‘Theeïsme’, een esthetische en ethische religie

JapanseTheeStefanieDeGraef

Over de kunst van in de wereld zijn. – Als je Het boek van de thee, van Kakuzo Okakura*, leest, valt direct op dat er vooral over schoonheid (in de ziel) wordt gesproken. Over levenskunst, de kunst van het denken en de kunst van hoe in het leven te staan. Het gaat over thee – dat oorspronkelijk als medicijn werd toegepast en later pas geleidelijk een drank werd – en de theeceremonie in relatie met esthetiek: zuiverheid en harmonie, respect. Maar ook over wederzijdse liefdadigheid en de romantiek van de sociale orde. In een andere vertaling wordt gesproken over de kunst van thee, in de 15e eeuw in Japan verheven tot een esthetische religie, het ‘theeïsme’.**

Leerstellingen van zen
D
e kamer waarin thee gedronken wordt, de theekamer – Okakura weidt er een apart hoofdstuk aan – dient een verfijnde schoonheid uit te stralen. Bloemen en schilderijen spelen er een belangrijke rol, maar mogen elkaar niet in weg staan. Alleen als het passend is, esthetisch verantwoord, kan een schilderij samengaan met een kunstzinnig geschikte bloemenpracht of één bloem. Ook een beeldhouwwerk kan passend zijn. De theekamer weerspiegelt veel van de leerstellingen van zen: de maat ervan bijvoorbeeld is vastgesteld op basis van een passage uit de soetra van Vikramadytia, een allegorie waarin echter gezegd wordt dat voor de ware verlichte ruimte niet bestaat. Elders stelt Okakura dat de theekamer

bij zen – net als in de boeddhistische theorie van vergankelijkheid en haar eis dat de geest over de materie heerst – alleen als tijdelijk onderdak voor het lichaam heerst’.

Daarom ook werden de theekamers heel broos gebouwd. Behalve theekamers waren er de theescholen. Waarschijnlijk noodzakelijk, want de dichter Li-Chilai had het over

de totale verspilling van fijne thee door onbevoegde knoeiers’.

Er waren perioden en scholen: onderverdeeld in die van de gekookte thee, de geslagen thee en de getrokken thee, al naar de geest van de tijd. De verschillende manieren van thee zetten, kenmerken volgens Okakura de verschillende emotionele drijfveren van de Chinese Tang-, Sung- en de Ming-dynastieën.

Theeceremonie
O
kakura schrijft over de theemeesters. Zij stelden hoge eisen aan de theekamer. Belangrijk voor hen was dat onder alle omstandigheden de gemoedsrust moest worden bewaard en gesprekken zo gevoerd dienden te worden dat zij de harmonie van de omgeving niet bedierven. Ze hebben bijgedragen aan de kunst, niet alleen door hun interieurdecoraties en architectuur, de fabricage van gebruiksvoorwerpen (keramiek) voor de theeceremonie, schilder- en lakkunst, maar ook beroemde tuinen in Japan zijn door hen vormgegeven. De theemeesters bleken ook meesters te zijn op andere gebieden, zoals het regelen van huishoudelijke zaakjes, het verfijnen en opdienen van gerechten, het dragen van de juiste gewaden, onderwijs in de juiste geest om bloemen te benaderen. Vooral ook hebben zij

de nadruk gelegd op onze aangeboren liefde voor het eenvoudige en ons de schoonheid van de nederigheid laten zien’.

Cha-King
E
r is zelfs een apostel – en beschermgod van de Chinese theehandelaren – van de thee: Luwuh (8e eeuw). Hij werd volgens Okakura geboren in een tijd dat boeddhisme, taoïsme en confucianisme naar een gemeenschappelijke verbinding zochten. Luwuh ziet in de theeceremonie dezelfde harmonie en orde die over alle dingen regeren. Hij schreef de Cha-King, een uitgebreide verhandeling over thee: over het wezen van de thee, het gereedschap, het sorteren van de bladeren, beschrijvingen over de thee-uitrusting, de manier waarop thee gezet moet worden en de kookfases. Maar ook schrijft hij over de theeplantages en geeft hij een opsomming van beroemde theedrinkers.

