Plausibel theodicee van het oordeelsvermogen

kwaad

Een theodicee is een argumentatie waarin de gelovige het bestaan van een almachtige en algoede god verdedigt ondanks al het kwaad en lijden in de wereld. Er zijn verschillende theodicee’s, onder meer die van Leibniz; van de vrije wil; van de compassie, maar nu ook van het oordeelsvermogen. Die wordt dialogisch uitgewerkt door docent filosofie Jan-Auke Riemersma, in zijn blog Soepschildpadden en atheïsten (tweegesprek). ‘Ons oordeelsvermogen maakt ons tot mens, maar maakt ons ook ontvankelijk voor het lijden.’

Riemersma begint het discours met de standaardklacht van atheïsten dat een theodicee immoreel is en opgevat wordt als een poging om het leed van onschuldige mensen goed te praten uit naam van God.

Deze klacht is niet ongegrond. Ik ben lang bezig geweest om een theodicee te construeren die niet ontvankelijk is voor deze kritiek.’

Dit is de filosofiedocent gelukt. De dialoog zou niet misstaan op het toneel, of in de kerk, als welkome afwisseling van de preek. Iedereen zou rechtop in de kerkbanken gaan zitten. Het drama vindt plaats tussen een atheïst (P) en een theïst (H), waarin de filosoof laat zien dat deze theodicee – of zogenaamde ‘verdediging’ – niet immoreel is.

P: God heeft de wereld gemaakt. De wereld is niet vrij van lijden. Aangezien God alles kan, heeft hij een reden gehad om mensen te laten lijden. Welke reden dit ook is, wie mensen laat lijden is niet betrouwbaar en zeker niet moreel. Zo iemand is een schurk. Ik begrijp niet dat je tot zo’n … ding!… wilt bidden…

H: Maar waarom is het immoreel om mensen te laten lijden?

P: Waarom dat immoreel is? Is dat een serieuze vraag? 

H: …ja, ik ben ernstig. Ik neem je niet in de maling.

P: Wel, dat is immoreel omdat… het immoreel is! Het is eenvoudigweg, op de meest duidelijke wijze, immoreel! Het is een kwaad op zich! Daar hoef je menselijkerwijs niet eens over te twisten! Hier, kijk eens naar deze foto! Zie je hoe dit kind lijdt? Laat deze foto eens op je inwerken! De pijn die dit kind moet doorstaan. Wie doet zoiets vreselijks aan een teer mensenkind? Dan moet je een sadist zijn. Kijk dan!’

Zo begint de atheïst de tweespraak. Het voert te ver om dat hier volledig weer te geven, daarvoor kan je het beste naar de site Wider Útsjoch van de docent gaan. Maar het gesprek is zo interessant en plausibel dat dit het lezen waard is.

Op zeker moment vraagt de theïst of de atheïst alleen een wereld wil waar goede en waardevolle dingen die we nu hebben wél blijven behouden. Natuurlijk, want hij wil een soort tuin van Epicurus, maar dan op bovennatuurlijke wijze. Hij wil in ieder geval niet leven in een wereld waar al die goede dingen er niet zijn. De theïst vraagt dan of de ander liever volstrekt ongevoelig wil zijn.

H: In dat geval zouden het leed en het onrecht niet hebben bestaan. In die wereld is er wel pijn en we gaan ook dood, maar dat zijn dan geen zaken waar we een oordeel over hebben. (…) In een dergelijke toestand zou je verlost zijn van het zinloze lijden. Ook onrechtvaardigheid en armoede zouden je niet plagen. Je wereld zou bestaan uit een reeks niet becommentarieerde ervaringen, waar je niet gelukkig of ongelukkig van wordt. (…) Een redelijk mens kan niet volhouden dat hij het lijden ondragelijk vindt, terwijl hij toch liever zijn oordeelsvermogen en zijn waarden behoudt. ’

Verderop vraagt de theïst wat de atheïst zou kiezen. Dít intelligente, waardenrijke bestaan, of het absolute niets, of de stompzinnige waarde(n)loze wereld van de soepschildpad? De atheïst roept vertwijfeld uit hoe de ander hem kan vragen of hij zijn leven of zijn meest fundamentele waarden wil opgeven. Anders is hij niet eens een mens!

H: Het enige wat we er, op een fatsoenlijke manier, van kunnen zeggen is dat God ons zou hebben moeten veranderen in ‘n soepschildpad of dat hij onze geboorte zou hebben moeten verhinderen. Een enkeling zal dat willen, maar ik denk dat de meeste mensen, precies zoals jij, liever mens willen zijn en deze keus van de hand wijzen. Wel, wat kun je God dan verwijten?’

De theïst zegt tegen de atheïst dat deze God juist veroordeeld omdat hij waarde hecht aan zijn menselijk oordeelsvermogen en dat hij zonder dat vermogen eenvoudigweg geen mens kan zijn en zijn leven niet waardevol of zinvol. En verwijt de atheïst dat deze zegt dat zijn oordeelsvermogen niet belangrijk is. Hij zegt immers dat God alles kan en ons dus het lijden had moeten besparen.

H: Je kunt niet enerzijds over een oordeelsvermogen beschikken en anderzijds zeggen dat je liever verlost was van dat oordeelsvermogen. (…) Kijk maar: ’t oordeelsvermogen maakt ons tot mens en maakt dat wij gevoelig zijn voor recht en lijden. Nou, als je niet wilt lijden – als het lijden ondraaglijk is – moet je het ook zonder oordeelsvermogen doen.’

Riemersma besluit het discours met de woorden dat ons oordeelsvermogen ons tot mens maakt, maar ook ontvankelijk voor het lijden.

Het is niet anders. Zijn we redelijk als we uit deze gang van zaken afleiden dat God moreel zwak is? Ik zou eerder zeggen dat het andersom is: als God bestaat, en als we dankzij ons oordeelsvermogen het idee ‘God’ kunnen bevatten, dan is ons leven tenminste niet fataal. Terwijl het bestaan wel fataal is als God niet bestaat. Voor mij is dat voldoende reden om te denken dat God goed is.’

Zie: Soepschildpadden en atheïsten (tweegesprek)

Foto: eo.nl

UPDATE 12 12 2016:  Jan Riemersma wijzigt intussen de tekst van zijn ‘theodicee’…(!) Schreef hij eerst:
‘Ik ben lang bezig geweest om een theodicee te construeren die niet ontvankelijk is voor deze kritiek,’
hetgeen de indruk wekt dat hij een theodicee heeft geschreven die hij onderschrijft, heeft hij het nu – zonder nadere aankondiging van update of zo, herschreven tot:
‘Het is moeilijk om een verdediging op te stellen die niet ontvankelijk is voor deze kritiek.’
– Ja, dan was ik in mijn blog ook voorzichtiger geweest, al sta ik nog steeds achter zijn denkwijze.
Een beetje flauw van Riemersma, wellicht onder druk van de kritische discussie die zich ontvouwt op Facebook?

