God, ik, en de Bijbel anno nu

godenik (1)

‘Het is de uitdaging van het progressieve christendom om Bijbelverhalen opnieuw te ontdekken en van betekenis te laten zijn in deze tijd,’ zegt Brian McLaren. Dat is wat de theoloog des Twitterlands, Alain Verheij, doet in zijn nieuwe boek ‘God en ik’. Aldus website Lazarus. Daarop staat ook dat deze week God en ik verschijnt, het eerste boek van Verheij. Hij schrijft over zijn weg binnen het geloof: soms een triomftocht, soms een worsteling. En hij laat zien wat je als 21e-eeuwer nog kunt leren van die oeroude Bijbel.

De enige manier om volwassen door het leven te gaan, is de weg van de tweede naïviteit van Paul Ricœur. Accepteer de magische kant in je ziel en je heimwee naar Sinterklaas, maar erken gelijktijdig dat de realiteit geen sprookje is: het is hier geen paradijs. Het zoeken van een goede balans tussen de droom en de scepsis is een levenslange koorddans. (Lazarus)

Bij Reporters Online zegt Verheij dat het wel lijkt alsof je tegenwoordig weer gewoon over geloof mag praten – omdat religie nooit dood is geweest en de helft van Nederland nog altijd een vorm van godsgeloof heeft: stichtingen, scholen, politieke partijen, buren, evangelisten… je moet je best doen om nooit een christen tegen te komen.

Daarnaast brengt immigratie ons in contact met voorheen minder bekende vormen van geloven, met name in de vorm van moskeeën en migrantenkerken. Wereldwijd groeit het aantal gelovigen nog steeds, dus wie de mensheid wil begrijpen doet er goed aan om iets van religie te weten.’ (Reporters Online)

Verheij toog naar het hol van de seculiere leeuw – ergens aan de grachtengordel van Amsterdam – om plannen te maken voor een nieuw boek – dat vanavond gepresenteerd wordt in Rotterdam – waarin hij het mooie van de Bijbel zal laten zien aan de weldenkende 21e-eeuwer.

De nieuwe generatie zit niet meer te wachten op de vuile was van een gefrustreerde ex-gelovige. Die problematiek kennen we nu wel. De tijd is nu juist weer rijp voor een bescheiden eerherstel voor de wijsheden in de Bijbel die er nog altijd zijn, onder heel veel lagen onbegrip, historische missers, kerkelijke starheid en anti-kerkelijke allergie.’ (Reporters Online)

Seculiere manieren om al je dromen in te leveren en in de kritische fase te blijven hangen zijn er ook, zegt Verheij.

Er is een naturalistisch wereldbeeld waarin men alles voor zichzelf kan verklaren door het te reduceren tot toeval en chemische processen. Er zijn pragmatisten die de magie voor de techniek hebben verruild en geloven dat er voor alle problemen op aarde een fix of een pil kan worden uitgevonden. Ten slotte kun je het luchtkasteel uit je jeugd vervangen door een bunker van schijnveiligheid: rijkdom en comfort, ellebogenwerk en agressie, succes of verdoving. (Lazarus)

Volgens uitgeverij Atlas Contact analyseert Verheij als theoloog, schrijver en blogger onze tijd en ziet hij hoe de christelijke verhalen en gebruiken wel degelijk iets te zeggen hebben over de wereld van nu.

Zo kun je de vastentijd zien als een detox die zorgt voor meer zelfreflectie, solidariteit en een gezond lichaam en gezonde geest. Verhalen over Jezus, Job, Mozes en Petrus zetten aan tot denken over hoop, vertrouwen en volharding. Verheij is niet bang om tegen heilige huisjes te schoppen.’ (Uit: God en ik)

godenik

Persoonlijk, scherp, kritisch en een tikje ironisch schrijft Verheij volgens de uitgever over zijn weg binnen het geloof. God en ik werpt licht op levensvragen die de mens al eeuwen bezighouden – nu misschien wel meer dan ooit.

