Bewustzijn aparte dimensie universum?

‘Ach bewustzijn dat is niet zo bijzonder, dat zijn gewoon een paar hersencelletjes die wat doen’, kreeg cognitief neurowetenschapper Jacob Jolij ooit te horen van zijn practicumbegeleider. Hij zegt dit in zijn onlangs verschenen boek Wat is bewustzijn nou eigenlijk?. Hierin zet hij ‘alle deuren naar wat bewustzijn zou kunnen zijn open. Zijn zoektocht voert de lezer van de neurobiologie naar de natuurkunde, de kwantummechanica, de filosofie en zelfs naar de parapsychologie’. Moeten we bewustzijn eerder buiten het brein zoeken, wellicht als aparte dimensie van het universum, vraagt Jolij zich af.

Ik bleek een veel spiritueler aangelegd persoon dan bij mijn rol als harde hersenwetenschapper paste. Het idee dat je bewustzijn een ‘bijproduct’ is van de je hersenactiviteit en dat er niet meer is, leek op zo’n fundamentele manier onverenigbaar met wie ik in de kern ben, dat dat inderdaad niet veel langer goed kon gaan. Het roer moest dus om. Maar ja, hoe dan? Ik heb existentiële vragen. Wie ben ik? Wat is mijn geest? Wat is bewustzijn? Het ‘wetenschappelijke’ standpunt dat je geest is wat je brein doet – eigenlijk de basis waarop de moderne cognitieve neurowetenschap is gebaseerd – ‘voelt’ voor mij verkeerd.
(Uit: Wat is bewustzijn nou eigenlijk?)

In een interview met Marjoleine de Vos, in NRC, gaat het onder meer om wat een van de belangrijkste basisaannames in cognitief wetenschappelijk onderzoek stelt, namelijk dat het brein en de geest feitelijk hetzelfde zijn: ‘The mind is what the brain does’. Jolij interesseert zich voor parapsychologie en voor kwantummechanica – en of je daar iets aan hebt voor het begrijpen van bewustzijn.

Wie de woorden ‘kwantum’ en ‘bewustzijn’ in één zin noemt wordt meteen al met pek en veren het gebouw uitgejaagd’, lacht hij.’ 
(NRC)

Het idee dat bewustzijn uit de hersenen komt, is bij Jolij, afdelingshoofd van het DataLab Sociale Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen, nooit in de basis beland. Hij heeft daar een wetenschapsfilosofisch probleem mee, maar ook een persoonlijk probleem.

Met dat persoonlijke is het uiteraard begonnen. Het idee dat bewustzijn iets bijzonders is en dat je geest iets bijzonders is, zat er bij mij al heel jong in. Je kan toch niet de complexiteit van wat je bent als mens, en de betekenis die alles heeft in de wereld, platslaan tot het bewegen van moleculen in pak ’m beet 1.400 gram hersenmassa? Dat is zo’n enorme reductie.
(NRC)

Jolij legt uit wat er bedoeld wordt met bewustzijn. Lichtdeeltjes vallen op een banaan en dan kan je die zien. Maar de ervaring het zien van de banaan is voor hem bewustzijn. Hij noemt ook het kleurenschouwspel, dat door licht door een glas-in-loodraam op de vloer valt. ‘Zonder licht dat door dat raam valt heb je dat kleurenspel niet, is er geen bewustzijn.’ Bewustzijn is voor de neurowetenschapper de ervaring an sich.

Ik ben dan ook wel weer voldoende wetenschapper om me te realiseren dat je op basis van een ‘gevoel’ geen harde uitspraken kunt doen over hoe zoiets complex als bewustzijn echt in elkaar zit. Wetenschap is namelijk geen geloof. Ik wil best accepteren dat bepaalde antwoorden die ik zoek fundamenteel onbewijsbaar zijn, maar om blindelings álles aan te nemen, gaat mij ook weer te ver. Er zijn namelijk best verschijnselen waar je ‘wetenschappelijke’ uitspraken over kunt doen, zelfs als dat op het eerste gezicht onmogelijk lijkt.’
(Uit: Wat is bewustzijn nou eigenlijk?)

