‘Kerken behandelen God als een product’

Godproduct

‘Moderne Luther’ Peter Rollins is eerst en vooral theoloog en onderzoekt hoe mensen god zien en ontleedt dat ze meestal niet god zien als ze god menen te zien. En dat ze hem niet aanbidden als ze hem aanbidden en hem niet verwerpen als ze afscheid nemen van God. Rollins wil laten zien hoe het idee van God zoals dat in grote delen van de kerk wordt gepreekt niets meer is dan een onmachtige afgod. ‘God als een product dat zekerheid en bevrediging belooft terwijl het niets anders dan onwaarheid en onvrede laat zien.’

Rollins ontregelt en schopt tegen heilige huisjes, zegt de gereformeerd vrijgemaakte theoloog Rikko Voorberg in zijn artikel in Lazarus van 30 oktober. Rollins is een gevierde Noord-Ierse schrijver, filosoof en theoloog, en schreef Verslaafd aan God, waarin hij betoogt dat aanvaarding van leegte en niet-weten juist een kern is van christen-zijn.

Dat laten Jezus’ kruisiging en andere christelijke verhalen zien. Bevrijding van de verslaving wordt mogelijk wanneer ‘het niets’ als grond van het bestaan wordt erkend in plaats van ontvlucht. In díe diepte is God te benaderen. Het mysterie van Gods werkelijkheid kan worden ontmoet door een diepe en toegewijde liefde voor de wereld zelf.’ (Uitgeverij Skandalon over Verslaafd aan God)

Volgens Voorberg – ‘de theoloog in het wild’ en initiator van de PopUopkerken, en ook wel bekend van zijn boek De dominee leert vloeken – is Rollins als een rechtmatige Ier erg bijgelovig en gelooft hij nog in spoken. En daagt hij ons uit om onze eigen ghosts onder ogen te komen en er niet voor te vluchten of hen te negeren.

Want alles wat we wegdrukken zal zich opnieuw aan ons voordoen. Hoe pijnlijk dit ook kan zijn, Peter Rollins stimuleert je om je vragen, angsten en trauma’s onder ogen te durven komen. Als wij onze twijfels en angsten durven te omarmen en zelfs durven te delen, zal dit ons verbinden. Het maakt ons mens.’ (Voorberg)

pete_rollins__about_picIn het interview in Verslaafd aan God zegt Peter Rollins (foto:  JIMA) dat zijn boeken en artikelen het archimedische punt proberen te vinden van waaruit we de gigantische structuur omver kunnen werpen die een reactionaire en afgodische levensvorm propageert, in een valse vermomming van het christelijk geloof; een structuur waar we met ons gezonde verstand misschien de spot mee drijven, maar die we omarmen op liturgisch en inhoudelijk niveau.

Dit laatste boek is mijn meest systematische en meest duidelijke schets van het probleem zoals ik het zie. In die zin geloof ik dat het een hermeneutische sleutel biedt waarmee al mijn andere werk kan worden begrepen. Het geeft een beeld van de omheining waarbinnen de rest van mijn werk zijn plek vindt.’ (Uit: Verslaafd aan God)

De zorg van Rollins is dat volgens hem de meeste van de momenteel bestaande kerken werken als een soort drug, met voorgangers die lijken op de aardigste en meest oprechte drugdealers. Waar we voor betalen zijn onze liederen, preken en gebeden die ons eerder helpen om ons lijden uit de weg te gaan dan om het te verwerken.

In tegenstelling daarmee pleit ik voor gemeenschappen die eerder lijken op professionele rouwenden die voor ons huilen op een manier die ons confronteert met ons eigen lijden, de stand-up comedians die spreken over de pijn om mens te zijn of de dichters die, in het plaatselijk café, zingen over het leven.’ ( Uit: Verslaafd aan God)

verslaafd-aan-god-peter-rollins-the-idolatry-of-godMet andere woorden, vervolgt Rollins, een kerk waar de liturgische structuur God niet behandelt als een product dat ons heel zegt te maken (en een oplossing is voor al onze problemen), maar als het mysterie dat ons in staat stelt uitbundig te leven te midden van de moeilijkheden van het leven.

