De vervagende grens tussen geloof en ongeloof: God, iets of niets?

god_iets_of_niets_cover

Bewust de grens vervagen tussen filosofie en theologie. Dat wil post-theïstisch theoloog Taede Smedes met zijn nieuwe boek God, iets of niets? Hij maakt gebruik van denkmethodes uit beide disciplines om na te denken over de grensvervaging tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ die in onze samenleving in toenemende mate aan de orde is. Smedes beperkt zich als christelijk theoloog en westers godsdienstfilosoof tot de grensvervaging tussen christelijk ‘geloof’ en ‘ongeloof’.

Smedes’ boek is direct boeiend en daarom lastig weg te leggen. Het boek heb ik nog niet uit, ben aangeland bij hoofdstuk 5 (van de zes.) Soms duizelt het me even vanwege alle informatie, maar het is bijzonder prettig om op bijna encyclopedische wijze – zonder saai te worden – een helder overzicht te krijgen van wat mensen wel of niet geloven, en welke trefwoorden daarbij horen. Alle terminologie die de laatste tijd om je oren vliegt, zoals het nieuwe atheïsme, religieus atheïsme, religieus naturalisme, transcendentie, anatheïsme en (post)theïsme wordt helder beschreven. En soms poëtisch verwoord.

Het is niet een houding van wachten totdat het heil ons, ooit, komt bezoeken. Nee, het is een houding van zoeken, maar niet naar iets wat we kwijt zijn en verlangen, maar zoeken vanuit het vertrouwen dat we al gevonden zijn. En wat we zoeken, is het suizen van een zachte stilte dat zich verbergt achter en via onze beelden ervan en ons spreken erover.’ (Uit: God, iets of niets?)

Geloof’ en ‘ongeloof’, komen aan bod, belief en faith worden nader geduid. En bijvoorbeeld het verschil tussen ‘religie’ en ‘god(s)geloof’. En ‘ongebonden spirituelen’ en ‘ongebonden gelovigen’. Dan is er ook nog de vraag of mensen een ‘godsdienstig’ dan wel een ‘niet-godsdienstig’ geloof hebben; of een ‘transcendent-godsdienstige overtuiging’ of een ‘transcendent-niet-godsdienstige’ of ook een ‘immanente’ overtuiging.

Het gaat over ‘religieuze flexibiliteit’ en zo komen we tot het fenomeen multiple religious belonging, ‘meervoudige religieuze betrokkenheid’ of hybride religiositeit: het feit dat mensen elementen van verschillende religies met elkaar mengen, affiniteit of verwantschap ervaren tussen verschillende religies.

Het is een theologisch boek dat een poging wil doen om die persoonlijke interesse en fascinatie zowel filosofisch en theologisch te doordenken, te verwoorden en te verantwoorden voor geïnteresseerde lezers. Het is een poging om het perspectief van de ander – de religieuze atheïst – te begrijpen en te duiden, en misschien zelfs te verbinden met een opvatting van het heilige die voorbij de tegenstelling van ‘transcendent’ en ‘immanent’, van ‘heilig’ en ‘profaan’ gaat. Als zodanig is het een oefening in post-theïstische hermeneutiek.’ (Uit: God, iets of niets?)

De ontwikkelingen in het religieuze landschap worden nauwkeurig weergegeven en besproken. Zo lees ik over gelovigen die traditionele ideeën over God en geloof loslaten, maar ook dat veel ‘ongelovigen’ geloviger blijken dan vaak wordt toegegeven. Smedes ontkomt natuurlijk niet aan de term ‘spiritualiteit’ en ziet dat als de persoonlijke beleving van de in religie beleefde transcendente dimensie, de grondhouding die iemand heeft tegenover het leven en hoe dat geleefd zou moeten worden.

In spiritualiteit komt, zeg maar, de emotionele kant van religie tot uiting en, daarmee verbonden, de levenshouding die iemand heeft. Dat wil niet zeggen dat ik alle spiritualiteit als religieus beschouw, maar wel dat religie in mijn ogen altijd een spirituele dimensie heeft, die neerkomt op een persoonlijke beleving van wat als heilig wordt beschouwd. Als die persoonlijke beleving er niet is, wordt religie iets louter cognitiefs, als iets waarvan je aanneemt dat het zo is, zonder dat ook als zodanig ervaren te hebben. Een louter cognitieve religie lijkt me amper levensvatbaar. Spiritualiteit is nodig voor religie zoals water voor een plant om te kunnen bloeien.’ (Uit: God, iets of niets?)

