Poetins broedermoord op de Oekraïners

Volgens Socrates vergissen mensen als Vladimir Poetin zich als ze denken gelukkig te worden van extreme misdaden. Ze storten daarmee zichzelf uiteindelijk in het verderf. De Duits-Amerikaanse en Joodse filosofe Hannah Arendt stelde dat ook Eichmann niet in staat is om de consequenties van zijn daden te overzien: hij heeft zich volgens haar nooit gerealiseerd waarmee hij bezig was. Filosofieredacteur bij Trouw, Peter Henk Steenhuis, interviewt  filosoof Klaas Rozemond. ‘Veel kwaad is in het stramien van Kaïn te passen, ook dat van Vladimir Poetin.’

‘Bepaalde mensen hebben een onvermogen om te denken’
(Hannah Ahrendt)

De onbewogenheid van Poetin, de massamoorden, de bombardementen, de nucleaire dreiging: het lijken voorbeelden van het kwaad. Zijn ze dat ook, en wat verstaan we eigenlijk onder het kwaad?’

Van Rozemond is de opvatting dat het kwaad bestaat uit het welbewuste schenden van fundamentele normen, zoals de oudtestamentische norm ‘Gij zult niet doden’.

Kaïn die zijn broeder Abel doodt, schendt welbewust een fundamentele norm: in het aangezicht van God vermoordt hij zijn broer, en verklaart vervolgens dat hij van niets wist: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Veel kwaad is in het stramien van Kaïn te passen, ook dat van Vladimir Poetin.’

Poetin overtreedt volgens Rozemond welbewust de norm ‘Gij zult niet doden’ en denkt ermee weg te kunnen komen terwijl de hele wereld toekijkt, en vervolgens ontkent dat hij een misdaad heeft begaan als hij met de bewijzen wordt geconfronteerd.

Poetin zit met een oorlog opgescheept die voor hemzelf en de Russen veel schadelijker is dan hij zich kennelijk kon voorstellen op het moment dat hij de broedermoord op de Oekraïners plande.’


Hannah Arendt

Poetins land wordt getroffen door zware sancties en hij is zijn goede relaties met heel veel landen kwijt. Steenhuis zegt dat de dictator dat had kunnen bedenken. Hij vraagt aan Rozemond of het kwaad dan dom is. De filosoof verwijst naar de verklaring destijds van Hannah Arendt over Adolf Eichmann, die volgens hem teruggaat tot Socrates: in de vijfde eeuw voor Christus betoogde hij dat niemand welbewust het kwaad begaat.

Dat betekent dat het kwaad altijd berust op een vergissing over de vraag wat het goede is. Daarbij dacht Socrates in de eerste plaats aan het goede voor jezelf: wat is voor jou een goed leven? Mensen die denken dat ze gelukkig worden door extreme misdaden, vergissen zich volgens Socrates. Ze storten daarmee zichzelf in het verderf.

Dictators denken dat zij niet gebonden zijn aan de moraal, omdat alleen hun macht bepaalt waar de grenzen van hun daden liggen. Het gevolg daarvan is dat dictators steeds excessiever worden als het gaat om het bestrijden van hun vermeende vijanden.’


Socrates

Volgens Rozemond moeten we onze opvattingen over het kwaad herzien. De moderne opvatting over moraal is dat het bij goed en kwaad niet gaat om geluk of ongeluk van de dader, bijvoorbeeld een dictator, maar om het leed van het slachtoffer.

Het kwaad bestaat uit het veroorzaken van extreme schade bij slachtoffers. Het kenmerk van het kwaad is dat de daders geen rekening houden met het leed dat zij de slachtoffers aandoen. Dat is het belangrijkste verwijt dat je aan een dader kunt maken: je bent ongevoelig voor het leed van anderen.’

Rozemond denkt dat wij een blinde vlek hebben voor het kwaad, en dat dit zeker gold voor Poetin, die oorlog kon voeren in Tsjetsjenië, Georgië, Syrië en de Krim annexeerde zonder dat dat al te veel gevolgen had.

In 2018 ging het WK voetbal in Rusland gewoon door. Iets vergelijkbaars geldt voor Chinese leider Xi Jinping en de genocide op de Oeigoeren: dat was geen belemmering voor de Olympische Spelen in Peking. Poetin en andere misdadigers konden opmerkelijk lang hun gang gaan.’

