De waarheidsvraag in het licht van religieuze diversiteit

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘Er staat veel onzin in publicaties over godsdienst. Dat is slecht voor de samenleving. Het publieke debat verhardt meer en meer en mensen zijn niet meer bereid om naar elkaar te luisteren. Daarom is het zo belangrijk dat Tussen waarheid en wijsheid verschijnt. Dit boek zegt wijze dingen over religie en de samenleving en gaat in tegen de polarisatie van het publieke debat.’ Dit zei Jan-Peter Wissink, directeur van Amsterdam University Press, tijdens de presentatie van het boek over de waarheidsvraag in het licht van religieuze diversiteit.

De combinatie van waarheid en religie lijkt in de hedendaagse samenleving meer dan ooit tot conflict en afscheiding te leiden. Of het nu gaat over fundamentalistische christenen in het Westen, radicale moslims in het Midden-Oosten, extremistische boeddhisten in Myanmar, joodse kolonisten in Hebron of militante hindoes in India, het is alsof de claim op religieuze waarheid zorgt voor een wij-zij-denken dat mensen tegen elkaar uitspeelt.’ (Wissink)

Volgens de uitgever komt in dit boek de vraag naar religieuze waarheidsaanspraken aan de orde. En de vraag of het omarmen van meerdere religieuze tradities ook het aanvaarden van meerdere waarheden betekent. Of religieuze waarheid er niet meer toe doet en we toe moeten naar een ruimer waarheidsbegrip. Voorbij het ‘Eigen Groot Gelijk’?

tussenwaarheidenwijsheid

De oudkatholieke aartsbisschop van Utrecht, Joris Vercammen, lijkt dat waarheidsbegrip naar transcendentie te verleggen. Hij wil het eigen groot gelijk transcenderen. Vercammen verwijst hiertoe naar Jonathan Sacks en Václav Havel. Volgens Sacks is transcendentie een noodzaak. Hij noemt ‘de veronderstelling van het universele’ een groeifase in de menselijke visie op mens en wereld. Hij bedoelt dan met ‘het universele’ de afwezigheid van diversiteit. Over Havel zegt Vercammen dat hij het goed gezien had dat zonder  transcendentie verzoening en vrede niet mogelijk zijn.

Transcendentie is dan een uitgestoken hand naar mensen om ons heen, naar vreemdelingen, naar de mensengemeenschap, naar alle schepselen, naar de natuur, naar het universum. Transcendentie is dan een diepe en met vreugde ervaren behoefte om in harmonie te zijn zelfs met datgene wat we niet zijn, met wat we niet begrijpen, met wat in tijd en plaats ver van ons verwijderd lijkt, maar waarmee we op geheimzinnige wijze verbonden zijn omdat dit alles samen met onszelf één enkele wereld vormt.’ (Havel)

Soms zul je God tegenkomen in de mens die anders is, die niet is zoals wij.’ Het monotheïsme van de Bijbel betekent wel dat er maar één God is, maar niet dat er slechts één weg naar de ontmoeting met deze God zou zijn. ‘Integendeel’, zegt Sacks, ‘het is de opvatting dat de eenheid van God gevonden wordt in de diversiteit van de schepping.’ (Vercammen)

Volgens Vercammen zoekt schrijven over het religieuze altijd de afstemming op Gods eigen handelen, als het schrijven zelf een geloofsact wil zijn.

Het is zoeken naar Gods waarheid. Het veronderstelt daarom een liefdevol willen waarnemen waarbij de egoïstische neiging om de werkelijkheid naar de eigen hand te zetten zoveel mogelijk wordt vermeden. Daarbij trekt de schrijver zich echter niet terug in passiviteit.’ 

Schrijver en columnist Mohammed Benzakour sprak ook tijdens de presentatie van Tussen waarheid en wijsheid. Hij verwees naar de Talmoed die stelt dat de mens wijs is zolang hij de waarheid zoekt, maar zodra hij meent haar gevonden te hebben, hij een dwaas is. En ook naar Kierkegaard die vond dat waarheid de titel is van een zeer dik boek met blanco pagina’s. Hij was dan ook reuze benieuwd naar het boek dat gepresenteerd werd, vol gedrukte pagina’s.