Filosofie van het boeddhisme
O
ver kunst(waardering) is in Het boek van de thee ook een apart hoofdstuk, evenals over bloemen. De thee(kamer), bloemen en kunst, lijken ondergeschikt aan de filosofie van het boeddhisme, de Chinese en Japanse vorm van zenboeddhisme en het taoïsme. Maar niets blijkt minder waar – deze filosofieën blijken nauw verweven met thee, bloemen en kunst. Over dat laatste zegt Okakura dat de kijker de juiste geesteshouding moet ontwikkelen om de boodschap te ontvangen en de kunstenaar moet weten hoe die over te brengen. En dat geldt ook voor andere kunstuitingen, zoals muziek, literatuur en toneel.

‘Taoïsme in vermomming’
M
et Het boek van de thee wil Okakura een brug leggen tussen het Oosten en het Westen en doet dat via de thee die in het Westen een symbool werd voor de Aziatische cultuur. Al meer dan een eeuw vormt dit boek een uiterst fijnzinnige introductie tot het Aziatische leven en de filosofie. Volgens hem vertoont het ritueel van het serveren van thee nauwe banden met het taoïsme en zen, een theeceremonie was ‘taoïsme in vermomming’. Okakura hoopt dat de westerling zich gaat verdiepen ‘in het taoïsme, zenboeddhisme, de kunst van het bloemschikken en het waarderen van esthetische zaken’. De theeceremonie schildert hij af als een

eredienst voor het Onvolmaakte, een liefdevolle poging het mogelijke tot stand te brengen in het onmogelijk iets dat wij als leven kennen’.

Okakura formuleert het fraai als hij schrijft dat

via de vloeibare amber in het ivoren porselein de ingewijde in aanraking zal komen met de zoete terughoudendheid van Confucius, het opwekkende van Lao Tsu en het hemelse aroma van Sakyamuni (Boeddha)’.

Hetboekvandethee

Confucianisme
Z
o leren we dat Tao het Pad betekent, en ook wel de Weg, het Absolute, de Natuur, de Opperste Rede en de Manier. Naar Lao Tsu (6e eeuw v.Ch., grondlegger van het taoïsme) wordt verwezen, die over Tao sprak als ‘een ding dat alomvattend is, dat was geboren voor hemel en aarde bestonden. (…) Het staat alleen en verandert niet’. Volgens Okakura kan het taoïsme niet begrepen worden zonder enige kennis van het confucianisme en andersom. Maar de belangrijkste verdienste ligt volgens hem op het gebied van de schoonheidsleer, over de ‘kunst van in de wereld zijn’.

Het taoïsme aanvaardt de wereld zoals die is en probeert, dit in tegenstelling tot het confucianisme en boeddhisme, schoonheid in onze wereld van smart en zorgen te vinden.’  

De kunst van in de wereld zijn
D
e kunst van in de wereld zijn vind je ook weer terug bij zen, waarover Okakura zegt dat in zen erkend wordt dat het aardse van even groot belang was als het spirituele, en dat Tao de basis levert voor de esthetische idealen, die praktisch worden dankzij zen. Een mooie uitspraak is die over de Leegte:

Wie van zichzelf een leegte weet te maken waarin anderen vrij binnen kunnen treden, kan meester over iedere situatie worden. Het geheel weet altijd over het deel te heersen.’

Het boek van de thee geurt fijntjes naar ‘theeïsme’, een esthetische maar ook ethische religie.

