Jean-Paul Sartre, wat blijft is de hoop

Jean.PaulSartre

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre, volgens wie de mens ‘in de wereld is geworpen’ en veroordeeld om vrij te zijn, blijkt in zijn laatste jaren te zijn teruggekeerd naar het Messiaans-joodse denken en de kabbala, en zou zich volledig te hebben gedistantieerd van zowel zijn linkse opvattingen als van zijn meest intieme vrienden. In het boek Wat blijft is de hoop is hij hierover in gesprek met zijn orthodox-joodse secretaris Benny Lévy.

Lévy publiceerde de weerslag van hun gesprekken in Le Nouvel Observateur drie weken voor de dood van Sartre in april 1980. Aanvankelijk heerste ongeloof en werd Lévy misleiding verweten vanuit z’n eigen opvattingen, maar Sartre bevestigde de inhoud en teneur. De dialoog is uitgegeven onder de titel L’espoir maintenant, ou le mythe d’une rupture, in het Nederlands vertaald als Wat blijft is de hoop – de gesprekken van 1980.’ (Cultuurpers)

In deze dialoog tussen de filosoof en zijn orthodox-joodse secretaris, aldus uitgever Klement, lijkt Sartre zich gewonnen te geven voor een denken naar Messiaans-joodse snit.

Velen geloofden niet wat ze lazen en deden de tekst af als inhoudelijk niet-authentiek, gemanipuleerd of louter bedrog. Zij zagen interviewer Benny Lévy als de kwade genius die de woorden van een ziekelijke en ook mentaal afgetakelde Sartre had verdraaid ten voordele van zijn eigen doelstellingen.’

Volgens de uitgever sprak Sartre zelf, zo blijkt uit Wat blijft is de hoop, dit inderdaad tegen. Kort voor zijn dood bevestigde Sartre dat de gesprekken correct waren weergegeven, zodat menigeen bleef struikelen over de raadselachtige inhoud ervan.

Het boek Wat blijft is de hoop, is dit jaar weer actueel doordat het Onafhankelijk Toneel (OT Rotterdam) in het begin van dit jaar – in het kader van een aantal filosofievoorstellingen – de voorstelling Leven zonder Sartre bracht, op basis van Wat blijft is de hoop. Leven zonder Sartre is de derde filosofievoorstelling van regisseur en schrijfster Mirjam Koen. Zij zoomt hierbij telkens in op een cruciale gebeurtenis in het leven van een filosoof.


‘In Leven zonder Sartre staat Simone de Beauvoir centraal: schrijfster, filosofe, feministe en levensgezellin van Jean-Paul Sartre. Beiden stonden aan de wieg van het existentialisme en speelden een belangrijke rol in het linkse activisme van de jaren zestig.

De voorstelling speelt zich af na de dood van Sartre. Simone de Beauvoir gaat de confrontatie aan met Benny Lévy, de jonge secretaris van Sartre. Ze is woedend. Ze beticht hem van vergaande beïnvloeding van de oude, zieke Sartre. Vlak voor diens dood verscheen een publicatie van gesprekken tussen Lévy en Sartre, waaruit bleek dat de overtuigde atheïst Sartre op het eind van zijn leven sympathieën koesterde voor het joods-messianisme. De Beauvoir voelt zich verraden.

Leven zonder Sartre is een grillige voorstelling over verlies, botsende idealen en de moed om de confrontatie met de ander aan te gaan. Op een heldere, lichte en bij vlagen pijnlijke wijze worden de beweegredenen blootgelegd van twee mensen die leven in hun ideeën.’ (OT Rotterdam)

Jean-PaulSartre

Wat blijft is de hoop – de gesprekken van 1980 | Jean-Paul Sartre | Co-auteur B. Levy | Uitgever Klement | Vertaald door Frans de Haan, R. Welten | EAN 9789077070581 | Paperback € 13,95 | ‘Vertaald zijn hier de gesprekken die een zieke en blinde Sartre aan het einde van zijn leven had met zijn tot het jodendom bekeerde secretaris, Levy. De tekst is uiterst omstreden, omdat de indruk wordt gewekt dat Sartre zijn radicaal filosofische marxisme heeft ingeruild voor een afgezwakt en verbroederend joods messianisme. Is hier werkelijk weergegeven hoe Sartre dacht of is hem alles in de mond gelegd door Levy? De Beauvoir bijvoorbeeld denkt van wel. In de inleiding probeert de bezorger haar kritiek te bezweren door te wijzen op een duidelijke band tussen Sartres filosofie en de joodse denker Levinas. Voor Sartre is de Revolutie die hij nodig acht voor een betere samenleving geen sociaal gebeuren meer maar een transcendentaal doel, een broederschap zonder terreur en een hoop voor de toekomst. Levinas schetst in een toegevoegd essay zijn verwantschap met Sartre’. (Wim Fiévez, NBD Biblion)

