Filosoferen over een dode God

LepenseurRodin

Filosoof en theoloog Gerko Tempelman presenteert in Lazarus Magazine de serie Filosoferen over een dode God over de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd na de dood van God. Met de bedoeling dat je jezelf beter gaat begrijpen. En daarbij vraagt hij zich af of ze een punt hebben, de theologen die zeggen: ‘Misschien staat God ook weer op’.

Zo gaat het over het lijden dat geen enkele reden heeft, maar waarom we ons er dan zo moeilijk bij neer kunnen leggen; over een moment dat er ooit is geweest dat belangrijke denkers God liever kwijt dan rijk waren, en over Albert Einstein: ‘God dobbelt niet’. God had een rol in de schepping, want het universum was er niet toevallig.

Tempelman heeft het ook over filosoof Charles Taylor die stelt dat postmoderne mensen, zoals jij en ik, meer dan ooit tevoren ervan doordrongen zijn dat wat wij denken en geloven verre van vanzelfsprekend is.

Anders gezegd: 500 jaar geleden leefden mensen in een wereld waarin ze praktisch nooit mensen tegenkwamen die én een beetje normaal waren én heel iets anders geloofden dan zij zelf. Niet in levende lijve, maar ook niet op tv. In de postmoderne tijd zijn we omgeven door mensen die heel iets anders geloven. Tuurlijk, iedereen heeft z’n eigen bubbel, maar we noemen het ‘onze bubbel’, omdat we heel goed weten dat je ook in heel andere bubbels kunt zitten. Het wordt ook wel melting pot genoemd. En de laatste tijd steeds vaker: pressure cooker. Want het levert een hoop stress op.’

Einstein – die in een liberaal Joods milieu opgroeide – sprak ook over God, zo vertelt de theoloog en filosoof, over wie het volgens hem onduidelijk blijft of Einstein gelovig of ongelovig was, maar die zelf zei een diep religieuze ongelovige te zijn: ‘een enigszins nieuwe religie’. Hij geloofde niet dat God een directe invloed heeft op ons.

Einstein geloofde niet in een persoonlijke God, maar in een God die zich openbaart in de harmonie van de natuur en de kosmos. Een God zoals die van Spinoza. En die God, zo dacht Einstein, speelt geen kansspelletjes.’

Tempelman bespreekt een moment in de geschiedenis dat belangrijke denkers God liever kwijt dan rijk waren, het moment waarop de filosofie begon af te rekenen met God. Bijvoorbeeld Voltaire. Die stelde dat de wereld een puinhoop is en daarmee uit. Niks geen groter plan, niks geen goddelijke wijsheid. Of Charles Taylor, die vond dat het 500 jaar geleden een beetje bizar was als je niet in God geloofde en dat het tegenwoordig juist een beetje bizar is als je wél in God gelooft.

Maar de schrijver van de serie vraagt zich eveneens af of de God-loosheid wel iets oplost. Er was een reden dat Immanuel Kant en vele anderen in zijn tijd niet zo ver gingen als Voltaire: ze wilden God graag een plek blijven geven. Ze waren bang voor het idee van betekenisloos kwaad. Ze vroegen zich af: wordt het eigenlijk wel beter zonder God?

Als God dood is, zo stelt Tempelman, heeft ons lijden geen enkele zin en is dat een vooruitgang? In het vierde blog onderwerpt hij de postmoderne tijd en mens aan een kritische blik.

Zie:

Lijden heeft geen enkele reden
Als het ons lukt te leven zonder God
Albert Einstein: ‘God dobbelt niet’
God is dood, de keuzestress leeft…

Beeld: Le Penseur, Musée Rodin, Paris, France  (vacationtc.com)

De mens, zijn illusies en waandenkbeelden

blindemannetje (1)

‘In de grote leegte waarin we ons bevinden zijn we niet alleen. Er is de natuur, de fauna en de flora en er zijn vooral onze tijdgenoten met wie we dit alles delen. Het hoger menstype voelt zich één met alles en allen. In die verbondenheid worden we samen God. De evolutie begon met de aap, leidde tot de mens en uiteindelijk wordt God gecreëerd.’ Dat zegt emeritus hoogleraar jeugdcriminaliteit en radicalisering aan de Radbouduniversiteit Nijmegen, Juliaan van Acker, bij TPO.