Als het nu eens waar zou zijn, het komt vast te staan: wij zijn ons brein, dan zou Jolij teleurgesteld zijn, want dan blijft bewustzijn bestaan, maar is het wel heel beperkend voor zaken als vrije wil, keuzevrijheid, betekenis.

Bewustzijn is een breed en fascinerend onderwerp waar zeer veel mensen, uit alle tijden en alle windstreken, zich over verwonderd hebben. Onze tocht brengt ons dan ook langs verschillende wetenschapsvelden: filosofie, psychologie, biologie en ook een aardige portie natuurkunde. En in een zoektocht naar wat bewustzijn is, zul je soms flinke omwegen moeten maken om meer te leren over de vakgebieden en zienswijzen die je niet zo goed kent.’
(Uit: Wat is bewustzijn nou eigenlijk?)

Wat is bewustzijn nou eigenlijk? | Jacob Jolij | Uitgeverij Nieuw Amsterdam | 1-10-2020 | 288 pp. | € 22,99 | E-book € 12.99 | Met uitvoerige begrippenlijst, literatuur en index

Zie ook: Jacob Jolij: ‘Het gaat mij om wat ons tot mens maakt’ (NRC)

Luisteren: Radio NPO1

Beeld: ilsebloem.nl

Spreken wetenschap en geloof over een en dezelfde werkelijkheid?

5b_galileitrial

Volgens theoloog, bioloog en filosoof Palmyre Oomen zijn zowel natuurwetenschap als theologie gericht op waarheidsvinding. En daarmee raken we volgens Oomen aan de complexiteit van de verhouding van natuurwetenschap en geloof/theologie. ‘De visie dat geloof en wetenschap met elkaar botsen, elkaar uitsluiten en niet te verenigen zijn, is de visie die op dit moment als eerste opkomt, zeker bij iedereen die er zich niet vakmatig mee bezig houdt. Het is de grondtoon van de oeverloze debatten op weblogs over schepping of evolutie, waarin de ene partij veelal geen spaan heel laat van de andere.’

De conflictvisie op geloof en wetenschap, is een visie die zowel opgeld doet aan de geloofskant als aan de wetenschapskant. Dat is duidelijk te illustreren aan de strijd rond de evolutietheorie. Vanuit de geloofskant wordt dan benadrukt dat Darwins theorie overduidelijk de goddeloze aard van de wetenschap toont. Evolutietheorie is immers strijdig met hoe Gods schepping in de Bijbel beschreven staat. Geloof in Gods schepping sluit derhalve – volgens deze zienswijze – een acceptatie van Darwins evolutietheorie volstrekt uit. Gelovigen die deze radicale mening zijn toegedaan (‘creationisten’) worden er fervente bestrijders van de gangbare wetenschap van.’

In haar artikel in de Bezieling vraagt Oomen zich af of er een derde weg is. Ze staat daarvoor stil bij pogingen (vanaf ruwweg de jaren tachtig van de vorige eeuw) waarin geprobeerd wordt het christelijk geloof en de inzichten van de wetenschap weliswaar te onderscheiden, maar ze áls onderscheiden toch op elkaar te betrekken.

Theologen die – in plaats van voor conflict of tweedeling – voor deze ‘derde positie’ kiezen gaan ervan uit dat, ondanks het genreverschil tussen het geloofsdiscours en het wetenschappelijke discours, de scheiding tussen die twee niet zo volstrekt kan worden doorgevoerd als de tweedelingsmensen voorstaan, omdat beide perspectieven toch op een of andere manier betrekking hebben op een en dezelfde werkelijkheid.’ 

De vraag voor Oomen is niet óf maar hóe we deze ideeën opnemen, oppervlakkig en ondoordacht óf genuanceerd en kritisch.