De Bijbel en het christendom hebben een enorme invloed op de westerse cultuur gehad, van de taal en het wetboek tot het collectieve levensgevoel. Dat is ook terug te zien in de kunst, of je nu in het Rijksmuseum bent of op vakantie in Italië een van de monumentale kerken daar bewondert. In songteksten van Bob Dylan en Beyonce, maar ook motieven in films en literatuur – als je even de ogen van een theoloog leent, zie je de Bijbel overal om je heen. (Uit: God en ik)

In God en ik stelt Verheij dat de Bijbel nog heel veel te melden heeft aan mensen in een ontkerkelijkt Nederland anno 2018. Daarom gaat hij steeds op zoek naar de hedendaagse relevantie van die woorden uit een andere wereld en die rituelen uit een andere tijd.

In dit boek veronderstel ik zo weinig mogelijk voorkennis, zodat het juist voor niet-ingewijden goed te volgen is. Ook ga ik je op geen enkele manier proberen te bekeren.’ (Uit: God en ik)

God en ik – Wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel | Alain Verheij | Atlas Contact | ISBN 9789045035734 | 192 blz. | 11 mei 2018

Bijbel thema Boekenweek 2019?

bijbel-en-phone

Het thema voor de Boekenweek 2019 is nog onbekend, maar Jan Siebelink schrijft het Boekenweekgeschenk. Welk verhaal zich voor de week gaat aandienen, daar is Siebelink zelf nieuwsgierig naar. De in 2017 overleden gereformeerde theoloog prof. dr. Harry Kuitert gaf in zijn boekje Aan god doen als suggestie aan de CPNB het thema: de rol van de Bijbel. Uitgeverij Ten Have bracht in 1997 Kuiterts boektitel uit in kapitalen, wellicht om te voorkomen dat iemand zich stoorde aan god met een g. Zo werd het AAN GOD DOEN. De NRC meldde destijds dat Kuitert een onderscheid maakt tussen aan god doen en aan God doen.

Kuitert schreef over God en zijn woordvoerders. En over openbaring, waarop het christelijk gelooft zich beroept, vanouds, voor zijn waarheid. Volgens de theoloog zouden we de dragende grond van de gedachte dat te midden van de godsdiensten (en het ongeloof) ‘christelijk’ hetzelfde is als ‘geopenbaard’, in de Bijbel moeten zoeken.

Maar dat klopt niet. Niet de Bijbel, maar de theorie óver de Bijbel, de theorie als gods onfeilbaar woord, een woord dat echt ‘van boven’ komt, is de drager. Deze theorie brengt onheil, verknoeit het geloof, bederft het Bijbellezen en ontkracht de communicatie over het geloof. ‘Gods woord zegt…’ snijdt elk gesprek af, is zelfs bedoeld om tegenspraak uit te sluiten.’ (uit: AAN GOD DOEN)

De theoloog hoopte dat als je van deze theorie zou afstappen de Bijbel weer terug werd gebracht naar waar hij hoort, bij de mensen, want de Bijbel heeft eeuwenlang als volksboek gefunctioneerd en waarom zou je dat je laten ontfutselen door een theorie?

Voor de christenheid blijft de Bijbel het boek der boeken, en niet voor de christenheid alleen. Hierbij alvast een suggestie voor de Commissie voor de Propaganda van het Nederlandse Boek: over tien jaar de rol van de Bijbel als thema van de Boekenweek.’ (Harry Kuitert)

Siebelink werd vooral bekend in 2005 met zijn autobiografische roman Knielen op een bed violen, over de religieuze extase en verdwazing van zijn vader.

Op een beslissend punt in zijn volwassen bestaan heeft Hans Sievez een diepreligieuze ervaring; hij is ervan overtuigd voor een kort moment in direct contact met God te hebben gestaan. In de daarop volgende zoektocht naar zingeving en het eeuwige leven verliest hij het zicht op de werkelijkheid en het contact met zijn omgeving. Zijn huwelijk en de relatie met zijn twee zoons komen onder grote druk te staan.’ (Cover Knielen op een bed violen)

Volgens Kuitert zijn Bijbelteksten – wat ze ook geweest mogen zijn voor vorige generaties – geen letterlijke beschrijvingen of directe geboden, en is de uitleg van de Bijbel vrij. Hij vindt dat ‘Ga uit uw land en uit uw maagschap [bloedverwanten, PD]’ gelezen kan worden als aansporing om een zelfstandig persoon te worden, met een eigen verantwoordelijkheid.