Zie NieuwWij:

* Tussen waarheid en wijsheid
* Een waarheid als een koe
* Waarheid vinden, waarheid ontvangen

Beeld: Soefigebeden, aangebracht op de muur van de Dargah. Een van de hoofdelementen bestaat uit de heilige geschriften en andere boeken uit de verschillende religieuze tradities die een affiniteit vertonen met het idee van de eenheid van religieuze idealen. (spiridoc.nl)

Tussen waarheid en wijsheid – de waarheidsvraag in het licht van religieuze diversiteit | Redactie Manuela Kalsky & André van der Braak | ISBN: 9789462983823 | € 19,95 | Ook verkrijgbaar als: eBook (ePub)eBook (PDF) € 9,99

‘In de transcendentie ontstaat de vrije mens’

drop-water-1030x800

‘Het transcendente valt niet toe te eigenen. Het is een mogelijkheid, iets wat altijd daar ligt, buiten het verstand ligt. We krijgen er soms iets van mee, als onze ziel geraakt wordt. Maar de bron daarvan ontgaat ons, net zoals we de zon ook niet in een doosje kunnen stoppen. Daarom is het ook niet verbazend dat ieder totalitair systeem als kern heeft om het transcendente op te heffen. Het communisme en fascisme waren ten diepst materialistisch. Zij beseften dat als je de mens zijn vrijheid wilt ontnemen, je het transcendente moet laten verdwijnen.’

Dit zegt Peter van Duyvenvoorde in een polemiek op The Post Online waarin centraal staat dat de rede haar begrenzingen kent en dat er een weten mogelijk is, dat voorbij de rede ligt, maar waartoe de rede wel een noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde is. Uiteindelijk draait het debat in de kern om de vraag of men het transcendente aanvaardt of dat juist ontkent en alleen uitgaat van de zichtbare, kenbare wereld.

Enfin, transcendentie, voor Plato is dat het Goede. Het is dat wat ons overstijgt, wat zich buiten de kosmos bevindt, God zo u wilt.’

Voor Van Duyvenvoorde sluiten volgens Plato openbaring en rede elkaar helemaal niet uit en laat hij zien dat het goddelijke en de rede elkaar juist nodig hebben om tot waar intellect te kunnen komen.

Maar daarin moet de lezer wel accepteren dat Plato tot in het diepst van zijn denken, een transcendente denker is waarin de mens met zijn voeten in de modder van een gebroken wereld staat en zijn gelaat richt naar die perfecte ideeënwereld. Het is de taak van de mens om zich open te stellen, ontvankelijk te maken middels de rede en hopen dat het goddelijke tot hem komt.’

De masterstudent Filosofie stelt dat het ook bij Kant draait om kennis te krijgen van het goede en dan het zelf open te stellen voor de hulp van hogere bijstand.

Of bij Nietzsche voor de mens om zich open te stellen en dan te wachten op iets, alsof het van buiten komt (Inspiratie). De vertroebelde mens kan alleen maar in het water kijken, dat zo helder mogelijk pogen te krijgen en dan hopen op de aanraking van het goddelijke. Dat is waarom de rede niet geheel redelijk is en de verabsolutering van de rede een ondermijning is van het waarlijk wijsgerig denken. Platonisch gezien kunnen we stellen: er is een weten dat geen openbaring is en toch voorbij de rede weet – daarmee ook de grenzen daarvan aangevend.’   

De kern van het epistemologische transcendentie noemt Van Duyvenvoorde het mysterie: uiteindelijk is er ergens een plek die onkenbaar is.

Het is het onzegbare. En tal van filosofen – en kunstenaars in de geschiedenis, proberen dat mysterie en hoe dat mysterie tot ons komt toch zegbaar te maken: Plato spreekt van Eros; Proclus en Pseudo-Dionysius spreken van “geestelijke engelen die vanuit God tot ons komen”; St. Johannes van het Kruis spreekt van een “hert dat mijn hart verwondt en dan verdwijnt”; Nietzsche en Kierkegaard spreken van een bliksem, Sloterdijk spreekt van een ingeademd worden. Dit zijn allemaal metaforen om dat proces, het aangeraakt worden door het Goede, invoelbaar of indenkbaar te maken.’

Zie:

Beeld: transcendentaalleven.nl

Het transcendente van het humanisme

Hoogleraar godsdienstwijsbegeerte, H.M. Vroom, geeft in zijn boek Een waaier van visies de voorkeur aan de term transcendentie boven een begrip ‘God’. De idee van transcendentie laat open en oningevuld hoe een specifieke religieuze traditie deze transcendentie ziet. Dat lijkt mij een hoop ruimte te geven in het gesteggel over de vraag wie ‘God’ is. Die term is beladen en (daardoor) ook nietszeggend geworden dat er slechts gesteggel van komt en duizenden goden door hun gelovigen strijden om de waarheid, eveneens een beladen begrip.

‘Het goddelijke lijkt duisternis, en vanuit ons ‘uitwendige zelf’ gezien is het dat ook.
Toch is de echte kennis van het goddelijke geen uitwendige maar innerlijke kennis.’
(H.M. Vroom)

De idee van transcendentie duidt aan dat er in de religieuze beleving van de werkelijkheid een grond van alle dingen wordt ervaren die de dingen die we ‘gewoonlijk’ ervaren, te buiten gaat.’