Marcel Sarot: pleidooi voor een post-post-theïstisch geloof

joke

Het post-theïsme voorbij? Hoogleraar Fundamentele Theologie en decaan van de universiteit Tilburg, Marcel Sarot, vraagt zich af of er nog wel christelijk geloof mogelijk is aan gene zijde van het theïsme. Hij doet dat in zijn artikel ‘Een mooie gedachte, maar veel te weinig’? – Kritische aantekeningen bij post-theïsme. Hierin legt hij de meetlat langs het post-theïsme en vraagt zich af of het recht doet aan het christelijk geloof in een handelende God. Uiteindelijk pleit Sarot voor een post-post-theïsme.

Als Sarot zich in het post-theïsme verdiept, stuit hij direct op een probleem. Hij zet dat uiteen met een tekst van theoloog en godsdienstfilosoof Taede Smedes.

Post-theïsme is niet [een] georganiseerde stroming; het duidt niet op een alternatief theologisch systeem. Post-theïsme is slechts een parapluterm voor een veelheid aan theologische benaderingen die zich impliciet of expliciet afzetten tegen het theïsme. Maar dat roept ook problemen op, want is theïsme niet net zo’n pluraal in te vullen term?’

Sarot vindt dat, juist vanwege het feit dat het post-theïsme niet op zichzelf staat maar een reactie is op een dwaling in de hedendaagse theologie, het onwijs zou zijn om het al te radicaal af te wijzen. Hij pleit voor een erkenning van het gelijk van het post-theïsme: wij hebben de inwoning van God in deze werkelijkheid veronachtzaamd. Maar bij Sarot heeft het theïsme niet afgedaan:

En ik pleit voor de ontwikkeling van een theologie die zowel recht doet aan Gods immanentie als aan Gods transcendentie. Wij verkeren daarbij in de gelukkige omstandigheid dat ook in de natuurwetenschap het beeld van de werkelijkheid als een gesloten causaal systeem niet langer dominant is, en dat in die zin de intellectuele plausibiliteit van de inwoning van God sterk is toegenomen. Als men het theïsme als these zou willen zien en het post-theïsme als antithese, dan pleit ik dus voor een synthese, een post-post-theïsme.’

Sarot komt tot die conclusie nadat hij stelt dat de transcendente en de immanente God, wezenlijk bij elkaar horen. God is voor hem niet alleen buiten ons, maar ook in ons, God werkt niet alleen buiten de werkelijkheid, maar ook daarin. Voor hem horen de immanente en de transcendente God wezenlijk bij elkaar. De transcendentie is te veel beklemtoond, waarop als reactie die van de nieuwe spirituelen kwam, die alleen nog maar ruimte bieden voor de God-in-ons en niet meer voor God-buiten-ons. En over het post-theïsme stelt hij dat daarin zelfs transcendentie nog immanent wordt gedacht.

Zie: Een mooie gedachte, maar veel te weinig. Kritische kanttekeningen bij post-theïsme (academia.eu) Hierop gaat Sarot in op bovenstaande. Het transcendente en het immanente komen uitgebreid aan de orde.

Cartoon: bizarrocomic.blogspot.com

Post-theïsme, het Nieuwe Geloof?

cartoon-hoe-belangrijk-is-geloof

Volgens theoloog en godsdienstfilosoof Taede Smedes stevent Nederland af op een postchristelijke samenleving met een post-theïstisch geloof. Hij trekt die conclusie na het lezen van het boek God in Nederland 1966-2015. Maar wat in hemelsnaam is post-theïstisch geloven? In zijn boek God, iets of niets? duidt hij deze manier van geloven aan als een veelvormige manier van denken die het theïsme achter zich heeft gelaten, maar geen afscheid van religie wil nemen.

Het post-theïsme laat in ieder geval orthodox denken achter zich, want post-theïsten willen voorkomen dat hun denken verstart, dat ze nieuwe denkconstructies en systemen ontwerpen die nieuwe ‘sterke structuren’ vormen waarin ze gevangen raken.

Post-theïsten zijn iconoclasten die ook hun eigen ideeën voortdurend moeten kapot gooien (‘deconstrueren’ om met Derrida te spreken). Ze spelen met taal, springen van beeld naar beeld, laten zich niet vangen in posities en formuleringen, ideeën krioelen als mieren en vervloeien in een voort stromende beek waarin zich af en toe een onderliggende orde lijkt te vormen om vervolgens weer tot louter beweging te vervloeien.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes zegt het post-theïsme niet als een soort alternatief voor theïsme te beschrijven, zoals religiejournalist Koert van der Velde in een reactie op zijn boek veronderstelt, en zeker geen ‘best alternatief’. In God, iets of niets? zet Smedes ‘slechts’ al het geloof en ongeloof helder op een rijtje. Als lezer kan je je eigen conclusies trekken uit de vele overzichtelijke en boeiende informatie die hij biedt. Smedes spreekt van een ‘spanningsvolle dynamiek, een voortdurend heen en weer pendelen tussen geloof en ongeloof’. Het is

‘…het achterlaten van een klassiek, personalistisch theïsme waarin God los van de wereld staat, om ruimte te bieden aan de leegte die ervoor in de plaats is gekomen. Een leegte die niet als een gemis of een isolement wordt ervaren, maar juist als een uitnodigende, heilvolle en mystieke ruimte.’ (Uit: God, iets of niets?)

De stellige overtuiging dat God bestaat, die in het theïsme pontificaal overeind staat, zo zegt Smedes, is bij post-theïsme vervangen door een opvatting van geloof als een tastend zoeken, met daarbij de acceptatie van twijfel. Een religiositeit die ‘na het theïsme’ komt, een religiositeit die ontstaat op het moment dat afscheid is genomen van de theïstisch voorgestelde God.

Een van de elementen van post-theïsme is dat het ook nadenkt over de vraag wat het spreken over God vandaag de dag nog betekent en hoe we überhaupt nog over God kunnen spreken, nu het theïsme als centrale leidraad voor het nadenken over God is weggevallen. Bij post-theïsme is niets meer duidelijk en vanzelfsprekend.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes verwijst onder meer naar de protestantse post-theïstische theoloog Rick Benjamins, die schrijft dat een post-theïstische theologie ‘opnieuw vorm en uitdrukking probeert te geven aan het heilige en transcendente, nadat het idee van een transcendent goddelijk wezen, dat los van de wereld bestaat, is verdwenen’. Een van de kwesties die post-theïsme aan de orde stelt, aldus Smedes, is precies de vraag wat vandaag onder het heilige en het transcendente verstaan kan worden.

Post-theïsten brengen het heilige en transcendentie juist nadrukkelijk in verband met spreken over God. Het post-theïsme kent dus een moment van betrokkenheid, van commitment aan het spreken over God dat als waardevol ervaren wordt.’ (Uit: God, iets of niets?)

Dat klinkt mij wel even tegenstrijdig in de oren, immers het transcendent goddelijk wezen is toch verdwenen? Maar blijkbaar weerhoudt dat post-theïsten niet van spreken over God: dat wordt als waardevol ervaren, zo begrijp ik. Een religiositeit die ‘na het theïsme’ komt, een religiositeit die ontstaat op het moment dat afscheid is genomen van de theïstisch voorgestelde God. Smedes, in ieder geval, zegt post-theïsme eerst en vooral te hebben beschreven als een project en niet als een afgebakende theologische positie.

Post-theïsme is dus zowel het theïsme als het atheïsme voorbij. Post-theïsme wordt zo tot een invulling van een post-seculiere levensbeschouwing, een levensbeschouwing die voorbij het dualisme van geloof en ongeloof gaat.’

