‘Er is iets dat bestaat, dus God bestaat’

universum

Het ‘onsterfelijke gerucht’ is geen onbelangrijk gegeven omdat daardoor wordt aangetoond dat er in de mensheid een heel wijd verbreid en spontaan bewustzijn bestaat, dat ons bestaan en dat van het hele universum iets is dat gratis geschonken wordt. – Dat zegt theoloog Manuel Cabello in de paragraaf Redelijk inzicht: de wegen vanuit het universum naar God, in Geloven vandaag?, waarin hij op zoek gaat naar uitgewerkte filosofische argumenten voor het bestaan van God door het universum als uitgangspunt te nemen.

Over het ‘onsterfelijk gerucht’ zegt hij dat er in onze intelligentie een intuïtief besef is – dat meer of minder duidelijk kan zijn – van het feit dat alles wat bestaat, ooit zal verdwijnen en er net zo goed niet kan zijn, en dat er daarom Iemand moet zijn die een verklaring geeft voor het waarom van de wereld en van de mens.

Deze intuïtie is al eeuwen geleden vastgelegd in de uitspraak: Aliquid est, ergo Deus est (er is iets dat bestaat, dus God bestaat). De filosofische argumenten die worden aangevoerd om het bestaan van God aan te tonen zijn niets anders dan een uitwerking en een vertaling in abstracte termen van deze allereerste intuïtie van het intellect – die wijd verbreid is in de geschiedenis van de mensheid tot op de dag van vandaag, als ze tenminste niet wordt verstikt door een bepaalde levenswijze of ideologie.’

Cabello verwijst naar de big bang theorieën waarvan bijna alle natuurkundigen gebruik maken als basis van hun werk, ook al staat de geldigheid ervan voor hen niet definitief vast. We moeten ons er dan ook niet toe verleiden die niet vaststaande wetenschap te gebruiken als argument voor het bestaan van God.

Wil men aantonen dat de wereld is geschapen door zich te beroepen op de big bang theorie, dan moet men een onomstotelijk bewijs leveren voor deze theorie, en men moet ook nog aantonen dat er vóór de big bang niets was – en dat krijgt men in de natuurkunde niet voor elkaar.’

Over de stelling dat het universum wellicht zichzelf heeft geschapen, zegt Cabello dat het gezonde verstand én de filosofie – die in het verlengde zou moeten liggen van het gezonde verstand –ons klip en klaar vertellen dat het onzinnig is om het te hebben over een schepping zonder schepper.

Als er ‘op een gegeven moment’ niets zou bestaan, zelfs niet God, dan zou er op geen enkel moment iets kunnen bestaan. Ex nihilo, nihil fit: niets komt voort uit het niets, luidt een oud gezegde in de filosofie.’

Als we echter stellen, zegt Cabello, dat het universum eeuwig duurt zonder dat er een God is, waarbij dat universum de macht heeft om de oorsprong te zijn van leven en bewustzijn, dan maken we van dat universum zelf een God; weliswaar een onpersoonlijke God tot wie we niet kunnen bidden, maar toch een echte God.

En als het [universum] geschapen is, dan moet er zich aan het begin van de serie oorzaken die aan het universum ten grondslag liggen, een wezen bevinden dat wél onmisbaar is omdat er zonder dat wezen niets zou kunnen bestaan. Dit onmisbare wezen is per definitie God.’

De wereld is volgens de theoloog samengesteld uit het geheel of de combinatie van de individuele dingen die er deel van uitmaken en geen van die delen bezit in zichzelf de volledige reden van zijn eigen bestaan.

Al die delen zijn op de een of andere manier afhankelijk van een oorzaak die buiten hun eigen bestaan ligt. Daarom toont de ervaring ons geen enkel voorbeeld van een werkelijkheid waarvan de bestaansreden in die werkelijkheid zelf is gelegen, en dus zal het geheel van die werkelijkheden – het universum dus – ook niet zelf de grondslag van zijn eigen bestaan bezitten. Daarom ontkomen we er niet aan om te veronderstellen dat er een bestaansreden van deze wereld is die buiten deze wereld is gelegen.’

