‘Was ik uiteindelijk daartoe op aarde?’

Als je één allermeest dierbare ervaring mocht meenemen naar het hiernamaals – waarmee je het daar dan ook moet doen – welke ervaring zou je dan meenemen? Met deze vraag uit de wonderlijke film After Life, van Hirokazu Koreeda, met als ondertitel: ‘Was ik uiteindelijk daartoe op aarde?’, legt theoloog Tjeu van den Berk het numineuze uit als iets wat onuitsprekelijk totaal anders is. Het begrip ‘numineus’ is bedacht door godsdienstwetenschapper Rudolf Otto.

Kindertijd
Otto doelt hiermee op de ervaring die zich ‘door haar diepte onttrekt aan een verstandelijke verklaring en die dus niet op een vertrouwde, heldere manier is te definiëren’. Numineuze ervaringen worden vooral gemeld uit de kindertijd en vaak zijn het ervaringen in de natuur. Ze blijken veelal een enorme invloed te hebben op het verdere leven.

After life
Van den Berk geeft verschillende voorbeelden uit de film, maar ook van schrijvers als Harry Mulisch en Godfried Bomans. Een van de ervaringen uit de film is die van een prostituee die samen met een van haar klanten geen seks heeft, maar samen in stilte over het water kijken. De filmploeg van After Life ontdekt later dat ze die plek niet kunnen vinden. De plek blijkt niet te bestaan, maar de verbeelding van de prostituee blijkt zo intens beleefd dat het voor haar een echte en diepe numineuze ervaring is geworden die haar verdere leven bepaalt.

Anders dan de ‘ik-ervaring’
De numineuze ervaring voelt als kosmisch, opgenomen in het geheel, in tegenstelling tot de sterk individuele ‘ik-ervaring’. Deze laatste is een volstrekt andere, zo legt Van den Berk uit. Als voorbeeld geeft hij de ervaring van een vierjarige die boven aan de trap naar zijn moeder kijkt die beneden staat. Plotseling wordt hij er zich bewust van dat hij een ‘ik’ is, een eigen identiteit heeft, iemand ís. Hij treedt buiten zijn omgeving, grenst zich af. Het voelt als bevrijding.

Het numineuze
Van den Berk vertelt over zijn boek Het numineuze. Hij declameert er verhalen uit en leest op aanstekelijke wijze prachtige passages voor van onder meer Mulisch en Bomans. Ook zij blijken in hun kindertijd in de natuur numineuze ervaringen te hebben beleefd, met een verstrekkend gevolg voor hun verdere leven. Mulisch beschreef zijn numineuze ervaring in de natuur als ‘de heilige vijver’. Zo’n ervaring raakt je echt, is vrijwel niet na te vertellen, staat los van alles, ontstijgt ruimte en tijd, terwijl het wel in ruimte en tijd plaatsvindt.

Heerlijk nietsdoen
De numineuze ervaring is geen religieuze, maar eerder een kosmische ervaring en geeft een sterk gevoel van verbondenheid. Het gebeurt op stille momenten, terwijl je bijvoorbeeld in het gras ligt te luisteren naar veldleeuweriken. ‘Dat doen we nauwelijks meer in onze tijd,’ zegt Van den Berk. ‘Kinderen móeten tegenwoordig van alles en worden continu van de ene sportclub naar de andere vioolles gebracht. Waar is het heerlijk nietsdoen en de stilte dat tot numineuze ervaringen leidt?’

Capita Selecta Utrecht
Op vier woensdag-avonden vanaf 25 november 2020 geeft Tjeu van den Berk de cursus Moments of Being: Inleiding in het Numineuze. Zie voor meer informatie en aanmelding bij de Academie voor Geesteswetenschappen, Utrecht. | ‘We moeten weer een pleidooi houden voor het verbeeldend bewustzijn waarin een mens speelt, zich illusies vormt, droomt en gevoelig is voor het paradoxale karakter van het leven. In deze cursus wordt gebruik gemaakt van literatuur, muziek en filmmateriaal.’

Het numineuze | Tjeu van den Berk | VBK Media | ISBN 9789021140407 | 300 pp. | €24,99

N.B. De DVD van After Life is bijna uitverkocht. HIER misschien nog wel.

