Jean-Paul Sartre, wat blijft is de hoop

Jean.PaulSartre

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre, volgens wie de mens ‘in de wereld is geworpen’ en veroordeeld om vrij te zijn, blijkt in zijn laatste jaren te zijn teruggekeerd naar het Messiaans-joodse denken en de kabbala, en zou zich volledig te hebben gedistantieerd van zowel zijn linkse opvattingen als van zijn meest intieme vrienden. In het boek Wat blijft is de hoop is hij hierover in gesprek met zijn orthodox-joodse secretaris Benny Lévy.

Lévy publiceerde de weerslag van hun gesprekken in Le Nouvel Observateur drie weken voor de dood van Sartre in april 1980. Aanvankelijk heerste ongeloof en werd Lévy misleiding verweten vanuit z’n eigen opvattingen, maar Sartre bevestigde de inhoud en teneur. De dialoog is uitgegeven onder de titel L’espoir maintenant, ou le mythe d’une rupture, in het Nederlands vertaald als Wat blijft is de hoop – de gesprekken van 1980.’ (Cultuurpers)

In deze dialoog tussen de filosoof en zijn orthodox-joodse secretaris, aldus uitgever Klement, lijkt Sartre zich gewonnen te geven voor een denken naar Messiaans-joodse snit.

Velen geloofden niet wat ze lazen en deden de tekst af als inhoudelijk niet-authentiek, gemanipuleerd of louter bedrog. Zij zagen interviewer Benny Lévy als de kwade genius die de woorden van een ziekelijke en ook mentaal afgetakelde Sartre had verdraaid ten voordele van zijn eigen doelstellingen.’

Volgens de uitgever sprak Sartre zelf, zo blijkt uit Wat blijft is de hoop, dit inderdaad tegen. Kort voor zijn dood bevestigde Sartre dat de gesprekken correct waren weergegeven, zodat menigeen bleef struikelen over de raadselachtige inhoud ervan.

Het boek Wat blijft is de hoop, is dit jaar weer actueel doordat het Onafhankelijk Toneel (OT Rotterdam) in het begin van dit jaar – in het kader van een aantal filosofievoorstellingen – de voorstelling Leven zonder Sartre bracht, op basis van Wat blijft is de hoop. Leven zonder Sartre is de derde filosofievoorstelling van regisseur en schrijfster Mirjam Koen. Zij zoomt hierbij telkens in op een cruciale gebeurtenis in het leven van een filosoof.


‘In Leven zonder Sartre staat Simone de Beauvoir centraal: schrijfster, filosofe, feministe en levensgezellin van Jean-Paul Sartre. Beiden stonden aan de wieg van het existentialisme en speelden een belangrijke rol in het linkse activisme van de jaren zestig.

De voorstelling speelt zich af na de dood van Sartre. Simone de Beauvoir gaat de confrontatie aan met Benny Lévy, de jonge secretaris van Sartre. Ze is woedend. Ze beticht hem van vergaande beïnvloeding van de oude, zieke Sartre. Vlak voor diens dood verscheen een publicatie van gesprekken tussen Lévy en Sartre, waaruit bleek dat de overtuigde atheïst Sartre op het eind van zijn leven sympathieën koesterde voor het joods-messianisme. De Beauvoir voelt zich verraden.

Leven zonder Sartre is een grillige voorstelling over verlies, botsende idealen en de moed om de confrontatie met de ander aan te gaan. Op een heldere, lichte en bij vlagen pijnlijke wijze worden de beweegredenen blootgelegd van twee mensen die leven in hun ideeën.’ (OT Rotterdam)

Jean-PaulSartre

Wat blijft is de hoop – de gesprekken van 1980 | Jean-Paul Sartre | Co-auteur B. Levy | Uitgever Klement | Vertaald door Frans de Haan, R. Welten | EAN 9789077070581 | Paperback € 13,95 | ‘Vertaald zijn hier de gesprekken die een zieke en blinde Sartre aan het einde van zijn leven had met zijn tot het jodendom bekeerde secretaris, Levy. De tekst is uiterst omstreden, omdat de indruk wordt gewekt dat Sartre zijn radicaal filosofische marxisme heeft ingeruild voor een afgezwakt en verbroederend joods messianisme. Is hier werkelijk weergegeven hoe Sartre dacht of is hem alles in de mond gelegd door Levy? De Beauvoir bijvoorbeeld denkt van wel. In de inleiding probeert de bezorger haar kritiek te bezweren door te wijzen op een duidelijke band tussen Sartres filosofie en de joodse denker Levinas. Voor Sartre is de Revolutie die hij nodig acht voor een betere samenleving geen sociaal gebeuren meer maar een transcendentaal doel, een broederschap zonder terreur en een hoop voor de toekomst. Levinas schetst in een toegevoegd essay zijn verwantschap met Sartre’. (Wim Fiévez, NBD Biblion)

Zie:
*
Leven zonder Sartre
* Cultuurpersbureau

N.B. Hopelijk worden in deze anderhalvemetersamenleving, nu de theaters weer open zijn, in de komende periode nog extra voorstellingen gegeven van Leven zonder Sartre.

