Actueel bestaan God hoe dan ook mogelijk

AcademyPlato

Een gloednieuw Godsargument werd – op vakantie in Frankrijk – ontwikkeld door filosoof Emanuel Rutten. Een argument voor het actueel bestaan van God dat geïnspireerd is op een lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Volgens Rutten is het Godsargument gebaseerd op een buitengewoon laagdrempelig begrip van bestaan. Iets bestaat dan en slechts dan als het mogelijk is. Met het toeschrijven van ‘bestaan’ aan iets is dus nog niet veel gezegd. De vraag is dan ook niet of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag is of God potentieel of actueel bestaat.’

Rutten wil met Plato laten zien hoe kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel maar actueel bestaat. Want dat geldt niet voor alles of iedereen. De eenhoorn bijvoorbeeld. Die bestaat potentieel, maar niet actueel, net als blauw en rood gras. Mensen bestaan weer wel actueel, maar vierkante cirkels niet, ook niet potentieel. Dat eenhoorns potentieel bestaan, komt doordat ze denkbaar zijn, actueel bestaan ze niet. En als uitgegaan wordt van de vormenleer van Aristoteles, bestaat de eenhoorn potentieel en niet actueel.

Kunnen we zicht krijgen op wat potentieel bestaan in metafysische zin betekent? Wat zijn de waarheidscondities van de uitspraak dat iets potentieel bestaat? Hoe kunnen we de specifieke zijnswijze van het potentieel bestaan in het vizier krijgen?’

In De Sofist doordenkt Plato de implicaties van de leerstellingen voor ware negaties (begrip dat het tegenovergestelde is van een ander begrip) van de presocratische filosoof Parmenides van Elea. Dat leidt ertoe dat er op de leerstellingen geen enkel probleem ontstaat. Plato tracht hierin ware negaties te behouden door ze zodanig te interpreteren dat het dictum (uitspraak) van Parmenides over ware negaties niet geschonden wordt. Een argument voor het actueel bestaan van God, zo stelt Rutten, is uiteindelijk geïnspireerd op de lezing van Plato’s denken over negatie in De Sofist. Hij baseert dit actuele bestaan van God op vijf premissen die hij in zijn artikel Plato’s De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument schematisch weergeeft.

Nu kan over God zinvol gesproken worden. God moet dus bestaan. Want over wat niet is kan niet zinvol gesproken worden. De positie van de atheïst kan dus niet weergegeven worden door het oordeel “God bestaat niet”. Met het begrip ‘God’ lijkt anders gezegd op voorhand niets mis. God kan begrepen worden als een bewust wezen dat de eerste oorzaak van de wereld is. En dit begrip is niet contradictoir zoals het begrip vierkante cirkel. Het kan coherent gedacht worden. Maar dan is het actueel bestaan van God hoe dan ook mogelijk. God kan op zijn minst actueel bestaan. Het is dus niet zo dat God niet bestaat: God bestaat actueel of potentieel.’

Rutten vergelijkt zijn nieuwe argument met het Godsargument van Anselmus. Voor Anselmus is de vraag evenmin of God bestaat. Want natuurlijk bestaat God. De vraag voor hem is of God in het verstand of in werkelijkheid bestaat. En waar hij beargumenteert dat God niet in het verstand maar in werkelijkheid bestaat, wil Rutten laten zien hoe uitgaande van een analoog inclusief zijnsbegrip kan worden beargumenteerd dat God niet potentieel maar actueel bestaat.

Het actueel bestaan van God is volgens Rutten niet onmogelijk. Hij vindt het plausibel te beweren dat God in elk geval mogelijk actueel bestaat. God kan actueel bestaan. Wie meent dat het onmogelijk is dat God actueel bestaat en dat daarom volgt dat God niet bestaat zal met een inhoudelijk argument moeten komen.

Zie: Plato’s De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument

Beeld: Plato’s Academie. Mozaïekvloer in Pompeï.

‘Ik geloof omdat het absurd is’

personal-coach-success

Er was weer eens een voordracht over de vraag of God bestaat. ‘God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven,’ luidde de titel van de lezing die hoogleraar geloof en wetenschap (VU) Gijsbert van den Brink (auteur van En de aarde bracht voort) hield tijdens de studiedag van het boek Mijn Vader, uw Vader van Bram van de Beek. En dan over het hoofdstuk Bestaat God?. ‘Iets kan alleen een godsbewijs zijn als het alle redelijk denkende mensen overtuigt van het bestaan van God.’

