De evolutie verlost de mens van de erfzonde

Adam-en-Eva
Een eerste mens heeft niet bestaan, ergo, Adam en Eva kunnen niet echt bestaan hebben. En dat levert weer problemen op met de historische zondeval. Hierover reflecteert godsdienstfilosoof Taede A. Smedes in het derde deel van zijn drieluik Een aanzet tot een theologie van de evolutie. Beslist interessant om kennis van te nemen. ‘Evolutie is een gradueel proces, er is dus niet zoiets als een abrupte overgang tussen aapachtige en mensachtige.’

Hoeft de mens niet langer gebukt te gaan onder de ballast van de erfzonde, die volgens de leer van het christendom het gevolg is van de zondeval? Schudt de christelijke dogmatiek nu op zijn grondvesten?

‘Het punt nu is: als Adam en Eva niet werkelijk bestaan hebben, kun je dan nog wel van een historische zondeval spreken? Immers, als Adam en Eva niet werkelijk bestaan hebben, dan heeft ook een historische zondeval, zoals die volgens sommigen in Genesis beschreven wordt, nooit plaatsgevonden. En als ook die zondeval nooit heeft plaatsgevonden, wat is dan nog de betekenis van het verlossingwerk van Jezus?’

Niet Jezus, maar de evolutie verlost ons blijkbaar van de erfzonde. Is Jezus’ offerdood inderdaad voor niets geweest? Volgens Smedes geeft wetenschapsjournalist René Fransen in zijn boek Gevormd uit sterrenstof een speculatieve draai aan de zondeval.

‘Hij stelt dat weliswaar Adam en Eva als historische personen niet bestaan hebben, maar dat we wellicht moeten uitgaan van een groepje personen binnen de bredere groep van eerste mensen, die door God geroepen werden en die uiteindelijk een zondeval hebben begaan. Het Bijbelse verhaal van Adam en Eva vertelt dus volgens Fransen eigenlijk over de lotgevallen van dit kleine groepje mensen. Een dergelijk idee is hoogst speculatief en behoorlijk vergezocht.’ 

Volgens Smedes is er geen ontkomen aan de conclusie dat de zondeval nooit kan hebben plaatsgevonden als een historisch te lokaliseren gebeurtenis, tenzij iemand bereid is te schaven aan de betekenis van ‘eerste mens’ of aan het concept van de ‘zondeval’. Het idee van de zondeval wordt volgens Smedes vaak metaforisch opgevat: Adam en Eva zijn verhaalpersonages die symbool staan voor ieder mens. Hij vraagt zich ook af hoe het dan zit met de christologie. Of dat niet in de lucht komt te hangen als de zondeval niet heeft plaatsgehad.

‘Het hangt er maar vanaf. Met name in het protestantisme is vanouds over de rol van Christus nagedacht in termen van de ‘trits’ schepping-zondeval-verlossing. Maar wat als we dat schema – dat geen Bijbels schema is, maar net als het dogma van de zondeval een door theologen uitgedacht concept, een constructie bedoeld om systeem aan te brengen in de vele concepten die het christendom rijk is – wat als we dat schema nu eens loslaten? Hoe kunnen we dan over de rol van Jezus Christus nadenken?’

TaedeVervolgens gaat Taede A. Smedes (foto: TAS) door over Jezus van wie gezegd wordt dat God in Jezus ons nabij is gekomen. Over zijn menswording. Over het feit dat ook de mens Jezus een aapachtige als voorouder heeft gehad. Smedes vindt dat de evolutietheorie een verrijking biedt omdat het de continuïteit tussen de mens en de rest van de schepping benadrukt. Alles hang met alles samen. De mens blijkt een sterrenkind, de spiegel van de kosmos zelf. Zouden we niet, zo vraagt Smedes zich af, kunnen zeggen dat de glimp die wij door middel van de wetenschap opvangen van hoe alles is en geworden is, een God’s-eye-point-of-view is? Smedes zet er in zijn drieluik in ieder geval meeslepende gedachten over neer!

‘De geschiedenis van de mens is de geschiedenis van het heelal en van de evolutie van het leven op aarde. Er schuilt iets bijzonders in de mens dat door de wetenschap wordt blootgelegd, maar dat diezelfde wetenschap telkens weer ontglipt. De mens is een onherleidbaar, complex mysterie dat door biologen, filosofen en theologen wordt benoemd en bestudeerd, maar dat ook zij uiteindelijk niet van zijn intrigerende karakter kunnen ontdoen.’ 