‘Ook het denken is lichamelijk’

Da_Vinci_Vitruve_Luc_Viatour

Filosoof Simon Gusman buigt zich over de vraag of de geest zonder een lichaam bestaat. En wat ons lijf betekent voor wie we zijn. Hij bespreekt vijf filosofen over het verband tussen ons lichaam en ons denken: Ik denk dus ik heb een lijf. In zijn boek What Computers Can’t Do uit 1972 rekent Hubert Dreyfus af ‘met het idee dat mensen supercomputers zijn. Willen we een mens nabouwen, dan moeten we recht doen aan het lichaam. Een supercomputer zonder lichaam snapt niet wat het is om mens te zijn’. 

We berekenen niet hoe we ons tot de wereld moeten verhouden, maar beleven de wereld direct als betekenisvol. Als ik wil drinken uit het kopje koffie dat voor me staat, hoef ik niet uit te rekenen hoe ver ik mijn hand moet uitsteken om het op te pakken. Ik ervaar in één oogopslag dat het kopje is om uit te drinken en kan moeiteloos de juiste beweging maken om dat te doen. Deze betekenisvolle belichaamde verhouding tot de wereld om ons heen is wat ons bestaan kenmerkt – en is iets dat een lichaamloze supercomputer niet heeft.’

Volgens Maurice Merleau-Ponty, de filosoof die het lichaam echt op de kaart heeft gezet, is het denken van zichzelf altijd al belichaamd. Niet omdat onze geest in een lichaam zou zitten, maar omdat alle vormen van ervaren, inclusief denken, uiteindelijk lichamelijk van aard zijn. 

Ons lijf kan van alles. Als we daar actief bij nadenken, bijvoorbeeld bij hoe we onze voeten neerzetten bij het lopen, wordt het alleen maar moeilijker. Ook als we alleen maar nadenken, zijn we belichaamd: we zitten in een bepaalde houding, trommelen met onze vingers op tafel of spelen met een pen in onze handen. Al deze dingen laten zien dat de geest en het lichaam niet van elkaar los te denken zijn.’

Gusman betrekt René Descartes erbij, de filosoof van ’Ik denk dus ik ben’, bij wie het lichaam geen centrale rol speelt. Voor hem is de geest een ‘denkend ding’ dat los bestaat van het mechanische lichaam.

Het lichaam is eigenlijk niets anders dan een fontein, stelt Descartes. De geest stuurt via een klier in het brein het lichaam aan en laat zo bloedvaatjes open- en dichtgaan, alsof het pijpleidingen in een fontein zijn. Het lichaam is een machine die op deze manier bediend kan worden. Hoewel Descartes’ denkbeelden over deze kant van het lichaam misschien wat simpel klinken, vormen ze de basis van de manier waarop veel wetenschappers vandaag de dag denken over lichaam en geest.’

Jean-Paul Sartre beschrijft in zijn beroemde boek Het zijn en het niet (1943) het voorbeeld van iemand die door een sleutelgat anderen staat te bespioneren. Zolang hij dit doet, is zijn aandacht gericht op het schouwspel achter het sleutelgat. Hij is enkel een toeschouwer. Op het moment dat hij betrapt wordt, is hij zich plotseling bewust van zichzelf, hoe hij daar staat, gebogen voor de deur.

We kijken naar hoe we bekeken zouden worden door anderen. Deze buitenkant is niet hetzelfde als een objectieve beschrijving van ons lichaam. Deze manier van kijken is niet de objectieve blik van de anatoom, maar de subjectieve blik van onze medemens die zich een beeld over ons kan vormen, ons kan prijzen of veroordelen om hoe we eruitzien.’

Auto’s worden standaard gebouwd met het mannenlichaam in het achterhoofd. ‘Testdummy’s zijn gebaseerd op mannenlichamen. Als gevolg hiervan is de kans dat vrouwen letsel overhouden aan een ongeluk vele malen groter’. – Gusman verwijst hier naar Caroline Criado Perez die stelt dat  sekseongelijkheid vooral gaat over lichamelijke verschillen. Zij schrijft hierover in Onzichtbare vrouwen (2019).

