
Een van de redenen die Frédéric Lenoir ertoe heeft aangezet om het boek De filosofie van Christus te schrijven, is dat de diepgaande vernieuwing van Christus’ boodschap vergeten is en zelfs omgevormd tot het exacte tegendeel ervan. Het christendom is sindsdien onbegrijpelijk voor wie de grondteksten niet kent. Lenoir verwijst hiermee naar de kritiek van Jacques Ellul en Søren Kierkegaard. ‘Het kerkelijk instituut heeft zich afgekeerd van zijn grondleggers’.
Volgens Lenoir was Søren Kierkegaard (sorenkierkegaard.nl) een ‘gekweld christen’ en voelde hij zich de titel christen onwaardig. De beroemde gelovige stelde dat de ‘christenheid’ (de Europese samenleving) de boodschap van het Nieuwe Testament voortdurend de rug heeft toegekeerd.
‘Het werkelijke christendom bleek er volledig door te zijn verdraaid. Geen woorden zijn hem [Kierkegaard] te hard om de christenheid af te wijzen: ‘deze misdaad’, ‘deze illusie’, ‘dit bedrog’, ‘dit slappe citroenwater’, ‘deze walgelijke dikdoenerij’. (Lenoir)
‘Het christendom is afgeschaft door zijn verbreiding, door de miljoenen zogenaamde christenen, wier aantal de afwezigheid van de ware christenen en de onwerkelijkheid van het christendom verhult.’ (Kierkegaard)
Dit vindt weerklank bij de Franse scherpzinnige denker en geëngageerd christen Jacques Ellul (aitheoloog.nl), die langer stilstaat bij de manier waarop deze omkering zich heeft voltrokken. In het essay Subversief christendom van deze jurist, historicus, theoloog en socioloog, schrijft hij:
‘Hoe is het mogelijk dat de ontwikkeling van de christelijke samenleving en de kerkelijk samenleving een maatschappij heeft doen ontstaan, een beschaving en een cultuur die zo volledig het tegendeel vormen van dat wat de onweersprekelijke tekst is van de Tora en de profeten, als van Jezus en Paulus? Ik zeg volledig en bedoel dat ook. Er is niet slechts tegenspraak op een enkel punt, maar op alle punten.’
Volgens Ellul is het historische christendom een religie geworden, een zedenleer en een macht die zichzelf heeft verrijkt.
‘Nu ondermijnde de hele boodschap van het Nieuwe Testament de religie, de moraal, de macht en het geld. Door zich af te keren van de boodschap van zijn grondleggers heeft het kerkelijke instituut dus op zijn beurt het christendom ondergraven. De kerk heeft het christendom teruggebracht tot het niveau van een godsdienst (met zijn rituelen en dogma’s) en een moraal (van plicht en onderworpenheid) zoals vele andere, en ze heeft zich laten omkopen door macht en geld.’
Jezus bleef volgens Frédéric Lenoir (foto: Ten Have) wel trouw aan wat hij noemde ‘de wil van zijn vader’ en is niet gestorven omdat God behoefte had aan smart, maar eenvoudigweg omdat Jezus tot aan het einde toe trouw bleef aan de waarheid die hij kwam brengen. Dat is zonder twijfel, vervolgt Lenoir, de reden waarom zijn woorden tweeduizend jaar later nog zo juist klinken.
Lenoir begint zijn boek met een verhaal uit Dostojevski’s De broers Karamazov: een episode van de grootinquisiteur; over de legende van de terugkeer van Christus op aarde. Dostojevski legt hierin het accent op wat hem het belangrijkste lijkt: de kerk heeft Christus’ boodschap van vrijheid verworpen uit naam van menselijke zwakte, om haar macht te vestigen. Jezus bood weerstand, daar waar de kerk bezweek voor de verleiding.
Opmerkelijk vind ik genoemde uitspraak van Lenoir dat het kruis van Christus niet staat voor de Zoon die lijdt om de toorn van de Vader tot bedaren te brengen, zoals wordt opgevat binnen een doloristische (= de verheerlijking van het lijden, PD), opofferingsgezinde theologie:
‘Zo’n voorstelling is in tegenspraak met de hele leer van Christus en met zijn openbaring van een liefhebbende God. Jezus accepteert zijn dood, omdat hij geen andere uitweg heeft om trouw te blijven aan zijn boodschap, die onverdraaglijk is voor de religieuze autoriteiten van zijn tijd.. Hij moet ofwel zwijgen en verdwijnen, ofwel zijn boodschap verloochenen, ofwel tot het einde de consequenties aanvaarden en de prijs daarvoor betalen.’
Volgens Lenoir, die ook de grote verdiensten van de kerk beschrijft, werden de geestelijken verblind door het verpletterende succes van hun religie en proefden van de macht.
‘De kerk werd sterker en ging zich geleidelijk meer met zichzelf bezighouden dan met haar oorspronkelijke doelstelling. Het evangelie werd nog altijd verkondigd, maar de kloof tussen de geboden van Christus en de kerkelijke praktijken werd steeds groter, omdat die meer en meer gericht waren op haar instandhouding, ontwikkeling en gezag.’
De filosofie van Christus, zijn meest fundamentele ethische leer, zo stelt Lenoir al in het begin van zijn boek, ‘bereikte de mensen niet langer door de deur van de kerk, maar keerde terug door het raam van het humanisme van de renaissance en de verlichting!’
‘Terwijl de kerk met haar inquisitiepraktijken drie eeuwen lang de christelijke leer van de menselijke waardigheid en de geloofsvrijheid aan het kruis spijkert, herleeft deze boodschap dankzij de humanisten.’
En deze paradox vormt het hoofdthema van het boek De filosofie van Christus.
De filosofie van Christus | Frédéric Lenoir | ISBN 9789079001132 | Ten Have | 2008 | 270 pag.
Frédéric Lenoir is filosoof en godsdiensthistoricus. Hij werkt als onderzoeker aan de Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales te Parijs en is hoofdredacteur van Le Monde des Religions. Hij schreef vele essays en historische romans. Zijn werk is in veel talen vertaald.
Lenoir beschrijft hoe de filosofie van Christus werd vertroebeld door kerkelijke instituties, toen in de vierde eeuw het christendom de officiële religie van het Romeinse Rijk werd. Pas duizend jaar later beleeft deze filosofie een nieuwe ‘geboorte’, als Renaissance- en Verlichtingsfilosofen een beroep op haar doen om de Europese samenleving te bevrijden van het juk van de kerk en een modern humanisme stichten. (Ten Have)
Illustr: Christus als leraar – Detail van de sarcofaag van Junius Bassus uit circa 359, gevonden in 1595, bij het graf van Petrus, tijdens bouwwerkzaamheden in de Sint-Pieterskerk in Rome, onder de vloer. (johnveldhuis.com)
– De hemel is niet leeg. Het leven is niet louter een product van de wetten en van het toeval van de materie, maar in alles en tegelijk ook boven alles staat een persoonlijke wil, staat Geest, die zich in Jezus als Liefde heeft geopenbaard. De vroegchristelijke sarcofagen brengen dit inzicht in beeld – in het aangezicht van de dood, wanneer de vraag naar de zin van het leven onontkoombaar wordt. De gestalte van Christus wordt op de vroege sarcofagen vooral op twee manieren uitgelegd: als filosoof en als herder. (rkdocumenten.nl)
update 10 05 2023