Wie niet zijn vader of moeder verlaat’, als een opdracht tot uittocht uit de instituten; de opstanding van Jezus als aanmoediging tot maatschappelijke en politieke opstand. Dat kan en mag allemaal, zolang je ‘lezing’ niet voor ‘uitleg’ aanziet, en er het religieus gezag van ‘Gods woord’ voor opeist.’ (Kuitert)

In het boek Knielen op een bed violen komen zeer veel verwijzingen voor naar de Bijbel, maar een van de commentaren is, dat als je de Bijbel niet goed kent, je er overheen leest. Misschien is Kuitert al op zijn wenken bedient, en heeft Siebelink het verhaal allang geschreven: het verhaal over zijn vader, over het geleidelijke maar onstuitbare afglijden van een zachtaardig maar in zijn jeugd verwond man – vluchtend in het zwartste calvinisme.

jansiebelink.nl
E
r waren toen en er zijn nu nog altijd mensen die de Bijbel eng uitleggen. Zoals Jan Siebelink in Vrij Nederland in 2009 zei dat hij voortdurend brieven krijgt:

Brieven die mij de straf al toedienen. ‘De Heere der Heerscharen zal u de kop vermorzelen.’ Ze zijn anoniem en komen ’s nachts door de brievenbus. Daar ben ik toch wel een beetje bang voor. Dan denk ik: mijn vader dacht er ook zo over.’ (Jan Siebelink)

Siebelink zegt dat hij tot zijn 32e heeft geloofd en later afstand heeft genomen. Het geloof is als een mantel van hem afgegleden. Misschien heeft hij wat aan Sartre en Camus gehad, die hij al las op zijn zeventiende. Op school. Toch blijft voor Siebelink de Bijbel een cultureel en sacraal boek, zegt hij in Het hoogste woord (2006). Het heeft een grote waarde voor hem. Bij hem blijft nog altijd de vraag of er een God is ‘die ons opvangt’. Kuitert heeft voor hem het mysterie weggehaald. Hij zelf wil ervoor open blijven staan.

Misschien dat Jan Siebelink toch (weer) over de rol van de Bijbel kan schrijven als Boekenweekgeschenk 2019. Hij is er immers van overtuigd dat de Bijbel opnieuw ontdekt wordt. Hij heeft zo zijn gedachten over de wereld en de Bijbel.

Dat boek hebben we nodig om niet in huilen uit te barsten in de IKEA’s van deze tijd en ons doorgeslagen materialisme. Behalve die religieuze leegheid waarbij niets ons meer lijkt te overstijgen, krijgen we ook steeds meer te maken met de islam, een hermetische godsdienst die geen Verlichting of Reformatie heeft gekend. Dat wordt als bedreigend ervaren. Als reactie hierop verwacht ik een omkeer, misschien wel een herkerstening van West-Europa. Hoe mensen daarbij hun geloof ook zullen vormgeven, het kan niet anders dan dat de Bijbel daarbij een belangrijke rol gaat spelen. Dat boek is en blijft immers een centrale bron van onze cultuur.’ (Siebelink)

Je zou zeggen dat Siebelink materiaal genoeg in huis heeft om over de (nieuwe?) rol van de Bijbel als thema voor het Boekenweekgeschenk 2019 te schrijven. Hij zei in 2016 heel veel verhalen te hebben. Misschien kan hij aan ‘ons doorgeslagen materialisme en die religieuze leegte’ woorden geven, in relatie met het economisch liberalisme en de liberale wereldorde bijvoorbeeld. – De Boekenweek vindt plaats van zaterdag 23 tot en met zondag 31 maart 2019. Het thema wordt op een later moment bekendgemaakt.