Bron:

* Het boek van de thee | Kakuzo Okakura | 1906 | uit het Engels vertaald door Hans Dütting | 2012 | uitgeverij Aspekt | Kakuzo Okakura (1862-1913) was de zoon van een ex-samoerai en wordt aangeduid als een van de boeiendste figuren uit de Japanse intellectuele geschiedenis van het negentiende-eeuwse Japan. Zijn boek is een essay over de culturele waarde van de theeceremonie en over Japanse kunstvormen. Hij probeert filosofisch een brug te slaan tussen het Oosten en het Westen.

** Er bestaat ook een vertaling van Het boek van de thee, met als ondertitel Geschiedenis & ceremonie – theeïsme, de kunst van de thee (2015). Dit is uit het Engels vertaald door Alfred Scheepers & Daniël Mok, van uitgeverij Abraxas Zuider-Æmstel.

Beeld: Japanse thee – Stefanie De Graef (geboren 1980 in Gent, woont en werkt in Drongen) gaat liefst op reis om inspiratie op te doen voor haar illustraties. Haar schetsboek reist overal met haar mee. Ze houdt van de tastbaarheid van materialen en probeert die te verwerken tot een andere realiteit. De verwondering om het leven vormt een belangrijke inspiratiebron waarbij de drang naar schoonheid steeds weer de bovenhand neemt.

Zelfkennis, hoe doe je dat?

wouter.berns.de.hemelsnijder.56.x.35.acryl.op.paneel

‘Zelfkennis blijkt telkens een sleutel,’ zegt Jacob Slavenburg in het voorwoord van De droom van Ha’adam van psychosociaal therapeut Harold Stevens. ‘Als kind tuurde Stevens gefascineerd naar de sterrenhemel en vroeg zich af: ‘Waar houdt het heelal op? En als het dan ophoudt, wat zit daar dan achter…?’ Hij besefte dat zijn verstand te beperkt was om de werkelijkheid waarin wij ons bevinden te kunnen verklaren. Hij worstelde met vragen als: ‘Waarom leef ik eigenlijk en heeft mijn bestaan een doel, een zin? Wordt er iets van mij verwacht?’

Cultuurhistoricus Slavenburg zegt dat Stevens diep ingaat op de kwestie van het lijden.

Waarom lijden we? Is er een uitweg uit het lijden? Boeddha hield zich daar al intensief mee bezig. Zoveel eeuwen verder is er nog geen eensluidend antwoord. Harold is op zoek gegaan naar de kern. In heldere taal geeft hij aan dat er een innerlijk conflict aan ten grondslag ligt, wat weer te maken heeft met het (on)vermogen tot zelfreflectie. Zelfkennis blijkt tekens een sleutel.’

Waar komt het kwaad vandaan? Waarom lijdt een mens, waarom lijdt een kind? Welke God, als die al zou bestaan, laat zoiets nu toe? Gedreven vanuit deze nieuwsgierigheid en zijn eigen ziektegeschiedenis als kind, ging Harold Stevens op zoek naar antwoorden.

Op zoek in boeken, oude wijsheidsgeschriften en uiteindelijk ook op zoek binnen in zichzelf. Er begon hem iets te dagen. Zou er een mechanisme schuil kunnen gaan achter het leven? Een mechanisme dat dat alles zou kunnen verklaren? En zou kennis van dit mechanisme mogelijkheden kunnen bieden om het leven gemakkelijker en verlichter te kunnen ervaren? Zijn doel werd om het bestaan van dit mechanisme te onderzoeken, te duiden en eventueel te onderbouwen.’
(Uitgeverij Van Warven)

Slavenburg vertelt in zijn voorwoord ook dat in het vragenuurtje na zijn lezingen er altijd veel vragen waren. Vragen over ‘technische’ zaken, over in welke taal die teksten waren geschreven of waarom ze verstopt werden en pas onlangs waren ontdekt, of waarom ze niet in de Bijbel zijn opgenomen. Daar kon hij wel mee uit de voeten. Maar soms was er ook de vraag: ‘maar zelfkennis, hoe doe je dat’? Dan viel hij even stil. Dat was wat moeilijker uit te leggen. Hij vertelde dan vaak wat over antieke inwijdingswegen, maar eigenlijk had hij dan het gevoel dat hij langs de buitenkant bleef. Hij moest de diepte in. Eigenlijk begon daar pas zijn studie:

Over die diepte heeft Harold Stevens een indringend boek geschreven, gedreven door zijn eigen zoektocht naar het hoe en waarom van het bestaan. Want naast de vraag ‘wie ben ik’ ligt ook de vraag ‘waarom ben ik hier’. Wat is de zin of het doel van mijn aanwezigheid hier en nu. De zingevingsvraag wordt door vele mensen in stilte gesteld en door filosofen getracht te beantwoorden. Harold is de weg ingeslagen om het bestaan van een onderliggend mechanisme van het leven te onderzoeken en te duiden. Hij gebruikt daar niet alleen zijn eigen ervaringen voor – het is geen egodocument – maar maakt in zijn onderzoek dankbaar gebruik van oude wijsheidsgeschriften, en eveneens van modern empirisch onderzoek, zoals de kwantumfysica*.’ (Jacob Slavenburg)

Zelfkennis blijkt hierbij een sleutel te zijn van een slot die velen willen openen,’ zegt recensent Nicole Vrielink. Echter zelfkennis alleen blijkt onvoldoende voor de staat van diepgang waarin De droom van Ha’adam zich bevindt, en Vrielink verwijst naar de pagina waar Stevens schrijft: ‘Het leven duwt mij middels de confrontaties die ‘ik’ in mijn werkelijkheid ervaar, steeds terug in de richting van de oorsprong’ (p.57).

Deze confrontaties, ook wel de ervaring van lijden, blijken een belangrijk doel te hebben die vaak over het hoofd gezien worden. Daarnaast blijkt ook deze oorsprong volgens Stevens niet zo simpel te bereiken. Natuurlijk verzet en een poging tot zelfbehoud zijn hierbij obstakels die maar moeilijk te overwinnen zijn.’  

Volgens de kwantumfysica wordt de werkelijkheid verstoord door waarneming. Wat wij waarnemen, is dus per definitie niet meer dat wat het was vóór de waarneming. De uitkomst van een meting, dus ook dát wat wij zintuiglijk waarnemen, vertelt ons nooit de waarheid (zie in het hoofdstuk: De functie en oorsprong van de werkelijkheid).

De droom van Ha’adam | ISBN 9789493175099 | Uitgeverij Van Warven | Verschenen 02-12-2019 | 170 pp | Paperback | Genre: Theologie, Esoterie & Filosofie | €20,00 |

dedroomvanha'adamdam
“S
tevens’ schrijfstijl valt in het kort te omschrijven als weloverwogen, kalm en zinnig. Beïnvloed door zijn uitgebreide onderzoek, waarvan de indrukwekkende bronnenlijst is toegevoegd, weet hij zijn gepaste geleerdheid in rust over te brengen op de lezer. Dit leest prettig en wekt het vertrouwen van de lezer op. Daarnaast weet hij ook zodanig door te dringen waardoor tussentijdse overdenkingen onvermijdelijk zijn; hierdoor moet alleen wel echt de tijd genomen worden voor dit boek. Stevens ligt met dit boek de steen van de veer op, waardoor deze dankzij zijn van nature verlichte staat in staat is om tamelijk onbelemmerd te kunnen gaan waar het hoort te zijn. Het is een bijzonder boek met diepgang, waarin zowel mentale als emotionele uitdaging te vinden is.
(Uit recensie door Nicole Vrielink)

Beeld: Wouter Berns – De cover van De droom van Ha’adam werd gemaakt op basis van het schilderij De hemelsnijder (acryl op paneel, 56 x 35 cm, 2018)

Dierentheologie in de veganistische kerk

dieren.waarvan.we.houden.appie.abspoel.nl (2)