Over de chaos aan het begin, de big bang, vraagt Cabello zich af wat voor evolutie er in staat kan zijn geweest om een wereld voort te brengen die zo welgeordend is als de onze?

Met andere woorden, kan de rationele ordening die wij waarnemen de resultante zijn geweest van blinde automatische krachten die hun spel speelden gedurende het evolutieproces van het universum, of moet die rationele ordening vooraf hebben bestaan om dit evolutieproces te sturen?

Hoe kan de materie, die per definitie niet intelligent is, stelt Cabello, het bestaan verklaren van het universum dat wij kennen, vanaf het wonder van het kleinste celletje tot het grootse schouwspel van het ‘hemelgewelf’ met zijn duizenden miljoenen melkwegstelsels? De theoloog verwijst naar Einstein, die van het wonder van de kenbare  structuur van het universum sprak:

‘Weliswaar worden de axioma’s van deze [zwaartekracht]theorie opgesteld door de mens, maar het feit dat men erin slaagt zulk een theorie te ontwerpen veronderstelt een mate van ordening van de objectieve wereld die je op voorhand helemaal niet zou mogen verwachten. Daarin ligt het wonder, en hoe meer we te weten komen, hoe groter het wonder wordt. Hierin ligt het zwakke punt van de positivisten en de professionele atheïsten die zich gelukkig prijzen omdat ze niet alleen menen dat ze met volledig succes de wereld van goden hebben bevrijd, maar ook denken dat ze hem van de wonderen hebben beroofd. Het vreemde is dat wij ons ermee tevreden moeten stellen dat we het wonder erkennen zonder dat er een geldige weg is die wij kunnen bewandelen om verder te gaan dan dat.’ (Einstein in: Geloven vandaag?)

De Belgische filosoof en theoloog André Léonard vond Einsteins reactie teleurstellend omdat hij weigert de uiteindelijke consequenties onder ogen te zien van het bestaan van dit ‘wonder’ en doet alsof dit wonder van kenbare structuur op zichzelf zou kunnen voortbestaan zonder een Intelligentie die dit wonder concipieert en realiseert. De reactie van Joseph Ratzinger was destijds: ‘Door de rationele ordening van de Schepping heen kijkt God ons zelf aan.’ Volgens Cabello maakt Ratzinger vaak gebruik van de weg van de rationele ordening van het universum om tot God te komen.

Het gehele grote evolutieproces vanaf het ontstaan van het universum tot op heden, lijkt Cabello geprogrammeerd en hij vraagt zich af wie dat programma heeft ontworpen en welke ingenieur  daarachter zit.

Het lijkt er daarom dus op dat het universum in al zijn aspecten en ook de aarde zorgvuldig zódanig zijn geconcipieerd dat ze het menselijke leven konden huisvesten. Dit feit wordt aangeduid met de term ‘antropisch principe’. Hebben we hier te maken met een onwaarschijnlijk toeval of met een in het oog springende manifestatie van de goddelijke voorzienigheid? Nogmaals, de wetenschap is niet in staat ons antwoord te geven op deze vraag.’

Zie: Redelijk inzicht: de wegen vanuit het universum naar God – in: Geloven vandaag? 

Andere artikelen over Geloven vandaag?:
1. ‘Een zwijgende God is onvoorstelbaar’
2. Het onsterfelijke gerucht dat God bestaat

Geloven vandaag? – Christendom en moderne rede | Manuel Cabello | 2017 | Uitgeverij De Boog | ISBN 9789062570645 | 224 pagina’s | Paperback | € 13.50 | E-book € 8.80 | Leesproef