Beeld: Detail van het boek Het numineuze

De mystieke waarde van Mozarts’ Zauberflöte

De laatste opera van Wolfgang Amadeus Mozart, De Toverfluit, beter bekend als Die Zauberflöte (1791), is niet gebaseerd op een eenvoudig speels sprookje. De opera blijkt een serieuze inwijdingsrite vol alchemistische symbolen. Lange tijd werd het libretto zelfs ‘onbegrijpelijk’ genoemd en een ‘flutsprookje’. Theoloog Tjeu van den Berk onderkent de werkelijke waarde ervan: dat het verhaal de mystieke inwijding van de menselijke ziel uitbeeldt.

Vrijmetselaarsopera
V
an den Berk schreef er een boek over: Die Zauberflöte, een alchemistische allegorie. Hij vertelt niet alleen het verhaal van De Toverfluit, maar sleept je bovendien mee in dit spirituele operaverhaal, een alchemistische bruiloft. Van den Berk maakte een uitgebreide studie van deze opera en kan zo ook over de diepere achtergronden vertellen, verscholen in deze vrijmetselaarsopera. Mozart was al op 24-jarige leeftijd in Wenen vrijmetselaar, evenals de tekstdichters van Die Zauberflöte.  

Libretto
V
an den Berk maakt de ideeën van de vrijmetselaars duidelijk. Wijsheid, kracht en schoonheid is wat zij zoeken, en deze thema’s vind je terug in Die Zauberflöte. De vrijmetselarij is een spirituele beweging, wars van dogma’s en door katholieken uit die tijd ‘erger dan het protestantisme’ genoemd. Vrijmetselaars streven echter naar verdraagzaamheid, persoonlijke groei en persoonlijke ontwikkeling. Het gaat er vooral om jezelf te leren kennen. De verhalen van alchemisten en vrijmetselaars zijn doordrenkt van symboliek. Lood in goud veranderen bijvoorbeeld betekent vooral jezelf leren kennen, jezelf worden. Je eigen ‘lood’ in ‘goud’ veranderen! En deze ideeën vindt Van den Berk terug in het libretto van Die Zauberflöte.

Op zoek naar de steen der wijzen
In voordrachten laat Van den Berk vaak de twintig minuten van de opera zien en horen, zoals deze is uitgevoerd in het Concertgebouw in Amsterdam. Zoals het hoort bij een echt sprookje loopt het goed af. Vogelvanger Papageno en zijn geliefde Papagena worden uiteindelijk, met behulp van drie knapen, met elkaar verenigd.
In zijn boek toont de auteur aan dat de opera een allegorie uitbeeldt, waarin de personages de verschillende stoffen en hun transformaties symboliseren, op zoek naar de steen der wijzen. Vanuit de tempel van de Koningin van de Nacht wordt een inwijdingsweg afgelegd, uitmondend in de zonnetempel van Sarastro. Sarastro, de ‘priester van de zon’ viert daarin samen met de andere priesters, en prins Tamino en Pamina, dochter van de Koningin van de nacht, de geslaagde inwijding, die van de overwinning van het licht op de duisternis.

Die Zauberflöte – een alchemistische allegorie | Tjeu van den Berk | Uitgever Boekencentrum

Beeld: Tamino en Pamina ondergaan hun laatste beproeving – waterverfschilderij op papier door Max Slevogt (1868–1932)

(Eerder gepubliceerd bij de Academie voor Geesteswetenschappen, Utrecht)

Parels van de westerse esoterie

WesterseEsoterie2

Vier cursusavonden vanaf woensdag 16 september 2020 over De verlossing van Faust; over De Grote Ingewijden; over Het Oude Egypte, bakermat van het Jonge Christendom, en over het Evangelie van Thomas, brontekst van de gnosis. Tjeu van den Berk, Bram Moerland, Jacob Slavenburg en Hein van Dongen. Vier grote kenners van de westerse esoterie in één cursus bij de Academie voor Geesteswetenschappen in Utrecht. 

