‘Ik geloof omdat het absurd is’

personal-coach-success

Er was weer eens een voordracht over de vraag of God bestaat. ‘God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven,’ luidde de titel van de lezing die hoogleraar geloof en wetenschap (VU) Gijsbert van den Brink (auteur van En de aarde bracht voort) hield tijdens de studiedag van het boek Mijn Vader, uw Vader van Bram van de Beek. En dan over het hoofdstuk Bestaat God?. ‘Iets kan alleen een godsbewijs zijn als het alle redelijk denkende mensen overtuigt van het bestaan van God.’

Van den Brink verbaast zich over de antithese in het boek. Eerst lijkt Van de Beek (emeritus hoogleraar theologie VU) te ontkennen dat God bestaat, maar in het tweede deel wordt dat op tal van manieren bestreden.

De belijdenis van het bestaan van God wordt door Van de Beek zeer omzichtig benaderd. Het bestaan van God, zo zegt hij Tillich na, kan alleen maar bevestigd worden als we ons realiseren dat God geen entiteit is zoals andere entiteiten.(…) Terwijl niemand in een foutief godsbegrip een reden zal zien om het bestaan van God te ontkennen, zegt Van de Beek ronduit dat God in dat geval niet bestaat.’

Klassiek gesproken volgt de vraag hoe God bestaat op de vraag of Hij bestaat.

Immers, pas als we weten dat God bestaat, heeft het zin om door te vragen naar de precieze aard van zijn bestaanswijze (‘bestaan’ is nu eenmaal geen predicaat maar voorwaarde voor predicatie). Maar Van de Beek haalt deze twee vragen, die de kerk altijd zo zorgvuldig onderscheidde, door elkaar. De vraag of God bestaat wil hij blijkbaar pas beantwoorden als eerst duidelijk is hoe God bestaat. En als daarop niet het goede antwoord volgt, dan bestaat God blijkbaar niet.’  

Van den Brink stelt helder dat het eerste wat in een christelijke godsleer gezegd moet worden is: God bestaat, punt. Over goede redenen voor het geloof in Gods bestaan hoort hij Van de Beek niet.

Wel spreekt hij veel over godsbewijzen. Het is alleen jammer dat hij nergens definieert wat een godsbewijs precies is. Impliciet hanteert hij een hele strikte definitie: iets kan alleen een godsbewijs zijn als het alle redelijk denkende mensen overtuigt van het bestaan van God. En tot dusver niet alle redelijk denkende mensen overtuigd zijn geraakt van het bestaan van God, is het duidelijk dat godsbewijzen niet werken. Je hoeft ze dus eigenlijk niet eens te bestuderen (wat Van de Beek dan ook nauwelijks doet), het staat in feite bij voorbaat al vast dat ze ondeugdelijk zijn.’

Afhankelijk van waar iemand zich precies bevindt in zijn denken, vindt Van den Brink, bijvoorbeeld over het ontstaan van de kosmos, of over de orde in de wereld, of over de doelgerichtheid in de evolutie, kunnen godsbewijzen wel degelijk tot inzicht leiden.

Over godsbewijzen, door de hoogleraar geloof en wetenschap beter godsargumenten genoemd, wil hij niet schermen met anderen door evidence, bewijsmateriaal. Hij verwijst naar de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga die laat zien dat het, om te geloven op een manier die epistemologisch in de haak is, helemaal niet nodig is om te kunnen wijzen op evidence voor het geloof, dus om er godsbewijzen op na te houden.

Dat komt doordat Plantinga (met vele anderen) een zogeheten externalistische kennistheorie verdedigt, waarbij het mogelijk is om over kennis te beschikken zonder dat je kunt vertellen hoe die precies tot stand gekomen is (bepalend daarvoor is of onze kennisproducerende vermogens naar behoren functioneren). Plantinga en de zijnen geven allerlei voorbeelden van zulke doorgaans betrouwbare ‘beliefs’ die niet evidence-based zijn. Aan de hand van Plantinga zou ik dus prima het gesprek aan kunnen gaan met collega’s die menen dat alleen evidence-based science tot kennis kan leiden.’

Van den Brink vindt het belangrijk dat die collega’s (die niet-gelovig zijn) inzien dat het helemaal niet onredelijk is om in God te geloven. Hij vindt het jammer dat Van de Beek mensen als Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder (En dus bestaat God), Stefan Paas en Rik Peels (God bewijzen) niet noemt.


‘Ik geloof omdat het absurd is’ (Latijn: Credo quia absurdum) Het moet wel waar zijn, omdat het zo absurd is; het moet wel waar zijn, omdat het strijdig is met de rede, het verstand) (ANW)(Niet letterlijk) uitgesproken door kerkvader Tertullianus, naar wie Van den Brink verwijst in zijn lezing. Van deze kerkvader is de uitspraak: ‘De zoon van God is gestorven; dit is geloofwaardig, omdat het absurd is. En eenmaal begraven herrees hij; dit is zeker, omdat het onmogelijk is’.


Zie: God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven (Theoblogie)

Beeld: vgeorgiev.org

Dogmavrij en diepgelovig

femtalkparadisoingebosscha

Inge Bosscha zegt op haar site Dogmavrij: ‘Of God bestaat? Ik denk het niet. Maar ik voel het wel.’ Zij haalt Arthur Rubinstein aan: ‘Ik geloof niet in God. Ik geloof in iets veel groters.’ Inge bekent eigenlijk nog steeds dat diepgelovige meisje te zijn. Dat is ook de titel van haar jongste blog. Ze gelooft echt dat er meer is. Iets universeels, een levensbron. ‘Je mag het ‘God’ noemen, maar geef het ook gerust een andere naam. ‘God’ is immers nogal een beladen woord.’

