Naast de wetenschap is er dat hemelse

hethemelse

‘Secularisatie of niet, de hemel delen we nog steeds met elkaar. De verwondering die je voelt als je de sterrenhemel bekijkt, raakt toch aan iets wat ons overstijgt. Of je nou atheïst, agnost of christen bent.’ Heino Falcke, ‘fotograaf van het zwarte gat’, zegt dit in een interview met freelance journalist Elze Riemer. Falcke is een topsterrenkundige, en gelovig. Voor hem is de hemel zeker niet leeg. ‘Hij is vol met Gods genade en toewijding aan ons’. En het zwarte gat? Dat is ‘eigenlijk het tegenovergestelde aan de hemel’. Over de hemel zegt hij dat die voor hem ‘vooral een toekomst is waarnaar ik uitkijk. Thuiskomen bij God staat daarin centraal.’

Het is iets wat ik hier op aarde nooit volledig zal vatten, maar waar ik wel steeds aan mag raken – zowel als sterrenkundige als gelovige. Als sterrenkundige mag ik met mijn gedachten, telescopen en de natuurkunde door de hele hemel wandelen en alles bekijken en onderzoeken. Zoals een gepassioneerde tuinier vol verwondering naar de tuin kijkt, zo kijk ik naar de hemel. Als gelovige is de hemel iets wat verdergaat, dan dat wat ik in het heelal aantref.’

Met de hemel die Falcke nu mag zien is maar een klein beetje van alles wat hem nog te wachten staat, zegt hij in het gesprek met Riemer. Dan bedoelt hij de grootsheid van het heelal, maar ook dat wat hij in dit leven kan ervaren als hemels. Een van de centrale punten van het christelijk geloof is voor hem dat met de dood niet alles voorbij is.

En dan denk ik niet dat wat daarna gebeurt enorm saai is, met engelen op wolken die de hele dag harp en lier spelen. Volgens mij is de hemel een ongelofelijk avontuur waar nog heel veel te ontdekken en te zien valt, vol mensen en mooie ontmoetingen.’

Dat Falcke dat zwarte gat eindelijk kon zien, was een heel bijzonder moment die hij ook heeft als hij in de natuur is of in ontmoetingen met anderen.

Dat hemelse, in de zin van een ultieme belevenis of een ultiem geluksgevoel, is niet iets wat ik najaag of waarvoor ik leef. Het zijn niet voor niets ‘hemelse’ momenten, voorproefjes van dat waar we straks een eeuwigheid van kunnen genieten. Het lijkt mij niet dat we op aarde zijn om zulke vluchtige momenten te verafgoden.’

Daar leeft Falcke dan ook voor, zo vertelt hij: om te getuigen van de schoonheid van wat is en wat ons nog te wachten staat: ‘Daarin is zoveel hoop door te geven’. Voor hem kan geloof en wetenschap prachtig samengaan, maar tijdens zijn colleges haalt hij zijn geloof er niet bij, ‘misschien een keer helemaal aan het einde, dat ik een grapje maak over dat er naast de wetenschap nog meer is’. Zoals de wetenschap meer betekenis kan krijgen door de bril van het geloof, zo geldt voor Falcke ook zeker andersom: de wetenschap verrijkt zijn geloof.

Niet alleen feitelijk, maar ook methodisch. Het is belangrijk om met een kritische blik naar jezelf te kijken, en de twijfel mee te nemen in je geloof. Zo verruim je je blikveld. Met mijn werk wil ik daar iets aan bijdragen. Dat we zicht hebben op de hemel betekent niet dat we klaar zijn. We zijn nooit klaar; zeker niet met het begrijpen van God en van wat Hij geschapen heeft. We moeten ons altijd laten uitdagen. Door God zelf, maar ook door het leven en alles wat daarin op ons af komt.’

Aan het eind van het interview vraagt Riemer of Falcke weet waar de hemel is. Geen idee, zegt de sterrenkundige.

Wij zien maar een fractie van de volledige ruimte die er is, zelfs wanneer we naar dat ongelooflijk grote waarneembare heelal kijken. Het zou kunnen dat de hemel iets te maken heeft met de verschillende dimensies, iets waar sterrenkundigen wel bekend mee zijn. Hoewel, bekend, ze hebben geen idee hoe ze die dimensies praktisch kunnen verklaren. Je kunt ze wel wiskundig beschrijven, maar dat is het dan ook. Wat of waar de hemel ook is, wat ons te wachten staat zal al onze voorstellingen overstijgen. Dat zegt bij uitstek iets over de grootsheid van de Schepper van hemel en aarde.’

Zie:
*
‘De hemel is voor mij een ongelooflijk avontuur’ 
* Heino Falcke: Geloof als inspiratiebron
* Herman Finkers – Daarboven in de Hemel

Beeld: plazilla.com

Zoeken naar God in het oneindige

hubble-1
‘Daar waar de een God ziet, daar ziet de ander een grote leegte. Niets gaat minder op voor het rondkijken in de immense ruimte. Ik wil je kort meenemen op een reis voorbij onze wereld, even de blik verleggen van hier naar het eindeloze. Zoek met me mee naar God in het oneindige. Als je hem al moet kunnen vinden.’ Aldus Internetpastor Wouter van der Toorn, van creatov.nl, in zijn blog God van een lichtblauw vlekje. ‘Eeuwen lang heeft de mens geleefd in het idee dat het bestaan hier en nu, alles wat wij kunnen zien en waarnemen, dat dat alles is wat er bestaat.’