De verlossing van Faust
Volgens musicus en filosoof Hein van Dongen houdt, net als andere grote literaire werken, het drama Faust ons een spiegel voor – maar ook een weg naar bevrijding uit onze situatie. Over het belang van de archetypische figuur Faust schreef Jung ooit: ‘Niet Goethe schiep Faust, maar Faust schiep Goethe’. En misschien moeten we nog verder gaan: de chronisch onvoldane heer Faust schiep ook de moderne westerse mens.

De volksverhalen van de alchemist Faust, die zijn ziel aan de Duivel verkoopt, zijn waarschijnlijk in de late middeleeuwen ontstaan. Goethe (1749-1832) verwerkte deze verhalen tot een klassiek drama. Hij heeft het grootste deel van zijn leven, met al zijn inzichten in de menselijke psyche, aan het boek gewerkt. 

De Grote Ingewijden
Cultuurhistoricus Jacob Slavenburg legt het accent van het tweede college op de evolutie van de mensheid, waarbij inwijdingen altijd een belangrijke rol hebben gespeeld: er loopt een gouden draad door de mensheidsgeschiedenis van inwijdingen. Vroeger gingen deze gepaard met veel (geheime) rituelen. In deze tijd, waarin de mensheid een grote bewustzijnssprong meemaakt heeft de inwijding een heel ander karakter. Wat kan de mens vandaag doen om tot bewustzijn te komen? Is het daarvoor nodig dat je wordt ingewijd?

De titel van het college is ontleend aan een boek van Edouard Schuré, Les grands initiés (De Grote Ingewijden) uit 1889. Het behelst de biografieën van Hermes, Jezus Christus, Krishna, Mozes, Orpheus, Pythagoras, Plato en Rama. In zijn boek behandelt Schuré onder meer onderwerpen als de mysterieuze dageraad van het prehistorische Europa.

Het Oude Egypte, bakermat van het Jonge Christendom
In dit college gaat theoloog Tjeu van den Berk terug naar de bronnen van de Nijl. De mythe van Christus blijkt een geschenk van de Nijl. Niet in het orthodoxe Jeruzalem, het klassieke Athene of het wettische Rome maar in de smeltkroes van het hermetische Alexandrië ontstonden de grote mythen van het jonge christendom. Daar ontleenden een groep niet-orthodoxe joden, zij het meestal onbewust, hun identiteit aan een drie duizend jaar oude Egyptische religie.

Hebben we ons niet eens afgevraagd waar die typisch onjoodse thema’s vandaan komen in het christendom: een drie-ene godheid, een vader die een zoon voortbrengt, een kind dat uit een maagd geboren wordt, een god die mens is, sterft, afdaalt in de onderwereld en na drie dagen verrijst? Al deze archetypische symbolen kwamen niet uit het beeldloze Judea maar uit het beeldrijke Oude Egypte. De evangelist zei het al: ‘Uit Egypte heb ik mijn Zoon geroepen.’

Evangelie van Thomas, brontekst van de gnosis
Filosoof Bram Moerland verzorgt het vierde college. Hij zegt dat het een opzienbarende vondst in 1945 was, die van een kruik vol gnostische teksten uit de eerste eeuwen. In één keer bijna vijftig tot dan onbekende manuscripten. We kennen ze nu als de Nag Hammadi-geschriften. En daaronder trok één tekst meteen de meeste aandacht, het Evangelie van Thomas. Vrijwel meteen ontstond daarover een felle strijd. Werd Thomas geschreven lang na de teksten uit het Nieuwe Testament, als een soort vervalsing? Of is het omgekeerd, en dateert Thomas van vóór de teksten in het Nieuwe Testament? Bevat Thomas misschien zelfs het oorspronkelijke boodschap van Jezus en is het Nieuwe Testament een latere verbastering daarvan?

Dat is de arena waarbinnen zich de strijd om de datering van het Thomas evangelie afspeelt. Het belang van die datering is groot. De rol die in Thomas aan Jezus wordt toegekend is namelijk heel anders dan die van het Nieuwe Testament. In Thomas wordt niet gesproken over de kruisdood van Jezus, terwijl de kruisdood van Jezus in het traditionele kerkelijke christendom de hoofdrol speelt. Het is onmiskenbaar duidelijk dat in Thomas een geheel andere visie op de betekenis van Jezus tevoorschijn komt. Wat is die andere visie op Jezus van het Thomas evangelie?