In zijn artikel richt hij zich op gedrag en op het aanpassingsvermogen dat de mens verder verwijderd van de aapachtigen. Hij gaat in op de invloed van interne en externe factoren waardoor de mens ‘wordt geleefd’ in plaats van zelf het heft in handen te nemen. Onderzocht wordt welke illusies en waandenkbeelden de mens weten te bekoren.

Dit geldt niet alleen voor de religie en de politiek, want ook de wetenschap en de technologie heeft een betoverende invloed.’

Ten slotte onderzoekt Van Acker wat een hoger menstype zou kunnen zijn. Hij stelt dat mensen lange tijd hebben gedacht dat de moraal werd geopenbaard door een Hoger Wezen en zo de religies ontstonden.

Nu weten we dat de moraal verzonnen is door mensen zelf, want afhankelijk van de cultuur kan de moraal sterk verschillen. In hun wanhoop om de religies te verdedigen zeggen de adepten dat alle religies de liefde voor de naaste verkondigen. Als dat zo is, dan hebben we geen religies nodig, maar een soort Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hier is het niet een Hoger Wezen dat de rechten heeft afgekondigd, maar een groep mensen die pretenderen voor anderen te kunnen spreken. Waar zij die autoriteit dan vandaan halen is een legitieme vraag. Het gevolg hiervan is dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens nogal vrijblijvend is en de mensen niet echt inspireert.’

Zolang mensen denken dat God de geboden heeft geopenbaard, zo vervolgt Van Acker, wordt de moraal met de nodige magie omgeven, zodat de mensen op een of andere manier geraakt worden door iets wat hen te boven gaat.

Dit zijn allemaal illusies en waandenkbeelden die niet hebben verhinderd dat de primitieve territoriumstrijd en de oorlog van allen tegen allen nog steeds doorgaan, zowel in het gezin, de maatschappelijke instellingen, de bedrijven, de politieke partijen, de religieuze sekten als tussen etnische groepen en landen.’

Van Acker stelt dat een ander kwalijk gevolg van vooral de christelijke religie en de daaruit voortvloeiende ideologie van de Rechten van de Mens de nivellering is die in de samenleving is ontstaan.

Het christendom en de Rechten van de Mens dicteren ons dat we voor de zwakkeren moeten zorgen. Die moraal is voortgekomen uit gevoelens van wrok. De zwakkeren kunnen zich slechts tegen de sterkeren verdedigen door hun deugden als ondeugden te definiëren en hun zwakten als deugden: trots en vermetelheid zijn slecht; deemoed, medelijden en gehoorzaamheid zijn goed. De sterkeren beoordelen hierdoor zichzelf vanuit de positie van de zwakkeren. Dit gaat in tegen het belangrijkste evolutionair principe.’

Van Acker stelt dat noch van het christendom, noch van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens we verwachten kunnen dat ze bijdragen aan de evolutie hogerop van de mensheid.

Nog schadelijker noemt Van Acker de religies die van de volgelingen totale onderwerping eisen of politieke ideologieën die tot uniform gedrag leiden.

Zij ontnemen de mensen hun vitaliteit en scheppingskracht en daarmee de mogelijkheid tot een hogere ontwikkeling. Ook het liberalisme kan het aapachtige in de mens aanwakkeren, maar dan in een ‘beschaafde’ vorm onder de noemer van meedogenloze competitie en uitbuiting.’

Van Acker vraagt zich af of we de ontkerkelijking en de secularisatie die meer en meer het huidige tijdperk kenmerken, zouden kunnen beschouwen als een vooruitgang in de menselijke ontwikkeling.