De seculiere levensbeschouwing erkent geen transcendentie buiten deze werkelijkheid. Vroom stelt dat dit opgaat voor een agnost die als humanist meent dat alle mensen gelijkwaardig zijn. Als hij daarmee meer wil zeggen dan dat ieder mens recht op voedsel en dergelijke heeft, zal iemand toch het ideaal van menselijkheid huldigen dat niet concreet is gerealiseerd.

Het humanum krijgt dan een transcendent aspect, want er wordt iets aangenomen buiten de gerealiseerde werkelijkheid.’

Maar niet alleen bij het humanisme. Vroom noemt ook het marxisme. De marxistische verwachting van de heilsstaat werd wel quasi-religieus genoemd, omdat de heilsstaat weliswaar binnen deze werkelijkheid zou liggen, maar intussen wel hemelse dimensies kreeg. Bij het zenboeddhisme is eveneens het transcendente te vinden.

Zenboeddhisme kent geen andere werkelijkheid dan deze, maar wil de werkelijkheid op een volstrekt andere manier ervaren; transcendent is hier: deze werkelijkheid anders (ervaren).’

De godsdienstfilosoof verwijst naar The Cloud Unknowing, een geschrift van een onbekende mysticus uit de veertiende eeuw. Daarin vindt Vroom een van de mooiste uitdrukkingen voor transcendentie: ‘this nothing in its nowhere’, waarin de schrijver zich tot een gespreksgenoot richt:

Hij schrijft dat men het transcendente niet buiten zichzelf moet zoeken: niet boven of achter of terzijde van zichzelf. Maar waar dan wel?, is de vraag: volgens jou is het dus nergens?! Dat heeft hij goed begrepen: ‘ ”Nowhere” is where I want you!’, en de reden daarvoor is dat wie fysiek gesproken ‘nergens’ is, ‘geestelijk’ gesproken overal is. Daar om moet men het ‘overal’ en ‘alles’ uitwisselen voor dit ‘nergens’ en dit ‘niets’.

Volgens Vroom vergt openstaan voor transcendentie een bepaalde houding en oefening. Men moet leren het geestelijke ‘licht’ te zien dat in zekere zin nergens en dus in zekere zin overal oplicht en een mens, als het ware, in en vanuit alle dingen toestraalt terwijl de bron van dat licht verborgen en duister blijft.

Het goddelijke lijkt duisternis, en vanuit ons ‘uitwendige zelf’ gezien is het dat ook. Toch is de echte kennis van het goddelijke geen uitwendige maar innerlijke kennis.’

Voor wie meer wil weten over het transcendente, is het boek Een waaier van visies erg boeiend. Transcendentie (akosmisch, kosmisch en theïstisch) wordt uitvoerig behandeld. Het is een boek dat de lezer helpt om wegwijs te worden in het veld van levensbeschouwingen en religies, om meer begrip te krijgen voor andersdenkenden en meer mogelijkheden voor reflectie en gesprek.

Verschil in visie op het leven is één van de kenmerken van de mondiale samenleving. Maar kan men de inzichten van anderen ook begrijpen en beoordelen? In dit boek worden de verschillende levensbeschouwingen geordend zodat er ruimte kan ontstaan voor begrip, inzicht en dialoog.’ (Agora)

Een waaier van visies | Prof. dr. H.M. Vroom | AGORA | ISBN 90 391 0885 | 299 blz.)

Foto: The Cloud of Unknowing (detail) – © Evan Mann 2016 – Referencing a mystic text (The Cloud of Unknowing) written by an anonymous monk in the 14th century, this exhibition is the product of Evan Mann’s explorations of faith in a post-modern world, where knowledge abounds and the reverence for mystery shrivels away in the corner. 
Update 05 12 2024 (Lay-out, links)

Roger Scruton en het transcendente in een goddeloze wereld

transparant (1)

Ook ‘in onze goddeloze tijd’ is er een verlangen naar verlossing, zo stelt Oxfords professor filosofie Roger Scruton in zijn nieuwe boek Eindeloos verlangen naar het heilige. En ja, die verlossing is ook nu mogelijk, denkt Scruton. Daar heb je geen God voor nodig. ‘Neem religie: zodra we die dreigen te verliezen, ontwikkelen we er een gevoel voor.’ En: ‘We maken het transcendente misschien als mens, maar het is daardoor niet minder werkelijk.’

Volgens Scruton komt alles neer op de ‘ervaring van transcendentie’, het heilige – ‘dat wat zich niet laat definiëren’. In onze seculiere tijd blijkt er niet meer te zijn dan het hier en nu, dan het al te materiële. Het gevolg is een gevoel van existentiële eenzaamheid.