Informatie en inschrijven: Parels van westerse esoterie (16, 23, 30 september, 7 oktober 2020) 

Beeld:
Met de klok mee: Tjeu van den Berk, Bram Moerland, Jacob Slavenburg, Hein van Dongen (Compositie: PD, foto’s: AVG)

UPDATE: 08092020

Carl Jungs duik in het onbewuste

rodeboek

In Het Rode Boek, ‘de graal van het onbewuste’, wordt de dramatische tocht uitgebeeld van de moderne mens op zoek naar zijn eigen mythe. Oorspronkelijk schreef psychiater Carl Gustav Jung zijn vele ervaringen en gevoelens op in zes ‘zwarte boeken’, zoals hij deze noemde, tijdens een diepe identiteitscrisis. Over – soms verschrikkelijke – visioenen en zijn ‘duik in het onbewuste’ en zijn dwaaltocht door de onderwereld, eindeloos op zoek naar zijn ziel. Een zes jaar durende worsteling, van 1913 tot 1919.

Volgens theoloog Rinus van Warven voerde Jung op 5 januari 1922 een gesprek met zijn ziel over zijn roeping. De dialoog tussen Jung (de ‘ik’) en de Ziel is in deze vorm letterlijk te vinden in de Nederlandse vertaling van het Liber Novus (Het Rode Boek) dat onlangs door Van Warven is uitgegeven. (N.B. Echter zonder de kunstwerken uit het oorspronkelijke boek.)

Zijn ziel drong er hier bij Jung heftig op aan om zijn materiaal te publiceren, waartegen hij zich verzette. En zo duurde het decennialang voor zijn woorden in boekvorm verscheen. Het Liber Novus van Carl Gustav Jung lag tientallen jaren in een bankkluis in Zürich. Toen het in 2009 op de wereldmarkt verscheen werd het meteen ‘de graal van het onbewuste’ genoemd. Het boek werd snel bekend als Het Rode Boek: de kleur van de leren omslag van het oorspronkelijke Liber Novus. Het is het verslag dat Jung van zijn crisis van 1913-1916 maakte. Jung beschrijft hoe hij zich overgeeft aan een diepgaand innerlijk proces, waarbij hij uiteindelijk zijn eigen ziel ‘hervindt’. (Van Warven)

Tijdens een van de colleges van de Capita Selectie-serie ‘Parels van de westerse esoterie’ die ik in mei 2019 bezocht bij de Academie voor Geesteswetenschappen in Utrecht vertelde Jungkenner Tjeu van den Berk met passie over Carl Gustav Jungs (oorspronkelijke)  Rode Boek. Dit lag groots – ook qua afmetingen – opengeslagen onder handbereik van de nieuwsgierige cursisten. Voor de Academie schreef ik hierover een verslag.

Van den Berk nam ons mee naar het leven en werk van Jung (1875 – 1961) en vertelde over zijn jarenlange pogingen, eerst samen met Freud, het onbewuste te ontcijferen. Al van jongs af aan was Jung gefascineerd geweest door de menselijke psyche. Cryptomnesie, het ‘verborgen geheugen’, hield hem erg bezig. Het bevat informatie waarvan de bron niet wordt opgeslagen in ons geheugen. De menselijke geest zou ‘op andere plaatsen’ veel informatie bewaren. ‘We weten het allemaal, diep vanbinnen,’ zei Jung. Daarom was hij zo gefascineerd door het onbewuste. Ons bewuste komt er volgens Jung immers volledig uit voort.’
(AVG)

Prachtige beelden liet Van den Berk zien, met uitgebreid commentaar, van de schilderijen en tekeningen die Jung in zijn Rode Boek maakte. Compleet met gekalligrafeerde teksten waarin Jung over hermetische gnosis schrijft, en er ook teksten toevoegde die verwijzen naar Sumerische, Egyptische, Scandinavische, Griekse, Hindoeïstische en christelijke mythen.