Dit laatste is wat deze theologen voorstaan, en daarmee stellen ze zich dus een wezenlijk moeilijke taak, namelijk wel het genreverschil tussen geloof en wetenschap erkennen (tegen de conflictpositie in), maar dat toch niet als excuus nemen om beide domeinen los van elkaar te laten (tegen de tweedelingspositie in). Nee, ‘we distinguish in order to relate’ zo karakteriseert John Haught deze positie met een middeleeuws adagium.’

Oomen noemt de vraag ‘Hoe kun je nog op een zinnige manier in God geloven (in Gods invloed op de wereld bijvoorbeeld) als je de wetenschap serieus neemt?’ in zekere zin het Leitmotiv van deze ‘derde weg’: deze derde weg zoekt, om na het onderscheiden van geloof en wetenschap, de reflectie op het geloven toch in relatie te brengen met de wetenschap.

Als voorbeeld – hoe kan het ook anders – neemt zij de evolutietheorie en stelt dan dat de typische Geloof&Wetenschap-reactie is dat de evolutie haar inderdaad niet haar geloof in schepping ontneemt, maar ze vraagt zich dan af hoe schepping dan – uitgezuiverd – te verstaan is. Met deze houding begint het werk pas, zo stelt Oomen. Zij heeft het dan over ‘gaatjes’ in sommige fundamentele natuurwetten (kwantummechanica en chaostheorie).

Dat wil zeggen laten zien dat de wereld op een fundamenteel niveau niet een gesloten keten van oorzaak en gevolg is, maar ‘open’ is. Deze ‘basale openheid’ zou dan ruimte geven – zo is de idee – voor een handelen van God in de wereld zónder natuurwetten te doorbreken. Dit is een binnen theologie die in gesprek is met natuurwetenschap breed aangehangen idee: God dus gezien als schepper van de wetten, én handelend in de speelruimte die sommige van die wetten laten.’

Oomen beaamt wel dat je zo een gek Godsbeeld krijgt: eerst maakt God wetten, die hij niet kan of niet wil doorbreken; vervolgens heeft God gelukkig sommige van die wetten zo gemaakt dat er een mogelijkheid voor hem is om alsnog in de wereld van invloed te zijn.

Zo’n beeld roept toch, bij mij in ieder geval, grote ongemakkelijkheid op. Het geeft een gespleten beeld van God, en het ontkracht ook de autonomie van de betrokken gebeurtenissen. Wat hebben die eigenlijk nog zélf te doen of in te brengen? Wie is er dan verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld? En bovendien: dreigt zo niet dat we wederom over God spreken in een enkel objectiverende taal, waarbij het eigene van het geloof kwijtgespeeld wordt?’

Opmerkelijk boeiende gedachten van Oomen vind ik, waarover ze zelf zegt dat haar artikel slechts enkele van de vele, meer of minder geslaagde, pogingen om het gelovig denken over God in relatie wil brengen met inzichten en theorieën uit de natuurwetenschappen. Als het goed is níet om zich daar onkritisch aan uit te leveren, maar om het potentiële belang ervan ten goede te laten komen aan de verdieping van het geloofsverstaan.

Met zo’n ander denkmodel komen er bij Oomen heel andere beelden vrij voor het denken over God-mens-wereld. Voor een proeve daarvan verwijst zij naar haar artikel over Schepping, in het Belgische Tijdschrift voor Geestelijk Leven, een tweemaandelijks tijdschrift voor spiritualiteit.

Zie: Geloof en wetenschap onderscheiden maar niet gescheiden (ze gaan beide over de ene werkelijkheid)

Beeld: Toen de Italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei zei dat hij het eens was met de theorie van Copernicus beschuldigde de katholieke kerk hem van ketterij. Galilei werd berecht en tot aan zijn dood veroordeeld tot huisarrest. (schrijfgenoten.nl)