Witboek Evolutionaire Biologie voor bijzonder onderwijs

DistinguishingScienceAndMetaphysicsInEvolutionAndReligion

Het Lorentz Center (Leiden University) houdt vanaf vandaag een vijfdaagse workshop over evolutionaire biologie en religie. De bedoeling is een dialoog tussen theologen, evolutionaire biologen, religieuze wetenschappers van verschillende religies en levensbeschouwingen (inclusief atheïsme) en filosofen van de wetenschap. Ook wil men misverstanden en karikaturen wegwerken, een gemeenschappelijk begrip bereiken over de onderlinge relatie tussen religie en wetenschap, en debatteren over ‘grensgeschillen’: hetzij wanneer de wetenschap te veel beweert (zoals in de filosofie van het ‘sciëntisme’) of wanneer religie inbreuk maakt op de wetenschap (zoals intelligent ontwerp of creationisme). 

In de media is er summier iets over te vinden, behalve een klein berichtje achter een betaalmuur in het ND en een kritisch artikel op Logos. Oninteressant voor de media of komt alle aandacht pas achteraf?

Veel interessante sprekers zijn er actief, zoals Gijsbert van den Brink, Marcel Sarot, Herman Philipse, Jeroen de Ridder, René van Woudenberg, Ab Flipse, Gerdien de Jong en 20 anderen. Het programma lijkt boeiend genoeg. Onderwerpen zijn onder meer een historisch perspectief op de relatie tussen wetenschap en religie; maar ook over een historisch perspectief op de relatie tussen de evolutionaire biologie en religieuze geloof in Nederland; over evolutie en jodendom: problemen en vooruitzichten; en over evolutie en islam in Turkije. Gijsbert van den Brink zal het hebben over evolutie en christendom; Gerdien de Jong over wetenschap en theïstische religie. Meer over het programma is hier te vinden.

Het Logos Instituut reageert nu al kritisch op het congres: ‘Evolutiecongres wil Nederland klaarstomen voor (theïstische) evolutie’. ‘Kritische noot en alternatieven ontbreken’. Logos ziet daar vooral veel theïstische evolutionisten rondlopen en veronderstelt, bij monde van de stichter ervan, creationist Jan van Meerten, dat dit congres niets anders is dan een strategische zet om (theïstische) evolutie in de scholen en kerken onderwezen te krijgen en het klassieke scheppingsgeloof de deur te wijzen. Het Lorentz Center wil inderdaad op dag vier een Witboek schrijven over het programmeren van evolutionaire biologielessen in het bijzonder onderwijs. Onder meer moeten er antwoorden gevonden worden op de vraag hoe om te gaan met studenten en docenten die weigeren de evolutie te accepteren.

Het klassieke scheppingsgeloof is voor veel (theïstische) evolutionisten een doorn in het oog. Zeker als deze visie op de werkelijkheid ook nog eens onderwezen wordt op scholen. Hoe trekken we ook deze halsstarrige evolutieweigeraars over de streep? Iedereen zou de filosofie van universele gemeenschappelijke afstamming toch moeten accepteren? Hoe gaan we om met docenten en studenten die de filosofie van universele gemeenschappelijke afstamming over deep time niet kunnen accepteren? Dat lijken de vragen op het congres dat volgende week (27-31 augustus 2018) zal plaatsvinden.’ (Logos)

Van Meerten veronderstelt dat de organisatie het erom gaat of evolutie en geloof te combineren zijn. Hij vindt dat vanuit het programma echter wel duidelijk wordt dat dit geen vraag is, maar als gegeven wordt verondersteld. Zijn argwaan is wellicht groot omdat de organisatie  in handen ligt van theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink, bekend van het theïstisch evolutionistische boek En de aarde bracht voort, en bioloog dr. Duur Aanen, bekend van het protest tegen het proefschrift van de in 2013 gepromoveerde Joris van Rossum. 

Een kritische noot op universele gemeenschappelijke afstamming over deep time ontbreekt volledig. Laat staan dat er wetenschappelijke alternatieven als het scheppingsparadigma en/of Intelligent Design aan bod komen. Hoe ver zijn we in de evolutie-acceptatie en welke hordes moeten er nog worden genomen? Dat lijkt de hoofdvraag van dit evolutiecongres.’ (Logos)  

Wellicht is het congres toch interessant genoeg en vinden we in de media later verslagen terug. Het blijft vreemd dat er nu slechts in de krochten van internet beperkte informatie vooraf te vinden is. Het Lorentz Center lijkt vooralsnog vooral binnenskamers te willen blijven en/of nauwelijks gehoor te vinden bij de media.