Zie het complete drieluik: Een aanzet tot een theologie van de evolutie (deel 1), (deel 2) en (deel 3)

Dr. Taede A. Smedes (Drachten, 1973) is godsdienstfilosoof en theoloog, en was tot januari 2013 werkzaam als Senior Onderzoeker aan de Faculteit der Filosofie, Theologie, en Religiestudies (FTR) van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is gespecialiseerd in discussies omtrent science and religion, de verhouding van theologie/geloof en natuurwetenschap, en publiceert daar regelmatig over. Daarnaast schrijft hij af en toe bijdragen voor kranten en tijdschriften; is o.a. sinds kort recensent bij de Bezieling.  

Illustr: soulvability.nl

Het christendom de enig ware godsdienst?

religie (1)
Het christendom is ‘waar’. Althans, als we Emanuel Rutten moeten geloven die in een lezing voor studentenvereniging CSFR in Groningen hiervoor vijf argumenten aangaf. Het commentaar hierop van docent filosofie Jan-Auke Riemersma (De Lachende Theoloog) in Enige aantekeningen bij een lezing luidt: ‘Het zijn allemaal bewijzen met een koffertje: ze gaan gezellig op reis en vertrekken daarom vanuit de meest exotische oorden.’

Vanuit de ervaring van het sublieme
Riemersma stelt dat Rutten weet dat God de oorzaak is van zijn sublieme ervaring; hij ervaart het sublieme als hij de Bijbel leest; dus moet de God van de Bijbel wel de God zijn die hij ervaart. Riemersma vindt dit een sluitend argument, maar alleen geschikt voor mensen die het sublieme ervaren als ze bepaalde Bijbelpassages lezen.

‘Bovendien is Ruttens onderzoek van de Bijbelteksten slecht: hij moet niet alleen aannemelijk maken dat men het sublieme ervaart bij het lezen van de Bijbel, hij moet bovendien aannemelijk maken dat andere, willekeurig gekozen passages uit de boeken van overige tradities niet in staat zijn om ons het ‘hogere’ te laten ervaren.’

Het argument vanuit zelflegitimatie
Riemersma is hierover duidelijk:

‘Over Jezus ‘zelflegitimering’ hoeven we het niet eens te hebben.’  

C.S. Lewis’ dilemma-argument
De Lachende Theoloog vindt dit een typisch ‘nou, en?’ argument; de redeneringen van Lewis te gekunsteld en bovendien is er tegen dit argument al zo veel ingebracht. Hij heeft niet kunnen ontdekken of Rutten het argument van Lewis op originele wijze aanvult of verwoordt. Lewis’ argumenten vindt Riemersma te licht en te oppervlakkig. Het dilemma van Lewis vindt hij niet eens van toepassing.

‘Jezus zegt van zichzelf dat hij de Verlosser is. Lewis vraagt zich af wie er nu zoiets ‘mals’ over zichzelf kan zeggen? Je moet of dwaas zijn als je zoiets zegt of het is gewoon waar. We kunnen echter uitsluiten dat Jezus een dwaas was: dan zou hij zijn nieuwe geloof niet hebben kunnen organiseren. En daarom mogen we gevoeglijk aannemen dat Jezus inderdaad de Verlosser was. Met andere woorden: de leer van het christendom is waar.’

Dit argument vindt Riemersma nauwelijks serieus te nemen.

‘Zou u zich bekeren tot de leer van Hubbard louter en alleen omdat Hubbard beweert dat hij over ‘het ware inzicht beschikt’ en omdat hij in staat is om de scientology-kerk uitstekend te organiseren? Voorts schrijft Elaine Pagels dat het in de tijd van Jezus helemaal niet vreemd was om te zeggen dat je een ‘zoon van God’ was.’

Het opstanding-argument
Rutten beweert dat er geen goede seculiere verklaring is voor het lege graf, maar Riemersma vindt dat zeer onwaarschijnlijk. Althans, als we vertrouwen op onze huidige kennis over sterven en dood, want dat mensen de dood niet overleven is een casus die zelfs zó hecht is, dat het tegendeel beweren vrijwel zinloos is.