Beeld: zininwijkbijstuurstede.nl

Foto: Jan Siebelink (detail cover Het Onzegbare)

God en de mensmachine

De.MensmachineDetail

In De mensmachine (2018) doet journalist Mark O’Connell verslag van een reis door de wondere wereld van de levensverlenging. In het hoofdstuk Geloof vertelt hij over zijn reis van San Francisco naar Piedmont voor een congres over transhumanisme. O’Connell ontmoet mensen – bij wie je kunt sprokkelen als je een fan bent van multiple religious belonging – zoals een transhumanist tevens wedergeboren christen, een transhumanistische boeddhist, twee mormoonse transhumanisten, iemand met een ‘knipperlichtrelatie’ met het joodse geloof, een praktiserend hermeticus en een oosters-orthodoxe hoogleraar systematische theologie.


Zijn wij de laatste sterfelijke generatie? Wel als het aan het transhumanisme ligt, de wetenschappelijke stroming die zich bezighoudt met radicale levensverlenging door middel van versmelting van mens en techniek. Al in 2048 kan de dood opgelost zijn; een gedachte die niet alleen hoopgevend is, maar ook angstaanjagend. (Uit: De mensmachine)


Een van O’Connells ontmoetingen, hoogleraar Wesley J. Smith, heeft het over ‘transhumanistische zieltjeswinners’ die beweren dat jij of je kinderen dankzij de wonderen van de technologie het eeuwige leven hebben.

En dat niet alleen: binnen enkele decennia zul je in staat zijn je lichaam en bewustzijn te transformeren tot een eindeloos aantal vormen, geschikt voor talloze doeleinden, met het gevolg dat deze zelfgestuurde evolutie leidt tot het ontstaan van een ‘posthumane soort’ met cartoonachtige superkrachten. Op een dag zullen we zelfs bijna goddelijk zijn.’

Smith vertelt over overeenkomsten tussen het transhumanisme en het christelijk geloof en vergelijkt het idee van de ‘Opname’ uit de christelijke eschatologie en het concept van de singulariteit (een hypothetische transhumanistische toekomstvisie, PD).

Beide zouden op een specifiek moment moeten plaatsvinden; beide zullen uiteindelijk tot de definitieve overwinning op de dood leiden; beide zullen een paradijselijke tijd van harmonie in een ‘Nieuw Jeruzalem’ inluiden – respectievelijk in de hemel en hier op aarde; zowel christenen als transhumanistische singularitarianen verwachten te worden toegerust met gloednieuwe ‘veredelde’ lichamen, enzovoort.’

O’Connell put uit publicaties van de hoogleraar die ter plekke achter zijn laptop een artikel in de National Review post over transhumanisme, dat hij een materialistische religie noemt of beter gezegd een wereldbeeld dat uit is op de voordelen van religie zonder een begrip als zonde of de nederigheid van het geloof in een Hoger Wezen te willen aanvaarden.

De transhumanistische boeddhist vertelde dat hij dankzij reïncarnatie in feite al het eeuwig leven had en hoe hij de eeuwigheid gewoon wilde doorbrengen in een beter lichaam dan dat waarmee hij momenteel was toegerust. Er liep ook een raëliaanse massagetherapeut rond die ervan overtuigd was dat het menselijk ras was ontwikkeld door wetenschappers die hier duizenden jaren geleden met ufo’s naartoe waren gekomen.


Transhumanisme is een bevrijdingsbeweging die niets minder bepleit dan een totale onafhankelijkheid van de biologie. Er is ook een andere zienswijze, een gelijkwaardige, tegengestelde interpretatie, namelijk dat die ogenschijnlijke bevrijding in werkelijkheid niets minder is dan een definitieve en complete onderwerping aan de technologie. (Uit: De mensmachine)


Een oecumenische sfeer proefde O’Connell, ook al waren de diverse overtuigingen over en weer onverenigbaar. Hij ziet het transhumanisme als een moderne opleving van religieuze ideeën.