Hoe monniken bezield naar de hemel klimmen

sky-wind-line-tower-mast-metal-1160459-pxhere.com

In het Catharijneconvent in Utrecht gaf historicus Krijn Pansters (Tilburg University) op 9 augustus een college over ‘Constructieve mystiek’ in de middeleeuwen. Oftewel, bouwen voor en aan de ziel. Daarmee klimmen ‘spirituele bouwmeesters’ naar de hemel. Dat doen zij vooral door het bouwen van kloosters. De afmetingen en inrichting van de monnikenverblijven ondersteunen het zielenleven en zielenheil van de bewoners. De ziel zelf zou opgebouwd en ingericht zijn als een soort klooster, een metaforische woning waarin een monnik thuis kan komen.

Op een dag was ik druk met mijn handen aan het werk toen ik begon na te denken over ons spirituele werk. Op een en hetzelfde moment kwamen toen vier fasen van spirituele oefening in me op: lezing, meditatie, gebed en contemplatie. Deze vormen een ladder waarop monniken van de aarde naar de hemel konden klimmen… Lezing is de nauwkeurige bestudering van de schrift… Meditatie is de nauwgezette toeleg van de geest… Gebed is de devote gerichtheid van het hart op God… Contemplatie gebeurt wanneer de geest op een of andere wijze verheven wordt tot God en boven zichzelf uitstijgt.’ (Guigo II [Kartuizer], ± 1188 – De ladder van de monniken 2)

En zo ontstaan veel kloosterordes, dikwijls op initiatief van een charismatische enkeling. Ordes van onder meer de Benedictijnen, Cisterciënzers, Kartuizers, Premonstratenzers, Franciscanen, Dominicanen en Karmelieten. Het Catharijneconvent zelf is rond 1500 een karmelietenklooster, waar later de orde van de Johannieters intrekt. Die orde bidt niet alleen voor en aan de ziel, maar ook voor en aan het lichaam, en bouwt hospitalen. Op het Vredenburg (het toenmalige Catharijneveld) in Utrecht leiden zij tot 1529 een hospitaal: het Catharijnegasthuis. Je ziel woont in je lichaam, daar moet je zuinig op zijn, is de gedachte. Bouwen is in de middeleeuwen ook een veelgebruikte metafoor in de theologie: het gaat dan over bouwen, bouwwerken en fundamenten. In de stilte van de verrezen kloosters is God te vinden. En in die kloosters wonen de ‘stiltespecialisten’.

Zo zijt gij dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl de sluitsteen Christus Jezus zelf is, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer. In Hem wordt ook gij mee opgebouwd tot een woonstede van God, in de Geest.’ (Paulus, Efeziërs 2, 19-22)

La_Grande_Chartreuse

Thuiskomen dus bij je eigen ziel. Niet alleen door bouwen, maar vooral ook door bidden: een oefening voor het ‘opbouwen van de mens’. Bidden, door Augustinus als ‘dialoog met God’ omschreven – al kan het eenrichtingsverkeer zijn – gaat ook vanuit het hart, zonder woorden. Dat bidden gebeurt vanuit een cel – die mag niet te klein zijn, dat is ongezond voor de geest. Sommige kloosters bouwen daarom voor hun kloosterlingen kleine woningen, zoals Grande Chartreuse in Grenoble. Afmetingen vind je ook terug in metaforische teksten.

‘[De mens] moet met behulp van Gods genade in zichzelf een bouwwerk oprichten van deugden, driehonderd el [210 meter] lang in het geloof in de Heilige Geest, vijftig el [35 meter] breed in de liefde, en dertig el [21 meter] hoog in de hoop die in Christus ligt; een gebouw dat lang is in goede werken, breed in liefde, en hoog in verlangen, zodat zijn hart mag zijn waar Christus gezeteld is aan de rechterhand van God.’ (Hugo van St. Victor [kanunnik, scholastisch filosoof, 1097 – 1141] De archa Noe, 1,18)

Dionysius de Kartuizer verlangt er ook naar dat anderen God aanbidden. Hij vindt tevens dat we voor iedereen moeten bidden. ‘Voor de levenden en de doden en in het bijzonder voor onze buren, voor hen die aan onze zorg zijn toevertrouwd en voor onze weldoeners. Bovenal moeten we bidden voor het algehele welzijn en voor onze naasten’.

