Een duurzame en ‘dierzame’ samenleving     

De grootsheid van een natie kan worden beoordeeld naar de manier waarop haar dieren worden behandeld, zei Mahatma Gandhi vele jaren geleden. ‘In het besef van hoe we tegenwoordig met dieren en de natuur omgaan, confronteert deze uitspraak ons op een ontnuchterende wijze met onszelf.’ – Dit zegt hoogleraar Duurzame Ontwikkeling Pim Martens in De heilige natuur dat hij samenstelde met Marloes van de Goor (International Institute for Animal Ethics).

In De heilige natuur interviewen Martens en Van de Goor twaalf inheemse en religieuze leiders uit verschillende werelddelen over de heiligheid van de natuur. Hun eeuwenoude wijsheden inspireren ons om anders te gaan denken over onze omgang met alles wat leeft.

Aan het woord komen de Groenlandse sjamaan Angakkorsuaq, de Amerikaanse indianenleider Chief Lane Jr., masaileider Mwarabu, de boeddhistische geestelijke Shih, de dichtende islamgeleerde Ur Rehman Chishti, orthodox rabbijn Slifkin, Maya-priester Sac Coyoy, hindoe-prins Jhala, Aztekenleider Sanchez, leider van de Canadese Bear Clan Wawatie, bisschop Smeets van Roermond en theoloog Valerio van Rochester Cathedral. Oeroude natuurwijsheden uit alle streken!’

Religie speelt een belangrijke rol als het gaat om de houding van de mens ten opzichte van de dieren waarmee hij de wereld deelt, stelt Martens.

Aan de ene kant kan het geloof in een goddelijke identiteit of de identificatie met een bepaalde religie leiden tot een positieve waardering voor de natuur, aan de andere kant kan religie ons minder met de natuur verbonden laten voelen. Dit hangt samen met de geloofsovertuiging die men aanhangt.’


De twaalf inheemse en religieuze leiders

Martens noemt bijvoorbeeld het confucianisme, een vertegenwoordiger van de traditionele cultuur en heersende filosofie van veel Aziatische landen. Het beïnvloedt zowel Chinese als Japanse sociale waarden, inclusief de houding van het publiek tegenover dieren.

In het confucianisme worden mensen beschouwd als de heer van de schepping en kunnen dieren worden opgeofferd voor het voortbestaan van de mens.’

Naast het confucianisme dragen ook het boeddhisme en het traditionele shintoïsme bij aan de Japanse sociale waarden, zegt Martens.

De leerstellingen van het boeddhisme en het shintoïsme benadrukken de wederzijdse zorg en compassie in relaties tussen mensen en niet-menselijke dieren. Maar hoe we uiteindelijk met dieren omgaan is sterk afhankelijk van de diersoort en de situatie. Een ding is duidelijk: onze dominante huidige sociaaleconomische en politieke systemen raken losgekoppeld van de ecologie van het leven.’

Er lijkt geen sprake te zijn van een ‘dierzame’ ontwikkeling in de evolutie van de westerse mens.

De scheiding tussen mens en natuur leidde tot een afnemende betrokkenheid bij dierenwelzijn, en tot de wereldwijde milieuproblemen die we vandaag de dag zien. De ‘dierzaamheid’ verdween en we gingen dierenleed moreel aanvaardbaar vinden.’

Gandhi had natuurlijk gelijk toen hij zei dat de grootsheid van een natie kan worden beoordeeld naar de manier waarop haar dieren worden behandeld, zegt Martens.

Daarom hebben we een vorm van duurzaamheid nodig die ook voor het dier en de natuur geldt: dierzaamheid dus. Dit boek laat zien hoe verschillende religieuze en inheemse leiders onze rol ten opzichte van dieren en de natuur zien.’

Veel traditionele wereld- en mensbeelden zijn – in tegenstelling tot het modern-westerse wereld- en mensbeeld – gebaseerd op een diep begrip en doorleefde ervaring van de aard van het leven als een onderling afhankelijk, onderling verbonden en wederkerig geheel, vertelt Martens.

In traditionele culturen wordt de mens als onderdeel van de natuur gezien. Gelijkwaardigheid, wederkerigheid en co-evolutie worden beschouwd als leidende principes voor de evolutie en ontwikkeling van de samenleving.’