De Verlichting heeft veel mensen al bevrijd van de magie en van religieuze waandenkbeelden. Maar leven we nu niet in de ban van een andere magie? De magie die de wetenschap en de technologie hebben gebracht. Dat laatste is een magie die niet erg opvalt. Het gaat om een soort welzijn, gemak en comfort waardoor de mensen in slaap worden gesust. Friedrich Nietzsche noemt dit ‘het verachtelijk soort welzijn waarvan kruideniers, christenen, koeien, vrouwen, Engelsen en democraten dromen.’ 

De emeritus hoogleraar stelt dat willen we ontdekken waar een hoger menstype te vinden zou zijn, dat we dan verder moeten kijken dan religie en verder dan wetenschappelijke kennis en technologische mogelijkheden.

We kunnen respect hebben voor de diep religieuze mens, maar niet voor zijn waandenkbeelden. We kunnen respect hebben voor de wetenschappers en voor diegenen die prachtige technologische innovaties creëren, maar hun producten kunnen evengoed tot nog verschrikkelijker oorlogen en tot verdere vernietiging van de planeet leiden.’ 

Niemand, zo vindt Van Acker, mag bepalen hoe de mens zich moet gedragen, ook niet de hoogste religieuze of politieke instantie. Vervolgens schrijft hij over het hogere menstype dat openstaat voor de oneindigheid: een oneindigheid die zowel de kosmos betreft als zijn innerlijk zelf.

Noch de religie, noch de politiek, noch de economische behoeften leggen deze mens een dwangbuis op. De hoger ontwikkelde mens bepaalt zelf hoe hij met deze invloeden omgaat. Een eerste vereiste is dat hij afstand kan bewaren, zodat hij controle kan verwerven. Een andere vereiste is een fundamenteel kritische houding die nooit wijkt voor dogmatiek, voor politiek-correct denken of voor uniform denken, ook niet voor wat het zogenaamde ‘gezond verstand’ dicteert.’

Zie: De wereld heeft geen doel: ene mens is meer aap dan andere mens

Beeld: niet-weten.nl

Tomás Halík over het christendom na de religie

thomashalik

Tomás Halík, theoloog-filosoof, schreef Ik wil dat jij bent, over de God van liefde. Het vormt min of meer een eenheid met Geduld met God en De nacht van de biechtvader. Achtereenvolgens handelen ze over geloof, hoop en liefde. Volgens De Nieuwe Koers een uitdagend boek, vol wijsheid, dat je bij de kladden grijpt en niet meer loslaat. Na afloop kun je alleen maar denken: nog een keer lezen. ‘Atheïsme, twijfel, secularisatie en vergelijkbare thema’s spelen voortdurend een rol in Halíks overwegingen, ook als hij schrijft over de liefde’. 

Trouw schrijft bij monde van Pauline Weseman dat de gevierde theoloog indruk maakt met zijn pleidooi voor liefde als tegendeel van narcisme. Volgens Weseman gaat Halík op zoek naar hoe je God, jezelf en je vijand lief kunt hebben temidden van de drie stromingen in het Europa van vandaag: christendom, seculier humanisme en neopaganisme.

God is voor Halík geen object, maar de radicaal andere, een absoluut mysterie waarover we niets weten, behalve dat hij ‘de biosfeer van alle echte liefde’ is: God gebeurt, echte liefde gebeurt daar waar we liefhebben.’ (Weseman)

Het christendom na de religie, zo luidt de ondertitel van Ik wil dat jij bent. Dit doet De Nieuwe Koers herinneren aan de theoloog Bonhoeffer die in de oorlogsjaren al sprak over het ‘einde van de religie’ en over de betekenis daarvan voor het christendom.