Beeld: Een afbeelding van het universum door het WMAP – NASA / WMAP Science Team – map.gsfc.nasa.gov – Deze afbeelding van het heelal bevat het oudste licht uit het universum. De ovale vorm is een projectie van het hele heelal. De afbeelding bevat zoveel details dat het deze tot de meest belangrijke wetenschappelijke ontdekking sinds jaren maakt. Dit kosmisch portret is in 2003 gemaakt met de Wilkinson Microwave Anisotropy Probe (WMAP). Een van de grootste verassingen is dat de afbeelding data geeft van de eerste generatie sterren die 200 miljoen jaar na de Big Beng hun licht uitzonden. Astronomen zeggen op basis van deze data dat het heelal 13,7 miljard jaar oud is, met een foutpercentage van 1%. (verblijfopaarde.nl)

Het onsterfelijke gerucht dat God bestaat

manlookingupthestarrynightsky

‘We kunnen wel stoppen met discussie. Ieder heeft zijn eigen waarheid: zijn godsdienst, zijn atheïsme of zijn twijfels,’ zegt theoloog Manuel Cabello in Geloven vandaag?. Waarom? Omdat het ‘maar meningen’ zijn. Hij zegt dat in de paragraaf De lastige zoektocht naar God in de moderne cultuur. Cabello zoekt naar een nieuw model van redelijkheid, voorbij meningen die van niet-intellectuele factoren afhankelijk zijn. Maar de wetenschappen die ons voorzien van ‘onomstotelijke waarheden’ – zij het dat nieuwe ontdekkingen ons op zijn minst verplichten om theorieën die eerder als vaststaand werden beschouwd te relativeren of te herformuleren – daar heeft Cabello het ook niet op.

Het staat nog veel meer vast dat ze ons niet kunnen vertellen of er een God is, en ook niet wat de zin van ons leven is, of we een onsterfelijke ziel bezitten, waarom we van mening zijn dat er goed en kwaad bestaat, waarom er een universum is en geen ‘niets’, waarom ik mijn beloften moet nakomen.’

Of we ons er nu bewust van zijn of niet, de uitspraak dat we ‘wel kunnen stoppen met de discussie’, bevestigt het beeld dat het hier slechts gaat om meningen die ieder zich vormt…

‘…op grond van zijn opvoeding, zijn ontvankelijkheid en zijn smaak, zodat er geen universeel geldige argumenten zijn om een bepaalde keuze te maken vanwege het simpele feit dat we ons bezighouden met vragen die nu eenmaal niet met de rede kunnen worden opgelost en waarop we met behulp van onze intelligentie geen goed onderbouwd antwoord kunnen geven.’

Cabello stelt dat uiteindelijk, tijdens de Reformatie, toen er sprake was van godsdienstig pluralisme en geweld tussen de verschillende geloofsrichtingen, en men zich niet meer kon verlaten op de Schrift, de filosofen de handschoen oppakten en de uitdaging aannamen om de mensheid een uitweg te bieden uit dit labyrint.

De rede was dé oplossing. Echter, elke filosoof van Descartes tot heden heeft zijn eigen leer die verschilt van die van zijn voorganger en vervolgens wordt uitgewerkt door zijn opvolger.’

De filosofie heeft ons, volgens Cabello, niets anders te bieden dan allerlei speculaties die ons door telkens weer nieuwe filosofen worden aangeboden; en de verschillende godsdiensten hebben hun specifieke dogma’s die niet zijn te bewijzen.

In de huidige cultuur weet men nog steeds niet hoe men moet komen tot vaststaande kennis aangaande het bestaan van God, en in het algemeen aangaande vraagstukken die verband houden met godsdienst en moraal.’


Ik vind het nodig om erop te wijzen hoe onterecht het is als mensen zich niet interesseren voor het vinden van een juist antwoord op een vraag over een onderwerp dat zó belangrijk voor hen is en dat hen zó intiem raakt. Wat voor vergissingen ze verder ook maken, deze fout toont hoe dwaas en verblind ze zijn, en een klein beetje gezond verstand en inzicht in de gevoelens die we van nature hebben, is al genoeg om hen in verwarring te brengen. Het lijdt toch geen twijfel dat ons leven maar een ogenblik duurt, terwijl de situatie waarin wij dood zijn een eeuwigheid duurt – hoe die toestand er dan ook uit moge zien. Dat betekent dat al onze handelingen en gedachten moeten worden bepaald door de toestand waarin wij ons in deze eeuwigheid zullen bevinden. Het is dus onmogelijk om iets te ondernemen op goede gronden en met een gezond oordeel als wij ons niet laten leiden door datgene wat ons einddoel dient te zijn. (Blaise Pascal in: Geloven vandaag?)