Smedes duidt helder de grote onderzoeken, zoals God in Nederland, die liepen van 1966 tot 2015. Voorts beschrijft hij het nieuwe atheïsme en de polarisering van discussies omtrent religie, behandelt het religieus atheïsme, het religieus naturalisme, het post-theïsme, religie en het transcedencentiebesef, en het verdwijnend onderscheid tussen het ‘religieuze’ en het ‘seculiere’.

Het mooie van dit boek vind ik vooral dat je op boeiende wijze wordt geconfronteerd met geloof en niet-geloof in allerlei vormen, met levensbeschouwingen van mensen, met de persoonlijke beleving, ideeën over God en (on)geloof, uiteenlopende denkers, verwondering en ontzag voor de kosmos, met het sacrale, en dat je zelfs niet hoeft te geloven dat God bestaat om toch in God te kunnen geloven. Vele boeiende, tot voortdurend nadenken stemmende, gedachtegangen vind je in God, iets of niets?, zoals bijvoorbeeld die van religieus atheïst Ronald Dworkin, Amerikaans rechts- en moraalfilosoof:

Religie is een diepgeworteld, stellig en allesomvattend wereldbeeld: het stelt dat een inherente, objectieve waarde alles [doordringt], dat de wereld en zijn schepselen ontzagwekkend zijn, dat het menselijk leven zin en het universum orde heeft. Het geloof in een god is slechts een mogelijke [manifestatie] of gevolgtrekking van dat diepgewortelde wereldbeeld.

Religieuze atheïsten geloven niet in een god en verwerpen daarom de wetenschap van conventionele religies en de goddelijke plichten (…). Maar ze aanvaarden dat het objectief gezien uitmaakt hoe een mensenleven verloopt en dat iedereen een aangeboren, onvervreemdbare ethische verantwoordelijkheid heeft om te proberen naar omstandigheden zo goed mogelijk te leven. Ze aanvaarden dat de natuur niet slechts een kwestie van gedurende zeer lange tijd samengebrachte deeltjes is, maar iets van wezenlijke verwondering en schoonheid.’ (Uit: God, iets of niets?)

Of de gedachtegang van de twee prominente Franse denkers Luc Ferry en Marcel Gauchet over de veranderende positie van religie in de samenleving.

Wat wij meemaken zijn twee gelijktijdige processen: een afscheid van de religie, verstaan als het einde van het vermogen van het religieuze om het politieke en sociale leven te structureren; en de duurzaamheid van het religieuze in de innerlijke overtuiging van individuele mensen, welke overtuiging tal van historisch en nationaal bepaalde vormen kan aannemen.

(…) Zelfs daar waar de teruggang van de religie, ook wat het persoonlijk geloof betreft, het verst is voortgeschreden, betekent dit niet dat de interesse voor het spirituele eenvoudigweg verloren zou zijn. Zonder dat wij dit op dit moment al te nauwkeurig willen omschrijven, zullen wij eronder verstaan: het zich bezig houden met de laatste vragen, vragen die te maken hebben met het lot van de mens, met de betekenis van de fundamentele levenservaringen, en met de grote lijnen van de ethische oriëntatie van het bestaan.’

God, iets of niets? – De postseculiere maatschappij tussen GELOOF en ONGELOOF | Taede Smedes | ISBN: 9789462983137 | Verschijningsdatum: 12-09-2016 | Paperback | 312 pagina’s | Ook verkrijgbaar als: eBook (PDF)eBook (ePub)

Hoe breder de school hoe meer diversiteit op levensbeschouwelijk gebied

solidarity2-1

Bas van der Graaf, van het Theologisch Elftal van Trouw, vraagt zich af hoe goed het voor mensen is als ze van jongs af aan verplicht zijn te kiezen uit een breed scala van levensbeschouwingen die naast elkaar staan. Hij is bang dat als er alleen nog maar openbare scholen zouden bestaan, dat de overheid impliciet gaat bepalen wat algemeen aanvaarde of gedeelde waarden zijn. Maar nu bepalen confessionele scholen toch die waarden?

