‘Zonder beweging geen nieuw denken’

Veluwe29062020

Neuropsycholoog Erik Scherder zou dat Friedrich Nietzsche zo nazeggen als hij op het filosofenpad met hem mee zou wandelen. Scherder is ervan overtuigd dat wandelen goed is voor het brein. Nietzsche ook, en dan vooral voor het denken. Niet alleen bìnnen filosoferen, maar denkend eropuit trekken. Je brein moet je fit houden om goed te kunnen denken, beter denken zelfs. Nieuw denken ontwikkelen. Scherder houdt dus de hersenen fit, Nietzsche haalt daar dan nieuwe ideeën uit. De ISVW wandelde mee onder ‘de rode plu van Nietzsche’.

Dringend advies
D
e ISVW organiseert sinds 2016 zomerse wandelweken, onder meer op landgoed Den Treek, en ging ook aan de wandel met Nietzsche. Een verslag vol gedachten is dan ook een vreugde om te lezen in nummer 51 van iFilosofie. Wandelen is meer dan een luchtje scheppen in de pauze van een filosofiecursus.

Nietzsche geeft het dringende advies geen ideeën aan te nemen die niet zijn ontstaan ​​door een vrije beweging in de open lucht en waarin niet de spieren doorklinken.’

De auteur van het artikel Onder de rode plu van Nietzsche, filosoof Eric Brinckmann, verwijst naar hem als Nietzsche zegt dat het buiten, in zijn boeken, ‘beleefbaar’ moet zijn. Dat lukt alleen maar, stelt Nietzsche, omdat de taal met de wandelaar de ledematen strekt, ze vrij, beweeglijk en elastisch wordt. De mens die zichzelf centraal stelt in plaats van de aarde, scheidt zich af, zet de aarde op afstand, exploiteert haar overmatig en raakt er zo steeds verder van verwijderd.

Het wandelen zelf beschouwt hij [Nietzsche] als een manier om aansluiting te houden bij het natuurlijke levensproces, om te aarden: om de overweldigende vitaliteit van het leven buiten te laten resoneren met de rijke expressie van binnen. Expressie in jezelf dus. De moderne levensstijl houdt de mens ervan af, stelt de mens centraal in plaats van de aarde. Ze stelt hem boven de natuur en ontaardt hem daardoor van datgene waar hij een onlosmakelijk onderdeel van is.’

Overweldigende vitaliteit
Z
o’n 95% van ons leven brengen we door in binnenruimtes, zegt de auteur, zodanig dat we er niet eens meer bij stil staan dat we nauwelijks buiten komen.

Volgens Nietzsche is de moderne wereld daarom uit het ritme van het leven geraakt en tot decadentie vervallen, van het Latijnse decadere, wegvallen, in dit geval naar een lager niveau. In Nietzsches termen: van de overweldigende vitaliteit die het buiten te bieden heeft naar een vegetatieve toestand. We hebben het dierlijke in ons, dat buiten rijpt, begrijpt en absorbeert, gedood of gekooid.

Al wandelend fantaseert en citeert Brinckmann Nietzsche die zich naar hem omdraait en zegt dat hij moet ophouden zichzelf zo’n fantastisch ego te voelen!

Iedereen! Leer stap voor stap het vermeende individu van je af te werpen! Hoe? Boven mijn en dijn uit! Kosmisch gewaarworden!’

‘De laag van Usselo’
N
ietzsche lijkt niet alleen met zijn voeten op aarde te wandelen – zo lees ik dit bijzondere wandelverslag – maar is ook met zijn hoofd bij de kosmos. De auteur weet niet of hij die kosmische gewaarwording helemaal begrijpt, maar vindt wel een aanknopingspunt op een plek in Usselo in Twente waar ooit zand werd gewonnen. Tijdens het graven kwamen er resten van een bos uit het Allerød te voorschijn, aldus de auteur, een warme fase na de laatste ijstijd die plotsklaps weer in een koude periode verviel. Een zwart laagje in het zandpakket is er te zien, op de donkere streep in de steilrand langs het water: verkoold materiaal, resten van bosbranden die 12.000 jaar geleden over grote delen van het noordelijk halfrond woedden.