Er was geen noodzaak om na te denken over een ronde aarde in plaats van een platte, want een mens die ooit de wereld rond (!) zou kunnen reizen, die was er toch niet. Tot niemand het randje van de aarde kon vinden. Tot er mensen waren die anders gingen kijken naar dezelfde werkelijkheid.’

Van der Toorn vraagt zich af wat betekent eigenlijk een zin als ‘God had de wereld zo lief…’ in dit letterlijk eindeloze perspectief. Wat doet de wereld er eigenlijk toe, alles is zo klein, zo niets, slechts een vlekje in een eindeloos heelal. Dat gevoel kan je overvallen als je voor een momentje even anders gaat kijken.

God maakte alles zeg je? Hij heeft alle haren geteld, kent ieder beestje, weet van het bestaan van de miljoenen soorten die leven op deze aarde, en de veelvoud aan soorten die alweer zijn uitgestorven? En je denkt dat dit de enige plek in het oneindige heelal is, waarop leven is te vinden? En zouden zij ook God aanbidden? Een die ook persoonlijk is?’

De een ziet het, zegt Van der Toorn, de ander niet of niet meer. De een gaat een lied voor God zingen vol verwondering en aanbidding, de ander pijnigt zijn brein om de eindeloosheid te kunnen vatten, en het proberen om de consequenties van al die gedachten op een rijtje te krijgen. Om zich vervolgens af te vragen of God wel zin heeft.

Maar God, wat is zijn plek in deze eindeloosheid? Heeft zo’n perspectief op God wel zin? Wij in het zo eindeloze kleine. En wij denken dat alles om ons draait? Om spirituele ervaringen? Voor sommigen is deze ervaring een start van een proces van afscheid nemen van geloof. God past niet in deze context. God doet grote dingen zeg je? Wat bedoel je dan met groot? In het beperkte perspectief van hier is een aardbeving iets vreselijks, een storm kan gigantisch zijn. Maar het is minder dan niets in het perspectief van een exploderend sterrenstelsel.’

Van der Toorn stelt dat daar waar de ene de onzinnigheid van een God ziet, de ander de grootsheid van God ziet. Maar God zien? Dat heeft niemand. God begrijpen? Dat doet niemand. Is God een conceptuele gedachte die je gebruikt om dat wat je niet begrijpt te duiden? Is God liefhebbend en persoonlijk? Maar wat betekent dat liefhebbende dan, vraagt hij zich vervolgens af, als hij even meereist met de Voyager 1 en hij van enorme afstand terugkijkt en nagenoeg niets ziet.

Zie jij God? Of zie je vooral het niets. Ik geef maar even geen antwoorden. Natuurlijk kan ik je ingestudeerde antwoorden geven van het bekende wereldbeeld, maar ik wil het op mezelf laten inwerken. En serieus de vraag stellen: als God er dan al is (eerlijke vraag), wie is God dan in vredesnaam (ook eerlijke vraag), en kan ik deze God dan ook ergens ontdekken (nog een eerlijke vraag).’

Zie: God van een lichtblauw vlekje

Foto: Middenin het M51 sterrenstelsel is een X-vormige constellatie gevonden. Dit is 1100 lichtjaren van de aarde verwijderd. Bron foto: hubblesite.org

De kosmologische constante: de grootste blunder van Einstein


Einstein geloofde eerst dat het universum statisch en eeuwig was. Maar door zijn eigen relativiteitstheorie ontdekte hij dat er een begin was voor alle tijd, materie en ruimte. Door te goochelen met een kosmologische constante (een variabele die naar believen gebruik wordt om tot het gewenste resultaat te komen, door sommige de fudge factor genoemd) kon Einstein uit blijven gaan van een statisch universum en hoefde hij niet tot de conclusie te komen dat het heelal een begin moest hebben.

Norman L. Geisler en Frank Turek schrijven hierover in hun artikel In het begin was er een oerknal (in het boek Ik heb te weinig geloof om een atheïst te zijn, 2009 – Ark Media). Inmiddels hebben de kersverse Nobelprijswinnaars: de Amerikaanse astronoom Saul Perlmutter, de Amerikaan Adam Riess, die nauw verbonden is aan de Hubble ruimtetelescoop en de Australiër Brian Schmidt (1967), van de Australian National University, aangetoond dat het heelal steeds sneller uitzet.
(Later bleek dat Einstein geen grote fout maakte. De kosmologische constante kan gebruikt worden om donkere energie te verklaren.)

De Russische wiskundige Alexander Friedmann had in 1922 aangetoond dat Albert Einsteins fudge factor gebaseerd was op een berekeningsfout. Volgens Geisler en Turek had ‘de grote Einstein in zijn verlangen om aan het begin van het heelal te ontkomen een berekening uitgevoerd waardoor hij door nul deelde – een blunder waar schoolkinderen al voor gewaarschuwd worden!’

Einstein wilde liever een ‘eeuwig universum’. Maar toen zijn aanname van een kosmologische constante compleet in duigen lag dankzij een overdaad aan ontkrachtend bewijsmateriaal, kon Einstein zijn wens voor een eeuwig universum niet langer onderbouwen. Hij omschreef de aanname van de kosmologische constante als ‘de grootste blunder van mijn leven’, en zei dat hij niet geïnteresseerd was in dit of dat fenomeen of in het spectrum van het een of andere element. ‘Ik wil Gods gedachten kennen, de rest zijn details.’

Illustr: eddyechternach.nl