Het post-theïsme heeft het theïsme achter zich gelaten. Het cultureel dominante beeld van een bovennatuurlijke, persoonlijke God die door middel van wonderen met ieder van ons communiceert, heeft plaatsgemaakt voor een pluraliteit aan godsbeelden en spreekwijzen, die gemeenschappelijk hebben dat ze een zoekend karakter hebben. ‘Zoeken’ en ‘twijfel’ krijgen veel ruimte bij post-theïsten.’ (Uit: God, iets of niets?)

God, iets of niets? – De postseculiere maatschappij tussen GELOOF en ONGELOOF | Taede Smedes | ISBN: 9789462983137 | Verschijningsdatum: 12-09-2016 | Paperback | 312 pagina’s | Ook verkrijgbaar als: eBook (PDF)eBook (ePub)

Cartoon:
kerkvooreennieuwegeneratie.wordpress.com

Update 12 03 2024 (lay-out)

De vervagende grens tussen geloof en ongeloof: God, iets of niets?

god_iets_of_niets_cover

Bewust de grens vervagen tussen filosofie en theologie. Dat wil post-theïstisch theoloog Taede Smedes met zijn nieuwe boek God, iets of niets? Hij maakt gebruik van denkmethodes uit beide disciplines om na te denken over de grensvervaging tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ die in onze samenleving in toenemende mate aan de orde is. Smedes beperkt zich als christelijk theoloog en westers godsdienstfilosoof tot de grensvervaging tussen christelijk ‘geloof’ en ‘ongeloof’.

Smedes’ boek is direct boeiend en daarom lastig weg te leggen. Het boek heb ik nog niet uit, ben aangeland bij hoofdstuk 5 (van de zes.) Soms duizelt het me even vanwege alle informatie, maar het is bijzonder prettig om op bijna encyclopedische wijze – zonder saai te worden – een helder overzicht te krijgen van wat mensen wel of niet geloven, en welke trefwoorden daarbij horen. Alle terminologie die de laatste tijd om je oren vliegt, zoals het nieuwe atheïsme, religieus atheïsme, religieus naturalisme, transcendentie, anatheïsme en (post)theïsme wordt helder beschreven. En soms poëtisch verwoord.

Het is niet een houding van wachten totdat het heil ons, ooit, komt bezoeken. Nee, het is een houding van zoeken, maar niet naar iets wat we kwijt zijn en verlangen, maar zoeken vanuit het vertrouwen dat we al gevonden zijn. En wat we zoeken, is het suizen van een zachte stilte dat zich verbergt achter en via onze beelden ervan en ons spreken erover.’ (Uit: God, iets of niets?)

Geloof’ en ‘ongeloof’, komen aan bod, belief en faith worden nader geduid. En bijvoorbeeld het verschil tussen ‘religie’ en ‘god(s)geloof’. En ‘ongebonden spirituelen’ en ‘ongebonden gelovigen’. Dan is er ook nog de vraag of mensen een ‘godsdienstig’ dan wel een ‘niet-godsdienstig’ geloof hebben; of een ‘transcendent-godsdienstige overtuiging’ of een ‘transcendent-niet-godsdienstige’ of ook een ‘immanente’ overtuiging.

Het gaat over ‘religieuze flexibiliteit’ en zo komen we tot het fenomeen multiple religious belonging, ‘meervoudige religieuze betrokkenheid’ of hybride religiositeit: het feit dat mensen elementen van verschillende religies met elkaar mengen, affiniteit of verwantschap ervaren tussen verschillende religies.

Het is een theologisch boek dat een poging wil doen om die persoonlijke interesse en fascinatie zowel filosofisch en theologisch te doordenken, te verwoorden en te verantwoorden voor geïnteresseerde lezers. Het is een poging om het perspectief van de ander – de religieuze atheïst – te begrijpen en te duiden, en misschien zelfs te verbinden met een opvatting van het heilige die voorbij de tegenstelling van ‘transcendent’ en ‘immanent’, van ‘heilig’ en ‘profaan’ gaat. Als zodanig is het een oefening in post-theïstische hermeneutiek.’ (Uit: God, iets of niets?)

De ontwikkelingen in het religieuze landschap worden nauwkeurig weergegeven en besproken. Zo lees ik over gelovigen die traditionele ideeën over God en geloof loslaten, maar ook dat veel ‘ongelovigen’ geloviger blijken dan vaak wordt toegegeven. Smedes ontkomt natuurlijk niet aan de term ‘spiritualiteit’ en ziet dat als de persoonlijke beleving van de in religie beleefde transcendente dimensie, de grondhouding die iemand heeft tegenover het leven en hoe dat geleefd zou moeten worden.

In spiritualiteit komt, zeg maar, de emotionele kant van religie tot uiting en, daarmee verbonden, de levenshouding die iemand heeft. Dat wil niet zeggen dat ik alle spiritualiteit als religieus beschouw, maar wel dat religie in mijn ogen altijd een spirituele dimensie heeft, die neerkomt op een persoonlijke beleving van wat als heilig wordt beschouwd. Als die persoonlijke beleving er niet is, wordt religie iets louter cognitiefs, als iets waarvan je aanneemt dat het zo is, zonder dat ook als zodanig ervaren te hebben. Een louter cognitieve religie lijkt me amper levensvatbaar. Spiritualiteit is nodig voor religie zoals water voor een plant om te kunnen bloeien.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes duidt helder de grote onderzoeken, zoals God in Nederland, die liepen van 1966 tot 2015. Voorts beschrijft hij het nieuwe atheïsme en de polarisering van discussies omtrent religie, behandelt het religieus atheïsme, het religieus naturalisme, het post-theïsme, religie en het transcedencentiebesef, en het verdwijnend onderscheid tussen het ‘religieuze’ en het ‘seculiere’.

Het mooie van dit boek vind ik vooral dat je op boeiende wijze wordt geconfronteerd met geloof en niet-geloof in allerlei vormen, met levensbeschouwingen van mensen, met de persoonlijke beleving, ideeën over God en (on)geloof, uiteenlopende denkers, verwondering en ontzag voor de kosmos, met het sacrale, en dat je zelfs niet hoeft te geloven dat God bestaat om toch in God te kunnen geloven. Vele boeiende, tot voortdurend nadenken stemmende, gedachtegangen vind je in God, iets of niets?, zoals bijvoorbeeld die van religieus atheïst Ronald Dworkin, Amerikaans rechts- en moraalfilosoof:

Religie is een diepgeworteld, stellig en allesomvattend wereldbeeld: het stelt dat een inherente, objectieve waarde alles [doordringt], dat de wereld en zijn schepselen ontzagwekkend zijn, dat het menselijk leven zin en het universum orde heeft. Het geloof in een god is slechts een mogelijke [manifestatie] of gevolgtrekking van dat diepgewortelde wereldbeeld.

Religieuze atheïsten geloven niet in een god en verwerpen daarom de wetenschap van conventionele religies en de goddelijke plichten (…). Maar ze aanvaarden dat het objectief gezien uitmaakt hoe een mensenleven verloopt en dat iedereen een aangeboren, onvervreemdbare ethische verantwoordelijkheid heeft om te proberen naar omstandigheden zo goed mogelijk te leven. Ze aanvaarden dat de natuur niet slechts een kwestie van gedurende zeer lange tijd samengebrachte deeltjes is, maar iets van wezenlijke verwondering en schoonheid.’ (Uit: God, iets of niets?)

