‘Geloof in elektronen is de conclusie van een redenering en niet het resultaat van directe waarneming.’ Dat zegt wetenschapper Jeroen de Ridder. ‘Nu krijgen gelovigen wel eens het verwijt dat ze geloven in iets dat niemand ooit heeft gezien, namelijk God. Ook als God zelf onobserveerbaar is, kunnen we prima redenen hebben om toch in zijn bestaan te geloven.’
‘Ik denk verder dat ik niet de enige ben die gelooft in dingen die hij nog nooit heeft gezien. De meeste mensen doen het. Nog sterker: net als de meeste mensen geloof ik zelfs in dingen die geen mens ooit gezien heeft. Elektronen bijvoorbeeld. Elektromagnetische velden. De Big Bang. Ik geloof dat die dingen bestaan (of gebeurd zijn) en dat ze de eigenschappen hebben die natuurkundigen zeggen dat ze hebben.’
De Ridder zegt dat in het artikel Geloof in dingen die je niet ziet. Hij vraagt zich daarin af waarom hij gelooft in dingen die hij nooit gezien heeft.
‘Waarom geloof ik dat allemaal? In mijn geval voornamelijk omdat natuurkundigen het zeggen. Ik ga af op de consensus onder experts. Voor de meesten onder ons is dat een prima stelregel: geloof wat de experts zeggen, vooral als ze het roerend met elkaar eens zijn.’
Volgens De Ridder kunnen we, ook als God zelf onobserveerbaar is, prima redenen hebben om toch in zijn bestaan te geloven. Uit alleen het feit dat iets onobserveerbaar is, aldus de wetenschapper, kun je niet zomaar concluderen dat het niet bestaat: God kan namelijk de beste verklaring zijn van ‘effecten’ die we wel kunnen waarnemen.
‘Om een paar bekende voorbeelden te geven: het feit dat er iets en niet niets bestaat, de fine-tuning voor intelligent leven van het universum, natuurwetten, het bestaan van een objectieve moraal, religieuze ervaringen, en het overleven en de snelle groei van het christendom in de eerste eeuwen na Christus. Wat je verder ook kunt zeggen van vliegende theepotten, in elk geval niet dat ze de beste verklaring zouden kunnen zijn van al deze dingen.’
Jeroen de Ridder (foto: VU) is NWO Veni-onderzoeker en universitair docent in de filosofie, met name de epistemologie, wetenschaps- en godsdienstfilosofie. Sinds 2010 werkt hij op de VU aan een NWO Veni onderzoeksproject waarin hij analyseert hoe de commercialisering van wetenschap van invloed is op het delen en verspreiden van wetenschappelijke kennis. Eerder heeft hij veel colleges wijsgerige vorming gegeven op de VU, TU Delft, en TU Eindhoven. In 2007 is De Ridder aan de TU Delft gepromoveerd in de filosofie op een proefschrift over technische verklaringen en ontwerpprocessen. Nog langer geleden is hij cum laude afgestudeerd in zowel de Wijsbegeerte (VU) als de Technische Bestuurskunde (TU Delft).
UITGELICHT – Over welke God gaat het eigenlijk, is een veelvoorkomende vraag. Vandaag over Die van filosoof Emanuel Rutten. Hij definieert God als een lichaamloos bewustzijn en de eerste oorzaak van de wereld. God als eerste oorzaak, dus zelf onveroorzaakt en bovendien de directe of indirecte oorzaak van alles wat buiten God bestaat. En God is een immaterieel bewustzijn, dus een subject in plaats van een object, een iemand in plaats van een iets.
‘Maar dat is wat wij allen God noemen, zou Thomas van Aquino zeggen’
Geen ding maar een persoon Goed, maar bestaat die God ook? En hoe dan? In zijn argumentatie begint Rutten met de stelling dat er een eerste oorzaak van de wereld bestaat. Vervolgens laat hij zien dat deze eerste oorzaak redelijkerwijs geen object, maar een subject, geen iets, maar een iemand, geen ding, maar een persoon is, zodat inderdaad volgt dat God bestaat.
In zijn lezing Redelijke argumenten voor theïsme: een cumulatieve casus zegt de filosoof dat het voor mensen lastig is – onmogelijk zelfs – om ons een wereld voor te stellen zonder ‘laatste grond’: de uiteindelijke oorsprong van de wereld.
‘Wij kunnen haast niet anders denken dan dat de wereld uiteindelijk teruggaat op een absolute onvoorwaardelijke drager, iets dat het laatste antwoord vormt op de vraag waarom er überhaupt iets is en niet veeleer niets.’