Zie:
*
Leven zonder Sartre
* Cultuurpersbureau

N.B. Hopelijk worden in deze anderhalvemetersamenleving, nu de theaters weer open zijn, in de komende periode nog extra voorstellingen gegeven van Leven zonder Sartre.

De gevolgen van de leugen voor de menselijke vrijheid

Waarheid Gianni Crestani Pixabay

‘Niet het verspreiden van onjuiste informatie op zichzelf is het grootste probleem, maar de malafide intenties waarmee dat gepaard gaat,’ zegt de Pools-Belgische filosoof Alicja Gescinska in haar essay Kinderen van Apate over leugens en waarachtigheid. Juist in deze tijden vindt De Maand van de Filosofie het belangrijk om waarheid te onderscheiden van leugens. Volgens iFilosofie geeft Gescinska de aanzet tot een herwaardering van waarachtigheid, waaraan onze samenleving en de politiek dringend behoefte hebben.

Revolteren tegen de verlokkingen van de leugen
Niet zozeer de onwaarheid van beweringen is het probleem, als wel hun leugenachtigheid’. iFilosofie publiceerde een deel van haar essay.

Toen Pandora haar beruchte doos opende en de godin Apate ontsnapte, kwamen de misleiding en het bedrog in de wereld, zo vertelt de Griekse mythe. En Apate is nog steeds onder ons: we zijn allemaal haar nazaten, stelt Gescinska in dit essay. Maar we kunnen wel opstandige kinderen zijn betoogt ze, en revolteren tegen de verlokkingen van de leugen. Nooit was dat zo nodig als nu, in dit tijdperk van ‘post-truth’, alternatieve feiten en nepnieuws.’ (Uitgeverij Lemniscaat)

Waarachtig tegenover jezelf blijven
T
egenover een moreel corrupt regime is eerlijk zijn niet zelden zelf moreel verwerpelijk, stelt Gescinska. En om waarachtig tegenover jezelf te kunnen blijven, is het soms nodig om een onwaarachtige houding tegenover anderen aan te nemen.

Een belangrijk criterium om de kwaliteit van een samenleving of een regime aan af te meten is de mate waarin oprechtheid en authenticiteit – de innerlijke en de uiterlijke waarachtigheid – met elkaar harmoniseren dan wel botsen. In een slechte samenleving en onder een slecht regime moet men een leugenachtig masker opzetten, wanneer men eerlijk tegenover zichzelf wil blijven.’ (Uit: Kinderen van Apate)

Participeren in de leugen
G
escinska verwijst naar Poolse filmmaker Krzysztof Zanussi die haar vertelde over de eerste jaren van communistisch Polen waar hij, net als de andere kinderen uit zijn klas, opgevoed werd met een dubbele moraal: er waren dingen die in de klas gezegd moesten worden en voor waar gepresenteerd moesten worden, ook al wist men heel goed dat zij onwaar waren.

En er waren waarheden die voorbehouden bleven voor de huiselijke sfeer. Wat Zanussi’s ouders hem vertelden – en dat was toen heel gebruikelijk – was dit: leer je op school iets over biologie of fysica, dan mag je je leerkrachten vertrouwen. Leer je iets over geschiedenis, economie of politiek – kom dan bij ons maar eens navragen hoe het werkelijk zit. Het zorgde voor absurde taferelen waarbij kinderen op school boodschappen over geschiedenis en communisme declameerden waarvan ze thuis hadden vernomen dat ze onzinnig waren. Maar ze moesten meedoen met het spel, anders zouden sancties volgen. Participeren in de leugen was, met andere woorden, noodzakelijk voor het behoud van de kwaliteit van het leven, en soms voor het levensbehoud zelf.’ (Uit: Kinderen van Apate)

KinderenvanApate

Gevolgen van de leugen voor de menselijke vrijheid
M
en kan zich veel situaties voorstellen waarbij het verkondigen van een leugen geen morele verwerping verdient, meent Gescinska.

