Leven met een besef van het goddelijke

earth-sunlight

‘Marilynne Robinson stelt een atheïstische lezer als mijzelf in staat zich te identificeren met de ervaring van een gevallen wereld, vol van pijn en verdriet, maar ook doordrongen van goddelijke genade.’ Dit zegt recensent Mark O’Connell in The New Yorker over de ‘onbeschaamd christelijke’ romans van Robinson. ‘Ik heb veel literatuur gelezen over religie en de religieuze ervaring, denk aan Tolstoj, Dostojevski, Flannery O’Connor, de Bijbel, maar alleen bij Robinson heb ik daadwerkelijk gevoeld wat het betekent om te leven met een besef van het goddelijke.’

In mijn romans’, zo vertelt Robinson in Felix Meritis als ik [Yvonne Zonderop, PD] haar na afloop van haar lezing interview, ‘poog ik een besef hoog te houden van een heilig en intens krachtige realiteit van menselijk bewustzijn en innerlijk leven. En als ik maar enigszins dreig te generaliseren, vraag ik op voorhand excuus, want dat is dan mijn eigen tekort­koming. Ik denk dat wij het fundamentele idee van de eigenheid van een mens en de mogelijkheden die dat biedt opnieuw moeten ontdekken.’ 

Volgens Yvonne Zonderop, van De Groene Amsterdammer, in een interview met Robinson, zet laatstgenoemde zich vooral af tegen het idee dat wetenschap en religie elkaar uitsluiten en dat met de komst van de Verlichting de koude ratio is gaan prevaleren.

Het lijkt wel, zo zei ze in Felix Meritis, alsof we de Verlichting datgene hebben laten worden wat haar critici aanvankelijk tegen haar inbrachten, zodat het zichzelf de grootste poëzie uit de menselijke beschaving dreigt te ontzeggen. Het kernidee, namelijk dat iedereen in beginsel toegang zou moeten krijgen tot alle vruchten van de menselijke geest, is het beste wat de mensheid kon overkomen. Wetenschappers die beweren dat de Verlichting en religie niet samen kunnen bestaan, doen dus niet alleen zichzelf te kort, maar beperken ook de waarde van wetenschap.’

Robinson stelt dat haar spiritualiteit, ‘om dat woord te gebruiken’, is dat zij accepteert dat er een realiteit bestaat die veel groter is dan waar wij affiniteit mee hebben.

Calvijn zegt: de wereld is een school. We worden steeds naar een nieuw niveau van begrip getild. Het enige dat wij daar aan kunnen geven is onze aandacht. Ik kan mij van God geen voorstelling maken, dat zou idolatrie zijn, zoals Calvijn terecht stelt. Ik ga ervan uit dat ik verbaasd zal zijn als ik hem tref. De enige omschrijving van God die ik kan bedenken luidt: genade.’

Robinson vindt het noodzakelijk onderscheid te maken tussen de religie die inzicht biedt in de menselijke conditie met alle muziek en literatuur die daarbij hoort’, zegt ze, ‘en het demografische begrip religie, dat iedereen in een bepaalde hoek bezemt.

Dit laatste maakt van religie een soort stammenstrijd, ik kan het niet anders noemen. En daarmee brengt het de echte waarde buiten bereik van wat elke grote religie onderwijst, namelijk: heb uw naaste lief, die hele oude wijsheid. Ik doceer veel uit de Bijbel. En dan zie je hoe Jezus Dominicus citeert die dat al zegt: heb uw naaste lief.’

Elk beroep op een christelijke identiteit dat wortelt in zulk instinctief groepsdenken vindt Robinson niet alleen totaal ongepast maar ook slecht geïnformeerd, want de religie waar het een claim op legt kent in haar aard geen grenzen, geen beperkingen en geen rechthebbenden.’

Laat mensen zich liever laten inspireren door die onbekende God, zegt Robinson. ‘Onze essentiële ontmoeting in de wereld is met het beeld van God. En dat is altijd die ander.’