Een plaats waar we worden uitgenodigd om de werkelijkheid van ons mens-zijn onder ogen te zien, niet zo dat we wanhopig worden, maar zo dat we bevrijd raken van de wanhoop die al binnen in ons smeult, de wanhoop die ons tot slaaf maakt, de wanhoop die we weigeren onder ogen te zien.’ (Uit: Verslaafd aan God)

Verslaafd aan God | Peter Rollins | ISBN: 978-94-92183-51-4 | 224 pagina’s | € 19,50

 Zie:

Beeld: paper.hetkontakt.nl

Luther, geloof versus geloof

droomfrederikdewijzecatharijneconvent

Luther schreef zijn stellingen met een enorme ganzenveer op de deur van de Wittenbergse slotkapel. De ganzenveer, die zo lang was dat deze in Rome de kop van een leeuwenstandbeeld doorboorde en paus Leo (leeuw) zijn driekroon van het hoofd stootte, is te zien op het schilderij De droom van keurvorst Frederik de Wijze. In het Catharijneconvent hield Paul Bröker, directeur van het kunsthistorisch instituut Helikon, hierover en over meer spotprenten en –schilderijen de gloedvolle lezing Geloof versus geloof in het kader van de Luthertentoonstelling.

De leeuw brulde daarbij zo hard, dat een menigte machthebbers toeliep om hem te vragen wat er aan de hand was. De paus vroeg hen hulp tegen de monnik. Men probeerde tevergeefs de ganzenveer te breken. De monnik zelf stond verbaasd over de sterkte ervan en vertelde dat hij de veer, die afkomstig was van een honderdjarige gans, van een oude leermeester gekregen had.’

Het Tsjechische woord ‘hus’ betekent gans en zo brengt de ganzenveer Luther in verband met de 15e eeuwse reformator Johannes Hus. Tijdens een dispuut in Leipzig werd Luther zozeer in het nauw gedreven, dat hij moest verklaren dat hij het in veel opzichten met Hus eens was. En deze was door een concilie als ketter veroordeeld! Toen Hus in 1416 als ketter verbrand werd, profeteerde hij dat men nu wel een gans doodde, maar dat honderd jaar later een zwaan zal opstaan die zijn werk zou voortzetten.’

Op bovenstaande prent wordt Johannes Hus, volgens Bröker, met zijn kritiek op de kerk en uiteindelijk het pausdom, beschouwd als een van de voorlopers van de Reformatie: er werd wel geschreven dat Hus het ei had gelegd dat uiteindelijk door de zwaan Luther was uitgebroed (beeld: catharijneconvent, detail).

PietervandeHeiden1850Rijksmuseum

Bröker toonde – hierboven – ook een prent van Pieter van der Heiden (beeld: rijksmuseum), een parafrase van een beroemd schilderij van Titiaan waarop Artemis, de maagdelijke godin van de jacht, ontdekt dat Kallisto zwanger is. Net als Kallisto, wordt de paus uitgekleed en is zijn ‘zwangere buik’ zichtbaar.

Op de prent van Van der Heiden broedt de paus een nest vol monstereieren uit. We zien onder andere een ei waar ‘Baltasar Gera, morder van de prins’ een ander ei waar de draak van de ‘inquisition’ uitkomt. De nimfen die de zwangerschap van Kallisto ontdekt hebben, hebben op deze prent plaatsgemaakt voor ‘de nacte warheijt’ en Vader Tijd. Met deze twee figuren wort gezinspeeld op het gezegde dat na verloop van tijd de waarheid aan het licht zal komen.’

christusopdeezeldepaustepaard

Bovenstaande laat een afbeelding van Christus op de ezel zien en de paus te paard, uit het begin van de 17e eeuw (beeld: De andere verbeeld). Hoewel de paus, in naam, slechts knecht is, gedraagt hij zich alsof hij de heer is. Christus rijdt blootvoets op en ezeltje, draagt een eenvoudig kleed en gebruikt als teugel een touw. Zijn blik is naar boven gericht en hij maakt een zegenend gebaar.