‘De casus van Jezus’ opstanding is in hechtheid en samenhang slechts een druppel op de gloeiende plaat vergeleken met de hechtheid en samenhang van de overtuiging dat niemand kan opstaan uit de dood. Een kansloze zaak. Alleen de gelovige zal dit ‘argument’ willen accepteren.’

Het wereldbeeld-argument
Riemersma vraagt zich af of het christendom is bij uitstek de beste manier om eenheid aan te brengen in een wereldbeeld. Hij vindt dat geen echt argument, ook al heeft de mens inderdaad een wereldbeeld nodig. Maar voor de docent filosofie werkt het andersom en is de mens geneigd om in God te geloven omdat deze overtuiging zijn wereldbeeld ‘compleet’ maakt.

‘Het concept God (of: Het Ene, Het Hoogste Idee) is een cognitieve paraplu, je kunt er heel veel onder scharen. Het levert echter wel een hoop nieuwe losse eindjes op. Er zijn veel zaken die niet verenigbaar zijn met het christendom, zoals het lijden van de mens.’

jan-auke riemersmaDefeaters
Vervolgens gaat Riemersma ook kort en enigszins cynisch in op het argument vanuit Alvin Plantinga over de afwezigheid van defeaters (dat wil zeggen in afwezigheid van goede aanwijzingen voor het tegendeel.)
(foto Riemersma: j-ar)

‘Een ‘defeater’ is plantinganees voor een ‘weerlegging’. Volgens dit argument is het niet mogelijk om het christendom te weerleggen. En dat is uiteraard waar. Want wie Plantinga niet aanvaardt, zal eeuwig branden. Dat is inmiddels welbekend.’

Zie voor het volledige commentaar van Riemersma:  Enige aantekeningen bij een lezing.

Illustr: evangelienieuws.nl

Gerelateerd: Het godsargument openbaart de christelijke God 

Het godsargument openbaart de christelijke God


Volgens filosoof en wiskundige Emanuel Rutten zijn er goede rationele argumenten voor het bestaan van God. Sterker nog, de rationele argumenten zijn volgens hem juist in deze tijd zó krachtig geworden dat Godsgeloof in feite de meest redelijke positie is. Echter, argumenten voor theïsme zijn nog geen argumenten voor de christelijke God. Op grond van redelijke argumentatie kan eveneens de stap worden gemaakt van algemeen theïsme naar christendom. 

Wanneer uitgegaan wordt van het bestaan van God, kunnen ook redelijke argumenten gegeven worden voor de meer specifieke bewering dat deze God in feite de God is waarvan het christendom getuigt. Rutten werkte hiertoe vijf verschillende argumenten uit, waaronder enkele variaties op bestaande argumenten en een tweetal eigen argumenten. Denkers die hierbij aan de orde komen zijn bijvoorbeeld Longinus, Rudolf Otto, C.S. Lewis, Heidegger, Plantinga, Craig en André Leonard.

‘Mijn casus voor het christendom omvat vijf argumenten. Dit zijn respectievelijk het argument vanuit de ervaring van het sublieme, het argument vanuit zelflegitimatie, C.S. Lewis’ dilemma-argument, het opstanding-argument en het wereldbeeld-argument. De kracht zit hem vooral ook in de combinatie van deze verschillende argumenten. Ze versterken elkaar. Zo ontstaat een sterke cumulatieve casus voor het christendom.’ (ER)

Rutten komt met zijn Godsargument uit bij de christelijke God, dus bij Jezus. Legitieme historische bronnen zijn in het geval van Jezus van Nazareth opvallend. Van Nazareth heeft werkelijk geleefd. Zijn historisch portret is de laatste decennia zo nauwkeurig in kaart gebracht dat het mogelijk is om op basis ervan redelijk te argumenteren voor de waarachtigheid van het christendom.

csfr

Vanuit de ervaring van het sublieme
H
et argument is gebaseerd op een nadere fenomenologie en analyse van de sublieme ervaring, die Rutten in zijn betoog in hoofdlijnen weergeeft. Meer hierover is te lezen in zijn artikel Goddelijke verheffing of spel van vrees en lust? Het sublieme bij Longinus, Burke en Kant Over het verhevene bij Longinus en zijn verhouding tot alternatieve concepties van het sublieme.