Of de gedachtegang van de twee prominente Franse denkers Luc Ferry en Marcel Gauchet over de veranderende positie van religie in de samenleving.

Wat wij meemaken zijn twee gelijktijdige processen: een afscheid van de religie, verstaan als het einde van het vermogen van het religieuze om het politieke en sociale leven te structureren; en de duurzaamheid van het religieuze in de innerlijke overtuiging van individuele mensen, welke overtuiging tal van historisch en nationaal bepaalde vormen kan aannemen.

(…) Zelfs daar waar de teruggang van de religie, ook wat het persoonlijk geloof betreft, het verst is voortgeschreden, betekent dit niet dat de interesse voor het spirituele eenvoudigweg verloren zou zijn. Zonder dat wij dit op dit moment al te nauwkeurig willen omschrijven, zullen wij eronder verstaan: het zich bezig houden met de laatste vragen, vragen die te maken hebben met het lot van de mens, met de betekenis van de fundamentele levenservaringen, en met de grote lijnen van de ethische oriëntatie van het bestaan.’

God, iets of niets? – De postseculiere maatschappij tussen GELOOF en ONGELOOF | Taede Smedes | ISBN: 9789462983137 | Verschijningsdatum: 12-09-2016 | Paperback | 312 pagina’s | Ook verkrijgbaar als: eBook (PDF)eBook (ePub)

Atheïsme, theïsme, en ruimte voor iedereen

atheismetheisme
‘Probeer maar eens een symbool te vinden voor iets dat er niet is. Dan kom je al snel terecht in de conceptuele kunst. Zelfs de gedachte dat atheïsme het ontkennen van God zou zijn, voldoet niet.’ Max Pam, in de Volkskrant, is van mening dat je voor een beetje atheïst een logo, een boek en een filosoof nodig hebt. Docent Oudgrieks Tim Whitmarsh zegt dat in de klassieke oudheid atheïsten geen tempels bouwden en geen inscripties kerfden in steen om hun goden te eren.

Gelijkberechtiging zit achter de behoefte om een eigen atheïstisch zuiltje te beginnen met een eigen orthopraxis. Niet overal ter wereld is de atheïst zijn leven zeker. Daar waar hij (of zij) wordt getolereerd, wordt zijn (of haar) levensvisie achtergesteld.’ (Pam)

Volgens docent Oudgrieks aan de universiteit van Oxford Tim Whitmarsh, in zijn boek Hemelbestormers (Battling the Gods), heeft het grote gevolgen gehad dat atheïsten uit de klassieke oudheid precies vanwege hun overtuiging geen monumenten hebben nagelaten.

Cambridge-classicus Tim Whitmarsh wil met zijn nieuwe boek ‘Battling the Gods – Atheism in the Ancient World’ de oud-Griekse en Romeinse atheïsten uit de anonimiteit halen.’ (NRC)

Satanisten hebben wel een symbool van hun eigen ‘godheid’. In Amerika wilden zij naast de stenen Tien Geboden een groot beeld van hun Godheid plaatsen, zo vertelt Pam. Toen werden de Tien Geboden maar weggehaald.

‘In plaats van ruimte voor iedereen, is er ruimte voor niemand, wat in feite op hetzelfde neerkomt.’ (Pam)

Nu zijn daar de Bijbels aan de beurt die in hotels in de laadjes van de nachtkastjes liggen. Darwins The Origin of Species moet daarbij komen liggen, willen de atheïsten.  Ik heb het vermoeden dat Bijbels om die reden binnenkort weggehaald gaan worden. Maar volgens Pam komen er – als alle religies zich willen laten gelden – nachtkastjes ter grootte van de hele hotelkamer.

‘Er zijn nogal wat atheïsten die graag zouden willen dat ook hun gedachtegoed wordt voorzien van symbolen en rituelen.’ (Pam)

Blijft het een strijd? Volgens lachende theoloog en docent filosofie Jan-Auke Riemersma passen velen hun mening niet aan en is Herman Philipse nog steeds atheïst, Cees Dekker nog steeds christelijk en prof. René Woudenberg nog steeds een ‘reformed epistemologist’.

Overigens geldt dit ook voor mij en de mensen in mijn omgeving. Niemand heeft zijn belangrijkste waarden hoeven opgeven. De agnost is nog steeds agnost, de theïst nog steeds theïst en de atheïst nog steeds atheïst.’ (Riemersma)

Volgens sociaal wetenschapper Hans Boutelier zijn we nog lang niet van God af en zit onze maatschappij in een soort van morele zoektocht.

Iedereen lijkt zich nu af te vragen: waar staan we nog voor, waar gaan we nog voor? Het is een succes, maar ook een gemankeerd succes.’ (Boutelier)

Boutelier is van mening dat we in een seculiere maatschappij leven, maar dat betekent niet dat we massaal atheïstisch zijn geworden.

Helemaal niet, zelfs. De utopie van die seculiere maatschappij is het ‘gedroomde godenrijk’. Daarmee bedoel ik: iedereen moet zijn eigen God kunnen kiezen en dat moeten we van elkaar proberen te accepteren.’ (Boutelier)

Volgens Boutelier kan in de democratische rechtsstaat die we uitgebouwd hebben iedereen vrij geloven wat hij wil.

‘Om die vrijheid te garanderen, moeten we het gesprek daarover permanent voeren. We moeten tonen dat het ons menens is. Maar ik zie niet in waarom de islam daarin niet zou passen.’ (Boutelier)

Volgens Whitmarsh is het niet de bedoeling de waarheid (of onwaarheid) van het atheïsme als filosofisch standpunt aan te nemen. Wel is hij ervan overtuigd – en er nog vaster van overtuigd geraakt tijdens het onderzoek voor zijn boek en het schrijven ervan – dat cultureel en religieus pluralisme en vrije discussie essentieel zijn voor het goede leven.

Atheïsme is geen moderne uitvinding, geen product van de Verlichting; ongelovigen zijn van overal en alle tijden. Zijn boek biedt ‘een soort archeologie van het religieuze scepticisme’.’ (de Volkskrant)

Riemersma is van mening dat het debat theïsme – atheïsme weer teruggegeven moet worden aan de academische filosofen. De gelovige ziet volgens hem, tot zijn opluchting, dat hij schade geleden heeft – er moet wel degelijk hervormd worden – maar dat hij niet verslagen is. De atheïst ziet, anderzijds, dat de gelovige niet onder de voet gelopen is.

Om het wereldbeeld van de gelovige werkelijk te ondermijnen moet je je verdiepen in zeer technische, filosofische vraagstukken (een goedkope opsomming van drogredenen volstaat niet), een vakbekwaamheid die geen van de vrolijke jonge atheïsten aan de dag kon leggen.’ (Riemersma)

Tegelijk vindt hij het debat niet zo belangrijk meer en zijn we beland in het stadium waarin alle deelnemers weten dat de ander niet beschikt over absolute argumenten.