Zie:
* ‘We hebben een blinde vlek voor het kwaad, en dit geldt zeker voor Poetin’ (Trouw, 13 oktober 2022)
* Hannah Arendt verklaard – grondig en een tikje persoonlijk (Trouw, 19 oktober 2022)
* Het menselijke kwaad | Klaas Rozemond | Boom uitgevers Amsterdam | Maart 2020 | ISBN 9789024430703 | 272 blz. | € 29,90 | E-book € 22,50

Beeld Kaïn en Abel’: Pietro Novelli (1568-1625) – olie op doek – Galleria Nazionale d’Arte Antica, Rome, Italy. (fr.wahooart.com)
‘Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt… Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ (God in: Genesis 4:11-12, NBV2004)
Beeld Hannah Arendt: Centre Erasme
Beeld Socrates: sites.google.com

‘Christendom mede schuldig aan ontkenning van wie we ten diepste zijn’

Het christendom kan alleen dan relevant zijn wanneer het stopt met het dogmatisch cultiveren van gevoelens van minderwaardigheid. Wanneer het ons stimuleert niet weg te lopen van onszelf, maar voluit te aanvaarden dat wij kostbare en geliefde mensen zijn. – Theoloog Dirk van de Glind schrijft over bevrijdende humaniteit; verrijkende openheid; menselijke verantwoordelijkheid, en pleit voor universele humaniteit.

‘Vele gelovigen zijn opgegroeid met gevoelens van
onvermogen, schuld en schaamte.’
(Dirk van de Glind)

De erfenis die Jezus van Nazareth heeft nagelaten is volgens hem met vertrouwen onze humaniteit exploreren en ons dagelijks oefenen in liefde en menselijkheid die sterker zijn dan het grofste geweld, sterker dan de dood. In de collectie Universele humaniteit in Volzin verkent Van de Glind de verschillende aspecten van de stelling:

Christelijk geloven bevindt zich op een breuklijn tussen wat onherroepelijk voorbij is en wat meer dan ooit nodig is. Wil het relevant zijn voor het menselijk bestaan en wil het bijdragen aan herstel en voortbestaan van onze planeet, dan zal de focus verlegd moeten worden van aanbidding en gehoorzaamheid naar de ontwikkeling van universele humaniteit.’ 

Van de Glind moest in zijn jonge jaren uit zijn hoofd leren dat hij ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad is’. Hij ziet dat nu als een vorm van kindermishandeling.

Het trieste is dat deze in wezen uiterst negatieve en ontwrichtende visie op de mens direct voortvloeit uit het centrale leerstuk van de christelijke dogmatiek: de verlossing van zonde door het offer van Jezus Christus.’


Erich Fromm

De theoloog stelt dat gelovigen opgegroeid zijn met gevoelens van onvermogen, schuld en schaamte; de verlammende angst niet goed genoeg te zijn en het leven eigenlijk niet te verdienen. Zo constateert filosoof en psychoanalyticus Erich Fromm (1900-1980) dat Calvinisten zich in een ongezonde spagaat bevinden:

Ze zijn gerustgesteld zolang ze ervanuit gaan dat ze niet deugen en straf verdienen, maar ze gaan zich zorgen maken over hun zielenheil zodra ze positief over zichzelf beginnen te denken.’

Door al zijn ervaringen – als recalcitrante puber kwam Van de Glind bijvoorbeeld in conflict met de dominee die hem de Heidelberger Catechismus trachtte bij te brengen – kreeg hij een verwrongen gods- en mensbeeld mee. Daarbij werd het hem steeds duidelijker dat hij afscheid zou moeten nemen van het negatieve mensbeeld dat ‘in zijn grondwater was gaan zitten’. Hij schetst in zijn artikel een glashelder, maar wrang beeld over een ‘geflipte benadering van rechtvaardigheid’.

Van de Glind ontwikkelde uiteindelijk een fundamenteel andere kijk op de mens, moest ook zijn geloof fundamenteel veranderen, maar wist aanvankelijk niet hoe hij dat moest doen. En al helemaal niet hoe hij dat zou kunnen zonder het christendom vaarwel te zeggen.