Testdummy’s zijn gebaseerd op mannenlichamen. Als gevolg hiervan is de kans dat vrouwen letsel overhouden aan een ongeluk vele malen groter. Ook kogelvrije vesten en veiligheidsmaskers tegen giftige stoffen worden allemaal eigenlijk alleen maar gemaakt voor mannen, niet omdat daar specifiek voor gekozen is, maar door het diepgewortelde idee dat een mannenlichaam de standaard voor alle mensen is. Sekseongelijkheid gaat dus niet alleen om rolpatronen, maar vooral ook om lichamelijke verschillen.’

Zie: Ik denk dus ik heb een lijf (Filosofie Magazine, december 2019)

Foto: Luc Viatour – Mens van Vitruvius van Leonardo da Vinci, ca. 1490, Gallerie dell’Accademia, Venetië – De regels voor de tekening bedacht Da Vinci niet allemaal zelf; hij baseerde zich op het tiendelige handboek voor de bouwkunde van de Romeinse architect Vitruvius, De architectura geheten. Reeds in de eerste eeuw voor Christus tekende deze architect de regels voor een perfect menselijk lichaam op. Volgens Vitruvius heeft een menselijk lichaam bepaalde vaste verhoudingen.  (ciatutti.nl)

Antoine Bodar kwijnt weg in Plato’s grot

platosgrot21

Priester Antoine Bodar ontsnapte uit Plato’s grot, maar toen hij buiten het licht zag van de jaren zestig, schrok hij zich rot. Angstig rende hij terug de grot in en liet zich opnieuw ketenen. Liever de schaduw van het onechte leven dan de werkelijkheid. Bodar kon niet omgaan met het ‘ik-tijdperk’. Terwijl iedereen zich losscheurde van de ketenen van kerk en autoriteit, en de leegheid van jarenlang opgelegd gezag van zich af probeerde te werpen, zag Bodar met lede ogen aan hoe kerk en autoriteit inboette aan macht. De kinderen van de jaren zestig bevrijdden zich wel uit de grot naar het licht.

In de lezing die Antoine Bodar vrijdagavond in Amsterdam uitsprak tijdens de Nacht van de Filosofiekijkt hij ‘met afgrijzen’ terug op de jaren zestig. Het blijft voor hem een raadsel waarom ‘gillende meisjes in het vieze water springen’ als de Beatles door de Amsterdamse grachten varen. – Die meisjes, Bodar, staan voor jarenlange onderdrukking van het moeten geloven op gezag van kerk en autoriteit. In één sprong komt die verdrukking vrij en zet de bevrijding in. Dat ‘vieze water’ is zo veel beter dan alles wat ze met de paplepel ingegoten hebben gekregen.

Bodar begrijpt ook niets van het ‘pijnigend lawaai’ van Rolling Stones en Small Faces. Ook dat staat voor het losscheuren van repressie. Als je je wilt bevrijden, kan je niet zeggen: ‘Pardon, mag ik alstublieft plaats innemen?’ Nee, dan moet je soms op luide wijze laten merken dat je ook bestaat en met veel lawaai, om anderen eveneens wakker te schudden, laten horen dat je er ook bent, een individu bent, een eigen mening hebt, een eigen leven wil leiden, je eigen muziek wil maken, een ‘eigen-ik’ hebt, je uniciteit wil laten zien.


Zijn is zichzelf kiezen. (Jean-Paul Sartre)


Natuurlijk ging die bevrijding met pijn en verdriet gepaard; de ketenen hadden decennialang roestig vastgezeten en ze losmaken – tegen de repressie in – ging moeizaam en chaotisch en bracht veel onrust met zich mee. Dat laatste vooral bij autoriteiten van kerk en politiek. Natuurlijk leidde dat tot een overreactie, opgebouwd uit die decennialange repressie door autoriteiten die niet beter wisten dan dat je het volk eronder moest houden, wilde je je invloed houden. En die invloed duldde geen tegengeluid. Mond dicht. Gehoorzamen. Luisteren. Maar de tegengeluiden lieten zich niet smoren.