Dagblad Trouw vroeg zich onlangs af of we niet beter af zijn met algemeen, openbaar onderwijs in plaats van de veelal levensbeschouwelijk gefundeerde scholen. Van der Graaf zegt nu in Trouw dat hij om zich heen ziet dat twintigers en dertigers met enorme identiteitsvragen rondlopen en dat dit door openbaar onderwijs alleen maar zal toenemen.

Maar is het niet zo dat iedere puber en adolescent geteisterd wordt door identiteitsproblemen? Dat hoort gewoon bij het opgroeien: je gaat nadenken over jezelf en de wereld. Christelijke jongeren gaan zich afzetten tegen hun christelijke opvoeding en leraren, en krijgen interesse in het atheïsme en andersom kunnen seculier opgevoede jongeren geboeid worden door geloof.

Van jongs af aan verplicht kiezen uit een breed scala van levensbeschouwingen die naast elkaar staan’, zoals Van der Graaf ten onrechte stelt, is er niet bij. Het is een ontwikkeling, op een openbare school kan je langzaam jezelf in een richting vormen die bij je past, je maakt uiteindelijk je eigen, onopgelegde, keuze.

Van der Graaf zegt dat het voor zijn identiteitsvorming enorm behulpzaam is geweest om te wortelen in een traditie en er tegelijk kritisch over na te denken. Alsof andere kinderen nergens in geworteld zijn.

Mohamed Ajouaou, docent islamitische theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, stelt dat hoe breder een school, hoe minder diversiteit er op levensbeschouwelijk gebied is. Niets is minder waar, er zitten juist kinderen van diverse levensbeschouwingen op die scholen, die elkaar ook nog ontmoeten. Vaak is het ook nog zo dat in het openbaar onderwijs humanistisch vormingsonderwijs wordt gegeven, dat juist in alle levensbeschouwingen onderricht. Zo wordt het voor de kinderen normaler dat er mensen zijn die anders geloven, of niet geloven.

Kinderen die naar bepaalde vormen van confessioneel onderwijs gaan, zijn echter al (eenzijdig) gevormd in een traditie: in die van hun ouders. Als ze dan ook nog naar een school gaan die in dezelfde traditie voortborduurt, leren ze weinig over andere tradities en bestaat het gevaar dat ze die wereldvreemd vinden en nooit kunnen of willen begrijpen.

De Britse filosoof Anthony Grayling stelt dat onderwijs ideologie- en geloofsvrij moet zijn. Dat is natuurlijk onmogelijk. Altijd zal op school, door geschiedenisles en maatschappelijke vorming over ideologie en geloof gesproken (moeten) worden. Daar is niets mis mee, zolang er maar geen docent voor de klas staat die kinderen indoctrineert tot christen, communist of moslim. Openbare scholen zouden zich juist er meer op toe moeten leggen degelijk onderwijs te geven op het hele brede gebied van religies en andere ideologieën waar kinderen in deze wereld absoluut tegenaan zullen lopen. Filosofieles zou ook een bijdrage kunnen leveren.

Dan pas zijn kinderen in staat zelf hun identiteit te bepalen, mede aan de hand van de hun geboden brede maatschappelijke opvoeding, en die van thuis. Dan krijgen we christelijke kinderen die niet allergisch reageren op moslims, of atheïstische kinderen die begrijpen dat hun vriendjes ergens in geloven. Dat speelt ook leuker samen.

Zie:
Moeten we de onderwijsvrijheid afschaffen?
* Bijzonder onderwijs: niet alleen rekenen en taal

Beeld: cmo.nl

Spreken wetenschap en geloof over een en dezelfde werkelijkheid?

5b_galileitrial

Volgens theoloog, bioloog en filosoof Palmyre Oomen zijn zowel natuurwetenschap als theologie gericht op waarheidsvinding. En daarmee raken we volgens Oomen aan de complexiteit van de verhouding van natuurwetenschap en geloof/theologie. ‘De visie dat geloof en wetenschap met elkaar botsen, elkaar uitsluiten en niet te verenigen zijn, is de visie die op dit moment als eerste opkomt, zeker bij iedereen die er zich niet vakmatig mee bezig houdt. Het is de grondtoon van de oeverloze debatten op weblogs over schepping of evolutie, waarin de ene partij veelal geen spaan heel laat van de andere.’