Het transhumanisme wordt wel eens voorgesteld als een hedendaagse opleving van de gnostische ketterij, als een nieuwe, quasiwetenschappelijke voorstelling van een aloud religieus idee. (‘Tegenwoordig,’ zo stelt politiek filosoof John Gray, ‘is gnostiek het geloof van mensen die denken dat ze machines zijn.’) (Uit: De mensmachine)


De Mensmachine

Op het congres was ook een bijeenkomst, georganiseerd door Jason Xu, van Terasem, een geloof of ‘beweging’ gebaseerd op het idee van een ‘persoonlijk cyberbewustzijn’ en op de spirituele kant van zaken als breinemulatie (het uploaden van de herseninhoud om verder te leven als digitale kopie, PD) en extreme levensverlenging. Xu was de eerste die een transhumanistische demonstratie in de VS organiseerde, met spandoeken als ‘Onsterfelijkheid NU’ en ‘Google, doe iets aan de dood’. Hij deelde een gefotokopieerd boekje uit over A Transreligion for Technical Times:

De eerste waarheid van Terasem is dat het een collectief bewustzijn is, dat in het teken staat van diversiteit, eenheid en vreugdevolle onsterfelijkheid.’

O‘Connell werd soms niet echt wijs uit sommige woordenstromen van de aanwezigen, de overweldigende hoeveelheid onversneden beweringen. Hij voelde zich soms overdonderd door de ongebreidelde stortvloed van verkondigingen, zoals:

Daadwerkelijke onsterfelijkheid wordt bereikt wanneer gecodeerde data-emulaties van de werkelijkheid over de Melkweg en het heelal worden verspreid. De natuur wordt geëerd door een herschepping van het verleden en door het onvergankelijke behoud van vreugde en geluk.’

Journaliste Hanna Bervoets noemt De mensmachine sublieme literaire journalistiek over het eeuwige leven. The Sunday Times ‘een even helder als briljant boek. En ook nog grappig, érg grappig’. – Zijn boek leest als een pageturner, regelmatig inderdaad hilarisch.

Bron: Geloof – uit: De mensmachine 

De mensmachine – Hoe we de dood kunnen overleven | Mark O’Connell | Uitgeverij Podium, Amsterdam | € 21,50 | Ebook  € 9,90 | ‘Mark O’Connell doet verslag van een reis door de wondere wereld van de levensverlenging. Hij introduceert de illustere hoofdrolspelers, laat zien welke ideeën zij nastreven, hoe haalbaar die zijn en hoe verstrekkend de gevolgen. Het resultaat is een even urgent als verbluffend boek over de nabije toekomst van de mens.’ (Podium) | De mensmachine in de Engelse versie (To be a machine) werd in 2017 genomineerd voor de prestigieuze Baillie Gifford Prize, de belangrijkste Britse prijs voor non-fictie.

Spinoza in gesprek met Jezus

Niemand heeft zich op zo’n zelfde manier als Jezus over God uitgelaten als Spinoza, stelt theoloog Jan Knol in de onlangs uitgebrachte vierde druk van Spinoza – uit zijn gelijkenissen en voorbeelden voor iedereen. Over Spinoza wordt wel gezegd dat de kennismaking met hem van beslissende invloed kan zijn op je leven. In dit boek illustreert Knol aan de hand Spinoza’s gelijkenissen en voorbeelden Spinoza’s gedachtegoed in begrijpelijke taal en blijft daarbij dicht bij diens tekst. 

‘Het traditionele geloof is voor velen geen weg meer, maar er is wel behoefte aan een nieuwe oriëntatie. Spinoza’s filosofie kan daarin uitstekend voorzien’
(Jan Knol)

Jan Knol (1946-2016) introduceert in het laatste deel van dit boek – en alleen hierover gaat dit blog – de gesprekspartners Jezus en Spinoza, van wie hij zegt dat hun leven en denken frappant op elkaar lijken. Bovenal zijn beiden vol van Gods Geest. Maar ook de verschillen tussen hen steekt hij niet onder stoelen of banken.

Bron van het leven
In deze samenspraak zegt Spinoza dat er steeds minder mensen naar de kerk van Jezus komen, waarop Jezus antwoordt dat toe te juichen als dat beter is voor hen, maar als er daardoor minder contact met de bron van het leven is [God], dan niet. Ook zegt hij dat hij God aan de mensen voorstelt als een vader die liefde en zorg aan zijn kinderen geeft. Spinoza zegt hierop dat dat dat nu juist is wat velen tegenwoordig niet meer zo kunnen volgen.

