dat Manfred Lütz erop wijst dat de freudiaanse kijk op religie uitstekend werkt, mits God niet bestaat. (Sigmund Freud – foto: skepticism.org.) 

Maar volgens dezelfde logica, vervolgt Lütz, als God wel bestaat, laat hetzelfde freudiaanse argument zien dat het atheïsme de troostrijke illusie is, de vlucht voor de realiteit, een projectie van het verlangen om God nooit te hoeven ontmoeten en dan verantwoording te moeten afleggen voor je leven… De echte vraag is dan ook: bestaat God?’

Schrijver en Nobelprijswinnaar literatuur (1980) Czesław Miłosz voegt hier aan toe dat de ware opium van het volk het geloven is in (het) niets na de dood, de gigantische troost van denken dat we niet berecht zullen worden voor ons verraad, onze hebzucht, lafheid of moordpartijen.

Zie: Keukentafelargumenten

Foto: bertaltena.com

Een God die niet bestaat zou nòg groter zijn

excuseme
De Australische filosoof Douglas Gasking liet zien dat als we ‘bestaan’ als eigenschap zouden rekenen, men op dezelfde wijze zou kunnen bewijzen dat God niet bestaat. Richard Dawkins verwijst naar hem in zijn boek God als misvatting. Gasking stelt dat een bestaande God niet het grootste wezen zou zijn dat men kan bedenken, want een nog geduchter en ongelofelijker schepper zou een God zijn die niet bestaat.

douglasgaskingDouglas Gasking (foto: University Melbourne) stelt dat als we veronderstellen dat het universum het product is van een bestaande schepper, wij een grootser wezen kunnen bedenken, namelijk een schepper die alles schiep zonder te bestaan.
Zijn redenering luidt:

‘De schepping van de wereld is de meest wonderbaarlijke prestatie die voorstelbaar is. De verdienstelijkheid van een prestatie is het product van (a) haar intrinsieke hoedanigheid en (b) van de bekwaamheid van haar schepper. Hoe groter de onbekwaamheid (of de handicap) van de schepper, hoe indrukwekkender de prestatie.

De meest geduchte handicap voor een schepper zou diens niet-bestaan zijn. Derhalve, als we veronderstellen dat het universum het product is van een bestaande schepper, kunnen wij een grootser wezen bedenken, namelijk een schepper die alles schiep zonder te bestaan.

Een bestaande God zou derhalve niet het grootste wezen zijn dat men kan bedenken, want een nog geduchter en ongelofelijker schepper zou een God zijn die niet bestaat.
Ergo: God bestaat niet.’ (Wiki)

janriemersmaEen en ander is te lezen op een boeiende Wikipagina over Godsbewijzen en anti-Godsbewijzen. Overigens zijn daar een aantal bronnen voor beweringen niet gegeven. Wie ze kent, mag ze aanvullen.
De Lachende Theoloog, docent filosofie Jan Riemersma (foto: JR), stelt trouwens dat voor ieder logisch Godsbewijs er een logisch anti-Godsbewijs is, omdat we niet beschikken over een meta-logische rekening die ons helpt een keuze te maken tussen de Godsbewijzen en de anti-Godsbewijzen.

‘De godsdienstwijsgeer kan daarom met de beste wil van de wereld niet beweren dat hij het bestaan van God bewezen heeft. Meent hij, op grond van één godsbewijs (dat bovendien nog nader onderzocht wordt) dat God bestaat, dan gaat hij zijn boekje te buiten.’ (JR)

De godsdienstwijsgeer betoont zich volgens Riemersma dan een intellectuele oplichter en verwijst naar de kritiek van Daniel Denneth op de theorie van Alvin Plantinga (foto: Wikipedia).