De conflictvisie op geloof en wetenschap, is een visie die zowel opgeld doet aan de geloofskant als aan de wetenschapskant. Dat is duidelijk te illustreren aan de strijd rond de evolutietheorie. Vanuit de geloofskant wordt dan benadrukt dat Darwins theorie overduidelijk de goddeloze aard van de wetenschap toont. Evolutietheorie is immers strijdig met hoe Gods schepping in de Bijbel beschreven staat. Geloof in Gods schepping sluit derhalve – volgens deze zienswijze – een acceptatie van Darwins evolutietheorie volstrekt uit. Gelovigen die deze radicale mening zijn toegedaan (‘creationisten’) worden er fervente bestrijders van de gangbare wetenschap van.’

In haar artikel in de Bezieling vraagt Oomen zich af of er een derde weg is. Ze staat daarvoor stil bij pogingen (vanaf ruwweg de jaren tachtig van de vorige eeuw) waarin geprobeerd wordt het christelijk geloof en de inzichten van de wetenschap weliswaar te onderscheiden, maar ze áls onderscheiden toch op elkaar te betrekken.

Theologen die – in plaats van voor conflict of tweedeling – voor deze ‘derde positie’ kiezen gaan ervan uit dat, ondanks het genreverschil tussen het geloofsdiscours en het wetenschappelijke discours, de scheiding tussen die twee niet zo volstrekt kan worden doorgevoerd als de tweedelingsmensen voorstaan, omdat beide perspectieven toch op een of andere manier betrekking hebben op een en dezelfde werkelijkheid.’ 

De vraag voor Oomen is niet óf maar hóe we deze ideeën opnemen, oppervlakkig en ondoordacht óf genuanceerd en kritisch.

Dit laatste is wat deze theologen voorstaan, en daarmee stellen ze zich dus een wezenlijk moeilijke taak, namelijk wel het genreverschil tussen geloof en wetenschap erkennen (tegen de conflictpositie in), maar dat toch niet als excuus nemen om beide domeinen los van elkaar te laten (tegen de tweedelingspositie in). Nee, ‘we distinguish in order to relate’ zo karakteriseert John Haught deze positie met een middeleeuws adagium.’

Oomen noemt de vraag ‘Hoe kun je nog op een zinnige manier in God geloven (in Gods invloed op de wereld bijvoorbeeld) als je de wetenschap serieus neemt?’ in zekere zin het Leitmotiv van deze ‘derde weg’: deze derde weg zoekt, om na het onderscheiden van geloof en wetenschap, de reflectie op het geloven toch in relatie te brengen met de wetenschap.

Als voorbeeld – hoe kan het ook anders – neemt zij de evolutietheorie en stelt dan dat de typische Geloof&Wetenschap-reactie is dat de evolutie haar inderdaad niet haar geloof in schepping ontneemt, maar ze vraagt zich dan af hoe schepping dan – uitgezuiverd – te verstaan is. Met deze houding begint het werk pas, zo stelt Oomen. Zij heeft het dan over ‘gaatjes’ in sommige fundamentele natuurwetten (kwantummechanica en chaostheorie).

Dat wil zeggen laten zien dat de wereld op een fundamenteel niveau niet een gesloten keten van oorzaak en gevolg is, maar ‘open’ is. Deze ‘basale openheid’ zou dan ruimte geven – zo is de idee – voor een handelen van God in de wereld zónder natuurwetten te doorbreken. Dit is een binnen theologie die in gesprek is met natuurwetenschap breed aangehangen idee: God dus gezien als schepper van de wetten, én handelend in de speelruimte die sommige van die wetten laten.’

Oomen beaamt wel dat je zo een gek Godsbeeld krijgt: eerst maakt God wetten, die hij niet kan of niet wil doorbreken; vervolgens heeft God gelukkig sommige van die wetten zo gemaakt dat er een mogelijkheid voor hem is om alsnog in de wereld van invloed te zijn.

Zo’n beeld roept toch, bij mij in ieder geval, grote ongemakkelijkheid op. Het geeft een gespleten beeld van God, en het ontkracht ook de autonomie van de betrokken gebeurtenissen. Wat hebben die eigenlijk nog zélf te doen of in te brengen? Wie is er dan verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld? En bovendien: dreigt zo niet dat we wederom over God spreken in een enkel objectiverende taal, waarbij het eigene van het geloof kwijtgespeeld wordt?’