Van den Brink verbaast zich over de antithese in het boek. Eerst lijkt Van de Beek (emeritus hoogleraar theologie VU) te ontkennen dat God bestaat, maar in het tweede deel wordt dat op tal van manieren bestreden.

De belijdenis van het bestaan van God wordt door Van de Beek zeer omzichtig benaderd. Het bestaan van God, zo zegt hij Tillich na, kan alleen maar bevestigd worden als we ons realiseren dat God geen entiteit is zoals andere entiteiten.(…) Terwijl niemand in een foutief godsbegrip een reden zal zien om het bestaan van God te ontkennen, zegt Van de Beek ronduit dat God in dat geval niet bestaat.’

Klassiek gesproken volgt de vraag hoe God bestaat op de vraag of Hij bestaat.

Immers, pas als we weten dat God bestaat, heeft het zin om door te vragen naar de precieze aard van zijn bestaanswijze (‘bestaan’ is nu eenmaal geen predicaat maar voorwaarde voor predicatie). Maar Van de Beek haalt deze twee vragen, die de kerk altijd zo zorgvuldig onderscheidde, door elkaar. De vraag of God bestaat wil hij blijkbaar pas beantwoorden als eerst duidelijk is hoe God bestaat. En als daarop niet het goede antwoord volgt, dan bestaat God blijkbaar niet.’  

Van den Brink stelt helder dat het eerste wat in een christelijke godsleer gezegd moet worden is: God bestaat, punt. Over goede redenen voor het geloof in Gods bestaan hoort hij Van de Beek niet.

Wel spreekt hij veel over godsbewijzen. Het is alleen jammer dat hij nergens definieert wat een godsbewijs precies is. Impliciet hanteert hij een hele strikte definitie: iets kan alleen een godsbewijs zijn als het alle redelijk denkende mensen overtuigt van het bestaan van God. En tot dusver niet alle redelijk denkende mensen overtuigd zijn geraakt van het bestaan van God, is het duidelijk dat godsbewijzen niet werken. Je hoeft ze dus eigenlijk niet eens te bestuderen (wat Van de Beek dan ook nauwelijks doet), het staat in feite bij voorbaat al vast dat ze ondeugdelijk zijn.’

Afhankelijk van waar iemand zich precies bevindt in zijn denken, vindt Van den Brink, bijvoorbeeld over het ontstaan van de kosmos, of over de orde in de wereld, of over de doelgerichtheid in de evolutie, kunnen godsbewijzen wel degelijk tot inzicht leiden.

Over godsbewijzen, door de hoogleraar geloof en wetenschap beter godsargumenten genoemd, wil hij niet schermen met anderen door evidence, bewijsmateriaal. Hij verwijst naar de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga die laat zien dat het, om te geloven op een manier die epistemologisch in de haak is, helemaal niet nodig is om te kunnen wijzen op evidence voor het geloof, dus om er godsbewijzen op na te houden.

Dat komt doordat Plantinga (met vele anderen) een zogeheten externalistische kennistheorie verdedigt, waarbij het mogelijk is om over kennis te beschikken zonder dat je kunt vertellen hoe die precies tot stand gekomen is (bepalend daarvoor is of onze kennisproducerende vermogens naar behoren functioneren). Plantinga en de zijnen geven allerlei voorbeelden van zulke doorgaans betrouwbare ‘beliefs’ die niet evidence-based zijn. Aan de hand van Plantinga zou ik dus prima het gesprek aan kunnen gaan met collega’s die menen dat alleen evidence-based science tot kennis kan leiden.’

Van den Brink vindt het belangrijk dat die collega’s (die niet-gelovig zijn) inzien dat het helemaal niet onredelijk is om in God te geloven. Hij vindt het jammer dat Van de Beek mensen als Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder (En dus bestaat God), Stefan Paas en Rik Peels (God bewijzen) niet noemt.


‘Ik geloof omdat het absurd is’ (Latijn: Credo quia absurdum) Het moet wel waar zijn, omdat het zo absurd is; het moet wel waar zijn, omdat het strijdig is met de rede, het verstand) (ANW)(Niet letterlijk) uitgesproken door kerkvader Tertullianus, naar wie Van den Brink verwijst in zijn lezing. Van deze kerkvader is de uitspraak: ‘De zoon van God is gestorven; dit is geloofwaardig, omdat het absurd is. En eenmaal begraven herrees hij; dit is zeker, omdat het onmogelijk is’.


Zie: God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven (Theoblogie)

Beeld: vgeorgiev.org