Nog enkele invloedrijke wandelende denkers: Heraclitus, Zhuang Zi, Cusanus, Dionysius de Kartuizer, Hobbes – met een inktpot aan zijn wandelstok – Rousseau, Goethe, Emerson, Thoreau, Wittgenstein en Heidegger. (ISVW)


In dat laagje is een verhoogde concentratie van het scheikundig element iridium aangetroffen, een aanwijzing dat het weleens om een komeetinslag kan gaan: er zou ooit een kosmische ramp hebben plaatsgevonden die ‘de laag van Usselo’ deed ontstaan. Twee jaar geleden werd dat bevestigd: toen vonden geologen een enorme krater onder de Hiawatha-gletsjer in Groenland die, zoals het zich nu laat aanzien, precies 12.000 jaar oud is.

Kosmisch gewaarworden, in de kracht en de proportie van een komeet die op aarde inslaat, dat is een sterk beeld! Vernietiging en terugveren, na de brand de kou en daarna weer het leven. Dit geweld accepteren betekent geen vage versmelting met ‘het Al’ of dat soort gepraat, maar dat je zonder twijfel voeling krijgt met het immense dat je omvat.’ 

Zie:
Onder de rode plu van Nietzsche (Eric Brinckmann, iFilosofie)

Beeld: PD, 29062020

‘Ook het denken is lichamelijk’

Da_Vinci_Vitruve_Luc_Viatour

Filosoof Simon Gusman buigt zich over de vraag of de geest zonder een lichaam bestaat. En wat ons lijf betekent voor wie we zijn. Hij bespreekt vijf filosofen over het verband tussen ons lichaam en ons denken: Ik denk dus ik heb een lijf. In zijn boek What Computers Can’t Do uit 1972 rekent Hubert Dreyfus af ‘met het idee dat mensen supercomputers zijn. Willen we een mens nabouwen, dan moeten we recht doen aan het lichaam. Een supercomputer zonder lichaam snapt niet wat het is om mens te zijn’. 

We berekenen niet hoe we ons tot de wereld moeten verhouden, maar beleven de wereld direct als betekenisvol. Als ik wil drinken uit het kopje koffie dat voor me staat, hoef ik niet uit te rekenen hoe ver ik mijn hand moet uitsteken om het op te pakken. Ik ervaar in één oogopslag dat het kopje is om uit te drinken en kan moeiteloos de juiste beweging maken om dat te doen. Deze betekenisvolle belichaamde verhouding tot de wereld om ons heen is wat ons bestaan kenmerkt – en is iets dat een lichaamloze supercomputer niet heeft.’

Volgens Maurice Merleau-Ponty, de filosoof die het lichaam echt op de kaart heeft gezet, is het denken van zichzelf altijd al belichaamd. Niet omdat onze geest in een lichaam zou zitten, maar omdat alle vormen van ervaren, inclusief denken, uiteindelijk lichamelijk van aard zijn. 

Ons lijf kan van alles. Als we daar actief bij nadenken, bijvoorbeeld bij hoe we onze voeten neerzetten bij het lopen, wordt het alleen maar moeilijker. Ook als we alleen maar nadenken, zijn we belichaamd: we zitten in een bepaalde houding, trommelen met onze vingers op tafel of spelen met een pen in onze handen. Al deze dingen laten zien dat de geest en het lichaam niet van elkaar los te denken zijn.’

Gusman betrekt René Descartes erbij, de filosoof van ’Ik denk dus ik ben’, bij wie het lichaam geen centrale rol speelt. Voor hem is de geest een ‘denkend ding’ dat los bestaat van het mechanische lichaam.

Het lichaam is eigenlijk niets anders dan een fontein, stelt Descartes. De geest stuurt via een klier in het brein het lichaam aan en laat zo bloedvaatjes open- en dichtgaan, alsof het pijpleidingen in een fontein zijn. Het lichaam is een machine die op deze manier bediend kan worden. Hoewel Descartes’ denkbeelden over deze kant van het lichaam misschien wat simpel klinken, vormen ze de basis van de manier waarop veel wetenschappers vandaag de dag denken over lichaam en geest.’