Zijn rijk uitgedoste plaatsvervanger laat zich niet leiden door zijn voorbeeld en voorganger. De paus heeft veel meer de uitstraling van een aardse keizer. In plaats van de doornenkroon die Christus draagt, heeft hij een driekroon op het hoofd. Hij draagt een kostbare geplisseerde albe als teken van waardigheid, de zogenaamde cappa rubea, de rode mantel.’

Op onderstaande prent is de Dubbelkop van Paus en Duivel te zien (beeld: Helikon). Als hoofd van de katholieke kerk is de paus het mikpunt van allerlei spotternijen; voor katholieken de plaatsvervanger van Christus op aarde. De protestantse spotcultuur zag in hem de plaatsvervanger van de duivel op aarde.

pausdubbelkophelikon

Op de eerste plaats valt een niet al te flatteuze afbeelding van de paus op. We herkennen hem aan zijn driekroon. Wordt het schilderij omgedraaid, dan ziet men de afbeelding van een duivel met hoorns, verwilderde haren en dierlijke puntige oren. De twee koppen zitten aan elkaar vast en hebben uiteindelijk maar één mond: paus en duivel praten door dezelfde mond: alles wat te paus te vertellen heeft, is ingegeven door de duivel.’

Een ander voorbeeld over de spotprenten het schilderij ‘T Licht is op de kandelaer gestelt (beeld: Catharijneconvent). (In het midden Luther en Calvijn.) Een verwijzing naar Jezus die over zijn evangelie spreekt als over een kaars of licht. De voorstelling van ‘het licht op de kandelaar’ toont de belangrijke plaats die de hervorming, in overeenstemming met Jezus’ gelijkenis, aan het evangelie toekende.

TlichtisopdekandealaergesteldCatharijneconvent

Op de voorgrond trachten van links naar rechts een bisschop, een Jezuïet, de duivel in de gedaante van een soort salamander, een paus en een monnik, de kaarsvlam uit te blazen. (…) Zo blaast de paus met valssche sucessie (valse opvolging) en de bisschop met verkeerde geleertheid, de monnik blaast met schynheilicheit en de duivel met leugengeest. 

In het Catharijneconvent zijn ook een twaalftal prenten te zien van humanist Dirk Volkertsz. Coornhert. In die prenten bracht Coornhert de voorgeschiedenis van de inquisitie, het machtsmisbruik van het wettige gezag en de Opstand in beeld. Volgens Coornhert lag de schuld van alle ellende bij de corrupte geestelijkheid die meer geïnteresseerd waren in geld en plezier dan in de zielzorg. Op onderstaande prent (beeld: engramma.it) onthult en ontmaskert Luther het bedrog van de rooms-katholieke geestelijkheid.

Bewijslastvandeheiligeschrift

Luther tilt de mantel op van een paus wiens tiara is voorzien van een veelzeggend opschrift Abusus of misbruik. Onder het pauselijk gewaad worden duivelsarmen en -poten zichtbaar. Bovendien hebben allerlei kwaadaardige dieren, zoals een slang, een schorpioen, een wolf en een jakhals zich aan de voeten van de Heilige Vader genesteld. Dit alles wordt onthuld aan het veelkoppig volk dat verbaasd toekijkt.’ 

Veel meer hierover en Luther is te zien in het Catharijneconvent dat met de tentoonstelling Luther op zoek gaat naar de onbekende man achter 500 jaar Reformatie. 

Bronnen: Lezing ‘Geloof versus geloof’ van drs. Paul Bröker; Rijksmuseum; Catharijneconvent; De andere verbeeld; Engramma (It), Helikon.