Hé Ing, hoe zit dat nou eigenlijk, ben je nou wel of niet gelovig?’ Pffff… Ik krijg altijd een beetje buikpijn van die vraag. Niet alleen vanwege bliksemsnelle associaties met “en gij, wie zegt gij dat Ik ben” en “wat dunkt u de Christus”, maar vooral vanwege het belang dat van mijn antwoord lijkt af te hangen.’

Inge kan er niet goed tegen wanneer iemand probeert te bepalen of zij ‘binnen’ is of ‘buiten’. Voor haar bestaat er helemaal geen ‘binnen’ en ‘buiten’. Zij ìs.

Misschien verbeeld ik het me, maar degene die deze vraag stelt, lijkt een bepaalde voorkeur te hebben, lijkt te hopen op een bepaald antwoord. Misschien om zeker te weten dat ik inderdaad ‘fout’ ben, misschien om gerustgesteld te worden dat ik toch nog aan ‘de goede kant’ zit. Misschien om alleen maar even te weten of hij/zij mijn stukjes nou wel of niet oké mag vinden…’

Inge Bosscha (1977) groeide op als oudste dochter in een behoudend en zeer groot Gereformeerd Vrijgemaakt gezin, op het Zeeuwse eiland Walcheren. Vrijwel iedereen, familieleden, klasgenoten en al haar vrienden en vriendinnen waren ‘van de kerk’. Zij had nooit verder leren kijken dan haar neus lang was. Op haar site kan je lezen hoe dit veranderde en wat dat met haar heeft gedaan. En dat doet Inge heel zuiver; dat maakt Dogmavrij bijzonder. En het legt de vinger subtiel op de zere plek.

Toen ik deze site net begon, was mijn doel vooral om de pijn van ‘de eilandverlater’ zichtbaar en bespreekbaar te maken. Naarmate ik langer schrijf, merk ik dat mijn doel verandert in ‘zoeken naar verbinding en respect’. Ik probeer dingen van meerdere kanten te bekijken en ik sla vast de plank ook heel vaak mis. Maar ik hoop dat bezoekers van deze site toch vooral de pogingen tot verbinden zullen opmerken. En de liefde.’

Of ze nou in het hokje ‘gelovig’ of ‘ongelovig’ wordt geplaatst, Inge voelt de neiging om te pleiten voor het tegendeel. Het ligt er altijd maar net aan hoe men ‘geloven’ definieert en waarin zij verondersteld wordt te geloven.

Eén van de doelen van Dogmavrij is juist om ruimte te maken voor alle verhalen. Elk persoonlijk verhaal mag er zijn. Dus ook dat van mij, iemand die vanbinnen altijd een diepgelovig meisje is gebleven.’

dogmavrijHet ‘gereformeerde godsrestantje’ zal wel verdwijnen dacht ze eerst, maar dat doet het niet. Integendeel, zij schrijft om te vertellen dat zij zichzelf nog altijd ervaart als diepgelovige. Onlangs gaf ze een FEM talk in Paradiso. (In Fem Talks wil Vrijzinnigen Nederland vrouwen een stem geven.) Ze werd toen finalist met Zie de mens, waarin haar thema ‘verbinding’ was, in een schrijfwedstrijd voor vrouwen. In haar blog wordt ze ook steeds openhartiger.

Ik aarzel al weken om dit te zeggen. Ik aarzel, omdat ik het als onrechtvaardig en misplaatst heb ervaren dat, toen ik mezelf profileerde als ‘afvallige’, er deuren voor me sloten, terwijl andere deuren voor me openden. En ik vermoed dat hetzelfde zal gebeuren wanneer ik mezelf neerzet als ‘gelovige’. Dan slaan er opnieuw deuren dicht, terwijl ergens anders juist weer deurtjes aarzelend op een kier komen te staan.’

Inge wil zich in het schemergebied van ‘afvallige’ en ‘gelovige’ verbinden met alle gelovige en ongelovige mensen. Dat schemergebied is haar werkterrein geworden waar zich de twijfelaars bevinden, de niet-weters, de zoekers, de mensen die niet meer zo stellig schreeuwen, maar voorzichtig fluisteren.

Ik deins terug voor zekerheid. Tegelijk omarm ik de mens die zich daaraan vastklampt. Ik herken en begrijp de behoefte, maar voor mij is die noodzaak verdwenen. En dat voelt vrij en fijn. Niet ‘beter’, ‘hoger’ of ‘verder’, maar anders, een andere manier van naar het leven kijken.’

met-liefdeAls je Dogmavrij, de overtuiging voorbij leest, kom je er al gauw achter dat dit haar goed afgaat. Inge is niet tegen dogma’s, maar voor vrijheid. Vrijheid om zelf te bepalen welke dogma’s je wilt omarmen en welke je wilt loslaten. En zij nodigt graag anderen hiervoor uit. Op Facebook heeft Dogmavrij een steungroep die overigens alleen te vinden en te lezen is door leden.

En jij? Beschouw jij jezelf (nog) als een gelovige? Of worstel je misschien met je ongeloof, omdat je vindt dat je eigenlijk meer ‘gelovig’ zou moeten zijn? Vind je ‘geloven’ maar onzin en ben je blij dat je daar niet (meer) aan doet? Ik ben benieuwd naar jouw ervaringen met hokjes en vakjes rondom het thema ‘geloven’. Ik zou het heel gaaf vinden wanneer je er iets over wilt delen.’

Zie: Eigenlijk ben ik nog steeds dat diepgelovige meisje

Beeld: Inge Bosscha bij Fem Talks (dogmavrij.nl)