AlvinPlantinga‘Het is alsof je een schaakpartij probeert te winnen door nieuwe, onduidelijke spelregels te gebruiken (bijvoorbeeld dat je op de vijftiende zet alle stukken op het bord opnieuw mag ordenen: het is dan gemakkelijk om de zwarte koning mat te geven). De beste schakers van de wereld hebben geen verweer tegen een dergelijke aanpak van de problemen.’ (JR) 

Riemersma stelt dat het eigenlijk onbetrouwbare filosofie is en dat de naturalist gelijk heeft als hij er bezwaar tegen maakt. Hij zegt aan het slot van zijn artikel De Godsdienstwijsgeer als Oplichter:

‘Toch zijn dit praktijken waarop men met name godsdienstwijsgeren gemakkelijk kan betrappen. Wie mild is, neemt het hen niet kwalijk: de schoorsteen moet roken en de wijsgerige problemen zijn groot.’ (JR) 

Waaruit ik de conclusie trek dat Douglas Gaskings bewijs dat God niet bestaat, ook rammelt. En Goddank stelt Riemersma elders in een blog dat wij (beneden, pd) God alleen zelf kunnen bedenken als er boven écht iets is…. 🙂

Zie:

Godsbewijs (Wikipedia) 

De Godsdienstwijsgeer als Oplichter (Jan Riemersma) 

Alles van Beneden is van Boven (Jan Riemersma)

Foto: Atheist Memes (Facebook) 

Het Godsbewijs als ‘glanzende aanmatiging van de speculatieve rede’


Het lijkt Emanuel Rutten onmogelijk om sluitend te bewijzen dat God bestaat. Dit zegt de filosoof zelf – van wie de NYTimes meldde dat ‘Emanuel Rutten proves that it’s impossible that God does not exist‘ en een link plaatste naar zijn blog – in antwoord op Porphyrios, die er in het Filosofieblog alle vertrouwen in heeft dat God niet bestaat en daarin uitlegt waarom het bestaan van God zeer onwaarschijnlijk is.

Rutten: 1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar. 2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar. 3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar. 4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

Moraaltheologie
Zou Immanuel Kant het bewijs van Rutten ook een ‘glanzende aanmatiging van de speculatieve rede’ genoemd hebben? Zo luidde indertijd zijn commentaar op het Godsbewijs van Anselmus. Volgens Kant is een Godsbewijs van de zuivere rede onmogelijk, alleen de moraaltheologie bewijst God. Journalist en doctor in de filosofie Mathias Schreiber citeert Kant in De onsterfelijke ziel waarin Schreiber de gedachte bespreekt dat de ziel het lichaam overleeft, dat dit al duizenden jaren oud is en mensen verbindt van de meest uiteenlopende culturen.*

Kant beschouwt het begrip van een ‘hoogste wezen’ slechts als een ‘in menig opzicht zeer nuttige idee’, die net zo weinig door de empirie onder controle te krijgen is als het bevatten van een Al der dingen.

Thomas van Aquino
Schreiber schrijft over verschillende godsbewijzen, onder meer over die van Thomas van Aquino. Kant wijst alle godsbewijzen af, ook die van Anselmus. Opmerkelijk is dat Van Aquino een belangrijk tegenbewijs laat voorafgaan aan zijn bewijzen. Schreiber roemt zijn argumentatiediscipline…

Als God bestond, oneindig was, almachtig, goed, dan zou er niet slechts (malum) op aarde kunnen zijn. Maar omdat dat slechte er wel is, bestaat God niet.

Verlichtingsfilosofen
Terug naar Rutten versus Porphyrios. Laatstgenoemde legt uit waarom het bestaan van God zeer onwaarschijnlijk is en waarom mensen geloven dat God bestaat terwijl die niet bestaat. Hij beperkt zich in zijn antwoord tot vijf beroemde theorieën die hij samenvat in zijn antwoord op Rutten. En zo komen (meestal ongelovige) denkers als Hobbes voorbij, Feuerbach, Nietzsche, Freud en Habermas. Zo verklaart, aldus Porphyrios, Hobbes – en na hem een eindeloze stoet van Verlichtingsfilosofen – het geloof in goden op grond van onwetendheid en angst: men begrijpt de werkingen van de natuur niet en schrijft daarom alles toe aan onzichtbare machten waaraan men onderworpen is en die men tevreden moet stellen.

