‘Dat ‘ik’, dat is de ziel, waardoor ik ben wie ik ben’

Dit schrijft de Franse filosoof René Descartes in 1637: ‘Dat ‘ik’, dat is de ziel, waardoor ik ben wie ik ben. Filosoof John Cottingham vult Descartes aan met: ‘Wat is de ziel anders dan een betere versie van onszelf? Zelfs als we de immaterialistische opvatting van Descartes over de ziel afwijzen, hebben we nog steeds een sterk gevoel bij ‘dat ik’, dat zelf waardoor ik ben wie ik ben.’

‘Onze individuele vrijheid is niet meer dan geestelijke armoede’
(Frans Wiertz)

Emeritus bisschop Frans Wiertz zet in Trouw Descartes lichtvaardig naar zijn hand en doet anno 2023 nog eens dunnetjes – nee dik – over hoe priester Antoine Bodar het ‘ik-tijdperk’ hekelde in 2018, ook in Trouw.’ Bodar zei ‘met afgrijzen terug te kijken op de jaren zestig’, in zijn lezing voor de Nacht van de Filosofie, en begreep duidelijk niets van de oorzaak van dat ‘ik-tijdperk’.

Bij Descartes gaat het om de ziel
Wonderlijk is de uitspraak van Wiertz: ‘Onze individuele vrijheid is niet meer dan geestelijke armoede’. In zijn artikel gaat de bisschop aan de haal met de uitspraak van René Descartes. Van ‘Ik denk dus ik ben’ maakt Wiertz: ‘Alles draait om het individu.’ – Terwijl bij Descartes alles draait om de ziel.

Hoewel hij er zelf genuanceerd in stond, is het ‘Ik denk dus ik ben’ van Descartes een eigen leven gaan leiden. In plaats van op de werkwoorden ‘denken’ en ‘zijn’ (Ik dénk dus ik bén) is de nadruk steeds meer komen te liggen op het ‘ik’: Ìk denk dus ík ben. Het ‘ik’ werd in de westerse wereld het centrum van het denken en van het leven.’
(Frans Wiertz in Trouw)

Kerk en autoriteit boette in aan macht
Wiertz begrijpt blijkbaar ook niet dat je eerst je ‘ik’ moet terugvinden, nadat deze jarenlang werd ontkend door kerk en autoriteit. Waarschijnlijk omdat hij zelf een vertegenwoordiger is van de onderdrukkers van dat ‘ik’, van de ziel nota bene. Autoriteit Bodar wilde er eveneens niets van weten.

Bodar kon niet omgaan met het ‘ik-tijdperk’. Terwijl iedereen zich losscheurde van de ketenen van kerk en autoriteit, en de leegheid van jarenlang opgelegd gezag van zich af probeerde te werpen, zag Bodar met lede ogen aan hoe kerk en autoriteit inboette aan macht.’
(Uit: Antoine Bodar kwijnt weg in Plato’s grot)


Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre

‘Zelf maken van wat ze van ons gemaakt hebben’
I
n die tijd verwoordde Jean-Paul Sartre de onderdrukking van het individualisme van de mens. Stel je voor, mensen zouden zelf eens gaan denken en doorkrijgen dat ze bestaan! Sartre verstond de uitspraak van Descartes heel goed: ‘Dat ‘ik’, dat is de ziel, waardoor ik ben wie ik ben‘.

Het is niet belangrijk wat men van ons maakt, maar wat wij zelf maken van wat ze van ons gemaakt hebben.’
(Jean-Paul Sartre) 

Doorgronden wat de ‘ziel’ inhoudt
Het gaat om bewustzijn. Mensen wilden en willen hun leven niet langer wordt voorgeschreven door starre religies. In die tijd werden velen – dankzij de jongeren van de zestiger jaren –  zich godzijdank bewust van hun eigen ‘ik’, hun ziel. Het werd tijd om ‘zelf te maken van wat ze van ons gemaakt hebben’.