Toch is de teneur in verschillende ethische overtuigingen en theorieën dat liegen een kwalijk karakter heeft en leugenachtigheid van een kwalijk karakter getuigt. En dat heeft veel, zo niet alles, te maken met de gevolgen van de leugen voor de menselijke vrijheid.’ (Uit: Kinderen van Apate)

Vaak tegenstrijdige visies op vrijheid
W
illen we de morele problematiek van liegen begrijpen en het morele en maatschappelijke belang van waarachtigheid ten volle vatten, zegt Gescinska, dan is het van het grootste belang om de relatie tussen leugen en verdrukking, tussen waarachtigheid en vrijheid onder de loep te nemen. Daartoe is niet enkel een beter begrip van liegen noodzakelijk.

Door de eeuwen heen hebben filosofen talloze, vaak tegenstrijdige visies op vrijheid ontwikkeld. Voor de gelovige geldt vaak dat ware vrijheid in een godsvruchtig leven ligt. Voor de atheïst geldt veeleer het tegendeel. De gelovige vindt zijn vrijheid in religie. Maar voor een atheïst, zoals Ludwig Feuerbach, moeten we vrij zijn van religie om vrij te kunnen zijn als mens. Voor de communist is het kapitalisme een onderdrukkend regime. Wie onder het communisme geleefd heeft, weet wat een onderdrukkend regime werkelijk is. Hoe moeten we vrijheid begrijpen, wanneer er zoveel verschillende betekenissen aan worden gegeven, maar ook een goed begrip van vrijheid.’ (Uit: Kinderen van Apate)

Kinderen van Apate | Alicja Gescinska | ISBN: 9789047712442 | Prijs: € 4,95 | Essay van de Maand van de Filosofie | juni 2020

Zie: Voorpublicatie, over leugens en waarachtigheid (iFilosofie)

Beeld: Gianni Crestani (Pixabay) ‘De Mond der Waarheid’ is een marmeren schijf, te vinden in Rome, uit de oudheid met een reliëf snijwerk dat een gezicht voorstelt. Volgens een legende sluit de mond zich als een leugenaar zijn hand er in steekt. De massieve marmeren schijf weegt zo’n 1300 kilogram en beeldt waarschijnlijk het gezicht uit van de zeegod Oceanus. De ogen, neusvleugels en mond zijn open.

‘Theeïsme’, een esthetische en ethische religie

JapanseTheeStefanieDeGraef

Over de kunst van in de wereld zijn. – Als je Het boek van de thee, van Kakuzo Okakura*, leest, valt direct op dat er vooral over schoonheid (in de ziel) wordt gesproken. Over levenskunst, de kunst van het denken en de kunst van hoe in het leven te staan. Het gaat over thee – dat oorspronkelijk als medicijn werd toegepast en later pas geleidelijk een drank werd – en de theeceremonie in relatie met esthetiek: zuiverheid en harmonie, respect. Maar ook over wederzijdse liefdadigheid en de romantiek van de sociale orde. In een andere vertaling wordt gesproken over de kunst van thee, in de 15e eeuw in Japan verheven tot een esthetische religie, het ‘theeïsme’.**

Leerstellingen van zen
D
e kamer waarin thee gedronken wordt, de theekamer – Okakura weidt er een apart hoofdstuk aan – dient een verfijnde schoonheid uit te stralen. Bloemen en schilderijen spelen er een belangrijke rol, maar mogen elkaar niet in weg staan. Alleen als het passend is, esthetisch verantwoord, kan een schilderij samengaan met een kunstzinnig geschikte bloemenpracht of één bloem. Ook een beeldhouwwerk kan passend zijn. De theekamer weerspiegelt veel van de leerstellingen van zen: de maat ervan bijvoorbeeld is vastgesteld op basis van een passage uit de soetra van Vikramadytia, een allegorie waarin echter gezegd wordt dat voor de ware verlichte ruimte niet bestaat. Elders stelt Okakura dat de theekamer

bij zen – net als in de boeddhistische theorie van vergankelijkheid en haar eis dat de geest over de materie heerst – alleen als tijdelijk onderdak voor het lichaam heerst’.

Daarom ook werden de theekamers heel broos gebouwd. Behalve theekamers waren er de theescholen. Waarschijnlijk noodzakelijk, want de dichter Li-Chilai had het over

de totale verspilling van fijne thee door onbevoegde knoeiers’.