Zie: Het religieus aangedreven humanisme van Marilynne Robinson
Juist toen we dachten dat God het publieke domein in Nederland definitief had verlaten, steekt religie de kop weer op. Het aantal moslims groeit, nieuwe vormen van zingeving bloeien op en er klinkt een roep om christelijke waarden. Kunnen we – en willen we – eigenlijk wel zonder religie? Onder de titel De goddeloze samenleving praat Yvonne Zonderop het komende jaar met denkers en onderzoekers uit binnen- en buitenland over de plaats van religie anno nu. Deze keer Marilynne Robinson over religie als stammenstrijd en waarom de bijbel nooit de gemakkelijkste weg wijst. (Deel 3 van De goddeloze samenleving nu ook online in De Groene Amsterdammer.)

Beeld: gettyimages.nl

God zei: ‘Denk! (Dan besta je!)’

René-Descartes-1596-1650-580x350

God geeft te denken. Slim van de organisatie van de Nacht van de Theologie om als thema het denken te bedenken. God moet minstens zelf denken als Hij uitroept: ‘Denk!’ Dat betekent tevens dat Hij bestaat. Immers – René Descartes wist het al – ‘Ik denk, dus ik besta.’ God denkt, dus Hij bestaat. Dat is nog eens een Godsbewijs! Zou dat een van de resultaten kunnen zijn van theologie als wetenschap van God? Daar kan het ongetwijfeld een hele lange nacht over gaan.

Een groot misverstand in de samenleving is dat religie ons eigen denkvermogen uitschakelt. Maar God gaf niet de opdracht om hem klakkeloos en zonder vragen te gehoorzamen. Hij maakte de mens met een eigen wil en denkvermogen – de mens kán domweg niet anders. Een resultaat van het denken over God is de wetenschap theologie.’ (NvdT)

De Nacht van de Theologie gaat over wat denken over God heeft opgeleverd.

Hoe kun je denken en theologiseren over Iemand die je niet ziet? Is er – door recente ontwikkelingen – in de maatschappij een verkeerd beeld ontstaan van religie en theologie?’ (NvdT)

Filosoof Descartes trok indertijd eerst alles in twijfel. Niet alleen God zag hij als iemand die je niet ziet, het hele aardse bestaan zou een illusie kunnen zijn! Misschien droomde hij wel. Maar hij kon aan alles twijfelen, dat was zeker. En als je kan twijfelen, betekent dat dat je kan denken. En toen wist hij: cogito ergo sum: ik denk dus ik besta.

Als militair ingenieur belandt hij in het leger van Maurits en na een inspirerende ontmoeting met de Nederlandse wetenschapper Isaac Beeckman krijgt hij een visioen dat hem zijn roeping openbaart: de waarheid te zoeken. Om die te vinden besluit Descartes eerst aan alles te twijfelen. Niets blijkt zeker, behalve dat alles te betwijfelen is: cogito, ergo sum (‘Ik denk, dus ik ben’) is de enige waarheid die Descartes kan vinden.’ (filosofie.nl)

Toen dat voor hem duidelijk was, ging hij verder denken, vanaf de bodem. Hij bedacht uiteindelijk een volmaakt wezen, en die gedachte (God zei: Denk!) kon alleen maar van een volmaakt wezen komen, iets dat zelf volmaakt was. En dat kon alleen maar God zijn.

Descartes Godsbewijs luidt aldus: Wij zouden zelf volmaakt moeten zijn om de voorstelling van een volmaakt wezen te kunnen voortbrengen. Ik zelf ben niet de oorzaak van mijn bestaan, ik kan het noch verlengen, noch in stand houden. ‘Daaruit, dat ik besta en de voorstelling bezit van een volmaakt wezen, volgt met volledige duidelijkheid dat God ook bestaat.’ (Descartes, Vertoog over de methode)

Descartes bedacht dat de mens alleen maar geschapen kon worden door iemand die groter was dan de mens. Zo kwam hij bij God uit. Iemand die kleiner is dan de mens, zou de mens nooit kunnen geschapen kunnen hebben.

Met dit brokje zekerheid, aldus Filosofie Magazine, weet Descartes zowel het bestaan van God (de ‘perfectie’ van God impliceert eveneens zijn bestaan) als het bestaan van de werkelijkheid af te leiden (God garandeert de echtheid van de buitenwereld).