Dat God bestaat is dan ook niet iets dat gelovigen weten of zelfs redelijkerwijs kunnen veronderstellen, maar iets wat zij hopen – en in Kants woorden ook wellicht mogen hopen. Voor mensen die daarentegen de moed hebben het onwaarschijnlijke af te wijzen en daarmee het houvast dat geloof biedt op te geven ligt een nieuwe uitdaging in het verschiet waarbij de kracht moet worden gevonden in zichzelf in plaats van een denkbeeldig opperwezen buiten hem.

Atheïsme
Rutten beantwoordt Porphyrios alinea voor alinea. Hij zegt onder (veel) meer dat Porphyrios zijn vijfde alinea eindigt met een oproep aan de gelovige om overtuigende argumenten te leveren. Deze argumenten zijn volgens Rutten ruimschoots voorhanden (zie bijvoorbeeld de in 2009 verschenen Blackwell Companion to Natural Theology) en dienen door hem stuk voor stuk meegewogen te worden indien hij werkelijk serieus zijn atheïstische wereldbeeld zou willen verdedigen. Zolang hij deze argumenten uit de weg gaat is van een werkelijke verdediging van atheïsme dan ook helemaal geen sprake.

Prophyrios probeert onder andere het bestaan van God op gelijke hoogte te brengen met allerlei claims waarin geen enkel weldenkend mens gelooft, zoals sterrenwichelarij. Deze claims staan volgens Rutten epistemisch echter helemaal niet op gelijke hoogte, zoals Porphyrios ten onrechte suggereert.

Er zijn namelijk een groot aantal rationele argumenten vóór het bestaan van God, argumenten waar je in jouw bijdrage maar niet op in wilt gaan. Daarentegen zijn er geen rationele argumenten voor sterrenwichelarij. En uit het feit dat we God niet nodig hebben in de fysica volgt geenszins dat God niet bestaat. Natuurlijk niet.

De onsterfelijke ziel

Mathias Schreiber

ISBN 9789049200312

2008

Meulenhof Boekerij


Zie:
 Waarom God niet bestaat

En: Over Porphyrios’ betoog ‘Waarom God niet bestaat’

Cartoon: website gjerutten

Door de filosofie twijfelt God nu zelf aan Zijn bestaan


Filosoof en wiskundige Emanuel Rutten antwoordt op zijn blog alle tegenwerpingen op zijn vermeende godsbewijs. De discussie daar wordt steeds complexer. Daarom God zelf maar eens gevraagd naar Zijn bestaan. ‘God, bent U op de hoogte van de filosofische disputen over Uw bestaan?’

‘Natuurlijk, ik ben God. Het is de dicto duidelijk waar dat ik besta. Vraag maar aan Rutten. Ik moet wel bestaan, want volgens hem is het niet mogelijk om te weten dat God niet bestaat. Het is dus mogelijk te weten dat ik besta. En ik weet het. En bovendien, de Schepper, zoals jullie me ook wel noemen, kan weten wat wel en wat niet bestaat. Nou, ik besta, al vinden sommigen dat onbestaanbaar.’

‘Bent U inderdaad een persoonlijke eerste oorzaak?’

‘Nee, want dan zouden er meer Goden kunnen zijn, ik ben de persoonlijke eerste oorzaak, per definitie onveroorzaakt.’

‘U wordt wel eens vergeleken met het vliegende Sphagettimonster. Wat vindt U daarvan?’

‘Onzin, ik ben God en hij is het monster. En hij bestaat, ik heb hem zelf geschapen, in een dolle bui.’

‘Kunnen we dat monster zien?’

‘Nee, die bevindt zich in andere werelden die ik geschapen heb.’

‘Kunnen wij die andere werelden betreden?’

‘Ooit, als de kwantummechanica zover is, maar dat kan nog wel even duren.’