Het is niet belangrijk wat men van ons maakt, maar wat wij zelf maken van wat ze van ons gemaakt hebben. Jean-Paul Sartre (Bron: Saint Genêt, comédien et martyr)


En zo werd het witte fietsenplan geboren, kwam de studentenrevolte, werd het Rode Boekje naast de Catechismus gelegd, kwam Jean-Paul Sartre met zijn uitspraak dat de mens alleen datgene is wat hij van zichzelf maakt – in tegenstelling tot wat autoriteiten wilden opleggen. Vrijheid en verantwoordelijkheid van ieder mens kwamen centraal te staan. Mensen wilden zichzelf (terug)vinden, het zelf doen, zichzelf ontwikkelen, loskomen van het verleden, van gedachten wisselen en nadenken over het leven. Mensen wilden zichzelf toebehoren.


Je kunt in elk decennium bijzondere dingen aanwijzen, maar het was nooit zo omvangrijk. Want dat is het bijzondere van de jaren zestig: er was hoogwaardige cultuur op vele fronten, die ook nog eens heel breed gedragen werd. Die combinatie is ongekend. (Geert Buelens)


Alleen de slechte kant van de jaren zestig zag Bodar. Alleen het stof dat opwaaide in die hervormingstijd. Maar als je iets wil opbouwen, moet je ook iets afbreken. En dat ging natuurlijk niet altijd even georganiseerd, zeker als je niet had geleerd voor je zelf op te komen, zelf te denken. Nee, die onderdrukking moest je eerst van je afgooien. Zo werd heftig gefulmineerd en geprovoceerd tegen het gezag van kerk en de macht.


De blik naar het Oosten bracht nogal wat gesjeesde katholieken in de ban van verdovende vaagheid. Ze hoopten daar iets te vinden wat hier ook bestaat, maar was toegedekt: het mysterie van het katholieke geloof dat bij het oude vuil was geplaatst, gelijk met beelden en paramenten. Het heilige in de godsbeleving was aan het teloorgaan en daarmee de zin voor het sacrale. (Bodar)


Bodar verwijt de Beatles hun blik naar het Oosten en de spiritualiteit die dat met zich meebracht. Maar volgens André van der Braak (leerstoel boeddhistische filosofie VU) kunnen we niet meer op de klassieke manier over God praten en moeten we juist nieuwe vormen vinden om aan onze religieuze verlangens tegemoet te komen. ‘Het boeddhisme kan daarbij helpen, omdat het geen transcendente godheid kent. Het kan de leemte vullen die de ontkerkelijking heeft geslagen’.

jaren60_p14Provo’s protesteerden tegen de Vietnamoorlog (1955-1975). In deze oorlog speelde Amerika een grote rol. Amerika voerde namelijk bombardementen in Vietnam uit en gebruikte chemische wapens. (docukit.nl)

D
e priester zit nog altijd in de grot. Te mokken en te simmen over de bevrijdingsbeweging die de jaren zestig heet. Met zo veel vrijheid kon hij niet omgaan. Veel anderen ook niet altijd, maar ze proberen het, ook al gaat dat niet zonder kleerscheuren, maar het echte leven wordt door velen liever gekozen dan het schaduwleven van de grot.

Frappant dat een paar bladzijden verderop in diezelfde Trouw een recensie staat van Tussen drie plagen, van Jaan Kross. Het grote thema in deze roman is de vraag hoever de mens zich kan aanpassen zonder zichzelf te verliezen. – Dankzij de jaren zestig, Bodar, werd die aanpassing een halt toegeroepen. Anders had de mens zichzelf verloren en volgden we nu nog steeds slaafs autoriteiten en bevrijdden we onszelf nooit. Nu is het zaak zo goed mogelijk verder gestalte te geven aan die vrijheid. Dat is niet eenvoudig, maar beter dan vastgeketend weg te kwijnen in de grot van schijnleven.

Zie: Antoine Bodar: ‘Ik vind het misplaatst, die nostalgie over de jaren ’60’ (Trouw – tekst van de lezing die Antoine Bodar vrijdagavond in Amsterdam uitsprak tijdens de Nacht van de Filosofie.)

Beeld: Deze prachtige klei-animatie over Plato’s Allegorie van de Grot laat zien hoe gevangenen in een grot niets zien van de werkelijkheid. Het enige wat ze  kunnen waarnemen is de schaduw van voorbijgangers op de muur. Zo, vond Plato, zien wij de wereld. De gebrekkige beelden die wij met onze ogen zien zijn maar een vage afspiegeling van een perfecte realiteit. Zien we eenmaal die realiteit, dan lijkt het onmogelijk om anderen te vertellen over onze ervaringen en over wat we hebben gezien. (Tijdschrift Generator V)