Er moet dus een uiteindelijke oorsprong van de werkelijkheid zijn, een eerste beginsel. Volgens Rutten accepteren ook atheïsten de idee dat de hele wereld teruggaat op een absolute grond, een eerste oorzaak, want er is een onveroorzaakte entiteit die zelf de directe of indirecte oorzaak is van alles wat buiten deze entiteit bestaat.
Stringtheorie Een tweede argument is tweeledig en luidt dat alles wat bestaat uiteindelijk opgebouwd uit fundamentele enkelvoudige bouwstenen (tegenwoordig zouden we wijzen op ‘de strings’ van de stringtheorie) en is alles wat bestaat onderdeel van het causale weefsel van de werkelijkheid. Het betreft hier atomisme en causalisme; deze begrippen komen voort uit alle moderne natuurwetenschappelijke theorieën van ruwweg de afgelopen driehonderd jaar die samen impliceren dat er een eerste oorzaak van de wereld moet zijn.
Van een eerste oorzaak naar God Het derde argument zegt dat het aantal ‘gerealiseerde entiteiten’ in de werkelijkheid noodzakelijk eindig is, zodat een oneindige regressie van oorzaken onmogelijk is, en er dus een eerste oorzaak moet zijn. Van deze eerste oorzaak gaat Rutten naar God.
‘Het eerste argument vertrekt vanuit een reflectie op de aard van geest en lichaam. Geest is naar haar eigen wezen het actieve, terwijl materie in zichzelf louter passief is. Nu moet de eerste oorzaak van de wereld, als datgene wat al het andere direct of indirect veroorzaakt, uiteraard actief in plaats van passief zijn. Maar dan is het alleszins redelijk om te denken dat de eerste oorzaak geest in plaats van stof is, zodat God dus inderdaad bestaat.’
Immanuel Kant Rutten verwijst dan naar de Duitse filosoof Immanuel Kant die stelt dat de mens als autonoom zelfbewust vrij wezen een waarde heeft die boven dat van alle onbewuste levenloze objecten uitgaat. De conclusie die Rutten daaruit trekt, is dan dat de wereldgrond dus géén object kan zijn.
‘De wereldgrond heeft immers zoals gezegd een waarde die juist niet lager is dan dat van een individueel mens. Nu is alles wat bestaat subject of object. Maar dan moet de wereldgrond een subject zijn. De wereldgrond is geen ‘iets’, maar een iemand. Kortom, God bestaat.’
Vrije wilsact Wat is dan de optie voor de wereldgrond? Rutten gaat er een aantal langs, verwerpt ze en stelt dan dat de enige optie voor de wereldgrond die over blijft een concrete entiteit is, die op grond van een vrije wilsact de wereld voortbrengt.
‘Een vrije wilsact is namelijk per definitie zelfverklarend. Nu is echter een contingente concrete entiteit niet zelfverklarend. De entiteit in kwestie had er immers niet hoeven zijn. We concluderen dus dat de wereldgrond een noodzakelijk bestaande concrete entiteit moet zijn die de wereld voortbracht op grond van een vrije wilsact. De grond van de wereld is dus een noodzakelijk bestaand en vrij subject. Nu veronderstelt vrijheid bewustzijn. Een onbewust subject kan immers niet vrij zijn. De wereldgrond is dus een noodzakelijk bestaand, vrij en bewust subject. Dus God bestaat.’
Bovennatuurlijke bewuste entiteit Rutten geeft ook een argument vanuit de oorsprong van het bewustzijn en stelt dat op enig moment in de geschiedenis van de kosmos bewustzijn haar intrede deed; hij noemt dit – zich toen in de kosmos manifesterende bewustzijn – ‘natuurlijk bewustzijn’.
Omdat materie en natuurlijk bewustzijn niet aan elkaar gelijk zijn; niemand oprecht gelooft dat al onze subjectieve innerlijke ervaringen – zoals het beleven van muziek of het voelen van verdriet – niets meer of minder zijn dan bewegende materie; en het evenmin redelijk is om te beweren dat natuurlijk bewustzijn wordt geproduceerd door onbewuste materie; moet de bron van natuurlijk bewustzijn daarom gelegen zijn in een bovennatuurlijke bewuste entiteit, oftewel in een aan de kosmos transcendent bewustzijn, hetgeen op het bestaan van God wijst.