Samen sterven na een lang gedeeld leven

Een goede dood

Ton Vink studeerde filosofie, godsdienstwetenschappen, geschiedenis en psychologieen promoveerde in de filosofie. Daarnaast begeleidde hij jarenlang mensen die overwogen hun leven te beëindigen. Hij schreef een zorgvuldig onderbouwd pleidooi voor gereflecteerde zelfbeschikking. Met Een goede dood laat Vink zien dat we ons minder moeten bezighouden met de procedurele en juridische kant van euthanasie en meer met de vraag wat een goede dood nu eigenlijk inhoudt.

Vink heeft een praktijk voor levenseindevragen. Jarenlang begeleidde hij mensen die overwogen hun leven te beëindigen. Hij schuwt niet om moeilijke vragen te stellen: Wat is een goede dood? En wie bepaalt dat? Vink neemt ons mee in een wereld die ons allemaal aangaat.

Wat is een goede dood? En wie bepaalt dat? De vraag naar het goede van een goede dood wordt vaak verwaarloosd. Ten onrechte, want vraagstukken omtrent een goed levenseinde zijn van groot belang.’ (Vink)

Te vaak wordt het levenseinde beoordeeld vanuit juridisch en procedureel perspectief. In Een goede dood – euthanasie gewikt en gewogen breekt Vink een lans voor een nieuwe manier van denken over euthanasie. Het regisseren van het eigen levenseinde is een moeilijk proces. Vink toont op overtuigende wijze aan hoe en waarom de huidige aanpak van overheid en justitie het proces verder verzwaart. Op basis van een scherpe analyse van concepten als ‘autonomie’ biedt Vink duidelijke handvatten voor broodnodige veranderingen.

‘Thanasiewet’
Een goede dood schuwt moeilijke kwesties niet en verliest ook het individu niet uit het oog. In een gebalanceerd geheel van theoretische en praktische reflectie deelt Vink de vaak ontroerende verhalen van mensen die concreet de regie en zeggenschap over hun eigen levenseinde zochten. Zo neemt hij ons mee in een wereld die ons allemaal aangaat.

Onze wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna ‘WTL’ of ‘euthanasiewet’, maar correcter zou eigenlijk zijn: ‘thanasiewet’, want aandacht voor het goede van de dood die conform de regels van de WTL bezorgd wordt, is er niet. In mijn ogen is de vraag naar het goede van een goede dood ten onrechte verwaarloosd.’ (Uit: Een goede dood)

TonVinkTon Vink (foto: TV) gaat in zijn boek expliciet op deze vraag in en probeert hij antwoord te geven op de vraag naar de kenmerken die tezamen de aanleiding kunnen zijn zo’n dood goed te noemen.

En – belangrijk – dat hoeft overigens niet altijd een variant van een zelfgezochte dood te zijn, al is die laatste wel hoofdthema van dit boek.’ (Uit: Een goede dood)

Samen sterven
Eerder schreef Vink een opiniestuk in Trouw waarin hij een ‘pleidooi’ houdt voor samen sterven. Hij wil een derde ‘euthanasiewet’ voor de groep ‘samen sterven’.

Ouderen die samen wensen te sterven, niet omdat hun leven ‘voltooid’ is, maar omdat de een bij het onvermijdelijk geworden verscheiden van de ander na een lang gedeeld leven niet alleen achter wil blijven. Tegenover ‘voltooid leven’ heeft ‘samen sterven’ het voordeel van duidelijkheid. (Ton Vink in Trouw)

De Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) is volgens Vink gebaseerd op ‘open normen’ en dat maakt mogelijk dat deze wet kan meebewegen met opvattingen binnen de samenleving, ‘vooruitstrevend’ of ‘behoudend’.

Wie na rijp beraad besluit dat zijn levensweg erop zit (‘voltooid’ is) kan, na zorgvuldige voorbereiding, zo nodig zichzelf een ‘goede dood’ bezorgen. Vanwege de eigen verantwoordelijkheid en de goede dood heet dit ‘zelf-euthanasie’, te onderscheiden van ‘artsen-euthanasie’, de goede dood onder verantwoordelijkheid van de arts.’