Juist op het moment van dreigend verlies ervaren we de waarde van alles. Zoals Hegel al zei, vliegt de uil van Minerva pas in de schemering uit. Neem de natuur. Als we inzien hoezeer die wordt bedreigd, worden we er heel teder voor, zoals je tegenover je eigen kinderen bent. We zien in de wereld een groot verlangen om de natuur te beschermen. Of neem religie: zodra we die dreigen te verliezen, ontwikkelen we er een gevoel voor. En liefde gaat ons pas echt aan het hart als die ten einde dreigt te komen. Verlies en tederheid gaan samen.’ 

Transcendentie is volgens Scruton dat waardoor alle mensen verlangen, datgene waarnaar ze zich richten, de gedachte dat ze op de een of andere manier naar buiten kunnen; een ander perspectief, een punt waar ze verenigd kunnen worden met het eeuwige en het sacrale.

Het verlangen daarnaar is eigen aan alle mensen, maar we hebben ons ervan afgewend. In de moderne wereld, waarin jegens religie scepsis overheerst, willen we er niet meer aan dat er zoiets is als het transcendente. Als we dat opgeven, geven we de helft op van wat ons tot mens maakt.’

In Filosofie Magazine verwijst Engelands ‘meest conservatieve en meest elegische filosoof’ Scruton naar de Duitse filosoof ten tijde van de Verlichting, Immanuel Kant, die stelde dat het transcendente in diepe zin aanwezig is in ons morele en esthetische leven en wilde zelfs de christelijke religie reconstrueren op deze manier.

Het idee van het transcendente is dat er een ander gezichtspunt op de wereld mogelijk is dan dat van ons beperkte schepselen, en in dat gezichtspunt wordt de hele wereld gerepresenteerd. Niet alleen de kleine delen die we verklaren in termen van elkaar, maar als een geheel. In die visie van het geheel kunnen wij mensen ook op een andere manier verschijnen, niet als een toevallig product van de geschiedenis, maar als iets noodzakelijks: we zijn gered van ons toevallige bestaan; we moeten bestaan, het is goed om te bestaan, zo is zelfs verlossing mogelijk.’

Scruton noemt de wetenschap een van de grootste bedreigingen voor dat gevoel van transcendentie. Dat is volgens hem zelfs de essentie van wetenschap.

De wetenschapper beschrijft de mens eerder als dier, een wezen dat gehoorzaam is aan wetten die we nog niet hebben ontdekt. In die beschrijving ontbreekt een cruciaal feit, namelijk dat we personen zijn die vrij handelen en verantwoordelijkheid nemen voor hun daden. Dat schema van beschrijven mag niet verdwijnen uit ons dagelijks leven, want zonder die dingen kunnen we niet leven.’

God hebben we volgens Scruton niet nodig.

Natuurlijk, het concept van God dat wij monotheïsten hebben is precies dit transcendente perspectief. Er is iets wat ons observeert vanuit een ander punt, en ons beoordeelt. Als we juist zijn in zijn ogen, dan zijn we dat ook. En dat is een erg troostrijke visie.’

Ook zonder geloof in God kunnen we volgens de filosoof bidden.

Dan richten we ons tot het andere. We dragen allemaal een schuld met ons mee, een existentiële schuld waarvan we ons willen bevrijden.’

Interviewer Florentijn van Rootselaar van Filosofie Magazine vindt dat die God door mensen is gemaakt, maar volgens Scruton is niet alles wat door ons geschapen is onwerkelijk.

We maken het transcendente misschien als mens, maar het is daardoor niet minder werkelijk. Het is een mystieke visie, zeker, maar iedereen kan het op sommige momenten voelen in zijn leven.’

Zie het uitgebreide en boeiende interview in Filosofie Magazine: ‘Op het moment van dreigend verlies ervaren we de waarde van alles’  (Filosofie Magazine – Blendle € 0,95)

Eindeloos verlangen naar het heilige | Roger Scruton | € 29,95 | AUP | 296 blz. |

Illustratie: Transparant voor het transcendente. – Een van de meest belangrijke elementen van de mystiek is de overgang van het geloven in een God, ginds, ergens buiten mij, ver weg, naar een besef, of ervaring van de ‘plaats’ van God binnen in mijzelf. Want ieder mens ‘schept’ zijn of haar eigen God. Zoals Meester Eckhart het in een preek formuleerde: ‘God wordt God. Als de schepselen God zeggen, dan wordt God.’ (…) Transparantie dus in twee richtingen. Zoals een schoongemaakt venster zowel het licht van binnen naar buiten, als het licht van buiten naar binnen kan doorlaten, zo kunnen de vensters van onze menselijke geest transparant worden gemaakt voor de oplichtende aanwezigheid van werkelijkheid in mij en rondom mij. (hetsteiger.nl)