Kloosters zijn soms ook een tegenhanger van met opsmuk opgetuigde kerken, waarover Bernardus van Clairveaux in Apologie 12 stelt:

Ik heb het nog maar niet over de gebedsruimten, geweldig hoog, mateloos lang en onnodig breed, kostbaar afgewerkt, zorgvuldig gedecoreerd. Al dat moois trekt de aandacht van mensen die er bidden en vormt zo een belemmering voor hun innerlijk leven.’

Bron: Het college ‘Bouwen aan de ziel’ is onderdeel van de tweedelige collegereeks van de Tilburg School of Catholic Theology, ter gelegenheid van de zomertentoonstelling Shelter. A contemporary intervention (1 juli t/m 9 september 2018) waarin hedendaagse kunst een verrassende ontmoeting heeft met het 550-jarige klooster van Museum Catharijneconvent en de kunstschatten die het bevat. De bijpassende citaten in dit blog komen van Krijn Pansters.

Beeld: Foto van ‘hemel, wind, lijn, toren, mast, metaal, straatlantaarn, verlichting, artwork, pijl, hoofd, ijzer, Timmelsjoch, Jacobs ladder, metalen pijl, ijzeren ladder’. (pxhere.com)

Klooster: La Grande Chartreuse (foto: Floriel – wiki)

Actueel bestaan God hoe dan ook mogelijk

AcademyPlato


Een gloednieuw Godsargument werd – op vakantie in Frankrijk – ontwikkeld door filosoof Emanuel Rutten. Een argument voor het actueel bestaan van God dat geïnspireerd is op een lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Volgens Rutten is het Godsargument gebaseerd op een buitengewoon laagdrempelig begrip van bestaan. Iets bestaat dan en slechts dan als het mogelijk is.

‘Een argument voor het actueel bestaan van God, zo stelt Rutten,
is uiteindelijk geïnspireerd
op de lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist

Aristoteles
R
utten wil met Plato laten zien hoe kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel maar actueel bestaat. Want dat geldt niet voor alles of iedereen. De eenhoorn bijvoorbeeld. Die bestaat potentieel, maar niet actueel, net als blauw en rood gras. Mensen bestaan weer wel actueel, maar vierkante cirkels niet, ook niet potentieel. Dat eenhoorns potentieel bestaan, komt doordat ze denkbaar zijn, actueel bestaan ze niet. En als uitgegaan wordt van de vormenleer van Aristoteles, bestaat de eenhoorn potentieel en niet actueel.

‘Kunnen we zicht krijgen op wat potentieel bestaan in metafysische zin betekent? Wat zijn de waarheidscondities van de uitspraak dat iets potentieel bestaat? Hoe kunnen we de specifieke zijnswijze van het potentieel bestaan in het vizier krijgen?’

Plato: De Sofist
I
n De Sofist doordenkt Plato de implicaties van de leerstellingen voor ware negaties (begrip dat het tegenovergestelde is van een ander begrip) van de presocratische filosoof Parmenides van Elea. Dat leidt ertoe dat er op de leerstellingen geen enkel probleem ontstaat. Plato tracht hierin ware negaties te behouden door ze zodanig te interpreteren dat het dictum (uitspraak) van Parmenides over ware negaties niet geschonden wordt. Een argument voor het actueel bestaan van God, zo stelt Rutten, is uiteindelijk geïnspireerd op de lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Hij baseert dit actuele bestaan van God op vijf premissen die hij in zijn artikel Plato’s De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument schematisch weergeeft.

‘Nu kan over God zinvol gesproken worden. God moet dus bestaan. Want over wat niet is kan niet zinvol gesproken worden. De positie van de atheïst kan dus niet weergegeven worden door het oordeel “God bestaat niet”. Met het begrip ‘God’ lijkt anders gezegd op voorhand niets mis. God kan begrepen worden als een bewust wezen dat de eerste oorzaak van de wereld is. En dit begrip is niet contradictoir zoals het begrip vierkante cirkel. Het kan coherent gedacht worden. Maar dan is het actueel bestaan van God hoe dan ook mogelijk. God kan op zijn minst actueel bestaan. Het is dus niet zo dat God niet bestaat: God bestaat actueel of potentieel.’