Een goede dood | Ton Vink | ISBN 9789086872244 | pag. 144 | Verschijnt vandaag | NUR 730 | UITGEVER Klement | € 19,99

Bronnen: Persbericht uitgeverij Klement; Trouw

‘Vroege christendom trachtte de klassieke cultuur te vernietigen’

Domenico-Fetti_Archimedes_1620

Stel je voor dat we 2000 jaar voort hadden kunnen bouwen op die wiskunde van Archimedes, dat we het atomisme niet vergeten waren of alleen maar het idee hadden gekoesterd dat religie in feite niet zo belangrijk is. – Dit werpt de Britse historica Catherine Nixey op, dochter van een monnik en een non, in een interview met De Morgen. Ze schreef een boek over de oude christenen: Eeuwen van duisternis – de christelijke vernietiging van de klassieke cultuur.

Over het geweld en de onverdraagzaamheid van het vroege christendom schreef Nixey het boek Eeuwen van duisternis, een overzicht van moord, brandschatting en vernieling op een voorheen nooit geziene schaal. Op een paar eeuwen tijd slaagden de christenen erin de antieke cultuur te beëindigen: weg Griekse filosofie en weg Romeins secularisme. In de plaats kwam het Boek.’

Catherine Nixey studeerde Klassieke Oudheid aan de Cambridge University en werkte enkele jaren als leraar Klassieke Oudheid in Londen. Momenteel is ze journalist voor The TimesEeuwen van duisternis is haar debuut. ‘Het vroege christendom was even wreed als IS,’ zegt Nixey. ‘Als je kijkt naar het verleden is de islam in haar ogen niet zo uniek, we­reld­vreemd en wreed als we wel eens denken’.

Augustinus laat er in zijn De Civitate Dei geen enkele twijfel over bestaan. Mensen komen bij hem en vragen hem wat ze met andersgelovigen moeten doen. Uitroeien, zegt hij, want daarmee tonen we hoeveel we van God houden. Hij ging er immers van uit dat God alles ziet, jaloers is en bereid om degenen die ontrouw zijn te straffen. Eens je dat aanneemt, heb je in feite geen keuze meer.’

De Morgen vraagt zich af waarom we dan toch het idee dat het christendom een vredevolle, tolerante religie is. Omdat de geschiedenis door de overwinnaars wordt geschreven, luidt haar antwoord, verwijzend naar Edward Gibbons The History of the Decline and Fall of the Roman Empire uit de tweede helft van de achtste eeuw.

Hij beweerde daarin dat dit Rijk te gronde was gegaan door het christendom, omdat het al de beste maatschappelijke krachten opslorpte en hen in een klooster opsloot. Dat leidde tot verzwakking van het Rijk, waardoor het een vogel voor de kat werd voor de Goten en de Arabieren. Nog voor zijn boek verscheen, had het Vaticaan het al op de index gezet. Het christendom was als geen andere religie bedreven in het redigeren van zijn eigen geschiedenis.’

Dat leidde volgens Nixey tot het een einde van het pluralisme en het intellectuele debat dat zo typerend was voor het Romeinse geestesleven.

Deels kwam dit doordat veel filosofie in tegenspraak was met de religie. Ieder boek dat iets anders beweerde dan de Bijbel was verboden, wat in de praktijk dus alles was behalve die Bijbel.’

En ook de klassieke teksten hadden daaronder te lijden. Bestaande teksten werden van het perkament geschraapt om plaats te maken voor christelijke teksten, niet alleen omdat ze deze verderfelijk vonden, maar ook omdat ze er geen interesse voor hadden. Het intellectuele erfgoed verschraalde daardoor enorm.’

eeuwenvanduisternis

Volgens Marnix Verplancke van De Morgen schrijft Nixey er niet expliciet over, toch lijken er heel wat overeenkomsten te bestaan tussen de vroege christenen en de extremistische islam van vandaag.