Vanuit Oxford maakt de dierentheologie een opmars. Een soort bevrijdingstheologie, maar dan voor dieren? ‘De pijn van een ijsbeer is theologisch relevant,’ zegt onafhankelijk theoloog Alain Verheij in het artikel met de gelijknamige titel in De Nieuwe Koers. Groene theologie zet zich al in voor de aarde; dierentheologie is een vrij onbekend fenomeen in de wereld. Ik denk niet dat het voorkomt in het nieuwe theologieboek  Alle dingen nieuw van Erik Borgman

Verheij schrijft een portret van dr. Clair Linzey, die samen met haar vader Andrew voorvechter is van de dierentheologie. ‘Willen we op deze planeet kunnen blijven leven, dan moeten we radicaal veranderen hoe we met andere wezens omgaan.’

Andrew Linzey mag zich de ‘godfather’ van de dierentheologie noemen. De anglicaanse theoloog schreef al in de jaren zeventig van de vorige eeuw een christelijk betoog voor dierenrechten. Volgens hem en zijn geestverwanten is ons theologisch denken over dieren behoorlijk pover. Je vindt bij de meeste theologen nauwelijks aandacht voor het onderwerp. Als ze er al over schrijven, komen zij vaak niet verder dan wat [middeleeuws theoloog en filosoof Thomas van] Aquino* ook dacht: dieren zijn onze minderen, en het is ons volste recht om over hen te heersen.’

Linzey vindt dat theologie, die ons gevoelig maakt voor het lijden van heel de schepping, christelijke theologie is. Onder heel die schepping vallen nadrukkelijk ook de dieren, zeker waar zij lijden in de bio-industrie of door klimaatverandering.

Theologie die ons ongevoelig maakt voor het lijden van de hele schepping kan op geen enkele wijze christelijke theologie zijn.’

In Nederland blijkt ook een veganistische kerk te bestaan, waar Linzey afgelopen maart een toespraak hield (via o.a. sociale media) over 25 jaar dierentheologie, en onder meer vertelde over de Bijbel die zegt dat de mens naar het beeld van God is geschapen. Ze vroeg zich af of dat betekent dat de mens de andere soorten mag domineren, of betekent het dat de mens extra verantwoordelijk moet zorgen voor andere schepselen? ‘Waar komt het idee vandaan dat een mens wel een ziel en een geest heeft, maar een dier niet? Er zijn volgens haar drie fundamentele gedachten over dieren die niet deugen’.

De eerste is dat dieren een soort gebruiksvoorwerp voor mensen zijn: instrumentalisme. Alles heeft een doel, en het doel van dieren is dat ze nuttig zijn voor ons. De tweede verkeerde gedachte is dat dieren maar lappen vlees zijn zonder persoonlijkheid. Daarom schelden we met ‘domme gans’, of ‘beest’ of ‘zwijn’. Ten derde is het een gevaar als onze theologie en geloofsbeleving alleen maar om mensen draait. Alsof God het meest, en exclusief en alleen, van onze soort houdt, en daarbij de rest van zijn schepping zou vergeten of veronachtzamen.’

De wereld is niet van ons, vindt Linzey, en als we haar blijven behandelen zoals we al die tijd hebben gedaan, zullen onze huidige problemen alleen maar blijven groeien.

Christenen zijn in een unieke positie om dit alles voor het voetlicht te brengen. De grondslag van dierentheologie is: wij zijn niet God, maar we mogen en moeten voor Gods wereld zorgen. Het is een diep christelijke denktrant, waarvan ik zou willen dat alle christelijke culturen er bewuster mee omsprongen.’

Incarnatie noemt Linzey een belangrijk theologisch begrip, omdat je dan in de huid kruipt van een lijdend schepsel.

Waar wij in geïnteresseerd zijn, is niet in eerste instantie hoeveel diersoorten er uitsterven, maar op welke manier dat gebeurt. Wij weten dat de ijsberen met uitsterven worden bedreigd. Voor ons is de pijn van een individuele stervende ijsbeer iets wat er theologisch toe doet.’