‘God als een menselijk persoon ergens boven in de lucht, met ogen die ons zien, met oren die ons horen, met een stem die tot ons spreekt, en die ons beloont voor het goede en bestraft voor het kwade.’ (Spinoza)

God is alles
Jezus maakt duidelijk dat hij eigenlijk sprak over God als geest, maar de meeste mensen hem beter begrepen als hij over God als ‘Onze Vader in de hemel’ sprak. Hij vraagt aan Spinoza hoe hij God dan zou omschrijven.

‘God is alles. God valt samen met het universum dat onbegrensd, eeuwig, perfect en energiek is. Eigenlijk bestaat alleen God. God drukt zich uit in alles wat is. Zoals de oceaan zich uitdrukt in talloze grote en kleine golven. Daarom is alles ook een eenheid en niet die verscheidenheid van duizend en één dingen zoals vaak gedacht wordt.’ (Spinoza)

Een persoonlijk God
Dat vindt Jezus vaag klinken. Een persoonlijke God vindt hij toch wat warmer aan doen.

Vooral als mensen in nood door niemand meer geholpen kunnen worden, hebben ze het nodig dat ze tot iemand daarboven hun hart kunnen uitstorten. Of niet dan?’ (Jezus)

Spinoza

Gods Geest
Spinoza vindt dat Jezus God ‘hem’, dus een persoon, blijft noemen. Zelf ziet de filosoof het meer zo dat er één eindeloze, eeuwige substantie is, namelijk God of de natuur, die twee aspecten heeft, materie en geest. Alles en iedereen heeft volgens hem daar deel aan: ons lichaam maakt deel uit van het materiële aspect van God en onze geest van het geestelijke aspect van God.

‘Omdat onze geest deel heeft aan Gods Geest, kunnen we rechtstreeks iets van God weten zonder hulp van profeten, heilige boeken, tempels of andere vormen van openbaring.’ (Spinoza)

In stilte met God
Jezus zegt hierop dat hij begrijpt wat Spinoza bedoelt en vertelt dat hij bij zijn rondwandeling als rabbi door Israël de dag al vroeg begon, liefst alleen in de woestijn, in de stilte met God.

‘Daar had mijn geest verbinding met Gods Geest. Daaruit putte ik alle energie om de verdere dag mensen te genezen, vergeven en weer op weg te helpen.’ (Jezus)


Jan Knol

Krachtbron
Spinoza verbaast zich erover dat christenen, die zich naar Jezus noemen, het daar zo weinig over hebben.

‘In hun belijdenis is niks over dat gebruikelijke contact tussen God en jou te lezen. Terwijl dat toch de krachtbron is van waaruit alles moet gebeuren.’ (Spinoza)

‘Stukje van Gods Geest’
Jezus en Spinoza bespreken in de laatste veertig bladzijden van genoemd boek verder van alles, over onder meer hel en duivel, zonde, de vrije wil, over de menselijke geest die slechts een stukje van Gods Geest is. Maar ook over heiligdommen en rituelen, de Messias, heilige boeken, wonderen, bidden, het eeuwig leven en verzoening. Het valt op dat ze beiden regelmatig naar de Bijbel verwijzen en hieruit citeren.

Spinoza | Jan Knol | Uitgeverij Wereldbibliotheek | ISBN10 9028421947 | ISBN13 9789028421943 | 208 pagina’s | Vierde druk 2018 | € 14,50 | E-book € 4,99 | ‘Knol geeft tevens een kleine schets van Spinoza’s leven en in een fictieve samenspraak van Spinoza en Jezus maakt hij contrasten en overeenkomsten tussen Spinoza’s denken en het christendom goed helder. Dit boek is geschikt als inleiding in Spinoza’s filosofie voor een zeer breed lezerspubliek. Bovendien kan het de komende jaren goed dienst doen als aanvulling bij de filosofielessen over religie op het vwo.’ (Godsdienstfilosoof en theoloog Taede A. Smedes)

Beeld: Wereldbibliotheek – Detail cover Spinoza’s intuïtie (Jan Knol)
Foto Jan Kol (2015): Filosofie Magazine (Kick Smeets)
Update: december 2025 (lay-out, foto Jan Knol)

‘Er is iets dat bestaat, dus God bestaat’

universum

Het ‘onsterfelijke gerucht’ is geen onbelangrijk gegeven omdat daardoor wordt aangetoond dat er in de mensheid een heel wijd verbreid en spontaan bewustzijn bestaat, dat ons bestaan en dat van het hele universum iets is dat gratis geschonken wordt. – Dat zegt theoloog Manuel Cabello in de paragraaf Redelijk inzicht: de wegen vanuit het universum naar God, in Geloven vandaag?, waarin hij op zoek gaat naar uitgewerkte filosofische argumenten voor het bestaan van God door het universum als uitgangspunt te nemen.