Maar m’n geloof in de innerlijke goedheid van de mens groeide en daarmee ook het vermoeden dat het christendom in haar ontwikkeling een verkeerde weg was ingeslagen.’

De theoloog beweert echter niet dat de mens alléén maar goed is, maar dat onze kérn, ons diepste wezen – oneindig en niet te bevatten – uit pure goedheid en liefde bestaat, aan God zelf raakt. Maar daar kunnen we wel van vervreemden.


Dirk van de Glind

Het is dan ook geen zooitje in de wereld omdat zoveel mensen maar doen wat ze willen. Het is vaak een zooitje omdat maar weinig mensen de moed hebben voluit te doen wat ze werkelijk willen: te leven naar wat ze werkelijk zijn.’

Zie:
*
Van verlammend mensbeeld naar bevrijdende humaniteit (Volzin – UPDATE: 07112022 – inmiddels ook achter betaalmuur)
* Collectie Universele humaniteit
(Volzin – Premium: 3 artikelen achter betaalmuur)


Beeld: Volzin
Beeld Heidelberger Catechismus: deoudewijnboeken.nl
Beeld Erich Fromm: humanistischecanon.nl
Beeld Dirk van de Glind: dirkvandeglind.nl

‘Christendom is een vorm van atheïsme’

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy vroeg zich af of, als het al waar is dat het geloof in het bestaan van God in een moderne, seculiere wereld steeds minder een rol van betekenis speelt, daarmee dan ook het christendom, en in bredere zin de monotheïstische religies, van het toneel zijn verdwenen. Nancy (1940 – 2021) groeide uit tot een van Frankrijks internationaal meest gelezen filosofen en was emeritus hoogleraar in Straatsburg. Het ‘nieuws van Gods dood’, om met Nietzsche te spreken, verkondigde Nancy al ver voordat de moderne geschiedenis haar aanvang nam. 

‘Het monotheïsme laat zich steeds meer van zijn atheïstische kant zien.’
(Jean-Luc Nancy)

Filosoof, religiewetenschapper en theoloog Laurens ten Kate stelt in Filosofie Magazine dat volgens Nancy het christendom zelf heeft bijgedragen aan het seculariseringsproces. ‘Sterker nog, het christendom komt voor Nancy neer op een vorm van atheïsme.’

De vraag of met God ook het christendom verdwenen zou zijn, is voor Nancy zo belangrijk omdat er naar zijn inzicht iets vreemds aan de hand is met die christelijke God. Iets wat zelfs zo vreemd is dat het nog maar de vraag of God wel verdwenen is uit de seculiere wereld.’

Ten Kate zegt in zijn essay dat Nancy deze vreemdheid van het christendom in zijn project van een deconstructie van het monotheïsme onderzoekt, waarbij hij vooral het christendom centraal stelt. Ten Kate gaat in op de eigenzinnige manier waarop Nancy over religie denkt, tegen de achtergrond van een schijnbaar seculiere wereld. Deconstructie is geen destructie, zegt hij.

Nancy’s project beoogt niet zozeer een deconstructie van de christelijke religie op zich, maar is een verkenning van de deconstructieve elementen die deze religie in zich draagt, elementen die ook in de andere monotheïstische religies gevonden kunnen worden.’

Nancy demonteert dus het monotheïsme en monteert dat opnieuw. Hij ontdekt dat de monotheïstische tradities ‘werelds’, profaan worden: met andere woorden, ze doen mee in de geschiedenis van de secularisering.

En die verborgen ‘montage’ is misschien, paradoxaal genoeg, juist iets wat voorbij het monotheïsme ligt, als datgene wat wij nog moeten ontdekken en doordenken: dat namelijk het monotheïsme in een proces van mondialisering is betrokken waarin het zich steeds meer van zijn atheïstische kant laat zien.’
(Nancy)


Jean-Luc Nancy

Aan de hand van de schepping en incarnatie gaat Ten Kate vervolgens in op de vraag hoe religies profaan kunnen worden.

De scheppingsleer introduceert een God die eigenlijk geen God wil zijn, maar intiem met de mens als partner wil leven in de schepping. Tegelijkertijd is de monotheïstische God een God die zich, in tegenstelling tot de mythische goden, niet meer wil bemoeien met de wereld en zich daaruit terugtrekt.’