* N.B. Met deze redenering duidt Aquino aan dat dieren, door de goddelijke voorbestemming, voor de mens moeten bestaan. Dit betekent niet dat de mens alles met dieren mag doen. In zijn Summa Contra Gentiles schrijft hij dat wreedheid tegen dieren verwerpelijk is. Niet omwille van het dier, maar vanwege het feit dat dit wreedheid van mensen oproept tegen andere mensen. Deze visie blijft dominant in de geschiedenis van het christendom. (dierenmuseum.nl)

Zie:

* Dier & Evangelie, theologie voor dierenrechten | Andrew Linzey | Volledig gerecycled papier | softcover | 117 pagina’s | €15.00 | ‘Dierendominee’ Hans Bouma zegt het volgende: ‘Vanuit christelijk oogpunt heb je, naast puur humane redenen, nog redenen te meer om het dier op te nemen in je morele bewustzijn. Iemand die dit overtuigend en met grote volharding heeft aangetoond, is de Britse theoloog Andrew Linzey. Dieren hebben als creaties van God een eigen, intrinsieke waarde en verdienen daarom een plaats in onze morele gezichtskring. De keuze voor dierenrechten is voor Linzey ten diepste een kwestie van navolging van Jezus. In dit boek bespreken Maaike Hartog, Sandra Hermanus-Schröder en Nienke van Ittersum – geïnspireerd door en in dialoog met Andrew Linzey – de motieven die je als christen kunt hebben om de rechten van dieren te verdedigen. De manier waarop ze dit doen is even kundig als persoonlijk, even vernieuwend als hartverwarmend’. (Vegan Church)

*
‘De pijn van een ijsbeer is theologisch relevant’ (De Nieuwe Koers via Blendle)

Foto: appieabspoel.nl

Oer, een (r)evolutionair scheppingsverhaal

Oer_1200x628-kaal-670x351

Natuurkundige Cees Dekker, tekstschrijver Corien Oranje en theoloog Gijsbert van den Brink schreven samen, vanuit christelijk perspectief, een scheppingsverhaal waarin geloof en evolutie samenkomen. Oer, het grote verhaal van nul tot nu ligt vanaf vandaag in de winkel en stopt 14 miljard jaar in 160 pagina’s, ‘historisch en spannend’. ‘De twee onbekenden vertelden me over vroeger, over het begin van de tijd en van de ruimte, vele tijdperken geleden. Ze vertelden me over iemand die ze Schepper noemden, en aan wie ik blijkbaar mijn bestaan te danken had. Het was een bizar verhaal, en ik vond het moeilijk om het te geloven.’

Wat een ongelofelijke reis. Wat een duizelingwekkende rollercoaster. Een avontuur dat bijna veertien miljard jaar geleden begon, en dat zo vaak dreigde te mislukken dat het een regelrecht wonder is dat ik er nog ben. Ik had er ondanks alles geen seconde van willen missen. En het beste moet nog komen. ‘Laat het opschrijven,’ zeiden mijn vrienden. ‘Voor wie dan?’ vroeg ik. ‘Jullie waren er zelf ook bij.’ ‘Voor de mensen,’ zeiden ze. ‘Doe het voor hen, want het is niet alleen ons verhaal, het is ook hun verhaal. Ze moeten het weten, ze komen immers nog maar net kijken. Vertel ze wat we hebben meegemaakt.’ Ik was niet meteen enthousiast over het idee. ‘Homo sapiens? Ze zijn zo beperkt. Ze kunnen het niet bevatten.’ ‘Geeft niet,’ zeiden ze. ‘Gebruik hun taal, gebruik woorden die zij kunnen begrijpen. Probeer het gewoon, Pro. Als ze maar een heel klein beetje een idee krijgen.’
(Uit Proloog, in Oer
)

Corien Oranje vertelt op haar website dat de hoofdpersoon een proton is, dat in de eerste seconden na de oerknal ontstaat. Zij moest zich dus verdiepen in wat er allemaal gebeurde in die eerste tijdperken na de oerknal, in molecuulvorming, in de werking van DNA, in het ontstaan van de aarde en het ontstaan van het leven, en in de Bijbel.

