‘Maar weet je dan niet dat onze ziel onsterfelijk is?’

Dat zei Socrates in ‘De Staat’ tegen Glaucon. ‘Waar blijft de ziel?’ vraagt Bert Keizer zich nu af in zijn nieuwe boek met die titel. Dat ligt overal in de boekhandel op 31 maart. Ik kreeg een recensie-exemplaar en las het dezelfde dag in één adem uit. Boeiend, boeiend, maar de ziel blijkt zo onzichtbaar als God. Over neuronen weet ik nu veel en vooral dat het volslagen onzin is dat de mens zijn brein is. Over de ziel in ons wereldbeeld.  

Hersenweefsel
Dat Keizer een arts is, is onmiskenbaar. Vanuit die kennis filosofeert hij over de ziel. Dat doet hij grondig en van een filosoof mag je dat ook verwachten. Hij neemt je mee naar de Canadese neurochirurg Wilder Penfield en beschrijft een huiveringwekkend onderzoek waarin de chirurg aan een patiënt vraagt wat er door hem heen gaat voordat hij bepaald hersenweefsel verwijdert, nadat hij een luikje uit zijn schedel heeft gezaagd.

Onsterfelijk
Vervolgens neemt Keizer je mee naar Thales, die stelde dat alle dingen bezield zijn. Maar ook naar het Griekse verhaal Odyssee, over de menselijke ziel die begint met Odysseus’ bezoek aan de Hades, de onderwereld waar de zielen van de doden verblijven. En naar Plato en zijn Phaedo, waarin hij nadenkt over de mogelijkheid dat de ziel onsterfelijk is.

‘Bij de dood laten lichaam en ziel elkaar gaan. Het is een bevrijding en een uiteengaan. Eigenlijk is de bevrijding van de ziel uit het lichaam het doel van elke filosoof. Voor een echte filosoof is sterven zijn vak, want sterven betekent dat de ziel wordt losgemaakt uit de vergankelijke stof om zich te richten op de onvergankelijke eeuwige waarheid. Dat is niet iets om bang voor te zijn, Daar streef je dus naar.’ (Phaedo)

Descartes
Keizer neemt je in zijn zoektocht naar de ziel ook mee naar De Staat en Phaedrus. Verderop komt hij natuurlijk bij Descartes uit, die overal aan twijfelt en daardoor ontdekt dat hij denkt en dus bestaat. En dat hij een ziel heeft die zich op de een of andere manier in zijn lichaam bevindt en die totaal onafhankelijk is van het lichaam en dus ook niet ten onder gaat als het lichaam sterft. Toen hij stierf waren zijn laatste woorden:

‘Kom, mijn ziel, er moet vertrokken worden.’

Wittgenstein
Met Wittgenstein filosofeert Keizer er grappig semantisch op los over het probleem van ‘de ziel die in het lichaam zit’. Met de nadruk op het werkwoord ‘zitten’. Hoe zit die ziel dan in het lichaam? Volgens Keizer lukt het niet om de ziel op dezelfde manier uit het lichaam te krijgen als een fiets uit een schuur. ‘Hoewel,’ zegt hij vervolgens, ‘wat er ‘in’ zit, kan er toch ook ‘uit’?

Neurosofie
Dan gaat het uitgebreid over neuroreductie en neurosofie, waarin we terechtkomen in de wereld van neurosofen en wetenschappers als Dick Swaab en Victor Lamme. Keizer gaat indrukwekkend in, onder meer met behulp van de fMRI (functional Magnetic Resonance Imaging), op neurosofen die graag met hersenscans goochelen in de onuitroeibare illusie dat je daarop kunt zien wat iemand denkt. Keizer probeert aan te tonen dat we iemands geestelijke toestand nooit kunnen inschatten op basis van alleen een hersenscan. Keizer maakt gehakt van een artikel in de NRC dat verwijst naar het wetenschappelijk tijdschrift Current Biology’, waarin beweerd wordt dat een scan kan laten zien waaraan iemand denkt.

Dementie
Schrijnend worden de verhalen van Keizer als hij schrijft over het beschadigd brein en de beschadigde ziel. Over dementie: wat voor ziel blijft er nog over? 

Dementie is niet alleen in emotioneel, maar ook in filosofisch opzicht een verontrustende conditie. Het is erger dan kanker omdat je ziel bij leven en welzijn uit elkaar gehaald wordt, in plaats van je lichaam.’

In hoofdstuk 12: Coma: de ziel is er nu toch wel echt uit? stelt Keizer aan de hand van enkele onthutsende ervaringen vast dat een beschadigd brein een beschadigde ziel betekent. Ook in het hoofdstuk ‘Knutselen aan het brein, harken in de ziel’ toont hij een actueel en zich snel uitbreidend voorbeeld van hersenverandering die zielsverandering tot gevolg heeft.

Ziel
Keizer gaat in op het boek van de Californische neurowetenschapper en filosoof Alva Noë: ‘Out of Our Heads: Why You Are Not Your Brain, and Other Lessons from the Biology of Consciousness’. Hierin betoogt Noë dat neurowetenschappers het probleem van de ziel of van het bewustzijn of van de geest als een probleem beschouwen dat moet worden opgelost door te zoeken in de hersenen.