Het is een gewapende vrede waarin niemand zich een verliezer waant. Zolang je maar geen onsterfelijk dwaze dingen beweert, zoals dat je kunt bewijzen dat God heel de werkelijkheid geschapen heeft of dat God aantoonbaar de evolutie heeft gedirigeerd, ben je tamelijk immuun voor kritiek.’ (Riemersma)

Het nieuwe debat over de grote verschillen tussen mensen, aldus Riemersma, dringt zich op de voorgrond.

Hoe moeten mensen met elkaar omgaan? Het is redelijk dat men tenminste rekenschap aflegt voor zijn meningen en overtuigingen aan de mensen met wie men samenleeft: dit geldt voor de theïst maar ook voor de atheïst.’

Het heeft er alle schijn van dat we allemaal zullen moeten inschikken. Het is echter uit de aard der zaak voor elk mens buitengewoon lastig om een coherent wereldbeeld na te leven en tegelijkertijd te erkennen dat dit ‘van beperkt belang is.’ (Riemersma)

Zie:
Bewijslast (de Volkskrant – Blendle)
De twist ten einde (De Lachende Theoloog)
* Signalementen (de Volkskrant – Blendle)
We zijn nog lang niet van God af (de Standaard – Blendle)
Er was altijd al een kosmos zonder God (NRC – Blendle)

Illustr: PThU.nl

Liberaal christendom niet echt liberaal

liberaalchristendom

‘Een liberale theologie is een theologie die onorthodox, open, vrijmoedig, vrijzinnig of modern is, of vooral op zo’n manier de christelijke traditie interpreteert.’ Zo begint het voorwoord van het boek Liberaal christendom, onder redactie van Rick Benjamins, Jan Offringa en Wouter Slob. Zij willen een ruimdenkende, niet-dogmatische vorm van christendom delen, die zonder opdringerigheid het belang van christelijk geloof wil uitspreken.

De auteurs in dit boek zijn opgegroeid in heel verschillende kerken of gemeenten, die orthodox, midden-orthodox of vrijzinnig hervormd waren, gereformeerd of evangelisch. Het liberale blijft dan ook beperkt tot het christelijk liberale. Terecht luidt nu al de kritiek dat er geen woord gewijd wordt aan de islam of aan de uitdaging om het christelijk perspectief te hanteren in een multiculturele en multireligieuze omgeving.

Toch zeggen de auteurs dat Liberaal christendom laat zien dat er meer is tussen óf orthodox geloven óf niet geloven. Het laat echter alleen maar zien hoe we vandaag de dag van God kunnen spreken, met de Bijbel kunnen omgaan en vanuit christelijke inspiratie kunnen leven.

De drie bestempelen zichzelf als liberale theologen. Wat dat betekent, vertellen ze, is dat ze een ruimdenkende, creatieve, niet-dogmatische vorm van christendom voor ogen hebben.’ (Trouw)

Evenwel luidt een andere kritiek dat het dogmatisch perspectief domineert. Niet in de zin van dwingende doctrine, maar omdat veel artikelen gaan over de geloofsleer en weinig over de geloofspraktijk.

Geen enkele aandacht voor oecumene, noch voor missionair kerk-zijn in een geseculariseerde context, laat staan voor de nieuwe religieuzen. De klimaatcrisis komt even voorbij, maar in de krap twee pagina’s die daar aan worden gewijd is nog geen begin te bespeuren van een theologische doordenking van het begrip duurzaamheid, of een theologische visie op de economie.’ (NieuwWij)

En zo klinkt de kreet ‘Hou toch eens op met de tegenstelling dat je óf gelovig bent óf seculier!’ die de drie eindredacteuren in Trouw uitroepen nogal vreemd. Het doet me denken aan cabaretier Fons Jansen die ooit in een conference zei: ‘Wees oecumenisch, maar doe het wel in de Jozefkerk!’. Nu dus ook weer: ‘Wees liberaal, maar dan wel christelijk’. Wat betekent dat voor seculieren? Moeten zij christelijk seculier worden? Seculier vanuit christelijke inspiratie?

Hou toch eens op met de tegenstelling dat je of gelovig bent – het liefst orthodox – of seculier! Er is niet een simpele keus tussen of een theïstisch godsbeeld of het seculiere niks. Zowel binnen als buiten de kerk wordt naar tussenvormen gezocht. Daaraan doen wij van harte mee. We hebben duidelijk afstand genomen van het theïsme, maar we zijn niet doorgeslagen in de seculariteit.’ (Trouw)

Niet doorgeslagen in de seculariteit. Toch lijken de schrijvers van het boek op weg naar het humanisme. Misschien is dat het ware liberale christendom? Geloven voorbij God luidt overduidelijk de titel van het artikel in Trouw.

Offringa: ‘Het gaat erom echt mens te worden.’ Ik hoor eigenlijk humanisten. Benjamins: ‘Christelijk humanisme. We staan in de traditie van Erasmus.’ Offringa: ‘Wij zijn vanuit het christendom geïnspireerd tot het humanisme.’ (Trouw)

Liberaal christendom | Auteurs: Jan Offringa, Rick Benjamins, Wouter Slob | Uitgeverij Skandalon | ISBN 9789492183217 | 240 pag. | € 21,95
Rick Benjamins is docent dogmatiek (PThU) en en bijzonder hoogleraar vrijzinnige theologie vanwege de VVP (RuG); Jan Offringa theoloog en predikant; Wouter Slob bijzonder hoogleraar vanwege de Stichting Bijzondere Leerstoel Protestantse ­Theologie op de leerstoel ‘Protestantse Kerk, Theologie en Cultuur’.

Zie:
Recensie van ‘Liberaal christendom’ (NieuwWij)
Geloven voorbij God (Trouw – Blendle)
Liberaal christendom (Inkijkexemplaar)

Gerelateerd: Remonstrantse God niet echt vrijzinnig

‘Wetenschap niet in strijd met overtuiging Gods bestaan’

65665_618712911490116_1344094159_n
‘Geen enkel wetenschappelijk resultaat is in strijd met de overtuiging dat God bestaat en de wereld schiep.’ Afgelopen dinsdag hield filosoof Emanuel Rutten de openingstoespraak op de Abraham Kuyper Center Summer Seminar over wetenschap en de grote vragen die hij in een debat met Patricia Churchland en Bradley Monton hield over de relatie tussen wetenschap en religie.

‘De gedachte dat er een conflict bestaat tussen geloof en wetenschap is een laatmoderne mythe, zorgvuldig gecultiveerd door hen die graag de suggestie wekken dat geloof in God irrationeel is. Geen enkel wetenschappelijk resultaat is namelijk in strijd met de overtuiging dat God bestaat en de wereld schiep. Hetzelfde geldt voor alle overige kernovertuigingen van bijvoorbeeld het christendom. En dan hebben we het natuurlijk niet over kwesties die niet wezenlijk zijn voor het christendom, zoals de leeftijd van de aarde, of het al dan niet stilstaan ervan.’ 

Volgens Rutten betekenen – als voorbeeld – ontwikkelingen in de moderne wetenschappen niet dat de vrije wil niet bestaat – ondanks dat veel populaire media het tegendeel beweren. Ook wonderen zijn niet in strijd met de wetenschap, omdat God kan ingrijpen in de schepping. Geloof in de opstanding is geenszins in strijd met de fysica.