Er waren perioden en scholen: onderverdeeld in die van de gekookte thee, de geslagen thee en de getrokken thee, al naar de geest van de tijd. De verschillende manieren van thee zetten, kenmerken volgens Okakura de verschillende emotionele drijfveren van de Chinese Tang-, Sung- en de Ming-dynastieën.

Theeceremonie
O
kakura schrijft over de theemeesters. Zij stelden hoge eisen aan de theekamer. Belangrijk voor hen was dat onder alle omstandigheden de gemoedsrust moest worden bewaard en gesprekken zo gevoerd dienden te worden dat zij de harmonie van de omgeving niet bedierven. Ze hebben bijgedragen aan de kunst, niet alleen door hun interieurdecoraties en architectuur, de fabricage van gebruiksvoorwerpen (keramiek) voor de theeceremonie, schilder- en lakkunst, maar ook beroemde tuinen in Japan zijn door hen vormgegeven. De theemeesters bleken ook meesters te zijn om andere gebieden, zoals het regelen van huishoudelijke zaakjes, het verfijnen en opdienen van gerechten, het dragen van de juiste gewaden, onderwijs in de juiste geest om bloemen te benaderen. Vooral ook hebben zij

de nadruk gelegd op onze aangeboren liefde voor het eenvoudige en ons de schoonheid van de nederigheid laten zien’.

Cha-King
E
r is zelfs een apostel – en beschermgod van de Chinese theehandelaren – van de thee: Luwuh (8e eeuw). Hij werd volgens Okakura geboren in een tijd dat boeddhisme, taoïsme en confucianisme naar een gemeenschappelijke verbinding zochten. Luwuh ziet in de theeceremonie dezelfde harmonie en orde die over alle dingen regeren. Hij schreef de Cha-King, een uitgebreide verhandeling over thee: over het wezen van de thee, het gereedschap, het sorteren van de bladeren, beschrijvingen over de thee-uitrusting, de manier waarop thee gezet moet worden en de kookfases. Maar ook schrijft hij over de theeplantages en geeft hij een opsomming van beroemde theedrinkers.

Filosofie van het boeddhisme
O
ver kunst(waardering) is in Het boek van de thee ook een apart hoofdstuk, evenals over bloemen. De thee(kamer), bloemen en kunst, lijken ondergeschikt aan de filosofie van het boeddhisme, de Chinese en Japanse vorm van zenboeddhisme en het taoïsme. Maar niets blijkt minder waar – deze filosofieën blijken nauw verweven met thee, bloemen en kunst. Over dat laatste zegt Okakura dat de kijker de juiste geesteshouding moet ontwikkelen om de boodschap te ontvangen en de kunstenaar moet weten hoe die over te brengen. En dat geldt ook voor andere kunstuitingen, zoals muziek, literatuur en toneel.

‘Taoïsme in vermomming’
M
et Het boek van de thee wil Okakura een brug leggen tussen het Oosten en het Westen en doet dat via de thee die in het Westen een symbool werd voor de Aziatische cultuur. Al meer dan een eeuw vormt dit boek een uiterst fijnzinnige introductie tot het Aziatische leven en de filosofie. Volgens hem vertoont het ritueel van het serveren van thee nauwe banden met het taoïsme en zen, een theeceremonie was ‘taoïsme in vermomming’. Okakura hoopt dat de westerling zich gaat verdiepen ‘in het taoïsme, zenboeddhisme, de kunst van het bloemschikken en het waarderen van esthetische zaken’. De theeceremonie schildert hij af als een

eredienst voor het Onvolmaakte, een liefdevolle poging het mogelijke tot stand te brengen in het onmogelijk iets dat wij als leven kennen’.

Okakura formuleert het fraai als hij schrijft dat

via de vloeibare amber in het ivoren porselein de ingewijde in aanraking zal komen met de zoete terughoudendheid van Confucius, het opwekkende van Lao Tsu en het hemelse aroma van Sakyamuni (Boeddha)’.

Hetboekvandethee

Confucianisme
Z
o leren we dat Tao het Pad betekent, en ook wel de Weg, het Absolute, de Natuur, de Opperste Rede en de Manier. Naar Lao Tsu (6e eeuw v.Ch., grondlegger van het taoïsme) wordt verwezen, die over Tao sprak als ‘een ding dat alomvattend is, dat was geboren voor hemel en aarde bestonden. (…) Het staat alleen en verandert niet’. Volgens Okakura kan het taoïsme niet begrepen worden zonder enige kennis van het confucianisme en andersom. Maar de belangrijkste verdienste ligt volgens hem op het gebied van de schoonheidsleer, over de ‘kunst van in de wereld zijn’.