Incarnatie komt specifiek uit de christelijke traditie omdat het over de Christusfiguur gaat: de incarnatie, dat wil zeggen de menswording.

Nancy ziet incarnatie letterlijk: als lichaam-wording, en niet alleen als menswording. Daarmee ‘atheïseert’ God zich – seculariseert hij zich, waardoor iedere vorm van ‘funderende aanwezigheid’ verdwijnt.’

De incarnatie moet niet als een vorm van representatie begrepen worden, alsof de Zoon de vertegenwoordiger van God zou zijn. God en mens vallen in de Christusfiguur volledig samen, en als God wordt God ‘niets’, nihil. 

De incarnatie is niet een beeld of verbeelding van God in menselijke vermomming, maar ze is het beeld van de ‘beeldloosheid’, ja, de afwezigheid van God. God sterft, om zo te zeggen, in de mens, om in die mens als mens weer te herleven en vervolgens als mens te sterven. Dat is de vreemde dialectiek van de dood van God, die zijn concrete, dramatische symbool krijgt in Christus’ dood aan het kruis.’


Laurens ten Kate

De dood van God in de incarnatie krijgt een onmiddellijk vervolg in de dood van de mens in wie hij zich had geïncarneerd: de dood van Christus. De incarnatie, zoals Nancy deze interpreteert, is niet een uniek historisch feit (een soort goddelijk ingrijpen in de wereld om de ‘zonden’ van de mensheid weg te wassen), maar het feit dat ‘het goddelijke in mensen een dimensie wordt van terugtrekking, van afwezigheid en zelfs van de dood’.

De dimensie van terugtrekking is als een opening – een dis-enclosure – in de rede, die de grenzen die de rede voor zichzelf stelt, openbreekt. Deze opening wijst niet naar een of andere goddelijke transcendentie die de rede van een laatste fundament zou voorzien, maar precies naar de leegte die de afwezigheid van zo’n transcendentie achterlaat. Deze opening is zelf de transcendentie.’

Nancy komt tot een nieuw perspectief op het monotheïsme als atheïsme: niet een atheïsme dat het bestaan van God ontkent, maar een ‘absentheïsme’, zoals Nancy het soms noemt, waarin de absentie in de presentie, het wonder in de wereld wordt verbeeld als verwijzing. Het verwijst naar het ontoonbare.

Zie:
* Ten geleide: Jean-Luc Nancy
(Filosofie Magazine)
* God uit het niets
(Filosofie Magazine)


Beeld: Jean-Luc Nancy, What is a theological concept?
Foto Jean-Luc Nancy: philosophieliterature.blogspot.com
Foto Laurens ten Kate: Kirsten den Boef (Universiteit voor Humanistiek)

Zondag 16 oktober DV: ‘Christendom mede schuldig aan ontkenning van wie we ten diepste zijn’

Fascinerende geschiedenis van de westerse esoterie

Boekrecensie – Esoterie is kennis van de werkelijkheid met behulp van inzicht in de bovenzinnelijke wereld. Het is de tegenhanger van natuurwetenschappelijke kennis, die is gebaseerd op waarnemingen, logica en verifieerbaarheid. – Voor wie zich nog weinig verdiept heeft in esoterie kan Geschiedenis van de westerse esoterie een indrukwekkende inwijding zijn. Het boek behandelt een groot aantal esoterische stromingen. De lezer wordt ingewijd in een ‘zo volledig mogelijk én toegankelijk overzicht van de rijke westerse esoterische traditie door de eeuwen heen’. En daarmee zeggen de auteurs niets te veel.

‘Van de lezer vragen wij een open opstelling: ‘Just say oh, don’t say no!’
(John van Schaik, Jacob Slavenburg)

Esoterische werkelijkheidsbeleving
D
e auteurs, godsdienstwetenschapper dr. John van Schaik en cultuurhistoricus dr. Jacob Slavenburg, schetsen hoe Plato van mening was dat de waarheid/werkelijkheid in de geestelijke wereld is te vinden en hoe vanaf de achttiende eeuw het rationele/materialistische paradigma ging domineren. Wat in de Oudheid algemene en openbare kennis was wordt vanaf dan weggezet als ‘obscuur, zweverig en buiten het mainstream-denken staande’. Dat betekende dat een aanzienlijk deel van het religieuze sindsdien wordt genegeerd. Historici en andere wetenschappers blijven daardoor onwetend van de omvangrijke westerse esoterische traditie. Neem de Bijbel; die alleen al staat bol van de ‘esoterische werkelijkheidsbeleving’.