‘Dat God in de fysica geen rol speelt is bovendien precies wat een theïst verwacht. De natuurwetenschap gaat immers over de immanente werking van de kosmos en niet over de buitenkosmische schepper ervan. De natuurwetten verwijzen zelf dus inderdaad niet naar God, zoals Thomas van Aquino ons in de 13e eeuw al wist te vertellen.’ 

Er is volgens de filosoof een diepe harmonie tussen wetenschap en Godsgeloof. Godsargumenten maken zelfs gebruik van allerlei moderne ontwikkelingen in de modale logica en de formele merelogie (merelogie = onderzoek van de logische relatie tussen deel en geheel, PD.) Harmonieert de evolutietheorie met het theïsme, vraagt Rutten zich af.

‘God kan immers worden begrepen als de oorsprong van het proces van natuurlijke evolutie als zodanig. God is de schepper van een zich evoluerende kosmos. Hier treedt geen enkele logische tegenspraak op.’ 

Ook treffen we in de natuur overal doelgerichtheid aan en past de evolutietheorie prima aan bij een theïstisch wereldbeeld. Het universum is intelligibel:

‘Deze overtuiging is cruciaal voor het beoefenen van wetenschap. Wetenschap heeft immers geen zin wanneer wij niet geloven in de betrouwbaarheid van ons denkvermogen. Het verklaringssucces van wetenschap sluit dus uitstekend aan bij een theïstisch wereldbeeld.’ 

Rutten laat zien dat Godsgeloof juist een belangrijke inspiratiebron kan vormen om zich hartstochtelijk met natuurwetenschappelijk onderzoek bezig te houden. Hij vindt dat een diepgaand begrip van wetenschap en religie essentieel is om de hechte samenhang tussen beiden te doorzien.

‘Het is dan ook goed om te zien dat de laatste decennia de dialoog tussen geloof en wetenschap een enorme vlucht heeft genomen, getuige het grote aantal academische instituties en tijdschriften dat zich expliciet op een vruchtbare en goed geïnformeerde manier met de relatie tussen geloof en wetenschap bezighoudt. Deze dialoog zal de aankomende jaren doorgaan. Sterker nog, ik verwacht dat zij alleen nog maar belangrijker zal worden.’

Zie: Geloof en wetenschap: harmonie in plaats van conflict

imagesHet Abraham Kuyper Centrum voor Wetenschap en Religie wil zowel op wetenschappelijk niveau als in het maatschappelijk debat de reflectie op de grote vragen die wetenschappelijk onderzoek oproept stimuleren en faciliteren. Om deze doelstelling te bereiken heeft het Abraham Kuyper Centrum drie speerpunten. Aan elk van deze speerpunten wordt gewerkt door filosofen in nauwe samenwerking met empirische wetenschappers, zodat ze alle drie een sterk interdisciplinair karakter hebben.

emanuelrutten-1Emanuel Rutten (foto: PD) behaalde in 1994 een propedeuse in de economie aan de UvA, een master of science in de wiskunde in 1997 aan de TU Delft en een master of arts in de wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit in 2010. De laatste twee met het judicium cum laude. Begin 2010 begon Emanuel aan de Vrije Universiteit aan een promotie in de wijsbegeerte bij Prof. Dr. R. van Woudenberg. Eind september 2012 promoveerde hij. De titel van zijn dissertatie luidt: A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments: Towards a Renewed Case for Theism. Het werkterrein van Emanuel betreft metafysica, epistemologie en esthetiek. Na zijn promotie is Emanuel als postdoc verbonden aan The Abraham Kuyper Centre for Science and Religion van de faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit.

Bijgewerkt: 10:36.

Een definitie van God en hoe Deze bestaat

UITGELICHT – Over welke God gaat het eigenlijk, is een veelvoorkomende vraag. Vandaag over Die van filosoof Emanuel Rutten. Hij definieert God als een lichaamloos bewustzijn en de eerste oorzaak van de wereld. God als eerste oorzaak, dus zelf onveroorzaakt en bovendien de directe of indirecte oorzaak van alles wat buiten God bestaat. En God is een immaterieel bewustzijn, dus een subject in plaats van een object, een iemand in plaats van een iets.

‘Maar dat is wat wij allen God noemen, zou Thomas van Aquino zeggen’ 

Geen ding maar een persoon
Goed, maar bestaat die God ook? En hoe dan? In zijn argumentatie begint Rutten met de stelling dat er een eerste oorzaak van de wereld bestaat. Vervolgens laat hij zien dat deze eerste oorzaak redelijkerwijs geen object, maar een subject, geen iets, maar een iemand, geen ding, maar een persoon is, zodat inderdaad volgt dat God bestaat.

In zijn lezing Redelijke argumenten voor theïsme: een cumulatieve casus zegt de filosoof dat het voor mensen lastig is – onmogelijk zelfs – om ons een wereld voor te stellen zonder ‘laatste grond’: de uiteindelijke oorsprong van de wereld. 

csfrgroningenrutten (1)

‘Wij kunnen haast niet anders denken dan dat de wereld uiteindelijk teruggaat op een absolute onvoorwaardelijke drager, iets dat het laatste antwoord vormt op de vraag waarom er überhaupt iets is en niet veeleer niets.’ 

Er moet dus een uiteindelijke oorsprong van de werkelijkheid zijn, een eerste beginsel. Volgens Rutten accepteren ook atheïsten de idee dat de hele wereld teruggaat op een absolute grond, een eerste oorzaak, want er is een onveroorzaakte entiteit die zelf de directe of indirecte oorzaak is van alles wat buiten deze entiteit bestaat.

Stringtheorie
Een tweede argument is tweeledig en luidt dat alles wat bestaat uiteindelijk opgebouwd uit fundamentele enkelvoudige bouwstenen (tegenwoordig zouden we wijzen op ‘de strings’ van de stringtheorie) en is alles wat bestaat onderdeel van het causale weefsel van de werkelijkheid. Het betreft hier atomisme en causalisme; deze begrippen komen voort uit alle moderne natuurwetenschappelijke theorieën van ruwweg de afgelopen driehonderd jaar die samen impliceren dat er een eerste oorzaak van de wereld moet zijn.

csfrgroningenrutten (2)

Van een eerste oorzaak naar God
Het derde argument zegt dat het aantal ‘gerealiseerde entiteiten’ in de werkelijkheid noodzakelijk eindig is, zodat een oneindige regressie van oorzaken onmogelijk is, en er dus een eerste oorzaak moet zijn. Van deze eerste oorzaak gaat Rutten naar God.

‘Het eerste argument vertrekt vanuit een reflectie op de aard van geest en lichaam. Geest is naar haar eigen wezen het actieve, terwijl materie in zichzelf louter passief is. Nu moet de eerste oorzaak van de wereld, als datgene wat al het andere direct of indirect veroorzaakt, uiteraard actief in plaats van passief zijn. Maar dan is het alleszins redelijk om te denken dat de eerste oorzaak geest in plaats van stof is, zodat God dus inderdaad bestaat.’

Immanuel Kant
Rutten verwijst dan naar de Duitse filosoof Immanuel Kant die stelt dat de mens als autonoom zelfbewust vrij wezen een waarde heeft die boven dat van alle onbewuste levenloze objecten uitgaat. De conclusie die Rutten daaruit trekt, is dan dat de wereldgrond dus géén object kan zijn.