Het taoïsme aanvaardt de wereld zoals die is en probeert, dit in tegenstelling tot het confucianisme en boeddhisme, schoonheid in onze wereld van smart en zorgen te vinden.’  

De kunst van in de wereld zijn
D
e kunst van in de wereld zijn vind je ook weer terug bij zen, waarover Okakura zegt dat in zen erkend wordt dat het aardse van even groot belang was als het spirituele, en dat Tao de basis levert voor de esthetische idealen, die praktisch worden dankzij zen. Een mooie uitspraak is die over de Leegte:

Wie van zichzelf een leegte weet te maken waarin anderen vrij binnen kunnen treden, kan meester over iedere situatie worden. Het geheel weet altijd over het deel te heersen.’

Het boek van de thee geurt fijntjes naar ‘theeïsme’, een esthetische maar ook ethische religie.

Bron:

* Het boek van de thee | Kakuzo Okakura | 1906 | uit het Engels vertaald door Hans Dütting | 2012 | uitgeverij Aspekt | Kakuzo Okakura (1862-1913) was de zoon van een ex-samoerai en wordt aangeduid als een van de boeiendste figuren uit de Japanse intellectuele geschiedenis van het negentiende-eeuwse Japan. Zijn boek is een essay over de culturele waarde van de theeceremonie en over Japanse kunstvormen. Hij probeert filosofisch een brug te slaan tussen het Oosten en het Westen.

** Er bestaat ook een vertaling van Het boek van de thee, met als ondertitel Geschiedenis & ceremonie – theeïsme, de kunst van de thee (2015). Dit is uit het Engels vertaald door Alfred Scheepers & Daniël Mok, van uitgeverij Abraxas Zuider-Æmstel.

Beeld: Japanse thee – Stefanie De Graef (geboren 1980 in Gent, woont en werkt in Drongen) gaat liefst op reis om inspiratie op te doen voor haar illustraties. Haar schetsboek reist overal met haar mee. Ze houdt van de tastbaarheid van materialen en probeert die te verwerken tot een andere realiteit. De verwondering om het leven vormt een belangrijke inspiratiebron waarbij de drang naar schoonheid steeds weer de bovenhand neemt.

Zelfkennis, hoe doe je dat?

wouter.berns.de.hemelsnijder.56.x.35.acryl.op.paneel

‘Zelfkennis blijkt telkens een sleutel,’ zegt Jacob Slavenburg in het voorwoord van De droom van Ha’adam van psychosociaal therapeut Harold Stevens. ‘Als kind tuurde Stevens gefascineerd naar de sterrenhemel en vroeg zich af: ‘Waar houdt het heelal op? En als het dan ophoudt, wat zit daar dan achter…?’ Hij besefte dat zijn verstand te beperkt was om de werkelijkheid waarin wij ons bevinden te kunnen verklaren. Hij worstelde met vragen als: ‘Waarom leef ik eigenlijk en heeft mijn bestaan een doel, een zin? Wordt er iets van mij verwacht?’

Cultuurhistoricus Slavenburg zegt dat Stevens diep ingaat op de kwestie van het lijden.

Waarom lijden we? Is er een uitweg uit het lijden? Boeddha hield zich daar al intensief mee bezig. Zoveel eeuwen verder is er nog geen eensluidend antwoord. Harold is op zoek gegaan naar de kern. In heldere taal geeft hij aan dat er een innerlijk conflict aan ten grondslag ligt, wat weer te maken heeft met het (on)vermogen tot zelfreflectie. Zelfkennis blijkt tekens een sleutel.’

Waar komt het kwaad vandaan? Waarom lijdt een mens, waarom lijdt een kind? Welke God, als die al zou bestaan, laat zoiets nu toe? Gedreven vanuit deze nieuwsgierigheid en zijn eigen ziektegeschiedenis als kind, ging Harold Stevens op zoek naar antwoorden.