Opmerkelijk boeiende gedachten van Oomen vind ik, waarover ze zelf zegt dat haar artikel slechts enkele van de vele, meer of minder geslaagde, pogingen om het gelovig denken over God in relatie wil brengen met inzichten en theorieën uit de natuurwetenschappen. Als het goed is níet om zich daar onkritisch aan uit te leveren, maar om het potentiële belang ervan ten goede te laten komen aan de verdieping van het geloofsverstaan.

Met zo’n ander denkmodel komen er bij Oomen heel andere beelden vrij voor het denken over God-mens-wereld. Voor een proeve daarvan verwijst zij naar haar artikel over Schepping, in het Belgische Tijdschrift voor Geestelijk Leven, een tweemaandelijks tijdschrift voor spiritualiteit.

Zie: Geloof en wetenschap onderscheiden maar niet gescheiden (ze gaan beide over de ene werkelijkheid)

Beeld: Toen de Italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei zei dat hij het eens was met de theorie van Copernicus beschuldigde de katholieke kerk hem van ketterij. Galilei werd berecht en tot aan zijn dood veroordeeld tot huisarrest. (schrijfgenoten.nl)

‘IS-terroristen handelen in naam van de islam’

KoranReuters

Samir Khalil Samir, jezuïet, hoogleraar Islamologie aan de St. Jozef-Universiteit van Beiroet (Libanon) en aan het Pauselijke Oosters Instituut van Rome, zegt dat het geweld dat door IS wordt gekozen het normale voorbij gaat: het is zuiver terrorisme. ‘Maar het is een feit dat deze terroristen helaas handelen in naam van de islam.’ Hij roept op tot een ‘open en humanistische interpretatie’ van de Koranteksten.

Veertien eeuwen zijn voorbij gegaan, vervolgt hij, dus de interpretatie moet veranderd worden. Zoals wij katholieken bepaalde teksten van het Oude Testament die spreken van geweld en oorlog in de naam van God, niet letterlijk zouden kunnen interpreteren, maar in een totaal andere context. Men moet het goed begrijpen: een tekst moet altijd begrepen worden in zijn context.’

Egyptenaar Samir deelt niet de mening van de rector van Al-Azhar, de grote imam Ahmed Mohammed Al-Tayeb, die in maart jl. voor het Europees Parlement heeft gezegd dat ‘de islam niets te maken heeft met het terrorisme, en dat de islamteksten verkeerd begrepen worden door de terroristen’. Dit is een ‘weinig aannemelijk argument’ volgens de islamoloog. Volgens hem, zo stelt hij bij didoc, moet het werk van Al-Azhar er juist in bestaan uit te leggen dat zelfs wanneer er in de Koran geweld voorkomt, dat het gebruik ervan beperkt is tot een historische periode en bepaalde omstandigheden.

Het gaat niet om een algemene regel die wie ook mag toepassen wanneer hij het wil, en die pseudo-Islamitische Staat heeft niet het recht voor zichzelf iets te verkondigen in de naam van de hele islam; dat komt enkel toe aan de moslimoverheden.’

De islamoloog stelt elders dat minstens 80% van alle terroristische aanslagen in de wereld uitgevoerd worden in de naam van de Islam, om het geloof of de profeet te verdedigen. En dit is aan het toenemen, zelfs in het Westen.

De Islam zou zich grondig met de kwestie van de moderniteit moeten gaan bezig houden ‘door middel van een uitputtende interpretatie van de Koran, de geweldloosheid, de vrijheid van geweten’, maar niemand durft dat te doen.’

Zie:
* De Koran open en humanistisch uitleggen?

* Peter Samir: De interne oorlog binnen de islam

Foto: ©Reuters. Conservator Marie Sviergula houdt het pas ontdekte stuk Koran vast in de bibliotheek van de Universiteit van Birmingham. ‘Een stokoud koranhandschrift dat misschien zelfs dateert van voor de veronderstelde geboortedatum van de profeet Mohammed, dat is niet mis. Bij de spectaculaire ontdekking van de Universiteit van Birmingham speelt op de achtergrond een heftig debat van geleerden over de ontstaansgeschiedenis van de islam en de Koran.’ (Trouw)