‘De gedachte dat stof bewustzijn kan produceren is niet alleen contra-intuïtief, maar we kunnen ons zelfs geen enkele voorstelling maken van de wijze waarop deze productie zou moeten plaatsvinden. De herkomst van natuurlijk bewustzijn kan dus niet gelegen zijn in onbewuste materie. De oorsprong van natuurlijk bewustzijn moet daarom zelf een bewuste entiteit zijn. Deze bewuste entiteit kan dan zelf niet natuurlijk zijn. Immers, we vragen naar de herkomst van natuurlijk bewustzijn als zodanig en het zou circulair zijn om te beweren dat natuurlijke bewustzijn is voortgekomen uit natuurlijk bewustzijn.’
Morele waarden Voorts stelt Rutten dat als God niet bestaat, er in de hele wereld niets meer is dan een geheel van ruimte, tijd, materie en energie. Maar dan is er in de wereld niets dat kan optreden als de waarheidsmaker van bepaalde morele waarheden: Ruimte, tijd, materie of energie kunnen immers nooit tot objectieve morele waarden leiden.
‘De atheïst heeft in zijn wereldbeeld dan ook niets om de objectiviteit van bepaalde morele waarden in te funderen. Maar dan volgt, gegeven de redelijkheid van het bestaan van objectieve morele waarden, dat atheïsme onhoudbaar is. Let echter op. Dit argument wil uiteraard niet zeggen dat atheïsten niet moreel zijn. Natuurlijk niet, dat zou onzin zijn. Het argument doet juist een beroep op het algemeen menselijke inzicht dat er bepaalde objectieve morele waarden bestaan, zoals dat lustmoord verwerpelijk is. En dit is een inzicht dat ieder weldenkend mens kan accepteren, of hij of zij nu gelovig is of niet. Het punt is dat het atheïsme de objectieve geldigheid van dit soort morele waarden ontologisch niet kan grondvesten, zodat we atheïsme moeten verwerpen en dus volgt dat God bestaat.’
Vervolgens stelt Rutten dat enerzijds ‘alles wat mogelijk waar is, mogelijk kenbaar is’, en anderzijds dat ‘het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat’, waaruit logisch de conclusie volgt dat God noodzakelijk bestaat.
Tegenwerpingen In het artikel gaat Rutten vervolgens in op tegenwerpingen op zijn argumenten. Ten slotte stelt hij dat het alleszins redelijk is om te denken dat er een ultieme grond van de wereld is en dat deze grond een iemand is in plaats van een iets, een persoon in plaats van een ding.
‘Maar dat is wat wij allen God noemen, zou Thomas van Aquino zeggen.’
Bron: Sla er vooral het artikel Redelijke argumenten voor theïsme: een cumulatieve casus op na: het uitgebreide betoog van filosoof Emanuel Rutten dat hij afgelopen maart hield voor de C.S.F.R. in Groningen over rationele argumenten voor theïsme.
‘De atheïst gelooft dat God niet bestaat, wat evenzeer een overtuiging is, en waarvoor de atheïst dus ook argumenten zal moeten geven. ’
Dat stelt filosoof Emanuel Rutten op 10 mei in zijn artikel Pariteit, in het blog Wijsgerige Reflecties. Rutten beweert hierin dat de atheïst in een argumentatief debat over het bestaan van God niet eenzijdig de bewijslast bij de theïst kan leggen.
‘De theïst gelooft namelijk dat iets, namelijk God, bestaat. Dit betreft een positieve (affirmerende) claim. De atheïst daarentegen gelooft slechts dat iets, namelijk God, niet bestaat. Dit is alleen maar een negatieve (ontkennende) claim.’
Zowel de theïst als de atheïst zullen volgens Rutten met argumenten voor hun overtuiging moeten komen. In zijn artikel weerlegt Rutten de repliek van de atheïst dat de bewijslast bij de theïst ligt. Hij verwijst hiervoor naar zijn proefschrift ‘A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments – Towards a Renewed Case for Theism’, waarin hij onder meer stelt dat God metafysisch noodzakelijk bestaat.
‘Beide posities betreffen immers een claim over de aard van de wereldgrond. Volgens de één is de zijnsgrond van de wereld geest en volgens de ander is de zijnsgrond van de wereld stof. De repliek van de atheïst hierboven is dan dus inderdaad inadequaat. Het is niet zo dat de theïst het bestaan van iets bevestigt, terwijl de atheïst slechts het bestaan ervan ontkent. Twee opvattingen over de natuur van de eerste oorzaak, geest of stof, staan tegenover elkaar.’
Volgens Rutten kan de atheïst in een argumentatief debat over het bestaan van God dus niet eenzijdig de bewijslast bij de theïst leggen.