Je kunt de overeenkomsten inderdaad niet over het hoofd zien. Het monotheïsme is een krachtig idee dat beweert dat ik beter ben dan jij en dat jij minder menselijk en waardevol bent dan ik omdat ik in de juiste god geloof. Het is een gevaarlijk idee dat we vandaag de kop weer op zien steken en dat voor sommigen bijzonder ­aantrekkelijk is.’

Achter het christelijk geweld zat vaak ook een grote mate van bezorgdheid. Als de christenen toestonden dat je je demonen bleef aanbidden, zou jij na je dood eeuwig branden in de hel, en zij ook omdat ze je niet gered hadden. Daarom oefenden ze hun ‘genadige wreedheid’ op je uit, zoals ze dat noemden.’

Over hoe de wereld eruit gezien zou hebben zonder het christendom verwijst Nixey naar een van de opmerkelijkste boeken die zij kent: het Archimedes-palimpsest, een gebedenboek dat geschreven is op gerecupereerd perkament van zeven boeken van Archimedes. De wiskunde en fysica die daarin aan bod komen, zouden pas weer door Newton ontdekt en gebruikt worden, bijna 2.000 jaar later dus. En mede daardoor kwam Nixey op haar gedachte:

Stel je voor dat we toen voort hadden kunnen bouwen op die wiskunde van Archimedes, dat we het atomisme niet vergeten waren of alleen maar het idee hadden gekoesterd dat religie in feite niet zo belangrijk is. Hoe had de wereld er vandaag dan uitgezien? Wie weet? Misschien hadden we eeuwen geleden al een atoombom gemaakt en waren we er allang niet meer.’

‘Eeuwen van duisternis – De christelijke vernietiging van de klassieke cultuur’ | Catherine Nixey | Hollands Diep | 398 p. |29,99 euro| Vertaling: Aad Janssen, Marianne Palm en Pon Ruiter | ISBN: 9789048831333 | € 29.99 | 09-10-2017 | Ebook | ISBN: 9789048831340 | € 9.99
Het is het nagenoeg onbekende verhaal van een strijdvaardige nieuwe religie, die in het begin van onze jaartelling opdook en overleefde door de klassieke beschaving met geweld te bestrijden, beelden werden aan stukken geslagen en grootse literatuur werd vrijwel volledig vernietigd. Elke andere opvatting moest fanatiek worden bestreden. Iedereen die zich niet naar het christelijke geloof voegde, werd vervolgd, gemarteld en vermoord. (Uitgeverij Hollands Diep)

Zie voor het volledige interview: Catherine Nixey, dochter van een monnik en een non, over het vroege christendom ‘Wat de christenen deden, dát was pas terreur

Beeld:  Archimedes door Domenico Fetti (1620). De ontdekking in 1906 door Johann Heiberg van eerder onbekende werken van Archimedes in de Archimedes-palimpsest heeft nieuwe inzichten verschaft in hoe Archimedes zijn wiskundige resultaten verkreeg. (Wikimedia) Het is een perkament van geitenvel waarop gebeden uit de 13de eeuw staan geschreven. Het perkament bevond zich honderden jaren in een kloosterbibliotheek in Constantinopel.
Na de ontdekking in 1906 raakte het in de jaren 1920 in particulier bezit. Op 29 oktober 1998 werd het Archimedespalimpsest op een veiling in New York door een anonieme koper gekocht voor $2 miljoen. Het is een hergebruikt perkament waarin een tekst van Archimedes is verborgen. Het werk bevat de enige overgeleverde Griekse versie van Drijvende lichamen en de enige afschriften van de Methode van mechanische stellingen. (archimedesfenajolien.weebly.com)

Geluk lag eeuwenlang opgeborgen in het hiernamaals

HermanPleijBroese

Geluk!? Herman Pleij dook er argeloos in en kwam terecht in de geluksindustrie, maar ook op universiteiten waar geluksprofessoren rondlopen. Er zijn zelfs geluksambtenaren, aangesteld door gemeenten. De geluksindustrie is een groeimarkt. Je kunt gelukkig worden tegen contante betaling. En Nederland blijkt hoog te scoren. Staat 6 op de Wereldranglijst van Geluk. We hebben de gelukkigste kinderen. – Herman Pleij, emeritus hoogleraar middeleeuwse letterkunde aan de universiteit van Amsterdam, was woensdagavond weer eens in zijn element. Ditmaal in een uitverkocht Broese in Utrecht.