Nu resulteert het lezen van bepaalde Bijbelpassages in het Oude en Nieuwe Testament voor velen (gelovigen als niet-gelovigen) in een sublieme ervaring, ook wanneer wij ons beperken tot die gebeurtenissen, handelingen en uitspraken die deel uitmaken van het historisch portret van Jezus van Nazareth. Deze fragmenten gelden voor velen als schitterende onweerstaanbare expressies van grootse diepzinnige en geestrijke gedachten. Zij wekken zowel bewondering als verbazing.’ (ER)

Het argument vanuit zelflegitimatie
R
utten stelt dat er denkers zijn die een zo grote weergaloze existentiële kracht toeschrijven aan de handelingen, uitspraken, lessen en het optreden van Jezus, dat ze deze beschouwen als zelflegitimerend. Ze zijn volgens hen dus op zichzelf al voldoende grond voor redelijk geloof in zijn goddelijke natuur. Volgens Rutten vormen de evangeliën op afstand het meest sublieme verhaal dat de mensheid ooit gekend heeft.

Het is ‘het verhaal der verhalen’. Het is een verhaal dat zo voortreffelijk is dat we het niet slechts als een historische tekst kunnen beleven, maar steeds tegelijkertijd ook iets ervaren van het buitengewone, of beter, buitenhistorische ervan. En dit kan zich zo sterk aan ons opdringen dat we ons eigenlijk niet goed meer kunnen voorstellen dat het louter bedacht zou zijn door mensen. Maar dan is het niet absurd of onredelijk om een goddelijke herkomst ervan te vermoeden.’ (ER)

C.S. Lewis’ dilemma-argument
I
s het redelijk is te geloven dat Jezus is wie hij zegt te zijn? Rutten verwijst hierbij naar Lewis die een dilemma-argument geeft. Was Jezus een leugenaar, een gek of goddelijk? Nu is ‘leugenaar zijn’ of ‘gek zijn’ psychologisch incompatibel met zijn ontegenzeggelijk enorm grote morele leiderschap, zoals dat heel duidelijk blijkt uit zijn historisch portret.

Precies omdat Jezus een groot moreel leider was, en het psychologisch onwaarschijnlijk is dat zo iemand een apert leugenaar of volslagen gestoord is, volgt dat hij waarschijnlijk gewoon was wie hij zei te zijn, namelijk het licht van de wereld, de verwachte Messias. Maar dan kan zijn leer, en daarmee het christendom, redelijkerwijs erkend worden.’ (ER)

Het opstanding-argument
R
utten stelt dat indien Jezus van Nazareth werkelijk is opgestaan uit de dood, dit dan een beslissende rechtvaardiging vormt voor zijn optreden en leer, en daarmee voor de waarheid van het christendom.

Door nu deze diepe existentiële ervaring, deze transformatieve gebeurtenis, zelf ook als gegeven toe te voegen aan de historische portretfeiten van het lege graf, de getuigenissen van postmortale verschijningen, de verkondiging van de opstanding door de eerste discipelen, en de snelle opkomst van het christendom in de periode daarna, zien we dat de opstandingverklaring in vergelijking tot de seculiere verklaringspogingen eigenlijk alleen nog maar overtuigender wordt.’ (ER)

Het wereldbeeld-argument
D
it vertrekt vanuit de existentiële conditie van de mens. Volgens Rutten is het christendom als wereldbeeld namelijk niet alleen coherent en plausibel, maar ook geeft het een samenhangend antwoord op de grote existentiële vragen van de mensheid, zoals de oorsprong van de kosmos en de mens, de herkomst van het morele, en de vraag naar het goede leven.

God verkeerde op het moment van de schepping volgens genoemd antwoord in een existentiële crisis. Hij wist dat vrijheid onvermijdelijk ook lijden zou veroorzaken. Wat te doen? De duisternis en de leegte dan maar laten overwinnen of, ondanks alles, de wereld tot aanzijn laten komen? Dan besluit God zoals gezegd toch te scheppen, licht in de duisternis te laten schijnen, het niets, de leegte, niet te laten overwinnen.’ (ER)

Voor een volledig overzicht van Ruttens argumentatie hoe hij uitkomt bij de God van het christendom, verwijs ik naar de uitgebreide lezing Van algemeen theïsme naar christendom. Een cumulatieve casus, die hij afgelopen donderdag hield bij studentenvereniging CSFR in Groningen.