Emanuel Rutten (foto: PD) behaalde in 1994 een propedeuse in de economie aan de UvA, een master of science in de wiskunde in 1997 aan de TU Delft en een master of arts in de wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit in 2010. De laatste twee met het judicium cum laude. Begin 2010 begon Emanuel aan de Vrije Universiteit aan een promotie in de wijsbegeerte bij Prof. Dr. R. van Woudenberg. Eind september 2012 promoveerde hij. De titel van zijn dissertatie luidt: A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments: Towards a Renewed Case for Theism. Het werkterrein van Emanuel betreft metafysica, epistemologie en esthetiek. Nu zijn promotie is afgerond zal Emanuel als postdoc verbonden zijn aan The Abraham Kuyper Centre for Science and Religion van de faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit.
De Protestantse Kerk Nederland (PKN) discussieert over de vraag of christenen en moslims wel in dezelfde God geloven. Natuurlijk, want christenen zijn monotheïsten en geloven dat er maar één God is en daarom kunnen moslims geen andere God aanbidden. Zelfs in de Koran staat dat ‘uw God en onze God één is’ (soera 29:46.)
De Vervolgnota ‘Integriteit en Respect’van april 2013 volgt op de Nota ‘Integriteit en Respect’ van 2011, en verschijnt vanwege de reacties op de eerste nota. De reacties gaan onder heel veel meer over die ‘ene’ God.
De paragraaf in de eerste nota over het ‘vraagstuk God’ laat het antwoord in zekere zin in het midden.
‘Naast de opmerkingen met betrekking tot de weergave van de islam in IR (Integriteit en Repect, pd) neemt in de reacties de vraag naar God een belangrijke plaats is, met name de vraag of de God van de islam en de God van het christendom nu wel of niet dezelfde is.’
Gottegot
Sommigen vinden dat God en Allah niet dezelfde zijn, anderen vinden dat dit wel zo is. – Hoe zou God daar tegenaan kijken? Zou Hij niet denken: ‘Gottegot, waar hebben ze het over? Ik heb miljoenen mensen geschapen en er volgen er nog meer en ze zijn allemaal verschillend! Ik geloof in al die mensen, die er allemaal anders uitzien, allemaal verschillende kleren dragen, zo veel verschillende rassen, kleuren, lengtes en breedtes, maar allemaal mensen! Ik geloof toch in één mens en tegelijk in allemaal? In al hun verschijningssoorten?’ God Zelf zal het daarom worst wezen, die discussie op 26 april van de synode PKN of Hij Allah is of God.
‘In deze context is in een reactie de vraag gesteld of christenen moslims dan wel als echte gelovigen beschouwen of misschien eerder als fantasten (of erger, dienaren van de duivel).
De meeste moslims ervaren het begrijpelijkerwijs als een ernstige belediging als van hen gezegd wordt dat ze in een andere God geloven. Het past christenen voluit te erkennen dat moslims in oprecht geloof de God van Abraham willen dienen.’
Islamprobleem?
Volgens de nieuwskoppen bij Kerknieuws (IKON)en NieuwWij gaat de ‘vervolgnota PKN over de islam’. Maar dat klopt niet, ze gaan over de islam èn het christendom. Nu lijkt het wel een islamprobleem, zoiets als het Marokkanenprobleem, maar dat is het niet. Het is een mensenprobleem over die ene God. Iedereen legt Hem wat anders uit, dat is alles, maar die ene God blijft gewoon de Ene.
‘Het gesprek zal dus gaan over de vraag wie deze God nu precies is. Zijn onze beelden van Hem ook niet heel erg uiteengegroeid? Hebben we het nog wel over de Ene? Dat verklaart dat er ook reacties zijn, die de betekenis van Abraham voor de ontmoeting tussen christenen en moslims zouden willen relativeren: de verschillen zijn wat deze reacties betreft te groot geworden.’
De Beraadsgroep interreligieuze ontmoeting van de Raad van Kerken geeft in een reactie op de nota Integriteit en Respect taalkundig
en theologisch bevestigend antwoord op de vraag of moslims in God geloven:
‘Het Arabische woord Allah en het Germaanse woord god betekenen beide ‘God’. Omdat monotheïsten geloven dat er maar één God is, kan een christen dus niet zeggen dat moslims in ‘een andere God’ geloven. Wel zou het mogelijk zijn te stellen dat moslims denken dat ze in God geloven, maar dat ze het niet doen; of dat moslims zich tot God richten, maar niet zien dat Jezus God-met-ons is.’
De Raad van Kerken laat een kritisch geluid horen als zij stelt dat de nota IR op dit punt onduidelijk is:
‘Deze onhelderheid wreekt zich op het punt, dat moslims het als een ernstige belediging ervaren, van henzelf en van de Ene God, als de conclusie zou zijn dat zij in een andere God geloven.’