Over het ‘onsterfelijk gerucht’ zegt hij dat er in onze intelligentie een intuïtief besef is – dat meer of minder duidelijk kan zijn – van het feit dat alles wat bestaat, ooit zal verdwijnen en er net zo goed niet kan zijn, en dat er daarom Iemand moet zijn die een verklaring geeft voor het waarom van de wereld en van de mens.

Deze intuïtie is al eeuwen geleden vastgelegd in de uitspraak: Aliquid est, ergo Deus est (er is iets dat bestaat, dus God bestaat). De filosofische argumenten die worden aangevoerd om het bestaan van God aan te tonen zijn niets anders dan een uitwerking en een vertaling in abstracte termen van deze allereerste intuïtie van het intellect – die wijd verbreid is in de geschiedenis van de mensheid tot op de dag van vandaag, als ze tenminste niet wordt verstikt door een bepaalde levenswijze of ideologie.’

Cabello verwijst naar de big bang theorieën waarvan bijna alle natuurkundigen gebruik maken als basis van hun werk, ook al staat de geldigheid ervan voor hen niet definitief vast. We moeten ons er dan ook niet toe verleiden die niet vaststaande wetenschap te gebruiken als argument voor het bestaan van God.

Wil men aantonen dat de wereld is geschapen door zich te beroepen op de big bang theorie, dan moet men een onomstotelijk bewijs leveren voor deze theorie, en men moet ook nog aantonen dat er vóór de big bang niets was – en dat krijgt men in de natuurkunde niet voor elkaar.’

Over de stelling dat het universum wellicht zichzelf heeft geschapen, zegt Cabello dat het gezonde verstand én de filosofie – die in het verlengde zou moeten liggen van het gezonde verstand –ons klip en klaar vertellen dat het onzinnig is om het te hebben over een schepping zonder schepper.

Als er ‘op een gegeven moment’ niets zou bestaan, zelfs niet God, dan zou er op geen enkel moment iets kunnen bestaan. Ex nihilo, nihil fit: niets komt voort uit het niets, luidt een oud gezegde in de filosofie.’

Als we echter stellen, zegt Cabello, dat het universum eeuwig duurt zonder dat er een God is, waarbij dat universum de macht heeft om de oorsprong te zijn van leven en bewustzijn, dan maken we van dat universum zelf een God; weliswaar een onpersoonlijke God tot wie we niet kunnen bidden, maar toch een echte God.

En als het [universum] geschapen is, dan moet er zich aan het begin van de serie oorzaken die aan het universum ten grondslag liggen, een wezen bevinden dat wél onmisbaar is omdat er zonder dat wezen niets zou kunnen bestaan. Dit onmisbare wezen is per definitie God.’

De wereld is volgens de theoloog samengesteld uit het geheel of de combinatie van de individuele dingen die er deel van uitmaken en geen van die delen bezit in zichzelf de volledige reden van zijn eigen bestaan.

Al die delen zijn op de een of andere manier afhankelijk van een oorzaak die buiten hun eigen bestaan ligt. Daarom toont de ervaring ons geen enkel voorbeeld van een werkelijkheid waarvan de bestaansreden in die werkelijkheid zelf is gelegen, en dus zal het geheel van die werkelijkheden – het universum dus – ook niet zelf de grondslag van zijn eigen bestaan bezitten. Daarom ontkomen we er niet aan om te veronderstellen dat er een bestaansreden van deze wereld is die buiten deze wereld is gelegen.’

Over de chaos aan het begin, de big bang, vraagt Cabello zich af wat voor evolutie er in staat kan zijn geweest om een wereld voort te brengen die zo welgeordend is als de onze?