Wiskunde
V
erhelderend vind ik de vergelijking van esoterie met wiskunde. Niet gauw zullen mensen wiskunde obscuur, zweverig of niet-mainstream noemen. Toch kan voor velen ook wiskunde esoterisch en onbegrijpelijk zijn. Wiskundige formules blijven esoterisch (geheim) totdat je er kennis van krijgt door middel van inzicht (gnosis). ‘Kennis verkrijgen kan iedereen. Dat is openbaar. Inzicht verkrijgen: daar moet je iets voor doen.’

Oorspronkelijke eenheid
V
anaf het moment dat de mens uit het paradijs is geworpen zoekt hij de weg terug naar de oorspronkelijke eenheid. Die zoektocht loopt van de verre Oudheid, waar de geschiedenis van de westerse esoterie begint, tot de Nieuwe Tijd. In de Oudheid al trachtte de mens de breuk tussen ‘boven en beneden’ te herstellen. In de Nieuwe Tijd uit dit streven zich in het besef dat gevoel en intuïtie belangrijker zijn dan ratio, geld en macht. Of, zoals de auteurs stellen: ‘Nooit is de “esoterische werkelijkheidsbeleving” uit de westerse cultuur verdwenen’.

De vier pijlers van esoterie
D
e geschiedenis van de westerse esoterie begint dus in de verre Oudheid. Vier kenmerken zijn de rode draden door alle eeuwen heen: religie, kosmologie, magie en alchemie. Religie is per definitie verbonden met gnosis, met inzicht. Ze is tegelijk filosofie en theologie. Kosmologie is kennis van de hemellichamen, waarin astronomie en astrologie samenvallen, en wordt gezien als kennis van het goddelijk plan. De oude wereld is doortrokken van magie en onlosmakelijk verbonden met kosmologie en religie. In de alchemie (de voorloper van de moderne scheikunde) zijn religie, kosmologie en magie eveneens met elkaar verbonden.


Jacob Slavenburg (li) en John van Schaik

Fascinerende stromingen
I
Geschiedenis van de westerse esoterie komen deze kenmerken steeds weer terug, in allerlei vormen. Met de kennisname van de ‘esoterische werkelijkheidsbeleving’ gaat voor de lezer een bijzonder boeiende wereld open. Het voert te ver om de talrijke opmerkelijke mensen en fascinerende stromingen te noemen. Om een idee te geven noem ik slechts enkele hoofdstuktitels, zoals Esoterie in het Oude Egypte, Ketterse kerken langs de zijderoute, Natuurfilosofie in de Renaissance, De joodse esoterie, Esoterie in de Gouden Eeuw, Vital spirit of elektriciteit? en Het spirituele in de kunst.

Nieuw elan?
I
n het midden van de negentiende eeuw valt het doek voor welke vorm van esoterie of spiritualiteit dan ook. Andere geluiden klinken: Darwin verkondigt dat de mens van de aap afstamt, Het Nieuwe Testament wordt weggezet als mythe en het idee dat er alleen materie is wordt heersend. Maar in de tweede helft van de negentiende eeuw en de overgang naar de twintigste begint de esoterie aan een nieuw elan. Onder meer de theosofie doet haar intrede, met Helena Blavatsky als grondlegster. Een van haar lijfspreuken luidt: ‘Er is geen godsdienst hoger dan de Waarheid’. Tegen het einde van de negentiende eeuw laten ook magische inwijdingsorden van zich horen, zoals de vrijmetselarij en de romantische natuurfilosofie. Ook ontstaan er nieuwe bewegingen, zoals het neo-katharisme, de neo-tempeliers en de neo-graalbeweging.