Godsargument van Anselmus
R
utten vergelijkt zijn nieuwe argument met het Godsargument van Anselmus. Voor Anselmus is de vraag evenmin of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag voor hem is of God in het verstand of in werkelijkheid bestaat. En waar hij beargumenteert dat God niet in het verstand maar in werkelijkheid bestaat, wil Rutten laten zien hoe uitgaande van een analoog inclusief zijnsbegrip kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel maar actueel bestaat.

Het actueel bestaan van God is volgens Rutten niet onmogelijk. Hij vindt het plausibel te beweren dat God in elk geval mogelijk actueel bestaat. God kan actueel bestaan. Wie meent dat het onmogelijk is dat God actueel bestaat en dat daarom volgt dat God niet bestaat zal met een inhoudelijk argument moeten komen.

Zie: Plato’s De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument (pdf)

Beeld: Plato’s Academie. Mozaïekvloer in Pompeï.
Update juli 2025 (Lay-out)

Goden en mensen in de oudheid

Pintura_roamana-_Marte_y_Venus

Religie was in de oudheid niet gestoeld op één enkele theorie die door alle gelovigen onderschreven diende te worden. Er was in plaats daarvan een levendige competitie tussen verschillende ideeën en theorieën over de goden. Feitelijk is er ook in onze tijd natuurlijk geen sprake van één enkele theorie. Ook nu strijden gelovigen met elkaar over de juiste invulling. Misschien is het verschil met de oudheid, dat destijds ideeën naast elkaar konden bestaan, waar mensen nu geneigd zijn te denken dat de eigen theologie de enig juiste is.

‘Het religieuze leven in de klassieke oudheid werd gekenmerkt
door meer fascinerende tegenstellingen.
Ruimte voor verandering en de afwezigheid van dogma gingen gepaard
met een grote nadruk op het correct uitvoeren van religieuze gebruiken’
(Inger Kuin)

Bovenstaande zegt theologe Helene Timmers, in een recensie in Volzin, van Leven met de goden – Religie in de oudheid, van historica Inger N.I. Kuin, onderzoeker en docent Oude Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Het religieuze leven in de klassieke oudheid werd gekenmerkt door meer fascinerende tegenstellingen. Ruimte voor verandering en de afwezigheid van dogma gingen gepaard met een grote nadruk op het correct uitvoeren van religieuze gebruiken. Een hoge mate van religieuze diversiteit en tolerantie ging hand in hand met hevige debatten over wat ‘correcte’ religie was en wat bijgeloof. De cultus van een nieuwe, ‘geïmporteerde’ godheid kon in korte tijd opbloeien, terwijl sommige heilige plaatsen of festivals honderden jaren lang belangrijk bleven. Hoe kunnen wij vanuit de moderne tijd deze complexe materie het beste benaderen, en hoe gingen mensen in de oudheid zelf met deze contradicties om?’ (Volzin)

Timmers zegt dat we het tegenwoordig heel belangrijk vinden dat iemand ‘het juiste’ gelooft. In de oudheid daarentegen was het juist heel belangrijk om de correcte rituele handelingen te verrichten. Voor degenen die denken dat het juiste geloof in de oudheid niet belangrijk was, omdat het geloof in goden destijds vanzelfsprekend was, heeft historica Inger Kuin een hoofdstuk in Leven met de goden toegevoegd over twijfelaars, critici en ongelovigen. Ook 2000 jaar geleden deden zij van zich spreken.


Het is weinig verrassend dat we in de klassieke oudheid geen term aantreffen die we kunnen vergelijken met het ‘ietsisme’, maar de categorieën atheïst en agnost zijn eveneens lastig om terug te vinden in de context van antieke religie. Het woord ‘atheïst’ komt van het Griekse woord atheos, wat letterlijk ‘apart van god’ betekent. Toch werd de term aanvankelijk vaker gebruikt om mensen te beschrijven die de verkeerde god of goden vereerden, dan mensen die het bestaan van welke god dan ook ontkenden. Het woord ‘agnost’ heeft etymologisch gezien Griekse wortels – het is verwant aan het werkwoord gignōskō, dat ‘weten’ betekent – maar de benaming heeft in specifiek religieuze zin geen parallel in de oudheid.’ (Uit: Leven met de goden, § 8: twijfelaars, critici en ongelovigen) 


Overal goden heet het tweede hoofdstuk waarin Kuin de stamboom van de klassieke goden schetst en een bonte stoet aan goden langs paradeert. Zoals eerder religie, vindt Timmers, blijkt ook god een moeilijk te definiëren concept: ‘Ruimdenkend waren de mensen in de oudheid wel: in het overzicht van Atheense goden is ook de ‘god van de vreemdelingen’ opgenomen. Kom daar nu nog maar eens om!’