Zo kunnen we bijvoorbeeld leren van veel oude inheemse culturen op onze planeet, en krijgen we via hen ook meer inzicht in wat een duurzame en dierzame samenleving nu zou kunnen inhouden. Aangezien we midden in onze grootste duurzaamheidsuitdaging zitten, is zulke reflectie noodzakelijk.’

Citaten uit: De heilige natuur – Niet-westerse stemmen over dier, mens en klimaat | Pim Martens, Marloes van de Goor | Uitgeverij Noordboek | 144 blz. | Paperback | € 19.90 | Komt uit in juni 2022 | ‘De tekst is gebaseerd op interviews die we met ze [de inheemse en religieuze leiders] hebben gehouden. We hebben ze in spreektaal weergegeven. Ze bevatten soms filosofische bespiegelingen, maar zijn vaak ook luchtig van toon. Zie het alsof de geïnterviewde religieuze en inheemse leiders bij je op de koffie komen.’ (Uit: De heilige natuur)

Foto: Charolais runderen (Lage Vuursche, Zomer 2021, PD)
Foto twaalf leiders: pimmartens.com

‘Opnieuw ruimte voor kennisclaims over God’

De Duitse filosoof Immanuel Kant ontwikkelde ruim tweehonderd jaar geleden een kennisleer op grond waarvan kennis over het transcendente onmogelijk is. Volgens filosoof Rutten bleef Kant onterecht vasthouden aan het idee dat de mens niets kan weten over datgene wat niet in de zintuiglijke ervaring gegeven is. Januari 2020 verschijnt Contra Kant – Herwonnen ruimte voor transcendentie. Hierin gaat Rutten in op het idee van Kant dat wij alleen iets zouden kunnen weten over wat in de zintuiglijke aanschouwing gegeven is.

Kants kennisleer legde mede de basis voor het algemeen geaccepteerd raken van een positivistisch wereldbeeld*. Filosoof Emanuel Rutten laat in dit boek zien dat Kant ernaast zat.’
(KokBoekencentrum) 

Volgens Rutten wordt ons denken vaak zonder dat wij ons hiervan bewust zijn diepgaand bepaald door Kantiaanse motieven: ongetwijfeld vormt de radicale scheiding tussen geloven en weten één van de belangrijkste motieven van Kants wijsgerig systeem:

Met zijn radicale scheiding tussen geloof en weten voltooide Kant een denkbeweging die al door Hume was ingezet. Het radicale van deze scheiding bestaat hieruit dat geen enkele geloofsclaim als kennis wordt beschouwd. Met weten heeft geloven volgens Kant niets te maken. Bovendien kan volgens Kant geen enkele claim over het bovenzintuiglijke gelden als kennis.’
(Emanuel Rutten)

Het menselijk weten is – zoals Rutten al eerder weergaf in zijn masterscriptie wijsbegeerte Het kenbare noumenale: transcendentie binnen de wereld voor onsbij Kant beperkt tot kennis van het zintuiglijk waarneembare. Alléén het zintuiglijk ervaarbare kan bij Kant object van kennis zijn. Zo bakent Kant de grenzen van ons kennen genadeloos en hermetisch af:

Iedere opvatting over het bovenzinnelijke wordt door hem dus beschouwd als een niet tot onze kennis behorende geloofsovertuiging. Volgens Kant weten wij helemaal niets van het bovenzintuiglijke. Elke vorm van traditionele speculatieve metafysica of rationele theologie wordt door hem dan ook volstrekt afgewezen. Het is precies deze overtuiging die door Kant na hem breed heeft postgevat in het westerse denken. De idee dat de mens geen kennis kan bezitten over het bovenzinnelijke is ons denken ten diepste gaan bepalen.’
(Emanuel Rutten)

Rutten ontwikkelde echter een alternatieve kennisleer volgens welke we in tegenstelling tot Kants epistemologie wel degelijk kennis kunnen verwerven van het bovenzinnelijke. ‘Zo wordt in onze tijd opnieuw ruimte gemaakt voor kennisclaims over God’.

* Het wereldbeeld waarin alleen voor waar doorgaat wat ‘de wetenschap’ positief heeft vastgesteld.

Contra Kant | Emanuel Rutten | EAN 9789043533591 | KokBoekencentrum Non-Fictie | Pag. 176 | € 17,99

Gerelateerd: Immanuel Kant en ‘iets’ buiten de waarneembare wereld (GODENENMENSEN, 2018)
Update 19042024: lay-out + extra link.