De inspirerende twintigste eeuw
H
et laatste deel van Geschiedenis van de westerse esoterie beschrijft ‘De inspirerende twintigste eeuw’, met stromingen waarover velen wel iets over hebben gehoord, zoals de antroposofie, de psychologie van Carl Gustav Jung, de leringen van Gurdjieff over de innerlijke mens en de spirituele nalatenschap van Ouspensky. Het symbolisme wordt geboren ofwel kunst als uitdrukkingsmiddel voor de geest. Wat  betreft de Nieuwe Tijd besteden de auteurs aandacht aan onder andere de hippies, de kabouterbeweging, new age, ufo’s en eco-spiritualiteit. Wel zijn zij auteurs teleurgesteld over het esoterische landschap van de Nieuwe Tijd: zij noemen deze periode ‘verschrikkelijk onoverzichtelijk’. Bovendien lopen ‘door de toenemende individualisering de kerken leeg en neemt het ledental van esoterische verenigingen af’. De auteurs vragen zich af of er anno nu nog plaats is voor traditionele religieuze en esoterische instituties.

Geschiedenis van de westerse esoterie| John van Schaik en Jacob Slavenburg | Uitgeverij van Warven | 713 blz. | € 44,99 | Deel I: Bronnen – deel II: De eerste vijf eeuwen – deel III: De middeleeuwen – deel IV: Renaissance en Gouden Eeuw – deel V: Verlichting en Romantiek – deel VI: De zinderende negentiende eeuw – deel VII: De inspirerende twintigste eeuw.

‘Er zijn mensen die zich afvragen wat de schreeuw van Edvard Munch op de cover doet van een boek over esoterie. Ik heb me dat ook afgevraagd toen de auteurs dit schilderij voorstelden. Toen me werd uitgelegd dat de figuur op het schilderij reageert op de schreeuw van de natuur, werd het me duidelijk. Munch is een esotericus….net als velen van ons. Als we luisteren naar wat er binnen ons leeft, horen we ook wat de ons omringende wereld vertellen wil. Blavatski, Swedenborg, Blake, Munch en vele, vele anderen, ze komen allemaal voorbij…. Teveel om op te noemen.’ (Rinus van Warven)

Tip! Zie ook: Hét geschiedenisboek over de westerse esoterie: “Het schrijven hiervan is een soort afsluiting” (Koorddanser)

Foto Jacob Slavenburg en John van Schaik: Koorddanser
Eerder gepubliceerd bij de Academie voor Geesteswetenschappen, Utrecht

De meesterlijke list van Meester Eckhart

Priester en Dominicaner monnik Nikolaus van Straatsburg geeft in Het proces van meester Eckhart (Simon Vestdijk) aangrijpende gesprekken weer die hij met filosoof en scholastisch theoloog Eckhart voert. De monnik treedt op, in opdracht van de paus, als ‘inquisiteur’ die zijn denkbeelden moet onderzoeken. Van Straatsburg is ervan overtuigd dat de theoloog geen ketter is. Desondanks wordt Eckhart gedwongen alle ketterijen die hij verkondigd zou hebben te herroepen tijdens het proces in 1326.

Eckhart vraagt zich af hoe hij moet herroepen, hij is zich immers van geen kwaad bewust. Van zijn geoefendheid in de scholastieke theologie heeft hij echter de verwachting dat dit hem kan helpen.

‘God bezoekt ons dikwijls, maar meestentijds zijn we niet thuis’
(Meester Eckhart)

Het proces vindt plaats in de kerk van de Dominicanen. Het gebouw zit stampvol. Voordat Eckhart het woord krijgt, verwacht Van Straatsburg in een eerste opwelling dat de theoloog zal herroepen. Ze hebben hem murw gemaakt, vindt hij, maar denkt ook aan een preek die Eckhart onlangs over Lucas hield:

Hij kan gedacht hebben, dat deze preek over Lucas 10,38 juist uitdagend genoeg was om het voorspel te vormen tot zijn herroeping. Dat kon dan betekenen: ik ga herroepen, mensen, maar zal jullie eerst nog de stuipen op het lijf jagen. Het kon ook betekenen: ik ga herroepen, want jullie horen nu zelf hoezeer dat nodig is. En tenslotte kon het betekenen: ik ga herroepen, maar na deze gewaagde woorden van mijn predikatie zal niemand meer geloven, dat ik herroepen kán, ook al zou ik het willen.’ 
(Simon Vestdijk)