Op zoek in boeken, oude wijsheidsgeschriften en uiteindelijk ook op zoek binnen in zichzelf. Er begon hem iets te dagen. Zou er een mechanisme schuil kunnen gaan achter het leven? Een mechanisme dat dat alles zou kunnen verklaren? En zou kennis van dit mechanisme mogelijkheden kunnen bieden om het leven gemakkelijker en verlichter te kunnen ervaren? Zijn doel werd om het bestaan van dit mechanisme te onderzoeken, te duiden en eventueel te onderbouwen.’
(Uitgeverij Van Warven)

Slavenburg vertelt in zijn voorwoord ook dat in het vragenuurtje na zijn lezingen er altijd veel vragen waren. Vragen over ‘technische’ zaken, over in welke taal die teksten waren geschreven of waarom ze verstopt werden en pas onlangs waren ontdekt, of waarom ze niet in de Bijbel zijn opgenomen. Daar kon hij wel mee uit de voeten. Maar soms was er ook de vraag: ‘maar zelfkennis, hoe doe je dat’? Dan viel hij even stil. Dat was wat moeilijker uit te leggen. Hij vertelde dan vaak wat over antieke inwijdingswegen, maar eigenlijk had hij dan het gevoel dat hij langs de buitenkant bleef. Hij moest de diepte in. Eigenlijk begon daar pas zijn studie:

Over die diepte heeft Harold Stevens een indringend boek geschreven, gedreven door zijn eigen zoektocht naar het hoe en waarom van het bestaan. Want naast de vraag ‘wie ben ik’ ligt ook de vraag ‘waarom ben ik hier’. Wat is de zin of het doel van mijn aanwezigheid hier en nu. De zingevingsvraag wordt door vele mensen in stilte gesteld en door filosofen getracht te beantwoorden. Harold is de weg ingeslagen om het bestaan van een onderliggend mechanisme van het leven te onderzoeken en te duiden. Hij gebruikt daar niet alleen zijn eigen ervaringen voor – het is geen egodocument – maar maakt in zijn onderzoek dankbaar gebruik van oude wijsheidsgeschriften, en eveneens van modern empirisch onderzoek, zoals de kwantumfysica*.’ (Jacob Slavenburg)

Zelfkennis blijkt hierbij een sleutel te zijn van een slot die velen willen openen,’ zegt recensent Nicole Vrielink. Echter zelfkennis alleen blijkt onvoldoende voor de staat van diepgang waarin De droom van Ha’adam zich bevindt, en Vrielink verwijst naar de pagina waar Stevens schrijft: ‘Het leven duwt mij middels de confrontaties die ‘ik’ in mijn werkelijkheid ervaar, steeds terug in de richting van de oorsprong’ (p.57).

Deze confrontaties, ook wel de ervaring van lijden, blijken een belangrijk doel te hebben die vaak over het hoofd gezien worden. Daarnaast blijkt ook deze oorsprong volgens Stevens niet zo simpel te bereiken. Natuurlijk verzet en een poging tot zelfbehoud zijn hierbij obstakels die maar moeilijk te overwinnen zijn.’  

Volgens de kwantumfysica wordt de werkelijkheid verstoord door waarneming. Wat wij waarnemen, is dus per definitie niet meer dat wat het was vóór de waarneming. De uitkomst van een meting, dus ook dát wat wij zintuiglijk waarnemen, vertelt ons nooit de waarheid (zie in het hoofdstuk: De functie en oorsprong van de werkelijkheid).

De droom van Ha’adam | ISBN 9789493175099 | Uitgeverij Van Warven | Verschenen 02-12-2019 | 170 pp | Paperback | Genre: Theologie, Esoterie & Filosofie | €20,00 |

dedroomvanha'adamdam
“S
tevens’ schrijfstijl valt in het kort te omschrijven als weloverwogen, kalm en zinnig. Beïnvloed door zijn uitgebreide onderzoek, waarvan de indrukwekkende bronnenlijst is toegevoegd, weet hij zijn gepaste geleerdheid in rust over te brengen op de lezer. Dit leest prettig en wekt het vertrouwen van de lezer op. Daarnaast weet hij ook zodanig door te dringen waardoor tussentijdse overdenkingen onvermijdelijk zijn; hierdoor moet alleen wel echt de tijd genomen worden voor dit boek. Stevens ligt met dit boek de steen van de veer op, waardoor deze dankzij zijn van nature verlichte staat in staat is om tamelijk onbelemmerd te kunnen gaan waar het hoort te zijn. Het is een bijzonder boek met diepgang, waarin zowel mentale als emotionele uitdaging te vinden is.
(Uit recensie door Nicole Vrielink)

Beeld: Wouter Berns – De cover van De droom van Ha’adam werd gemaakt op basis van het schilderij De hemelsnijder (acryl op paneel, 56 x 35 cm, 2018)