Daar we de voorstelling van God of van een Hoogste Wezen in ons hebben, kunnen we terecht onderzoeken, door welke oorzaak we haar hebben, en we vinden in haar een zodanige verhevenheid, dat we daaruit volledig zeker zijn dat ze ons niet kan zijn ingegeven dan door iets waarin waarlijk de volheid aller volmaaktheid is, dat is niet anders dan door een God die waarlijk bestaat. (Descartes, Vertoog over de methode)

Het thema van de Nacht van de Theologie 2016 op 25 juni is ‘God zei: denk!’. 

Beeld: René Descartes (isgeschiedenis.nl)

Op eigen kracht tot kennis van God komen, kan dat?

Mattheus

‘Wij denken dat we er op eigen kracht achter kunnen komen wie God is. Dat is de zogenaamde ‘wending naar het subject’ die al eeuwen gaande is. Maar kunnen wij wel op eigen kracht tot kennis van God komen?’ Hierover gaat morgen de promotie van Eric Edwin Bouter aan de VU Amsterdam: ‘Geloven op gezag. Een kritische analyse van de Newmanreceptie bij Noordmans inzake de Kerk en de wending naar het subject’. Deze studie onderzoekt hoe Oepke Noordmans het gedachtegoed van John Henry Newman heeft ontvangen. 

De wending naar het subject heeft meegebracht dat de mensen worden geacht kennis van de hun omringende werkelijkheid (inclusief God) op te bouwen vanuit zichzelf.’

Interessant. Klinkt heel actueel. Of moeten we (weer) geloven op gezag, opdat God weer tegen ons  kan zeggen wat Hij wil? En dat daarmee de westerse mens de omgang met God terugwint? De remedie hiervoor is wat Newman en Noordmans voorstaan: geloven doen we op gezag.

Wij kennen God doordat ons met gezag wordt aangezegd wie Hij is. Beiden lokaliseren dat gezag in de Kerk.’

Newman wilde hiervoor opgenomen worden in de rooms-katholieke kerk en Noordmans zocht het liever in een nieuwe kerkorde voor de hervormde kerk. We hebben het hier wel over theologen die inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige hebben verwisseld, maar het is een actueel vraagstuk, gezien ook het promotieonderzoek. En boeiend in een tijd dat vele gelovigen zich juist van alle gezag afwenden en hun eigen God aan het opbouwen zijn vanuit zichzelf.

Het klinkt in eerste instantie redelijk: Noordmans en Newman zijn ervan overtuigd dat deze wending een verdere ontvouwing van het christelijk geloof mogelijk maakt. Want in de christelijke traditie wil geloven zeggen: je persoonlijk verhouden tot God. Je zou in deze tijd zeggen: heel spiritueel. En dat zoeken overstijgt wat mij betreft het christelijke en al het andere kerkelijke. Het gaat er immers om je persoonlijk te verhouden tot God?

Met geloven op gezag denken nu velen welk gezag dan, en waar is dat werkelijke gezag nog te vinden en plausibel? Noordmans en Newman vreesden in hun tijd al subjectivering en individualisering van het geloof. In de wending naar het subject construeert men namelijk zelf het beeld van God.

Geloven, aldus Newman, wordt dan tot selfcontemplation want het is bezig zijn met je eigen gedachten over God. ‘Liberalisme in godsdienst’ noemt Newman dit. Noordmans vreest iets soortgelijks en spreekt ervan dat zo de openbaring wordt ‘uitgerekt op een menselijk raam’.

God en mens worden als het ware in elkaar geschoven zodat een monistisch denkklimaat ontstaat. Met deze verschillende bewoordingen bedoelen Noordmans en Newman hetzelfde: door de wending naar het subject kan God niet meer tegen de westerse mens zeggen wat Hij wil. De westerse mens verliest daarmee de omgang met God.’

Bouter sluit af met de vraag hoe het staat met de wending naar het subject in de 21ste eeuw. Hij concludeert onder meer dat de protestantse kerken zich voor de toekomst van de Kerk op Rome dienen te richten.
Wending naar het Vaticaan?

Zie: Achter wat het belangrijkste in je leven is, kom je niet op eigen kracht.’

Beeld: Rembrandt van Rijn – Mattheüs wordt bijgestaan door een engel als hij zijn evangelie schrijft. Schilderij van Rembrandt (1606/7-1669). (The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei. DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202. Distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH.)