‘De ziel, bewustzijn, geestelijk leven, is niet iets dat in ons gloeit of dat op ondoorgrondelijke wijze in ons verwijlt – het is iets dat we doen. De opvatting van bewustzijn als een daad spreekt uit het onderscheid dat we maken tussen een blaadje dat willoos door de wind wordt weggeblazen en een man die achter een bal aan holt of een meeuw die zich krijsend op een broodkorst stort.’

Beleving
Keizer introduceert de Drie-eenheid Brein, Lichaam en Wereld van Noë, die stelt dat je voor bewustzijn, voor geestelijk leven een brein, een lichaam en een wereld nodig hebt en dat het geen zin heeft om het geestelijke uitsluitend in één van deze drie te zoeken. Onze beleving van smaak, pijn, angst, honger, vreugde, rood, heimwee en dergelijke geestelijke toestanden onderscheiden ons van de levenloze voorwerpen om ons heen.

‘Hoewel niets erop wijst dat er zoiets bestaat, hebben onze voorouders in een voor ons verborgen verleden het idee opgevat dat er naast het lichaam of in het lichaam iets is dat de dood van het lichaam overleeft, een iets dat in staat blijft dingen te ervaren: de ziel.’

De ziel begrijpelijker?
Het is een lang blog geworden. Ik hoop wel dat je hierdoor het boek zelf gaat ‘beleven’. Het geeft veel te denken. Keizer is een goed schrijver, hij neemt je mee op reis alsof je de Odyssee van Homerus leest. Maar nee, het is de Ziel van Keizer. Een bezield boek, waarin je met Noë inderdaad tot de conclusie kan komen dat het bewustzijn niet kan ontstaan in het brein, maar dat je voor bewustzijn naast een brein ook een lichaam en een wereld nodig hebt. Voor Keizer blijft het echter de vraag of Noë de ziel begrijpelijker heeft gemaakt door brein, lichaam en wereld samen te brengen.

‘Maar wij weten, na al die eeuwen van nadenken over onszelf, nog steeds niet goed te zeggen wie of wat wij zijn.’ 

Waar blijft de ziel? | Bert Keizer | ISBN: 9789047704546 | prijs: € 4,95 |
Het intrigerende omslagontwerp is van Frits van Hartingsveldt. In deze bewerking van Die Toteninsel, een bekend schilderij van Arnold Böcklin uit 1880, heeft Van Hartingsveldt het Dodeneiland vervangen door een Brein.

Gerelateerd: De Filosofie Nacht: wat is de ziel?
Update 09052024: lay-out

‘Wij zijn ons brein’ is een geloofsuitspraak

Alles wat je kunt zeggen over het brein komt uit het brein. Publicist, kunsthistoricus en ‘dwarsligger’ Huub Mous is van mening dat ‘de wetenschap die het brein onderzoekt zelf een product van ons brein is. Hier sluit zich dus een cirkel. Je kunt niet met je eigen tanden je eigen tanden opeten.’ Mous zegt dit in zijn blog: ‘Het geloof dat wij ons brein zijn.’

De bewering ‘Wij zijn ons brein’ berust evenzeer op een geloof als de stelling dat wij méér dan ons brein zouden zijn, dat wij een geest hebben of een ziel, of hoe je het ook wilt noemen.

Mous haalt emeritus hoogleraar theoretische natuurkunde Gert Vertogen aan, die zaterdag jl. in de Volkskrant stelde dat voor de uitspraak ‘Wij zijn ons brein’ geen wetenschappelijk bewijs kan worden gevonden. ‘Het is een geloofsuitspraak.’

Hij verwijst ook naar Carl Gustav Jung die zegt dat we immers met evenveel recht konden beweren, dat de fysieke bestaansvorm alleen maar een abstracte conclusie is uit de reeks van innerlijke (psychische) beelden, die wij dankzij onze zintuigen van de materiële werkelijkheid ontvangen.

Volgens Jung is de enige bestaansvorm waar we werkelijk weet van hebben de psychische bestaansvorm. Zo geredeneerd zou het een misvatting zijn om aan te nemen dat het bestaan alleen maar een bijzondere constellatie van atomen zou zijn.

Mous verwijst verder naar Egbert Tellegen die afstand neemt van de eenzijdigheid van de ‘biologisch’ georiënteerde psychiatrie en de toenemende trend om geestelijke processen te reduceren tot psychische of lichamelijke processen. Hij deed dat in zijn boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose.

De kunsthistoricus gaat in zijn blog in op de ziel waarvan hij zegt dat ‘die ondenkbaar is geworden, om over de onsterfelijkheid van de ziel maar te zwijgen.’ Niettemin zegt hij:

Toch zou de ziel ook vandaag de dag nog altijd bestaansrecht kunnen hebben. Niet daar waar een kortzichtig begrip haar bestaan ontkent, maar in de wijze waarop we vanuit onze psyche over de werkelijkheid spreken.

Zie: Het geloof dat wij ons brein zijn (Huub Mous)

Illustr: Neuronen (hersencellen) maken contact met elkaar (kennislink.nl)