Zelfs als we de immaterialistische opvatting van Descartes over de ziel afwijzen, hebben we nog steeds een sterk gevoel bij ‘dat ik’, dat zelf waardoor ik ben wie ik ben. Allemaal proberen we te doorgronden wat de ‘ziel’ in deze betekenis inhoudt.’
Aan het woord is filosoof John Cottingham. ‘De zoektocht naar manieren om uitdrukking te geven aan het verlangen naar een diepere betekenis in ons leven schijnt een onuitwisbaar deel van onze natuur te zijn, of we onszelf nu als religieuze gelovigen beschouwen of niet.’
(Uit: ‘Dat ik, dat is de ziel, waardoor ik ben wat ik ben’)


René Descartes

‘Ons leven verspild aan een illusoir profijt’
D
ie geestelijke armoede is vooral veroorzaakt door de kerk zelf die de geest van gelovigen arm hield door te verhinderen dat zij zelf denken en ‘ik’ worden, in de zin van werkelijk contact met hun ziel. Als gelovigen contact krijgen met ‘ik’, met hun ziel’, zullen zij uiteindelijk vanzelf uitkomen bij ‘wij’.

We weten misschien niet precies meer wat we met de ziel bedoelen, maar intuïtief begrijpen we wel wat met dat verlies wordt bedoeld: de morele desoriëntatie en het morele verval waarbij wat waar en goed is uit het zicht raakt, en we erachter komen dat we ons leven hebben verspild aan een illusoir profijt dat uiteindelijk zonder waarde is.’
(John Cottingham, emeritus professor filosofie aan de universiteit van Reading, VK, en professor filosofie en godsdienst aan de Universiteit van Roehampton, Londen)

ÍK
Wiertz zegt in Trouw ‘vanuit een diaconale bewogenheid van onderop mee te bouwen aan een hechte samenleving en een betrokken geloofsgemeenschap, waardoor we weer van ‘ik’ naar ‘wij’ gaan’. De emeritus bisschop had in de jaren zestig Descartes (beter) moeten lezen, dan had hij in plaats van z’n ‘ik’ wellicht zijn ziel (her)vonden en begrepen dat daar ‘wij’ in zat. Hij keek toen slechts van bovenaf, als lid van de rooms-katholieke kerk: de dikke ÍK.

Foto: kunstkot.nl
Foto Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre: meer.com
Tekening René Descartes: Jan Lievens, ca. 1644–1649, Groninger Museum. Zwart krijt, 241 x 206 mm (Wikimedia Commons)

Zonder ziel is de mens nergens

Caspar_David_Friedrich_._Wanderer_above_the_sea_of_fog

Denk het woord ‘ziel’ weg uit onze cultuur en je denkt de mens weg. We ervaren nu eenmaal iets dat we niet terug kunnen brengen tot verstand of tot psyche. Iets als integriteit en de mogelijkheid daarin gekwetst te worden. Dat iets, dat noemen we de ziel. – Ole Martin Høystad schreef De ziel. Volgens Filosofie Magazine geeft de emeritus-hoogleraar culturele studies hierin een historisch overzicht van de ziel vanuit verschillende invalshoeken: de filosofie, theologie, psychologie en de literatuur. Homerus komt aan bod naast Plato, Augustinus naast Dante en Kafka naast Wittgenstein.

Deze geschiedenis van de ziel is een geschiedenis van de ontwikkelingen in de filosofie: als je het over de ziel hebt bij Plato, gaat het ook over zijn ideeënwereld, bij een empirist als Hume over percepties en bij Wittgenstein over taalspelen. Romans leren ons dat de ziel niet een theoretisch concept is. Høystad: ‘Als je Homerus, Joyce of Kafka leest, leer je dat de ziel vlees is, dat ze concreet en persoonlijk is.’ (Filosofie Magazine)


Het ‘objectieve’ belang van de ziel wordt al sinds de verlichting ter discussie gesteld, toen de wetenschappelijke verklaring van de wereld de overhand kreeg. Sommigen beweren dat ze gereduceerd is tot een religieus concept; anderen stellen dat ze vervangen is door de psyche van de moderne psychologie. Deze beperkte betekenis lijkt te worden tegengesproken door de belangrijke plaats van de ziel in moderne literatuur, van Dostojevski via Woolf tot Coetzee. (Uit: De ziel)


Volgens de uitgever geloven de meeste mensen dat ze een ziel hebben, maar kan bijna niemand uitleggen wat het is.