Het lijkt Cabello redelijker om Blaise Pascal te volgen dan om de weg van de sofistische filosoof te gaan met diens ietwat lichtzinnige scepsis en kortzichtigheid, en ook kan hij geen genoegen nemen met de gemakzuchtige uitspraak: ‘Als God bestaat, dan moet Hij zich eens wat duidelijker laten zien.’


Wat roepen die gretigheid en deze onmacht ons anders toe dan dat er vroeger in de mens een waarachtig geluk was, waarvan hij nu alleen nog maar een merkteken en een spoor zonder inhoud over heeft, een leegte dus die hij wil vullen met alles wat hem omringt, waarbij hij hoopt dat dingen die er niet zijn hem helpen als de dingen die er wél zijn hem niet helpen, maar tevergeefs, omdat die oneindige afgrond alleen gevuld kan worden door iets dat oneindig en onveranderlijk is: door God zelf? (Blaise Pascal in: Geloven vandaag?)


Het loont de moeite, zegt Cabello, om na te gaan of het ‘onsterfelijke gerucht’ ─ hij gebruikt de woorden van de nestor van de Duitse filosofie Robert Spaemann ─ dat God bestaat, een leer die door de hele geschiedenis van de mensheid heen te vinden is, op een redelijke grondslag berust.

De vraag is dus of het mogelijk is om redenen te vinden die waarborgen dat God bestaat. Waar moeten we zoeken naar een antwoord op de vraag of God bestaat?’

Of is dat zinloos? De Bijbel vertelt ons immers, aldus de theoloog, dat de God van de christenen een verborgen God is.

Pascal geeft hierbij als commentaar dat God zintuiglijke waarneembare tekenen heeft gegeven opdat Hij door de mens zou worden gekend, maar dat Hij deze op een zodanige manier heeft toegedekt dat ze alleen kunnen worden ontdekt door diegenen die ernaar zoeken met heel hun hart.’

God verbergt zich opdat de mens naar Hem verlangt, vanuit dit verlangen op zoek gaat naar Hem, en Hem zoekt via zijn naaste. Het feit dat de mens God zoekt in het halfduister, maakt dat hij liefde voor Hem opvat en terzelfder tijd in zekere zin de liefde van God verdient.

Die door Pascal genoemde zintuiglijk waarneembare tekenen waarmee we God kunnen ontdekken, bevinden zich ‘in het hemelgewelf’, dat wil zeggen: in het beschouwen van het universum. Evenzo vinden we een spoor van God terug in het innerlijk van ieder menselijk wezen, zoals Augustinus ons op magistrale wijze heeft voorgehouden: ‘Gij hebt ons geschapen als wezens gericht op U, o Heer, en ons hart kent geen rust zolang het niet rust in U’.

Zie: Zijn er voldoende redelijke gronden om het geloof in God te kunnen onderbouwen? – in: Geloven vandaag?

Geloven vandaag? – Christendom en moderne rede
| Manuel Cabello | 2017 | Uitgeverij De Boog | ISBN 9789062570645 | 224 pagina’s | Paperback | € 13.50 | E-book € 8.80Leesproef
Dit boek is niet bestemd voor professionals op het gebied van de filosofie of de theologie, en ook niet voor specialisten op het gebied van de Bijbel of de geschiedenis van de Oudheid. Het is eenvoudigweg bedoeld voor mannen en vrouwen die graag nadenken over de dingen. (Manuel Cabello)

Beeld: wallpaperstudio10.com