Eeuwenlang lag geluk opgeborgen in het hiernamaals voor hen die dat op aarde verdiend hadden. Aan het eind van de Middeleeuwen begint dit al te verwateren tot een aardse voorziening in elke gewenste vorm. Die kon men zelfs zonder enige verdienste bij toeval deelachtig worden: stom geluk, ook bekend als mazzel. Het geluk raakte als sensationele beloning in een zalige eeuwigheid in de greep van vulgarisatie richting aarde en massa.’ (Uit: Geluk!?)

Pleij vroeg zich af hoe ze zo’n vragenlijst over geluk maken. Het blijken simpele enquêtes. Roept vraagtekens op wat betreft gezag en waarde. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) interviewt Nederlanders. Er lijkt een geringe kloof tussen arm en rijk,  de overheid is dichtbij voor de burger en we hebben een goede verzorgingsstaat. Maar geluk is toch privé? En wat wordt bedoeld met geluk? Het is een containerbegrip. Niet maakbaar.

Een beeldschone abdis werd belaagd door een edelman die stapelverliefd op haar was. Ze weigerde hem te ontvangen, maar via haar dienares bleef hij volharden in zijn verlangen haar schoonheid te bewonderen. Wat vindt hij dan mooi aan mij? vroeg ze aan haar helpster. Alles, antwoordde deze, maar vooral uw ogen. Daarop stak de abdis haar beide ogen uit en liet die op een blaadje bezorgen bij haar aanbidder – iedereen tevreden.’ (Uit: Geluk!?)

Ooit werd Vrouwe Fortuna opgevoerd in het christendom. Augustinus roerde zich er ook over: geluk ken je door kennis van goed en kwaad. Het Kwade heeft zin om het Goede te leren kennen. Zelf is Pleij aan de ‘goede kant’ van Hilversum geboren. Rijke vriendjes op school leerde hij kennen. Een ervan had een gloednieuwe leren voetbal. Heerlijk spelen, totdat een vrachtwagen de bal aan flarden reed. Pleij vond het vreselijk. Maar het commentaar van de eigenaar luidde: ‘O, ik krijg morgen wel een nieuwe’. Pleij wist op dat ogenblik, als tienjarige, door dat ongeluk, wat geluk was.

Nog meer zekerheid op de geluksmarkt biedt een zilverkleurige handleiding met Bijbelachtige allure, onder de titel: Geluk. The World Book of Happiness 2.0, met als ondertitel: De wijsheid van 100 geluksprofessoren uit de hele wereld, in 2016 verschenen bij uitgeverij Lannoo te Tielt (België), onder hoofdredactie van Leo Bormans. Hoger van de toren is zeldzaam geblazen.’ (Uit: Geluk!?) 

Geluk gaat om welzijn en welbevinden, zegt Pleij. Maar klagen is gedemocratiseerd in Nederland. Het SCP vraagt jaarlijks aan de burgers naar geluk. Er wordt dan zwaar gekankerd op laag niveau. Maar het persoonlijk welbevinden scoort hoog: 80% van de Nederlanders is zeer tevreden. In een enquête, gehouden in verzorgingshuizen was ook 80% gelukkig. Daar hebben mensen het geweldig naar hun zin.

Niettemin had de kerk zich altijd wantrouwig getoond bij wat volgens haar toch veelvuldig placht te ontaarden in werelds vermaak zonder meer. Dat bleef zich traditioneel uiten in het censureren van de aardse levenskunst. Vooral dansen moest het ontgelden, ook omdat daarvan niet zo gauw een hemelse pendant viel aan te wijzen, zoals bij muziek en zang.’ (Uit: Geluk!?)