Van den Berk raakte niet uitverteld en deed dat op meeslepende wijze. Hij kreeg dan ook na afloop terecht een luid applaus.
De originele uitgave van Het Rode Boek ligt opgeslagen in een kluis in Zürich. Van den Berk heeft dat tweemaal mogen inzien, vertelde hij trots. September 2019 verschijnt de Nederlandse vertaling – wel zonder alle mooie kunstwerken die zeker een kwart van het boek beslaan.’
(AVG)

IKoorddanser schrijft Van Warven over De ‘graal van het onbewuste’ – Jung in gesprek met zijn ziel. Jung zou uiteindelijk door de ontmoeting met de ziel ingewijd worden in de geheimen van de menselijke psyche. – Een deel van het gesprek luidt:

Ik: ‘Ik ben bereid. Wat is het? Spreek!’
Ziel: ‘Luister: Om geen christen meer te zijn is gemakkelijk. Maar hoe nu verder?  Want er staat meer aan te komen. Alles wacht op jou. En Jij? Jij blijft zwijgzaam en hebt niets te zeggen. Maar je zult moeten spreken. Waarom heb jij het plotselinge inzicht ontvangen? Dat moet je niet verbergen. Jij bekommert je om de vorm? Is de vorm belangrijk als het om het plotselinge inzicht gaat?’
Ik: ‘Maar wat is mijn roeping?’
Ziel: ‘De nieuwe religie en haar verkondiging.’
Ik: ‘Oh God, hoe moet ik dat doen?’
Ziel: ‘Wees niet zo kleingelovig. Niemand weet dat zo goed als jij. Niemand, die het zó zou kunnen zeggen als jij.’
(Uit: Het Rode Boek)

Alle dromen, ervaringen en inzichten noteerde Jung nauwgezet, vertelt Van Warven. Zijn aantekeningen werden een procesverslag dat uiteindelijk resulteerde in Het Rode Boek.

Zie:
* Koorddanser, februari 2020
:
De ‘graal van het onbewuste’ – Jung in gesprek met zijn ziel

* Academie voor Geesteswetenschappen: Capita Selecta 21 mei 2019: Tjeu van den Berk

Beeld: Het oorspronkelijke Rode Boek – met illustraties (foto: PD)

Het Rode Boek | Carl Gustav Jung | Vertaald door Hans Huisman | ISBN 978-94-92421-86-9 | 581 blz. | Verschijningsdatum 02-09-2019 | € 38,50 | Geen verzendkosten

De mythe van Christus is een geschenk van de Nijl

‘Niet in het orthodoxe Jeruzalem, het klassieke Athene of het wettische Rome maar in de smeltkroes van het gnostieke Alexandrië ontstonden de grote mythen van het jonge christendom. Daar ontleenden een groep niet-orthodoxe joden, zij het meestal onbewust, hun identiteit aan een drie duizend jaar oude religie.’

Volgens katholiek  theoloog Tjeu van den Berk, ook wel de ‘knapste psycholoog van het geloof’ genoemd en schrijver van het binnenkort te verschijnen boek ‘Het oude Egypte, bakermat van het jonge christendom’, zijn de belangrijkste inzichten van het jonge christendom (zoals de drie-ene God, de opstanding uit de dood en de maagdelijke geboorte) geënt op de levensbeschouwelijke ideeën van het Oude Egypte. In zijn boek gaat Van den Berk terug naar de bronnen van de Nijl.

‘Op het vlak van de geloofssymboliek is de religie van de christenen geheel identiek aan die van de religie van de Oude Egyptenaren, vanuit godsdiensthistorisch standpunt moet men zelfs spreken van een volledige afhankelijkheid van het christendom van deze religie uit het Oude Oosten’, schreef de bekende theoloog Eugen Drewermann. Van den Berk sluit zich bij Drewermann aan en staat in dit boek stil bij de oeroude archetypische beelden die volgens hem aan de overeenkomsten tussen de Egyptische religie en het christendom ten grondslag liggen.’ (Uitgeverij Meinema)

Op 3 november is in Leiden de presentatie van het boek ‘Het oude Egypte: bakermat van het jonge christendom’ door Van den Berk in de Tempelzaal van het Rijksmuseum van Oudheden.

Jan Greven, oud-hoofdredacteur en columnist van Trouw, geeft zijn visie het boek van Van den Berk. Van den Berk zelf introduceert die middag de centrale thematiek van zijn boek.

Zie: Presentatie van ‘Het oude Egypte