
In de 46e Huizingalezing Leven alsof God bestaat stelt Antoine Bodar dat voor christenen de evolutietheorie geen wapen is tegen het geloof in de schepping; dat de beide scheppingsverhalen uit het boek Genesis geschreven zijn door verschillende auteurs en uit verschillende tijden stammen. En dat de teksten geen natuurhistorische feiten betreffen maar een theologische vertelling.
‘God heeft de wereld zo geschapen dat die zich zelf zou ontwikkelen. In de schepping heeft Hij de evolutie gegeven. De menswording van de mens is zo het werk van God en van de natuur. Dat de mens een ziel heeft gekregen is aldus volledig Godsgeschenk. De evolutietheorie kan de Godsvraag derhalve volkomen open laten.’
Aan de hand van Joan Huizinga en andere denkers pleit Bodar ervoor de metafysische dimensie van de maatschappij te heroverwegen en godsdienst royaal ruimte terug te geven in de openbaarheid en dus ook in de media. Hij vraagt zich af of de Godsvraag niet eigen en tevens voorbehouden is aan de menselijke soort.
‘Bestaat God wel of bestaat Hij niet? Volgens George Steiner zijn we met die vraag niets verder gekomen dan Parmenides of Plato. Of misschien zijn we verder van dat raadsel verwijderd dan zij. Zouden we de vragen over bestaan, sterfelijkheid en het goddelijke voortaan achterwege laten, we zouden de kern en de dignitas (waardigheid) van ons mens-zijn uitdoven. Aldus Steiner.’
Hoezeer wij ook willen beseffen, aldus Bodar, dat dieren en mensen allebei achtenswaardig zijn, toch kent het dier het metafysisch denken niet: dat komt de mens toe.
‘Ik vraag om begrip voor het metafysische denken dat dus transcendentie toelaat, al was het maar alleen om ons mensen wat bescheidener te doen zijn en het onzichtbare naast het zichtbare te kunnen bevroeden.’
Bodar stelt dat het de taak van een mens is in een geseculariseerde cultuur aan het bovennatuurlijke vorm te geven.
‘Wie eens is geraakt door het absolute dat ons te boven gaat of aangeraakt is door de Absolute Die ons wenkt, die is geroepen daarvan getuigenis af te leggen en niet na te laten daarover te spreken.’
Volgens Bodar is het zo dat waar de godsdienst verdwijnt de ideologie opduikt die altijd alleen hoogst tijdelijk blijkt.
‘Duurzaam verbindt ons onderling het ideale doel dat buiten ons zelf ligt en dat verder reikt dan tijdelijkheid om ten minste uitzicht te houden op eeuwigheid, zoals al het zichtbare zich zelf niet genoeg is omdat in het onzichtbare eerst de diepte van hetgeen we waarnemen wordt bevroed en tot helderheid leidt. Anders zijn de vlaggen wel wapperend en de machines wel draaiend, terwijl de over niets meer gaande bezetenheid blijft en de geest dienovereenkomstig geweken.’
Liever wil Bodar plaats laten aan de cultus die naar de oorsprong leeft uit verticaliteit die tot buiten en vooral boven ons voert en als gevolg daarvan eerst leeft uit horizontaliteit die mensen onderling verbindt. Die verdient overweging bij filosofen en andere denkers zoals dichters en componisten, bij hen althans die durven dromen voorbij aan de eigen tijd.
‘Muziek geeft stem aan eeuwigheid en brengt de kosmos in het midden die naar Plato en Pythagoras de maat in muziek bepaalt die zo als echo van eeuwigheid God eert en ons beroert en vermaakt.’
De priester en hoogleraar stelt dat van al wat wij hebben verloren de zin voor het heilige, het ons te boven gaande dat niettemin wenkt en fascineert en aangrijpt, het meest wezenlijke is.
‘Hervinding van het heilige, dat van ons zelf afleidt en naar de originele cultus terugleidt, is begin van nieuwe dienstbaarheid, nieuw benul van maat, nieuwe levensvreugde in wederkerig gunnen, nieuw élan God niet uit te sluiten maar in te sluiten, nieuwe betovering om goedheid en schoonheid en waarheid die om onze verdere ontdekking roepen.’
Bron: ‘Leven alsof God bestaat’ (KRO)
Beeld: ontdekgod.nl