In de loop van de naoorlogse jaren – in Nederland vooral na 1960 – hebben nogal wat theologen laten weten hoe het christelijk geloof opnieuw vormgegeven moest worden, met het oog op de secularisatie en het wegvallen van de vanzelfsprekendheid van religie. Niet zelden hintten die theologen op uitwegen die ook letterlijk een ‘weg uit de kerk weg’ waren, met daarbij stevige effecten op de geloofsinhoud. Zo’n type theoloog is Halík niet. Misschien kun je hem een secularisatietheoloog noemen, maar dan wel eentje van een veel latere generatie dan zijn beruchte vakbroeders uit de jaren zestig. Het verschil maakt Halíks politieke en kerkelijke achtergrond.’ (De Nieuwe Koers)

Volgens Tjerk de Reus, van Het Goede Leven, kijkt Halík kritisch naar verschillende kanten, zegt hij ronduit dat hij de algemene, seculiere definitie van liefde wil verrijken: met de liefde voor de vijand en de liefde voor God.

Voor hem zijn dit cruciale aspecten van de liefde, die ook duidelijk maken dat het hedendaagse idee van tolerantie te mager is. Hij verdiept dus het beeld van de liefde, tot een gebeuren waarin de mens zichzelf overstijgt of over zijn eigen grenzen wordt getrokken. In de ware liefde, die meer met trouw, aanvaarding en nederigheid te maken heeft dan met emoties, vinden we God, aldus Halík. Dat betekent niet dat God opgaat in onze liefdeservaringen, eerder geeft dit besef een nieuwe, ook kritische inhoud aan de liefde.’ (Tjerk de Reus)

Weseman stelt dat de uiterst belezen Halík met zijn analyse van zelfverafgoding de kern raakt en een merkbaar doorleefde weg daaruit biedt: de impopulaire weg van eigen verantwoordelijkheid nemen, zelfopoffering en zelfreflectie die ongetwijfeld zal schuren bij menig lezer.

Natuurlijk is zijn uiteindelijke boodschap dat we elkaar lief moeten hebben, maar die wordt des te krachtiger doordat hij pijnlijke thema’s behandelt die de liefde op de proef stellen, wanneer de liefde niet vanzelf (meer) gaat, zoals in relaties, na de Holocaust of bij andersdenkenden. Een waardevolle aanvulling in het huidige religiedebat.’ (Weseman)

Zie:

Ik wil dat jij bent – Het christendom na de religie | Tomás Halík | Uitgeverij Boekencentrum | 10 mei 2017 | € 19,90 

Heeft God iets met het leven te maken?

20170412_Helmich3

‘Nieuw centrum onderzoekt oorsprong van leven en het universum’ kopt Science LinX van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) in het eerste deel van een serie artikelen over het Origins Center, een virtueel centrum waarin wetenschappers uit diverse disciplines samenwerken. Astrochemicus Frank Helmich zegt hierover:

Er ontstaan al allerlei nieuwe verbindingen. Zelf heb ik bijvoorbeeld al kennis gemaakt met onderzoekers van Levenswetenschappen hier in Groningen, zoals hoogleraar ecologie Han Olff en theoretisch bioloog Franjo Weissing.’ Als sterrenkundige, betrokken bij verschillende grote projecten zoals de infrarood ruimtetelescoop Herschel, komt Helmich doorgaans weinig biologen tegen. Maar vanwege zijn achtergrond in astrochemie en exoplaneten zijn er wel degelijk gemeenschappelijke interesses.’

Hoe is het leven op aarde ontstaan en hoe werkt evolutie?’ ‘Kunnen we een synthetische cel bouwen?’ ‘Is er leven op andere planeten?’ ‘Wat is de oorsprong, geschiedenis en toekomst van het universum?’ Dit zijn een paar van de vragen, grote vragen, die zijn ingediend voor de Nationale Wetenschapsagenda, een project dat in 2015 is gestart om er achter te komen wat de Nederlandse bevolking wil weten.

In 2015 mochten alle Nederlanders onderzoeksvragen voor wetenschappers bedenken. Veel van die vragen gingen over de oorsprong en ontwikkeling van het leven, van de aarde en van het universum. Die vragen zijn nu gebundeld in een onderzoekroute voor de Nationale Wetenschapsagenda. Astrochemicus Frank Helmich, die werkt bij SRON Ruimteonderzoek en het Kapteyn Instituut van de RUG, is de projectleider van deze route in de opstartfase.’