Toch is er hoop, want Jaap Kraan las de positiebepaling in de – hem vaak teleurstellende – vervolgnota, die over het ‘probleem’ God in ieder geval wel iets gemeenschappelijks zegt:
‘Toch blijkt in deze positiebepaling wel dat de opstellers zich iets hebben aangetrokken van alle kritiek, bijvoorbeeld in aanbeveling drie, waar staat dat de vraag of we in dezelfde God geloven niet de belangrijkste vraag is, want volgens de christelijke en islamitische traditie is er één God, de God die Abraham geroepen heeft. Dit ademt althans iets gemeenschappelijks! (…)Geloven in dezelfde God lijkt zelfs mogelijk.’
Jaap Kraan (foto: NieuwWij.nl) werkte o.a. jarenlang in Pakistan voor de dialoog met moslims en was jarenlang predikant in o.a. het Friese Burgum.
‘Een God die onze logische denkwijze overtreft, helpt ons bij het oplossen van een reeks belangrijke theologische problemen,’ zegt filosoof Jan Riemersma in de discussie onder zijn artikel Een wereld voor mensen. ‘Het zegt ons waarom ‘de wetenschap’ van geen belang is voor ons geloof in God. Hij is van een andere orde, we kunnen zijn bestaan niet aantonen in een laboratorium of in een deeltjesversneller.’
‘En dat zou een gelovige ook niet willen; heel de ‘strijd’ tussen wetenschap en geloof kan worden vergeten als we veronderstellen dat God een niet-logische bestaanswijze heeft.’
Riemersma stelt dat er ‘bewijzen’ bestaan die bedoeld zijn om de gelovige een hart onder de riem te steken – en niet zo zeer om het bestaan van God aan te tonen. Als voorbeelden van deze ‘bewijzen’ noemt hij de ‘weddenschap’ van Blaise Pascal, de ‘omkering’ van Søren Kierkegaard en de ‘levende optie’ van William James.
‘Deze filosofen betogen, met zoveel woorden dat het niet nodig is om haarfijn aan te tonen dat God bestaat: de gelovige mag zich tevreden stellen met de gedachte dat het geloof in God zelf een groot goed is.’
De filosoof geeft een aantal voorbeelden dat helpt bij het oplossen van een reeks belangrijke problemen indien God onze logische denkwijze overtreft. Het is dan bijvoorbeeld niet redelijk om het kwaad onmiddellijk in verband te brengen met God. God is dan ook niet stelselmatig te bestuderen of te beschrijven. God die onze logische denkwijze overtreft, is vermoedelijk ‘groter’ (= perfecter) dan een God die, net als wij, alle gedachten logisch moet ordenen. En als God een niet-logische bestaanswijze heeft, mogen we eenvoudigweg rekenen op Zijn bestaan. Riemersma (foto: facebook) concludeert dat de gedachte dat de werkelijkheid logisch niet gesloten is, juist een theologisch volmaakter beeld van God oplevert.
‘Het geloof is van levensbelang, er staat voor de mens oneindig veel op het spel, namelijk de waarde en inhoud van zijn leven op aarde. Wetenschap daarentegen is werk in aanbouw. Een redelijk mens verlaat zijn huidige onderkomen niet om buiten in de kou alvast te wachten totdat eindelijk de nieuwbouw gereed is. Waarom zouden mensen hun verlangen en hoop dan alvast opgeven om te wachten op de uiteindelijke wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid? Het minste wat de mens voor zichzelf kan doen is geloven dat het bestaan zinvol is en dat zijn keuzes betekenis hebben’. (Uit: Een wereld voor mensen)
Elders in de reacties pleit Riemersma voor een volstrekt ‘open’ wereld, waarin de logische wetten niet universeel gelden. ‘De natuurlijke beschrijving van de werkelijkheid is dan voor ons nog wel de meest betrouwbare beschrijving van de werkelijkheid, maar deze natuurlijke wereld is logisch niet begrensd: de natuurlijke beschrijving van de werkelijkheid is de meest betrouwbare, maar ze is niet volledig.’
‘Een niet-logische werkelijkheid heeft zulke vreemde eigenschappen, dat Gods’ bestaan eigenlijk niet kan worden ontkend. Immers, in een niet-logische werkelijkheid is alles mogelijk? Dus ook het bestaan van God. Dit betekent dat de vraag of God bestaat niet afhankelijk is van de vraag of we zijn bestaan empirisch kunnen aantonen.’