De ziel heeft iets merkwaardig fascinerends. Het is de uitdrukking van iets diep persoonlijks dat zich moeilijk laat vangen in woorden en begrippen en dat we daarom via beelden en symbolen proberen uit te drukken of waarmee we via muziek in contact proberen te komen.’ (Atheneum)


De Neanderthalers hadden al begrafenisrituelen en begroeven hun overledenen op een manier die erop wijst dat ze geloofden in een leven na de dood. Terwijl de dood de enige zekerheid in het leven is, weet niemand of er iets van jezelf voortleeft. Toch heeft men te allen tijde en in alle culturen geloofd dat de ziel de dood overleeft en in een of andere vorm in het hiernamaals blijft bestaan. (Uit: De ziel)


Zes jaar lang zat Ole Martin Høystad (1947) in een Noorse berghut te studeren op Aristoteles en Augustinus, Montaigne en Kierkegaard, Dante en Freud – om maar een paar pleisterplaatsen te noemen in zijn uitgebreide cultuurgeschiedenis van de ziel, schrijft Trouw.

Doel van zijn monnikenwerk: het ongrijpbaarste begrip in de westerse cultuur doorgronden. Wat is de ziel? Hoe kan ze onsterfelijk zijn? En als ze dat niet is, hebben we haar dan nog nodig?’ (Trouw)


In alle culturen worden de kwaliteit en het lot van de ziel gezien als gevolgen van hoe het individu zijn leven geleefd heeft en hoe hij of zij door woord en daad goed of kwaad heeft gedaan. Daarmee ligt de focus op het geleefde leven, op de ontwikkeling van persoonlijke en innerlijke kwaliteiten en dus de ziel van het individu, en hoe hij die heeft ontwikkeld en zijn verplichtingen tegenover andere mensen is nagekomen. Dat is heden ten dage misschien wel het belangrijkste kenmerk van de ziel. Ook al is de ziel volledig individueel, zij wordt bepaald door de relatie met anderen. Je kunt niet zorgen voor jezelf zonder rekening te houden met anderen. (Uit: De ziel)


Deziel

De meeste mensen denken wel dat ze een ziel hebben, zegt Høystad, en de meeste mensen willen een ziel, ze willen niet zielloos zijn.

Maar wat de ziel is en wat het betekent om voor een ziel te zorgen, daar is tegenwoordig weinig aandacht voor. We hebben iets verloren, we hebben de ziel een beetje naar achteren geduwd in ons bewustzijn. Tegenwoordig zijn we gepreoccupeerd met ons lichaam: we cultiveren ons lichaam. Je zou kunnen zeggen dat het lichaam de nieuwe ziel is. Maar dan mis je een dimensie. De meeste mensen zullen herkennen dat die dimensie de ziel is.’ (Filosofie Magazine)

In De ziel zegt Høystad dat het voor hem van essentieel belang is geweest om niet alleen een geschiedenis weer te geven, maar ook om de historische bronnen tot ons te laten spreken én te laten zien welke betekenis de ziel nog steeds heeft in een tijd waar in zij in veel opzichten een taboe lijkt te worden, ook in religieus opzicht.

De ziel – Een cultuurgeschiedenis | Ole Martin Høystad | Vertaald door Wouter de Jong. | Uitgeverij Athenaeum Amsterdam | 2018 | 525 blz. | €29,99 | E-book €19,99

Beeld: De wandelaar boven de nevelen – Caspar David Friedrich (1817)  (foto: Cybershot) ‘Het uitdrukken van de innerlijke kant was volgens Casper David Friedrich belangrijker dan het afgebeelde natuurschoon: ‘De taak van de schilder is niet de natuurgetrouwe weergave van lucht, water, rotsen en bomen, maar zijn ziel, zijn gevoel moet erin weerspiegeld zijn.’ Deze zingevende manier van kijken, die in de Romantiek voor het eerst duidelijk naar voren komt, wordt een voorwaarde voor het begrijpen van moderne kunst, met name van de abstracte schilderkunst.’ (debedachtzamen.nl)