‘Maar nu even terug naar Uw bestaan. Rutten definieert U als persoonlijke eerste oorzaak. Dit mag hij doen, vindt hij zelf. Hij mag een definitie van U geven. Hiermee heeft hij nog niet gezegd dat U zou bestaan.’

‘Ik begin zo langzamerhand aan mijn eigen bestaan te twijfelen. Hij zegt zelfs dat zijn bewijs niet waterdicht is. Als reden noemt hij dat we met een argument te maken hebben en niet met een bewijs. Bewijzen doen we in de wiskunde, niet in de filosofie, vindt hij. De premissen van Ruttens argument zijn voldoende plausibel, en daarom is de conclusie van zijn argument (dat immers logisch uit deze premissen volgt) dat ook. Het argument maakt het bestaan van mij waarschijnlijker. Zekerheid wordt echter uiteraard op deze manier niet geboden.’

1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar. 2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar. 3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar. 4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

‘Dus Uw bestaan is hiermee nog altijd niet werkelijk bewezen. U bestaat waarschijnlijk. En volgens Richard Dawkins zelfs waarschijnlijk niet.’

‘Ik, God, ben transcendent, ik denk dat daar het probleem ligt. Daarom ben ik voor filosofen en vooral voor wiskundigen onbewijsbaar.’

‘Maar U bestaat, want ik spreek met U.’

‘Het niet bestaan van mij is niet waarneembaar, zoals Rutten al zegt. Het bestaan van mij is dus waarneembaar, daardoor kunt u me waarnemen.’

‘Zijn conclusie uit zijn argument is dan ook dat U wel degelijk ook in de actuele wereld bestaat.’

‘Tja, ik ben blijkbaar niet bewezen, maar besta daarin wel beargumenteerd.’

‘Eigenlijk komt het erop neer dat we a priori in U moeten geloven.’

‘Ja, nee, het moet natuurlijk niet. Maar ik ben niet zintuiglijk aanwezig.’

‘Dank in ieder geval voor Uw tijdelijke zintuiglijke aanwezigheid, en voor dit gesprek.’

‘U hoort nog van mij, als ik definitief van mijn bestaan laat horen.’

‘Ik hoop het, want de wereld raakt meer en meer in verwarring.’

‘Ach, je moet die filosofen met een korreltje zout nemen, het kan veel eenvoudiger: geloof gewoon in mij, dat is minder moeilijk dan mij filosofisch te bepalen.’

Wie graag een rechtstreekse reactie van Emanuel Rutten wil ontvangen op een specifiek bezwaar tegen zijn argument, wordt door hem aangeraden zijn of haar bezwaar te posten onder op zijn blog: ‘Openingstoespraak VU debat.’

Foto beeld: Gevonden op de site van kuleuven.be. Update 18 april: Annelies Wintermans schreef: Big smile! Het prachtige beeld (foto) is trouwens niet van de KUL maar van de Belgische kunstenaar Jean-Michel Folon (ik ben een fan)! – Met dank aan Annelies dus.

Cartoon: balloocartoons.com

Vier tegenwerpingen godsbewijs Emanuel Rutten


Inmiddels hebben de lezers wel recht op tegenargumenten op het vermeende godsbewijs
 van filosoof Emanuel Rutten. Zelf noemt hij het een argument, geen bewijs. Tegenwerpingen, met Ruttens antwoord erop. Een afdoende tegenwerping lijkt nog niet gevonden, ook al klinken de vele reacties op mijn blogs plausibel. Het wachten is op een objectie die wel hout snijdt. Het schijnt dat je dan de premisses van Rutten zelf moet weerleggen.

Eerste tegenwerping
Objecties tegen het argument. Men zou allereerst kunnen tegenwerpen dat het ook onmogelijk is te weten dat God bestaat. Maar dan volgt uit de eerste premisse van het argument dat het noodzakelijk onwaar is dat God bestaat, zodat het argument faalt. Het is echter niet onmogelijk te weten dat God bestaat. Beschouw immers een mogelijke wereld waarin God bestaat. In deze wereld bestaat er wel degelijk een subject dat weet dat God bestaat, namelijk God zelf. Het is dus niet onmogelijk te weten dat God bestaat.