‘De wereldgrond heeft immers zoals gezegd een waarde die juist niet lager is dan dat van een individueel mens. Nu is alles wat bestaat subject of object. Maar dan moet de wereldgrond een subject zijn. De wereldgrond is geen ‘iets’, maar een iemand. Kortom, God bestaat.’ 

Vrije wilsact
Wat is dan de optie voor de wereldgrond? Rutten gaat er een aantal langs, verwerpt ze en stelt dan dat de enige optie voor de wereldgrond die over blijft een concrete entiteit is, die op grond van een vrije wilsact de wereld voortbrengt.

csfrgroningenrutten (3)

‘Een vrije wilsact is namelijk per definitie zelfverklarend. Nu is echter een contingente concrete entiteit niet zelfverklarend. De entiteit in kwestie had er immers niet hoeven zijn.
We concluderen dus dat de wereldgrond een noodzakelijk bestaande concrete entiteit moet zijn die de wereld voortbracht op grond van een vrije wilsact. De grond van de wereld is dus een noodzakelijk bestaand en vrij subject. Nu veronderstelt vrijheid bewustzijn. Een onbewust subject kan immers niet vrij zijn. De wereldgrond is dus een noodzakelijk bestaand, vrij en bewust subject. Dus God bestaat.’
 

Bovennatuurlijke bewuste entiteit
Rutten geeft ook een argument vanuit de oorsprong van het bewustzijn en stelt dat op enig moment in de geschiedenis van de kosmos bewustzijn haar intrede deed; hij noemt dit – zich toen in de kosmos manifesterende bewustzijn – ‘natuurlijk bewustzijn’.

Omdat materie en natuurlijk bewustzijn niet aan elkaar gelijk zijn; niemand oprecht gelooft dat al onze subjectieve innerlijke ervaringen – zoals het beleven van muziek of het voelen van verdriet – niets meer of minder zijn dan bewegende materie; en het evenmin redelijk is om te beweren dat natuurlijk bewustzijn wordt geproduceerd door onbewuste materie; moet de bron van natuurlijk bewustzijn daarom gelegen zijn in een bovennatuurlijke bewuste entiteit, oftewel in een aan de kosmos transcendent bewustzijn, hetgeen op het bestaan van God wijst.

csfrgroningenrutten (4)

‘De gedachte dat stof bewustzijn kan produceren is niet alleen contra-intuïtief, maar we kunnen ons zelfs geen enkele voorstelling maken van de wijze waarop deze productie zou moeten plaatsvinden.
De herkomst van natuurlijk bewustzijn kan dus niet gelegen zijn in onbewuste materie. De oorsprong van natuurlijk bewustzijn moet daarom zelf een bewuste entiteit zijn. Deze bewuste entiteit kan dan zelf niet natuurlijk zijn. Immers, we vragen naar de herkomst van natuurlijk bewustzijn als zodanig en het zou circulair zijn om te beweren dat natuurlijke bewustzijn is voortgekomen uit natuurlijk bewustzijn.’

Morele waarden
Voorts stelt Rutten dat als God niet bestaat, er in de hele wereld niets meer is dan een geheel van ruimte, tijd, materie en energie. Maar dan is er in de wereld niets dat kan optreden als de waarheidsmaker van bepaalde morele waarheden: Ruimte, tijd, materie of energie kunnen immers nooit tot objectieve morele waarden leiden.

‘De atheïst heeft in zijn wereldbeeld dan ook niets om de objectiviteit van bepaalde morele waarden in te funderen. Maar dan volgt, gegeven de redelijkheid van het bestaan van objectieve morele waarden, dat atheïsme onhoudbaar is. Let echter op. Dit argument wil uiteraard niet zeggen dat atheïsten niet moreel zijn. Natuurlijk niet, dat zou onzin zijn. Het argument doet juist een beroep op het algemeen menselijke inzicht dat er bepaalde objectieve morele waarden bestaan, zoals dat lustmoord verwerpelijk is. En dit is een inzicht dat ieder weldenkend mens kan accepteren, of hij of zij nu gelovig is of niet. Het punt is dat het atheïsme de objectieve geldigheid van dit soort morele waarden ontologisch niet kan grondvesten, zodat we atheïsme moeten verwerpen en dus volgt dat God bestaat.’ 

csfrgroningenrutten (5)

Vervolgens stelt Rutten dat enerzijds ‘alles wat mogelijk waar is, mogelijk kenbaar is’, en anderzijds dat ‘het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat’, waaruit logisch de conclusie volgt dat God noodzakelijk bestaat.

Tegenwerpingen
In het artikel gaat Rutten vervolgens in op tegenwerpingen op zijn argumenten. Ten slotte stelt hij dat het alleszins redelijk is om te denken dat er een ultieme grond van de wereld is en dat deze grond een iemand is in plaats van een iets, een persoon in plaats van een ding.

‘Maar dat is wat wij allen God noemen, zou Thomas van Aquino zeggen.’ 

Bron:
Sla er vooral het artikel Redelijke argumenten voor theïsme: een cumulatieve casus op na: het uitgebreide betoog van filosoof Emanuel Rutten dat hij afgelopen maart hield voor de C.S.F.R. in Groningen over rationele argumenten voor theïsme.

Gerelateerd: De atheïst gelooft dat God niet bestaat

Foto’s: Sfeerimpressie van de lezing ‘Bewijs (jouw) God’ – CFSR Groningen
Update layout 30 12 2024

De atheïst gelooft dat God niet bestaat

god-sign-saltlakecity
De atheïst gelooft dat God niet bestaat, wat evenzeer een overtuiging is, en waarvoor de atheïst dus ook argumenten zal moeten geven. ’
Dat stelt filosoof Emanuel Rutten op 10 mei in zijn artikel Pariteit, in het blog Wijsgerige Reflecties. Rutten beweert hierin dat de atheïst in een argumentatief debat over het bestaan van God niet eenzijdig de bewijslast bij de theïst kan leggen.

‘De theïst gelooft namelijk dat iets, namelijk God, bestaat. Dit betreft een positieve (affirmerende) claim. De atheïst daarentegen gelooft slechts dat iets, namelijk God, niet bestaat. Dit is alleen maar een negatieve (ontkennende) claim.’ 

emanuelruttendissertatie (1)Zowel de theïst als de atheïst zullen volgens Rutten met argumenten voor hun overtuiging moeten komen. In zijn artikel weerlegt Rutten de repliek van de atheïst dat de bewijslast bij de theïst ligt. Hij verwijst hiervoor naar zijn proefschrift ‘A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments – Towards a Renewed Case for Theism’, waarin hij onder meer stelt dat God metafysisch noodzakelijk bestaat.

‘Beide posities betreffen immers een claim over de aard van de wereldgrond. Volgens de één is de zijnsgrond van de wereld geest en volgens de ander is de zijnsgrond van de wereld stof. De repliek van de atheïst hierboven is dan dus inderdaad inadequaat. Het is niet zo dat de theïst het bestaan van iets bevestigt, terwijl de atheïst slechts het bestaan ervan ontkent. Twee opvattingen over de natuur van de eerste oorzaak, geest of stof, staan tegenover elkaar.’ 