Met andere woorden, kan de rationele ordening die wij waarnemen de resultante zijn geweest van blinde automatische krachten die hun spel speelden gedurende het evolutieproces van het universum, of moet die rationele ordening vooraf hebben bestaan om dit evolutieproces te sturen?

Hoe kan de materie, die per definitie niet intelligent is, stelt Cabello, het bestaan verklaren van het universum dat wij kennen, vanaf het wonder van het kleinste celletje tot het grootse schouwspel van het ‘hemelgewelf’ met zijn duizenden miljoenen melkwegstelsels? De theoloog verwijst naar Einstein, die van het wonder van de kenbare  structuur van het universum sprak:

‘Weliswaar worden de axioma’s van deze [zwaartekracht]theorie opgesteld door de mens, maar het feit dat men erin slaagt zulk een theorie te ontwerpen veronderstelt een mate van ordening van de objectieve wereld die je op voorhand helemaal niet zou mogen verwachten. Daarin ligt het wonder, en hoe meer we te weten komen, hoe groter het wonder wordt. Hierin ligt het zwakke punt van de positivisten en de professionele atheïsten die zich gelukkig prijzen omdat ze niet alleen menen dat ze met volledig succes de wereld van goden hebben bevrijd, maar ook denken dat ze hem van de wonderen hebben beroofd. Het vreemde is dat wij ons ermee tevreden moeten stellen dat we het wonder erkennen zonder dat er een geldige weg is die wij kunnen bewandelen om verder te gaan dan dat.’ (Einstein in: Geloven vandaag?)

De Belgische filosoof en theoloog André Léonard vond Einsteins reactie teleurstellend omdat hij weigert de uiteindelijke consequenties onder ogen te zien van het bestaan van dit ‘wonder’ en doet alsof dit wonder van kenbare structuur op zichzelf zou kunnen voortbestaan zonder een Intelligentie die dit wonder concipieert en realiseert. De reactie van Joseph Ratzinger was destijds: ‘Door de rationele ordening van de Schepping heen kijkt God ons zelf aan.’ Volgens Cabello maakt Ratzinger vaak gebruik van de weg van de rationele ordening van het universum om tot God te komen.

Het gehele grote evolutieproces vanaf het ontstaan van het universum tot op heden, lijkt Cabello geprogrammeerd en hij vraagt zich af wie dat programma heeft ontworpen en welke ingenieur  daarachter zit.

Het lijkt er daarom dus op dat het universum in al zijn aspecten en ook de aarde zorgvuldig zódanig zijn geconcipieerd dat ze het menselijke leven konden huisvesten. Dit feit wordt aangeduid met de term ‘antropisch principe’. Hebben we hier te maken met een onwaarschijnlijk toeval of met een in het oog springende manifestatie van de goddelijke voorzienigheid? Nogmaals, de wetenschap is niet in staat ons antwoord te geven op deze vraag.’

Zie: Redelijk inzicht: de wegen vanuit het universum naar God – in: Geloven vandaag? 

Andere artikelen over Geloven vandaag?:
1. ‘Een zwijgende God is onvoorstelbaar’
2. Het onsterfelijke gerucht dat God bestaat

Geloven vandaag? – Christendom en moderne rede | Manuel Cabello | 2017 | Uitgeverij De Boog | ISBN 9789062570645 | 224 pagina’s | Paperback | € 13.50 | E-book € 8.80 | Leesproef

Beeld: Een afbeelding van het universum door het WMAP – NASA / WMAP Science Team – map.gsfc.nasa.gov – Deze afbeelding van het heelal bevat het oudste licht uit het universum. De ovale vorm is een projectie van het hele heelal. De afbeelding bevat zoveel details dat het deze tot de meest belangrijke wetenschappelijke ontdekking sinds jaren maakt. Dit kosmisch portret is in 2003 gemaakt met de Wilkinson Microwave Anisotropy Probe (WMAP). Een van de grootste verassingen is dat de afbeelding data geeft van de eerste generatie sterren die 200 miljoen jaar na de Big Beng hun licht uitzonden. Astronomen zeggen op basis van deze data dat het heelal 13,7 miljard jaar oud is, met een foutpercentage van 1%. (verblijfopaarde.nl)