SchemaRoute4

Wat je niet verwacht is dat er ook gesproken wordt over de vraag of God iets te maken heeft met de oorsprong van het leven, zowel op aarde als in het heelal. Het Origins Center wil ook – zo meldt hun schema – buitenaards leven vinden, wellicht vinden ze dan God? Die kan, als Hij transcendent is, boven- of/en buitenaards zijn. De vraag of God er iets mee te maken heeft, wordt werkelijk gesteld bij het Origins Center. Echter, komen er dan (wetenschappelijke) antwoorden? Ik lees nergens of er een theoloog of filosoof aan het RUG-onderzoek naar de oorsprong van het universum meewerkt. Maar misschien komt het antwoord van iemand van Levenswetenschappen.

Het idee is dat die vragen is dat ze nieuwe onderzoeksprogramma’s gaan opleveren waarvoor de overheid extra geld beschikbaar zal stellen. De ruim elf duizend vragen zijn daarom gegroepeerd in 25 ‘onderzoekroutes’. Een daarvan, Route 4, kreeg als naam De oorsprong van het leven – op aarde en in het heelal. Deze route moet de hierboven genoemde vragen aanpakken en nog meer, waaronder de vraag of God er iets mee te maken heeft.’

Zie: Nieuw centrum onderzoekt oorsprong van leven en het universum

Illustraties: Origins Center

Er wordt ook een tweedaags symposium georganiseerd: ‘Fundamentals of Life in the Universe’, op 31 augustus en 1 september in Groningen.

Godsdienst is er omdat God er is

religiao-jpg

Filosoof Ger Groot draait bovenstaande om: God is er omdat er godsdienst is. Hij moet wel, als ‘overtuigd ongelovige’. Blijkbaar als een soort uitkomst van een lange worsteling van de filosofie met religie. Of van radicale twijfel. De mens is echter van nature religieus, ongetwijfeld, met of zonder twijfel. Dan krijg je vanzelf vele vormen van godsdienst. Vanuit de bron van innerlijk weten ontstaan geloofsleren, rituelen en tradities, omdat je met lichaam en ziel aanvoelt dat er meer is in dit ondermaanse. Dat kan je God noemen, of de Alomvattende, of Kosmische Intelligentie.

Er is in de filosofie natuurlijk niet zoiets als een ‘uitkomst’ van een lange worsteling. Het is ook geen worsteling, we denken gewoon na over het leven en God, en dat is geen gevecht maar wel een boeiend treffen. God zit nu eenmaal in de mens, in vele gedaanten en gedachten. Hij ‘ademt’ God.

Toen we nog wat eenvoudiger dachten, waren we animisten en zagen de kracht in donder, regen, wind en vuur. Het ontzag voor de natuur was groot. We zagen de geest erin, het woord God was er nog niet. We geloofden wel in de geestkracht van onze overleden dierbaren. Niet voor niets begroeven we hen. We geloofden in het onzichtbare. In het woord animisme, ook wel een natuurgeloof genoemd, zit de Latijnse betekenis adem en geest. Dan kom je al gauw uit bij de oude Grieken.

Voor de oude Grieken was de wereld vol van ademtocht, psuchè (van psuchein: blazen.) De psyche werd niet als mysterieuze kracht gezien, maar als energie die door de kanalen van het lichaam stuwt. Dat is al zo vanaf de eerste mens. ‘Psyche’ kreeg in de loop der tijden een goddelijke status. En op alle mogelijke manieren geven we daar vorm aan. Ger Groot laat dat zelfs uitgebreid zien en horen in zijn boek De geest uit de fles – hoe de moderne mens werd wie hij is.