Foto: Christus de Verlosser is een groot standbeeld van Jezus Christus in de wijk Alto da Boa Vista in de stad Rio de Janeiro in Brazilië. Het beeld is 38 meter hoog en staat op de 710 meter hoge berg Corcovado, uitkijkend over de stad Rio de Janeiro. (Wikipedia)

erutten

Emanuel Rutten (foto: ER) studeerde wiskunde aan de Universiteit van Enschede en ronde zijn studie met succes af aan de TU Delft. Vervolgens behaalde hij zijn propedeuse economie aan de Universiteit van Amsterdam en ronde hij tevens een master filosofie af aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij verwierf vooral bekendheid om zijn proefschrift waarin hij een nieuw Godsargument uiteenzette. Dit leverde hem in 2012 een doctorstitel op.

De kapitale vraag wat de ziel nu eigenlijk is

Aristoteles heeft de taal een symbool genoemd van dat wat er in de ziel gebeurt. Dit zegt wiskundige, classicus en filosoof Ben Schomakers in een artikel over zijn boek Aristoteles Over de ziel, op de site van Athenaeum Boekhandel. ‘Aristoteles’ De ziel is zonder enige twijfel een van de diepste, oorspronkelijkste en invloedrijkste teksten uit de geschiedenis van de filosofie.’

‘Aristoteles’ traktaat over De ziel, De anima, is een van de weinige werken waarvan niemand wil betwisten dat het met recht tot de selecte canon van klassieke werken behoort, die iedere filosoof tot zich nemen moet’
 Herverschijning boek De ziel bij de Historische Uitgeverij op 4 maart 2026

‘Aristoteles stelt er de vraag wat de ziel is en formuleert een antwoord dat ons nog steeds te denken geeft. Wat hij in dit werk over waarnemen, verbeelding en denken zegt heeft tot in onze tijd de filosofische discussie daarover bepaald.
Vernieuwde heruitgave van de onvolprezen teksteditie van dit meesterwerk, dat verplichte lectuur is voor filosofen, psychologen en ieder die nadenkt over de vraag wat een ziel is en wat een mens is – wie hij zelf is.’

(AB)

Ben Schomakers werd onlangs door Athenaeum gevraagd zijn vertaling van de eerste zin van Aristoteles’ Over de ziel toe te lichten. En dat doet hij uitgebreid. Boeiend vind ik vooral de effecten van vertalingen en de betekenis die in de loop der eeuwen aan de woorden van Aristoteles gegeven zijn. Het woord ‘hulè’ dat Aristoteles gebruikt – dat altijd voor ‘bebost gebied’ en vandaar ook voor ‘hout’ had gestaan – wordt opeens een aanduiding voor het abstracte begrip ‘materie’. Schomakers roept uit: ‘Begrijp dat maar eens, zoek het maar uit.’

AriDeZielSchaduw (2)

Er zijn ook brokken ontstaan door verkeerd geijkte vertalingen van het werk van Aristoteles’ De ziel, een van de belangrijkste boeken van de westerse filosofie, en een van de weerbarstigste, onder andere doordat Aristoteles hier nog meer dan elders voor zichzelf geschreven lijkt te hebben, in zinnen en passages die onaf zijn en in een taal die zoekt naar woorden voor dingen waarvoor niemand nog woorden gehad had (en waarvoor de juiste woorden nog steeds niet gevonden lijken te zijn).’
(BS)

Veel gedachten zijn er geweest over de ziel. Zo zou in de ogen van Aristoteles de ziel een secundair verschijnsel zijn geweest, zonder kern, zonder eigen bestaan, ondergeschikt en afgeleid van de materie. In zijn boek noemt Aristoteles de ziel ‘de eerste verwerkelijking van een natuurlijk, werktuiglijk lichaam’. Schomakers stelt dat Aristoteles het woord ‘psuchè’ gebruikt, dat wel als ‘ziel’ vertaald moet worden. In het ‘vertaalkundig hinkelparcours’ lijkt volgens hem de ziel als een ongewenst onkruid uit het steen van de materie te komen, een onkruid van een onbekende soort, dat door een stevige wind zomaar weggeblazen kan worden.