Het eerste wat Meester Eckhart, ‘door de echodonder der gewelven overstelpt’, laat horen, is de volgende verklaring:

Ik, Meester Eckhart van Hochheim, Doctor in de Heilige Theologie aan de universiteit te Parijs, verklaar voor allen hier verzameld, daarbij God als getuige aanroepend, daarmee mijn verklaring het karakter verlenend van een plechtige eed, dat ik alles herroep wat ik in mijn predikaties en openbare en niet openbare toespraken als dwaling verkondigd kan hebben.’
(Meester Eckhart in Het proces van meester Eckhart – Simon Vestdijk)

De monnik vertelt dat Eckhart nog meer heeft gezegd, maar dit is de hoofdzaak. Hierna zwijgt de theoloog. Van Straatsburg kijkt om zich heen.


het proces van meester eckhart – s vestdijk
(‘Meester’ duidt op een titel: Eckhart had het ‘magister’-examen, alleen toegankelijk voor professoren, met goed gevolg afgelegd.)

Ik zag hoe de prior en enkele andere Dominicanen elkaar bevreemd aankeken, terwijl Konrad van Halberstadt van Eckhart met een hoffelijk gebaar een vrij lijvig document overhandigd kreeg, dat hij eerbiedig bezag, maar toch ook met enig hoofdschudden. Men bleef zwijgen. Ook de toehoorders in de kerk, die hem niet allemaal goed verstaan konden hebben, hielden zich rustig, op een zich traag voortplantend gefluister na.’
(Vestdijk)

Maar, zo vraagt Van Straatsburg zich af, hebben de theologen, die hem omringen, hem wel goed begrepen, ook al hèbben ze hem verstaan? Wanneer hij op zijn eigen indrukken afgaat, dan moeten zij zich wel afvragen of Eckhart nu herroepen heeft of niet.

Voor beide opvattingen waren argumenten te vinden. Hij had herroepen, maar zozeer voorwaardelijk, dat het met het tegendeel van een herroeping gelijkstond – tenzij in de verklaring, die [Dominicaan] Konrad van Halberstadt nu moest voorlezen, bepaalde punten zouden staan, die hijzelf als ketters, onjuist of onverdedigbaar zou brandmerken.
Maar ik was er opeens van overtuigd, dat men daar lang op zou kunnen wachten! Hij had – en het juichte in mij van onderdrukte vreugde om een vriend, die niet te kort geschoten was – hij had dus niet herroepen, maar aan de vorm was voldaan, en de prior kon tevreden zijn.’
(Vestdijk) 

Of de prior inderdaad tevreden is, weet Van Straatsburg niet.

Aangezien, naar zijn gedrag te oordelen, Eckhart hem van te voren niet of onvoldoende had ingelicht, moest hij tot het allerlaatste op een herroeping zonder voorbehoud of clausules gerekend hebben. Het was overigens denkbaar, dat Eckhart door zijn ongehoorde list zijn vijanden een echte herroeping opzettelijk aan de hand had willen doen. Zij konden nu beweren, dat hij herroepen had. Dit was desnoods ook wel te verdedigen.’
(Vestdijk)

 
Fragment uit de bul In agro dominico (1329)

N. B. Volgens de precieze tekst in de bul van paus Johannes XXII die in In agro dominico (1329) verschijnt, herroept Eckhart inderdaad de inhoud van zijn leer niet, maar neemt hij alleen maar afstand van de mogelijke verkeerde uitleg van zijn stellingen.

Imponerende dialogen. Soms is oudere literatuur het lezen (weer) waard, zoals het ‘geromanceerde’ boek Het proces van meester Eckhart | Simon Vestdijk | 1969 | Eerste druk | N.V. Nijgh & Van Ditmar | 137 blz.