Dit boek is een geschiedenis van de moderne filosofie en een zinnenprikkelende beschouwing ineen. Ger Groot laat zien en horen hoe wij, zelfbewuste én onzekere mensen aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zijn geworden wie we zijn. Sinds Descartes heeft de radicale twijfel zijn intrede gedaan en is ‘de geest uit de fles’. De filosofie van de afgelopen vier eeuwen laat zich beschrijven als één lange worsteling met de erfenis van de religie. (Lemniscaat)

pk-geest-uit-de-fles-w-

Filosofie is geen worsteling met (de erfenis van) de religie, het zijn meer talloze denkwijzen erover, niemand weet immers wie of wat God precies is. Godsdienst geeft er slechts een onbeholpen vorm aan, maar kan ook leiden tot een schitterende opera. Of tot een lied als God is mijn licht, mijn zaligheid van Clemens non papa, waarnaar bijzonder hoogleraar Filosofie en literatuur Ger Groot verwijst in zijn boek. Hij geeft er trouwens vele beeld- en geluidsfragmenten bij. Het lijkt me een interessant boek. Waar een ieder zijn eigen conclusies uit kan trekken.

Niet alleen de filosofie, maar de hele cultuur is van die worsteling doordrongen. In muziek is ze te horen, in beeldende kunst te zien, in de keuken te proeven, in de architectuur te bewonen, in de tuinaanleg te doorwandelen. Dit boek doet een beroep op alle zintuigen. Het bevat een groot aantal schitterende illustraties en verwijzingen naar de geschiedenis van de muziek, opera, toneel en film. De bijbehorende beeld- en geluidsfragmenten zijn te bekijken en beluisteren via qr-codes in het boek en de site degeestuitdefles.com. Dichterbij kan filosofie niet komen!’ (Lemniscaat)

En via de adem kom je ook al gauw bij de Griekse filosoof Plato die over levensadem of psyche spreekt. Psyche noemen we tegenwoordig geest of bewustzijn. Of de eeuwige geest. De ziel van de mens behoort tot de zijnssfeer van de geest, zei Plato. De ziel is onsterfelijk en vormt de brug tussen het aardse leven en de eeuwige Ideeën, de bron van alle kennis. Voor Groot blijft religie een raadsel: dat het nog altijd kan voortbestaan en waarover we niet uitgepraat raken. Inderdaad, en dat komt omdat God er is en dan zal er altijd iets zijn als godsdienst. En niet andersom, zoals Groot in NieuwWij denkt.

De fles uit de geest – hoe de moderne mens werd wie hij is | Ger Groot | ISBN 9789047709435 | € 34,50 | 260 pag.

Bovenstaande citaten komen van Lemniscaat Filosofie

Beeld: tele-fe.com

De relevantie van Godsargumenten

emauelrutten-1

Overdenkingen, zo heet het nieuwe boek van filosoof Emanuel Rutten, dat in maart verschijnt. Eerder schreef hij met Jeroen de Ridder En dus bestaat God, waarin acht Godsargumenten worden beschreven. In Overdenkingen maakt hij de stap van het algemeen theïsme naar het christendom, gericht op zijn wijsgerig denken over het Christendom. Student Rahib Khawaja interviewde Rutten over samenwerking tussen moslims en christenen, naar aanleiding van Ruttens gastcollege over Godsargumenten op de Islamitische Universiteit Rotterdam.

In het interview wordt gesproken over de herleving – vooral in Amerika – van het geven van rationele argumenten voor het bestaan van God. Rutten zegt dat de klassieke argumenten sterk verbeterd zijn, en stelt dat alle kritiek van met name Immanuel Kant, David Hume en Bertrand Russell op de klassieke argumenten grotendeels is weerlegd, en er nieuwe interessante argumenten zijn bijgekomen.

Zo heeft bijvoorbeeld Alvin Plantinga een moderne versie uitgewerkt van het klassieke ontologische Godsargument van Anselmus. En Alexander Pruss heeft enkele bestaande Godsargumenten sterk verbeterd. Ik heb hem wel eens de Aquino van onze tijd genoemd. Het is een buitengewoon interessant filosoof.’

In Nederland houdt eigenlijk alleen de VU zich ermee bezig. En dan vooral Rutten, die het modaal-epistemisch Godsargument, het argument vanuit atomisme en causalisme, en meer recent ook het zogenaamde semantische argument ontwikkelde.