Na de vermelding van theos xenikos (god van vreemdelingen) zijn vijf letters weggevallen. Het is dus niet duidelijk of het hier gaat om een beschermgod van vreemdelingen en gasten, aangehaald bijvoorbeeld in Plato’s Leges (879e), of om een specifieke uitheemse god wiens naam we niet meer kunnen achterhalen. (Uit: Leven met de goden, § 2: Overal goden)


IngerKuin

In de inleiding van Leven met de goden vraagt Inger Kuin zich af of er wel religie was in de oudheid en vindt de vraag wat de Romeinen en Grieken eigenlijk geloofden erg moeilijk te beantwoorden. Hiervoor haalt ze de invloedrijke antropoloog Clifford Geertz erbij met zijn boek The Interpretation of Cultures (1973), hoewel Geertz volgens Kuin nog steeds een bepaalde vorm van ‘geloof’ vereist als onderdeel van religies, terwijl bijvoorbeeld in de oudheid religieuze handelingen vaak juist veel belangrijker waren. Ook Religion Explained (2001) van Pascal Boyer wordt er door de historica bijgehaald. (foto: metdeneusindeboeken.blogspot.com) 


Het menselijk brein is door evolutie zo gevormd dat het van nature geneigd is religieuze concepten te genereren en door te geven. Omdat voor hem religieuze concepten sowieso universeel zijn maakt hij zich niet druk over een definitie. Deze benadering roept echter onmiddellijk de vraag op hoe ons brein dan toch in staat is tot twijfel, ongeloof en atheïsme. Hier heeft Boyer tot nu toe nog geen bevredigend antwoord op geformuleerd. (Uit: Leven met de goden, § 2: Overal goden)


Volgens Timmers heeft Kuin tussen de regels door over hedendaags geloof en moderne theologie ook het een en ander te melden, want door het klassiek gedachtengoed naast hedendaagse ideeën te zetten, krijg je volgens haar wel scherper oog voor de eigenaardigheden van onze huidige tijd.

In hoofdstuk over twijfelaars, critici en ongelovigen zegt Kuin dat we zullen zien dat er wel degelijk allerlei schakeringen waren tussen wel en niet in de goden of in ‘iets’ geloven, maar de scheidslijnen tussen de verschillende opvattingen hielden verband met de filosofische scholen en werden niet op zichzelf gedefinieerd en afgebakend.


De afwezigheid van hokjes in dit opzicht ging gepaard met levendige inhoudelijke debatten over wie of wat de goden waren en wat ze voor ons kunnen betekenen. De eerste sporen van deze debatten vinden we terug in vroege kritieken op de manier waarop de goden zijn weergegeven in de poëzie van Homerus en Hesiodus, waarmee het belang van deze werken binnen de antieke religie wordt onderstreept. (Uit: Leven met de goden, § 8: twijfelaars, critici en ongelovigen) 


levenmetdegoden

Bron: Leven met de goden. Religie in de oudheid | Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2018 | ISBN: 9789462984806 | 05-03-2018 | 172 pag. | € 14,99 | /9200000090807648/ | E-book: € 6,99 | Van twijfelaars tot fanatieke gelovigen die de nacht in de tempel doorbrengen, in de hoop op een bezoekje van de god – ook in de oudheid had je religieuzen in alle soorten en maten. Met vlotte pen brengt Inger Kuin de antieke religie tot leven, waarbij ze ook oog heeft voor de vroegste filosofische kritieken op mythologie en religieuze praktijken. (Joke J. Hermsen)

Zie ook: Inger N.I. Kuin: Leven met de goden. Religie in de oudheid (Uit:Volzin, niet meer te lezen)

Beeld: Mars en Venus van het Huis van Mars en Venus (Casa de Marte e Venere), Pompeï (muurschildering), Romeins, (1e eeuw n.Chr.) / Museo Archeologico Nazionale, Napels, Italië
Update 25 11 2025 (lay-out, links)