benschomakers

Ben Schomakers (foto: Klement) worstelt ook met het feit dat een hele eeuw opgevoed is met de gedachte dat de ziel een eerste actualiteit is – iets dat hij nooit heeft kunnen begrijpen. Hij lost het op door te stellen dat het meer te maken heeft met ‘in act zijn’ van de ziel. Dat wil (misschien) zeggen ‘werkelijk zijn’. Hij zegt ook dat, trouw aan het Grieks, de verhouding tussen de ziel en het natuurlijke lichaam waar ze bij hoort ten opzichte van gebruikelijke vertalingen, omdraait in een zin die de ziel niet tot dat bijverschijnsel maakt, maar tot de meesteres over het lichaam.

Meer dan eens vergelijkt Aristoteles de verstrengeling van ziel en lichaam met die van de ambachtsman en zijn werktuig: de eerste bedenkt iets en wil iets, maar heeft een zaag nodig om het hout te snijden, een hamer om het ijzer te pletten, een tang om het ijzer in het vuur te houden. Uiteindelijk ontstaat er dan iets moois, dat structuur heeft omdat er een plan achter schuilgaat. Het lichaam heet ‘werktuiglijk’ ten opzichte van de ziel, omdat de ziel zich ervan bedient zodat ze dat wat ze met dat lichaam (eigenlijk met het geheel dat zij met het lichaam vormt) voorheeft, te realiseren. Of liever: te verwerkelijken.’
(BS)

aristoteles2

Schomakers vertelt dat, in vanuit Oxford de wereld ingeslingerde versies, de ‘ziel’ van Aristoteles (illustr: timerime.com) werd afgenomen door van ‘psuchè’ ‘mind’ te maken. De ‘ziel’ van Aristoteles werd daardoor erg ingeperkt. Tegenwoordig lijkt een ziel vaak een (quasi-)religieus verschijnsel (met ethische en eschatologische implicaties.) De ‘ziel’ van Aristoteles is kennelijk niet dezelfde is als de moderne ziel, voor zover er over een moderne ziel gesproken kan worden, of over de ziel van de oudheid.

‘Een ziel nu lijkt vaak een (quasi-)religieus verschijnsel (met ethische en eschatologische implicaties) of een mysterieus product van een niet-wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid, terwijl de ziel in de vorige eeuw misschien vooral in verband gebracht werd met het gemoed, dat liefst ontvankelijk en verlangend moest zijn en waarop vooral dichters en andere romantici hun ogen op gevestigd hadden. Soms houden we van deze zielen, soms wijzen we ze als naïef af, niet zelden onder argwanend stemmende hoon. En soms zijn we preciezer en beseffen we dat deze specifieke zielen nog niet de ziel hoe dan ook zijn, een innerlijkheid die we ervaren en die ook invloed heeft op ons voelen, denken, handelen, leven. Maar dan nog durven we vaak te zeggen dat ze niet bestaat, de ziel.’
(BS)

Maar, zegt Schomakers, dit is niet allemaal de ziel van Aristoteles: in het Grieks is ‘psuchè’ dus op de allereerste plaats datgene waarvan de aanwezigheid een lichaam levend maakt.

‘Vandaar zweeft de ziel van Aristoteles, keurig in overeenstemming met het Griekse taalgebruik, ook in het ‘domein van de innerlijkheid’, die actief en passief is, vluchtend en verlangend, waarnemend en initiatief nemend, voelend en verward rakend, denkend en beslissend.’
(BS)

! Zie:  Herverschijning boek De ziel bij de Historische Uitgeverij op 4 maart 2026
‘Aristoteles’ traktaat over De ziel, is een van de weinige werken waarvan niemand wil betwisten dat het met recht tot de selecte canon van klassieke werken behoort, die iedere filosoof tot zich nemen moet. Dit traktaat gunt de lezer een blik op de op volle toeren werkende Aristoteles, die het schreef toen hij de ideeën die hij lang had voorbereid aan het oogsten was; elke zin opent een belangrijk nieuw perspectief, stelt een cruciale vraag of formuleert een kerngedachte. De ziel is een werk van groot historisch belang.

overdeziel

Ben Schomakers (1960) is opgeleid als wiskundige, classicus en filosoof en promoveerde op een proefschrift over Parmenides.
Hij vertaalt filosofische teksten uit de Griekse oudheid, zoals Pseudo-Dionysius’ Over mystieke theologie (1990, 2002), het gedicht van Parmenides (2003), Aristoteles’ Over poëzie (2000), diens Metafysica I-VI (2 dln., 2005) en ook zijn Problemen (2010).
Meest recent verschenen van hem De taal van de hemel. Over de engelen van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (2012) en een vertaling van Sophocles’ Oedipus heerst (2013).