Khawaja vraagt Rutten of theïsten zoals moslims en christenen samen kunnen werken inzake godsdienstfilosofie en meer specifiek op het gebied van het onderzoeken en ontwikkelen van rationele Godsargumenten. Rutten bevestigt dat want die Godsargumenten zijn geldig voor álle theïstische tradities, of dat nou de islam, het christendom of het Jodendom is.

De filosoof van de Godsargumenten zegt iets meer te willen weten over de klassieke Godsargumenten uit de islamitische traditie, daar bijvoorbeeld versies van het Leibniziaanse Godsargument ook geformuleerd werden door islamitische geleerden.

Rutten zegt het eens te zijn met prof. William Lane Craig, dat het van belang is dat gelovigen zich wat meer verdiepen in de rationele argumenten voor het bestaan van God, al was het maar om niet gelijk uit het veld geslagen te worden bij de eerste de beste tegenwerping van een atheïst.

Als ze geen énkele kennis hebben van Godsargumenten en op geen enkele manier kennis hebben opgedaan over de weerleggingen van atheïsme, dan worden ze vaak snel onzeker. Ze raken dan uit het veld geslagen. Bij de eerste de beste tegenwerping heeft men dan geen repliek. Ik heb ook gezien dat veel van die jongeren daardoor hun geloof opgeven. Dat vind ik zonde, want dat is gewoon niet nodig. Er zou dus meer kennis moeten zijn over de Godsargumenten.’

De filosoof verwijst naar En Dus Bestaat God, waarin acht Godsargumenten op een vrij toegankelijke wijze worden uitgelegd, ook voor niet-ingewijden. Het is geïllustreerd met allerlei plaatjes en uitleg. Volgens Rutten zou dit boek binnen de islamitische geloofsgemeenschap óók gewoon behandeld kunnen worden, want het betreft algemeen theïsme en gaat niet over het christendom noch over de islam maar simpelweg om goede argumenten voor het bestaan van God.

In het interview gaat het ook over de weerleggingen van de Godsargumenten door de atheïstische filosoof Dr. Herman Philipse, in het boek God in the age of science. Rutten toonde zijn falen aan, meent zelfs dat alle pogingen van Philipse om de Godsargumenten te weerleggen falen.

Khawaja stelt dat sommige gelovigen niets hebben met Godsargumenten, godsdienstfilosofie en dat soort ‘logisch geneuzel’. Rutten antwoordt hierop dat Godsargumenten niet noodzakelijk zijn om intellectueel verantwoord te geloven en dat je ook zonder die argumenten kan geloven.

Ik denk echter wèl dat die argumenten belangrijk zijn om de redelijkheid van het geloof te laten zien. Vooral als je er ook over bevraagd wordt. Hierbij kan ik vanuit de christelijke traditie verwijzen naar een uitspraak van Petrus. Hij schrijft in de bijbel dat je als Christen ten allen tijde bereid moet zijn om de hoop die in je is te verdedigen. Daarnaast schrijft Paulus in brieven aan de Romeinen dat het bestaan van God reeds uit de schepping kan worden afgeleid.’

Ten slotte stelt Rutten dat gelovigen vaak weggezet worden als irrationeel, intellectueel onverantwoord of onzinnig. Goede argumenten zijn dan toch belangrijk.

Er wordt hierdoor weer ruimte geschapen om het geloof in God als een redelijke optie te zien. Het wordt dan weer een optie onder de opties. Het wordt dan weer een mogelijkheid die op tafel kan komen in plaats van te worden weggezet als irrationeel of onzinnig.’

 Zie: Fides Quaerens Intellectum (Geloof op zoek naar inzicht)

Foto: YouTube (Video gastcollege Emanuel Rutten)

Dr. ir. Emanuel Rutten (1973) is filosoof en als onderzoeker en docent verbonden aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. In de tweede helft van dit jaar komt er nog een boek van de filosoof uit: Het Retorische Weten. Daarin wordt Ruttens volledige filosofische systeem behandeld. Het omvat kennisleer, metafysica en esthetiek.