Adam en Eva realiseerden zich volgens Pleij wat geluk was na de zondeval. Daarvoor was alles gewoon goed. Waren ze gelukkig. Pleij noemt lijden echt iets van het christendom. Absoluut geluk komt dan in het Paradijs of Eldorado. Later. Dat geldt ook voor andere godsdiensten: na de dood komt het goede. Maar ook het socialisme wierf leden met het ‘Arbeidersparadijs’. Dat zou men zelfs nog mee maken in het eigen leven. Troelstra verleidde de arbeiders ermee. Een soort ‘format voor menselijke zingeving’, zo formuleert Pleij.

Aristoteles en Plato vestigden de aandacht op de laagste vormen van geluksbeleving, die zij in feite afwezen. Dan ging het om het vervullen van de begeerten naar geld, voedsel, drank en seks. Die hoorden volgens hen bij de levensstijl van grazend vee. Men geleek dan op runderen die zichzelf vetmestten, copuleerden en elkaar vertrapten bij de honger naar meer.’ (Uit: Geluk!?)

GelukEr schijnt van alles te zijn na dood,’ zegt Pleij. Maar Ronald Plasterk heeft het slechts over ‘Ietsisme’: de concrete invulling van het paradijs lijkt weggeseculariseerd. Pleij vertelde over een lijstje: vroeger stond bij beroepen nummer 1: rechter, hoogleraar, priester, dominee. En nu? Op nummer 1 staat de chirurg. Die heeft de rol van priester overgenomen. Eerst zorgde de priester voor het eeuwig leven, nu de chirurg: ‘hup, een nieuwe lever of zo en leef lekker door’. Het is technisch bijna mogelijk: onsterfelijkheid. De arts zorgt voor eeuwig leven.

Er is te allen tijde fastfood, de behoefte aan seks kan eenvoudig vervuld worden, klimaatbeheersing is inmiddels binnenshuis geregeld, arbeidsloos inkomen verloopt via bank en beurs en de verjongingsindustrie is definitief overgenomen door de medische boetseerkunst, terwijl de branche levensverlenging de grootse groeimarkt vormt binnen de gehele gezondheidskunde, met het eeuwige leven op aarde als serieuze optie.’ (Uit: Geluk!?)

In de middeleeuwen wisten ze er ook wat van. Volkspredikers verspreidden toen het woord van God. Erasmus vond dat toen niks: ze predikten voor eigen gewin en riepen over hel en hemel. Die predikers waren ware acteurs, volgens Pleij. Ze trokken duizenden belangstellenden op kerkpleinen. Een figuur als Jan Brugman goochelde zelfs met doodskoppen. Het ging tenslotte om het plaatje toen. Iedereen kon het zien en ook ongeletterden konden het begrijpen. Ze schilderden hemelse paradijzen, waar tafels altijd gedekt waren, als een soort foodhall. Vooral spirituele tamtam. De duivel had vat op de mensen, vertelden de predikers. Die was de baas geworden na de zondeval.

Afgelopen woensdagavond kon Pleij blijven vertellen. Helemaal in zijn element. Het maakt niet uit waar hij het over heeft, je luistert geboeid. Hij acteert als conferencier, maar wel een met inhoud. In zijn essay Geluk!? Van Hemelse gave tot hebbeding kan je er alles – en meer – nog eens over lezen. Het is net zo helder als zijn betoog. Op 9 november verzorgt hij een cultuurhistorisch theatercollege over de zoektocht van de Nederlandse identiteit, in Schouwburg Amstelveen.

Geluk!? Van hemelse gave tot hebbeding | Paperback / Ingenaaid | Uitgever: CPNB | oktober 2017 | EAN: 9789059654488 | € 3,50

Beeld: PD – Herman Pleij signeert Geluk!? voor een andere auteur (Margaret van Mierlo)