Update juni 2025 (Lay-out, links)

God als diepste grond van het eigen innerlijk


Zijn we bereid op zoek te gaan naar het eigenlijke diepste zelf, met het vermoeden dat de grond van dat zelf God is, het eeuwige, als zin en fundament van het bestaan? Welmoed Vlieger vraagt zich dat af in haar artikel Over de grond van de ziel – Daar waar de mens geworteld is in het eeuwige. ‘Slechts in het aanvaarden van innerlijke leegheid openbaart zich de vrijheid van de mens en de geborgenheid in een God. Een God die niet langer in de natuur gezocht, maar als diepste grond van dit eigen innerlijk gevonden wordt.’ 

Vlieger, onder meer docent aan de Hogeschool Geesteswetenschappen Utrecht (nu: Academie voor Geesteswetenschappen, update 19-04-2017), laat zich in haar zoektocht gidsen door drie mystieke denkers: Eckhart, Kierkegaard en Hammarskjöld. Ze schrijft over de thematiek van het zwijgen, de eeuwigheid, de ‘Godsgeboorte in de ziel’, de kierkegaardiaanse ‘sprong’ en een God die niet langer in de natuur, maar als diepste grond van het eigen innerlijk gevonden wordt. 

‘Dit kapitale onderscheid tussen ‘de waarheid op zich’ en ‘de waarheid voor mij’ is voor de zelfverklaarde ‘antifilosoof’ (Kierkegaard, PD) cruciaal: ‘Het gaat erom een waarheid te vinden die waarheid is voor mij, de idee te vinden waarvoor ik wil leven en sterven.’ Waarheid is met andere woorden geen dogmatisch of wijsgerig vraagstuk maar een concrete levenstaak, die alleen door een zelf genomen besluit kan worden bepaald en in het concrete handelen tot uitdrukking komt. Óf er een eeuwigheid bestaat is dus eigenlijk niet de juiste vraag. Waar het om gaat is: hoe serieus neem ik, nemen wij de eeuwigheid?’ 

Meister Eckhart noemt de eeuwigheid ‘eeuwig nu’. Om hiermee contact te maken moeten we ons losmaken van onze in tijd verlopende, hardnekkige pogingen om identiteit te zoeken in werkelijkheidsfragmenten.

‘Het komt er op aan innerlijk leeg en ontvankelijk te worden, in te keren in de zielsgrond. Hier in de grond, waar ‘de veelheid van de tijd’ geen vat op heeft en tijd en eeuwigheid samen vallen, ‘is het middel zwijgen’, aldus Eckhart.’  

Voor Kierkegaard is de eeuwigheid veel dichterbij dan vaak gedacht wordt en wel in de concrete werkelijkheid van alledag. De sprong in het geloof.

Geloof, hier dus nadrukkelijk niet begrepen als een ‘naïef vasthouden aan een ingebeelde God’ zoals zelfverklaarde atheïsten het nog wel eens willen duiden, maar als uitdrukking van een existentiële stap, een zelfverhouding die moed vraagt: ‘Als ik mij tot mijzelf verhoud, dan ontmoet ik als eindig-oneindig mens mijn grond. Dit is niet datgene wat ik zonder meer en in alle concreetheid ben, maar dat wat ik in diepste grond ben. En deze grond is het eeuwige.’

Zie: Over de grond van de ziel – Daar waar de mens geworteld is in het eeuwige

Illustr: 5thdimensionhealing.com

welmoedvlieger

Welmoed Vlieger heeft Wetenschap van Godsdienst en Levensbeschouwing en Wijsbegeerte gestudeerd. Zij is freelance-docent/publicist en verzorgt trainingen, workshops en lezingen. Zij was tot voor kort voorzitter van de Vrije Gemeente Amsterdam en volgt momenteel het seminarie aan het OVP te Bilthoven. welmoedvlieger.nl

(foto: mijnzinweb.nl)