Tweede tegenwerping
Volgens een tweede objectie faalt het argument omdat, indien het argument correct zou zijn, eveneens zou volgen dat bijvoorbeeld eenhoorns, superman, het vliegende spaghetti monster of vliegende theepotten noodzakelijk bestaan, hetgeen absurd is. Neem het vliegende spaghetti monster. Uitgaande van een Cartesiaanse notie van kennis is het, aldus de objectie, onmogelijk te weten dat het vliegende spaghetti monster niet bestaat. Geen enkel subject kan namelijk uitsluiten dat er zich niet toch ergens een vliegend spaghetti monster bevindt. Maar dan volgt uit de eerste premisse van het argument dat het vliegende spaghetti monster noodzakelijk bestaat, hetgeen zoals gezegd absurd is. Echter, het is helemaal niet onmogelijk te weten dat het vliegende spaghetti monster niet bestaat.

Beschouw namelijk een mogelijke wereld waarin God bestaat en waarin God besluit niets te scheppen, of waarin God besluit exact één causaal inert object te scheppen ongelijk aan een vliegend spaghetti monster. In deze mogelijke wereld is er wel degelijk een subject dat weet dat het vliegende spaghetti monster niet bestaat, namelijk God zelf. Het is dus inderdaad helemaal niet onmogelijk om te weten dat het vliegende spaghetti monster niet bestaat. En daarom is ook deze tweede objectie niet adequaat. Hetzelfde geldt natuurlijk voor gelijksoortige objecties gebaseerd op de vermeende onkenbaarheid van het niet bestaan van eenhoorns, superman, vliegende theepotten, enzovoort.

Derde tegenwerping
Een derde objectie vangt aan met de vraag waarom wij de Cartesiaanse notie van kennis, waarop het argument betrekking heeft, eigenlijk zouden accepteren. Er zijn toch ook vele andere noties van kennis? Bovendien kunnen wij, uitgaande van een Cartesiaanse kennis-notie, nooit weten dat de eerste premisse waar is. Het punt is echter dat wij zelf helemaal geen Cartesianen hoeven te zijn om uitspraken over instanties van Cartesiaanse kennis te accepteren. Vergelijk dit met het klassieke schoonheidsideaal. Wij hoeven zelf het klassieke schoonheidsideaal niet te omarmen om uitspraken over dit ideaal te accepteren. En inderdaad, ik beweer helemaal niet dat wij Cartesiaans weten dat de eerste premisse waar is. Ik beweer slechts dat de eerste premisse plausibel is. In elk geval plausibeler dan de conclusie dat God metafysisch noodzakelijk bestaat, en dat is voldoende voor het argument.

Vierde tegenwerping
Als vierde objectie kan men trachten onkenbare proposities te formuleren die mogelijk waar zijn, zoals “p en niemand weet dat p” of “Er zijn geen kenbare proposities”. Zulke tegenvoorbeelden kunnen echter vermeden worden door uit te gaan van een iets zwakkere formulering van de eerste premisse van het argument. Laat een K-wereld een mogelijke wereld zijn waarin ten minste één propositie gekend wordt. Laat verder een c-propositie een propositie zijn die een bepaalde concrete stand van zaken affirmeert dan wel ontkent. De zwakkere formulering van de eerste premisse, waarmee zoals gezegd de hierboven genoemde en andere soortgelijke tegenvoorbeelden vermeden worden, luidt dan als volgt: “Indien p een c-propositie is die waar is in tenminste één K-wereld, dan is p kenbaar”.

Klik hier voor de volledige openingstoespraak van Emanuel Rutten. (Onder aan het artikel ‘Emanuel Rutten verdedigt zijn godsbewijs’.) (Geloof en wetenschap)

Foto: Hubble photographed the oldest galaxy.

Gerelateerd:

VU-debat: Het is noodzakelijk waar dat God bestaat

‘Je kunt logisch sluitend afleiden dat God bestaat’