Volgens Rutten kan de atheïst in een argumentatief debat over het bestaan van God dus niet eenzijdig de bewijslast bij de theïst leggen.

emanuelrutten-1

Emanuel Rutten (foto: PD) behaalde in 1994 een propedeuse in de economie aan de UvA, een master of science in de wiskunde in 1997 aan de TU Delft en een master of arts in de wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit in 2010. De laatste twee met het judicium cum laude. Begin 2010 begon Emanuel aan de Vrije Universiteit aan een promotie in de wijsbegeerte bij Prof. Dr. R. van Woudenberg. Eind september 2012 promoveerde hij. De titel van zijn dissertatie luidt: A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments: Towards a Renewed Case for Theism. Het werkterrein van Emanuel betreft metafysica, epistemologie en esthetiek. Nu zijn promotie is afgerond zal Emanuel als postdoc verbonden zijn aan The Abraham Kuyper Centre for Science and Religion van de faculteit der Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit.

Zie: Pariteit

Foto: godschrift.nl

Big History: wetenschappelijke scheppingsgeschiedenis

MotherEarth2
Genesis
, maar dan met sterrenstof. In het artikel ‘Big History’ schrijft bioloog Gert Korthof over een synthese van kosmologie, evolutie en cultuurgeschiedenis. Dit naar aanleiding van het boek Big History and the Future of Humanity van Fred Spier, dat Korthof een wetenschappelijke scheppingsgeschiedenis zou willen noemen omdat het vragen stelt als: Wie zijn we? Waar komen wij vandaan? Waar gaan we naar toe? Waar komt alles vandaan?

Big History is een benadering van de plaats van de mens in de natuur en de kosmos die de potentie heeft boven traditionele scheidslijnen zoals theïsme – atheïsme uit te stijgen en zo een verbindend gemeenschappelijk perspectief kan bieden.’

fredspieruvaGenesis en sterrenstof
Een pakkend blog over een boek van biochemicus en cultureel antropoloog Spier (foto UVA), dat volgens Korthof gebaseerd lijkt op dezelfde motivatie die de auteurs van het Bijbelboek Genesis gehad moeten hebben, daar Genesis weet dat we ‘uit het stof der aarde’ zijn gevormd.

Korthof stelt dat de Bijbel nog niet wist dat het stof op zijn beurt weer gevormd is uit sterrenstof, doormiddel van de Big Bang die de mens een onlosmakelijke band geeft met het universum.

Big History vertelt het hele verhaal en onderbouwt dat verhaal met inzichten uit de meest uiteenlopende wetenschappelijke disciplines zoals kosmologie, astrobiologie, evolutiebiologie, paleontologie, geologie, klimatologie, antropologie, archeologie, geschiedenis en cultuurwetenschappen. Big History graaft dieper, gaat verder terug in de tijd, zoekt en vindt grotere, en vaak onverwachte verbanden. Je zou Big History ook kunnen typeren als een viervoudige evolutie: kosmische evolutie, chemische evolutie, biologische evolutie en culturele evolutie.’

Theïsme – atheïsme
Interessant en hoopvol vind ik dat Korthof in zijn blog stelt dat Big History de potentie heeft boven de tegenstelling theïsme – atheïsme uit te stijgen. Hij verwijst ook naar de betekenis van het woord ‘religie’ dat ‘herverbinden’ betekent en citeert daarmee wetenschapper Matthijs Schouten, die biologie, vergelijkende godsdienstwetenschappen en Oosterse filosofie studeerde:

Als je het woord religie gebruikt in wat wellicht de oorspronkelijke betekenis was, ‘herverbinden’, ligt hier wel een interessant punt. Het duurzaamheidsdenken komt voort uit het bewustzijn dat we als mens deel uitmaken van een groter geheel, het ecosysteem aarde zou je kunnen zeggen. Het betrokken zijn op het welzijn daarvan is voor meer en meer mensen betekenisvol.’

gertkorthofBig Bang
Als conclusies die Korthof (foto GK) trekt, noemt hij Big History belangrijk voor het onderwijs: evolutieboeken zouden moeten beginnen met de evolutie van de kosmos (Big Bang.) Ook geeft het een ideaal kader om de ecologische footprint van menselijke beschaving te bestuderen en om over de toekomst na te denken. En als derde conclusie:

Omdat Big History in principe descriptief is blijft er ruimte over voor beide partijen om hun eigen levensbeschouwing toe te voegen. Ook de ecologische footprint stijgt boven de tegenstelling theïsme–atheïsme uit: beide partijen zouden zich zorgen moeten maken om de toekomst van de mensheid.
Alle planetaire problemen zoals wereldbevolking(!), klimaat(!) stijgen boven nationaliteit, ras, geloof, arm en rijk uit.’
 

Earth’s life-support system
Korthof legt er de nadruk op dat Spier bezorgd is over de toekomst van de mens en zich afvraagt of de aarde in 2050 berekend is op 9 miljard mensen. Korthof verwijst hier naar een artikel in Nature, ‘waarin wordt betoogd dat de doelstellingen van de VN om armoede uit de wereld te helpen niet zonder bescherming kan van het ‘Earth’s life-support system’ (atmosphere, oceans, forests, waterways, biodiversity and biogeochemical cycles.)

smedesKorthof besluit met een krachtig citaat uit het boek God én Darwin, hoofdstuk Sterrenkinderen, van Taede A. Smedes (foto TAS), dat de bioloog ‘onverwacht’ vindt omdat het van een theoloog komt:

Evolutie moet niet alleen gaan om biologie, maar moet kosmologisch worden doorgetrokken: evolutie is een kosmologisch proces waarbij de evolutie van leven op aarde volledig ligt ingebed in de evolutie van het heelal, van de kosmos. De biologische evolutie is slechts een onderdeel van de evolutie van het heelal, en kan vanuit een theologisch-filosofisch perspectief pas worden begrepen wanneer de evolutie van het geheel ter sprake komt. Pas dan kom je volgens mij in de buurt van wat theologen door de eeuwen heen onder ‘schepping’ hebben verstaan. Dit is volgens mij het punt waarop een verdiepende discussie zou moeten beginnen.’

Zie: Big History: een synthese van kosmologie, evolutie, en cultuurgeschiedenis (Gert Korthof)

Foto: endandit.nl

bighistoryVoor Fred Spier was de Earthrisefoto uit 1968 dé grote inspiratiebron voor Big History: de aanblik van de planeet aarde vanaf de maan gezien. De foto geeft je het plotselinge besef dat de aarde waar je leeft en die je deelt met alle andere mensen en al het andere leven, een kleine, kwetsbare bol is met water, land, wolken en een dunne, onzichtbare atmosfeer, die in een oneindige, zwarte, vijandige, lege ruimte zweeft. Die ‘pale blue dot’ is een oase in een overigens levenloos heelal. Die planeet is onze woonplaats, ons thuis. (Gert Korthof)


Big History and the Future of Humanity
 van Fred Spier is in het Engels en is niet vertaald. Er is wel een vertaling van een ouder werk: Fred Spier Geschiedenis in het groot. Een alomvattende visie (1999). Een ander Nederlandstalig boek is: Cynthia Stokes Brown (2009) Big History · Van de oerknal tot vandaag, hier ligt de nadruk op culture evolutie van de mens.

Video: Big History and the Future of Humanity (Fred Spier)