‘Het boek geeft een beeld van de stad Keulen in de periode dat daar aan de bouw van de Dom werd gewerkt en van Meester Eckhart in de allerlaatste fase van zijn leven, als zijn geschriften en preken onderwerp worden van een onderzoek naar een van de kerkleer afwijkende stellingname.
Dominante figuur is de dominicaan Nikolaus van Straatsburg, die, als inquisiteur, de verteller is van de gebeurtenissen en die, hoewel hij de leerstellingen van Eckhart niet alle kan aanvaarden, hem zijn bewonderende vriendschap niet kan onthouden. Het boek eindigt met de, schijnbare, herroeping door Eckhart van zijn leerstellingen en zijn laatste levensdagen.’
(Nijgh & Van Ditmar)

Beeld Meister Eckhart:
carljungdepthpsychologysite.blog
Foto manuscript: The bull In agro dominico. Mainz, City Library, manuscript I 151, sheet 201r. (14th Century) (second.wiki)
Zie ook: Meister Eckhart, vrijzinnig avant la lettre (godenenmensen.com)

Waar is Spinoza als je hem nodig hebt?

Spinoza toonde de mens niet als een hoger wezen dan de andere op aarde, zegt historicus Tineke Bennema. Zij schrijft in de Volkskrant dat het tijd wordt dat we andere mensen, dieren, planten en stenen beschouwen als een heilige eenheid. ‘De relatie van Nederlanders met de natuur is volkomen uit het lood, het is een hysterische verhouding van uitersten, van dominantie en angst, van vernietigen en herstellen, van uitbuiten en ophemelen.’

‘De opvatting die ik heb over God en de natuur wijkt sterk af van de late christenen.
Ik beschouw God namelijk als de in de dingen wonende oorzaak van alles,
niet als een oorzaak buiten de dingen.
Alles is volgens mij in God en beweegt zich in God.’

(Spinoza)

Bennema verwijst niet alleen naar de ‘uitzonderlijke en verguisde’ Spinoza, maar ook naar het confucianisme, taoïsme en de islam die de mens eveneens zagen als een wezen niet hoger dan de andere op aarde.

De mens heeft zijn functie, net als de andere. Sterker nog, hij werd pas gelukkig als hij zichzelf ziet als niets bijzonders en alles om zich heen heel schoon vindt: andere mensen, dieren, planten, stenen, planeten, en respecteert en beschouwt als een heilige eenheid. Waarin hij zijn plaats kent.’

Het zou helpen als die gedachte weer leidend wordt, stelt Bennema. In het, soms zelfs doorgeslagen, fundamentalistisch-atheïstische Nederland roept het meteen weerstand op om religieuze zienswijzen te herintroduceren.

Maar ook voor hen kan heiligheid in de vorm van respect voor de natuur een inzicht zijn.’

Het christendom en de westerse filosofen waren vooral gericht op de cognitieve vaardigheden van de mens (‘ik denk, dus ik ben’) en hadden weinig oog voor de plaats van de mens in de natuur.

Zonder water en lucht had Descartes niet lang kunnen denken/bestaan. Ze stelden dat de natuur er was voor de mens om van te profiteren en te domineren. Dat was Gods wens zelfs. Het jodendom en christendom plaatsen eerst God boven de natuur en daarna de mens erbuiten als plaatsvervangend heerser.’

Heel anders dan in andere religies en filosofieën, waarin de mens een nederig onderdeeltje is van de aarde, van de kosmos en daarmee een goddelijke eenheid vormt.

Maar so far voor de westerse vermeende almacht van de mens: hij heeft als heerser nu een vet probleem, omdat hij heeft gefaald de aarde eronder te houden, en de planeet zal de mens laten branden in de hel. Het zou de mens moeten doen twijfelen aan zijn heerschappij.’

Zonder een herziening van de Nederlandse houding ten opzichte van de natuur kan de technologie ons als deus ex machina ook niet redden, vindt de historicus.

Er is een totaal andere, fundamentele switch nodig, een niet-materiële kijk. Te beginnen met het verwerven van kennis over de natuur, hoe systematisch en mooi elk onderdeel in elkaar steekt en een rol vervult die een andere ondersteunt. Met nieuwsgierigheid, verwondering, een portie nederigheid.’

Zie: Opinie: Het wordt tijd dat we andere mensen, dieren, planten en stenen beschouwen als een heilige eenheid (de Volkskrant, Tineke Bennema, augustus 2022)

Beeld: academieopkreta.com
Tekening: mystiekeschool.nl