Maar ik ben blij dat ik me erin heb vastgebeten, want het was fascinerende stof, en ik ben die stokoude protonen, neutronen en zelfs de elektronen toch meer gaan waarderen.’
(Corien Oranje)

Ik weet het niet,’ zegt Proton, ergens in het begin van het verhaal. Hij wilde dat hij scherpzinniger was, dat hij precies kon begrijpen wat Achaton hem vertelde, dat hij gevatte antwoorden kon geven, maar het lukte hem niet.

Dan hadden we jou hier niet gezien. Laten we het daarop houden.’ ‘Maar het mooie was,’ zei Kalon, ‘de krachten bleken onderling perfect op elkaar afgestemd. De zwaartekracht, de elektromagnetische kracht, de sterke en de zwakke kernkracht: de Schepper heeft ervoor gezorgd dat ze vrienden zijn geworden.’ ‘Nou …’ zei Achaton. ‘Vrienden …’ ‘Oké, vrienden is misschien te sterk uitgedrukt. Collega’s dan, een team. Partners. Ze voelen elkaar perfect aan, alsof ze altijd al hebben samengewerkt. Met z’n vieren voeren ze één grote dans uit ter ere van de Schepper.’
(Uit Oer, in Oer)

Het was al te laat,’ zegt verteller Proton, verderop in Oer. Hij vertelt dan over de nanoseconde die voorafging aan een botsing.

We konden elkaar niet ontwijken. In de nanoseconde voorafgaand aan de botsing voelde ik geen angst, hooguit teleurstelling, dat dit het was, dat het allemaal voorbij was nog voor het goed en wel begonnen was. Ik zou er niet achter komen wat het plan was, waarover Kalon en Achaton het gehad hadden, dat plan van de Schepper. Ik zou nooit te weten komen wat de bedoeling was van dit heelal. De klap was hevig. Heel even voelde ik de enorme hitte die me overspoelde en bezit van me nam. Daarna was er niets meer.’

‘Is-ie nou wakker, of niet?’ hoorde ik iemand zeggen. ‘Gaat het wel goed met hem?’ ‘Geen idee. Hé, hallo! Jij daar!’

(Uit Kosmos, in Oer)

Vorige week schreef Oranje op haar site dat zij bijna drie jaar geleden samen met Dick het Pieterpad liep. Zij waren halverwege in Gelderland, toen zij in haar mobiel een mailtje ontdekte van wetenschapper Cees Dekker, met wie zij samen Het geheime logboek van Topnerd Tycho schreef.

Of ik nog een boek wilde schrijven, samen met hem en met theoloog Gijsbert van den Brink, maar dan voor volwassenen. Een hervertelling van het grote verhaal van onze wereld, op een manier die recht zou doen aan wetenschappelijke bevindingen én aan de Bijbel.’
(corienoranje.nl)

Oer, het grote verhaal van nul tot nu | Ark Media | april 2020 | ISBN-10: 903380218X | ISBN-13: 9789033802188 | 160 pagina’s | € 14,99 | Bij de lokale boekhandel! | ‘Dit aansprekende boek past in een lange en rijke traditie waarin wetenschappers gedreven door hun geloof proberen de oorsprong en evolutie van ons heelal te duiden, van de oerknal tot het leven op aarde. Het delen van deze fascinatie en passie voor de natuur is een universeel goed dat ons allen dichter bij elkaar brengt, ongeacht onze persoonlijke overtuiging.’ (Robbert Dijkgraaf, hoogleraar natuurkunde en directeur Institute for Advanced Study Princeton)