Jean-Paul Sartre beschrijft in zijn beroemde boek Het zijn en het niet (1943) het voorbeeld van iemand die door een sleutelgat anderen staat te bespioneren. Zolang hij dit doet, is zijn aandacht gericht op het schouwspel achter het sleutelgat. Hij is enkel een toeschouwer. Op het moment dat hij betrapt wordt, is hij zich plotseling bewust van zichzelf, hoe hij daar staat, gebogen voor de deur.

We kijken naar hoe we bekeken zouden worden door anderen. Deze buitenkant is niet hetzelfde als een objectieve beschrijving van ons lichaam. Deze manier van kijken is niet de objectieve blik van de anatoom, maar de subjectieve blik van onze medemens die zich een beeld over ons kan vormen, ons kan prijzen of veroordelen om hoe we eruitzien.’

Auto’s worden standaard gebouwd met het mannenlichaam in het achterhoofd. ‘Testdummy’s zijn gebaseerd op mannenlichamen. Als gevolg hiervan is de kans dat vrouwen letsel overhouden aan een ongeluk vele malen groter’. – Gusman verwijst hier naar Caroline Criado Perez die stelt dat  sekseongelijkheid vooral gaat over lichamelijke verschillen. Zij schrijft hierover in Onzichtbare vrouwen (2019).

Testdummy’s zijn gebaseerd op mannenlichamen. Als gevolg hiervan is de kans dat vrouwen letsel overhouden aan een ongeluk vele malen groter. Ook kogelvrije vesten en veiligheidsmaskers tegen giftige stoffen worden allemaal eigenlijk alleen maar gemaakt voor mannen, niet omdat daar specifiek voor gekozen is, maar door het diepgewortelde idee dat een mannenlichaam de standaard voor alle mensen is. Sekseongelijkheid gaat dus niet alleen om rolpatronen, maar vooral ook om lichamelijke verschillen.’

Zie: Ik denk dus ik heb een lijf (Filosofie Magazine, december 2019)

Foto: Luc Viatour – Mens van Vitruvius van Leonardo da Vinci, ca. 1490, Gallerie dell’Accademia, Venetië – De regels voor de tekening bedacht Da Vinci niet allemaal zelf; hij baseerde zich op het tiendelige handboek voor de bouwkunde van de Romeinse architect Vitruvius, De architectura geheten. Reeds in de eerste eeuw voor Christus tekende deze architect de regels voor een perfect menselijk lichaam op. Volgens Vitruvius heeft een menselijk lichaam bepaalde vaste verhoudingen.  (ciatutti.nl)

‘Denken is meer dan hersenactiviteit’

Fluide-Intelligenz-trainieren-Arbeitsgedaechtnis-Kristalline-Lernen

‘Bezien vanuit de neurowetenschap zijn we slechts toeschouwer van ons mentale leven,’ stelt Naomi Kloosterboer. ‘Gedachten en gevoelens worden dan door neurologische processen bepaald.’ Maar, stelt de filosoof, als je nadenkt kan je overtuigingen ontwikkelen. Echter, de neurowetenschap behandelt die overtuigingen als stenen die in de hersenen liggen, waarvan we niet weten hoe die er gekomen zijn of waarom die er zouden moeten blijven liggen.

Als we negeren dat we door middel van reflectie en beslissingen ons actief tot ons mentale leven verhouden, krijgen we een vervreemdend beeld van zelfkennis en het mens-zijn. Mijn onderzoek toont aan dat deze actieve houding ten opzichte van ons mentale leven essentieel is voor ware zelfkennis.’

Kloosterboer promoveerde eind oktober tot doctor in de filosofie met haar alternatief beeld van ons mens-zijn en onze relatie tot ons mentale leven: Attitude and Commitment. Zij vindt dat ons huidige beeld in de wetenschap over de relatie tot onszelf niet klopt. Voor de filosoof heeft ons denken altijd inhoud, een gerichtheid op een onderwerp. Dat valt weg als je een overtuiging als hersenactiviteit beschouwt. 

Hiermee beoog ik niet te zeggen dat hersenen helemaal geen rol spelen bij denken. Mijn punt is dat denken niet gereduceerd kan worden tot enkel hersenactiviteit: denken doe je met je hoofd, maar denken zit niet in je hoofd. De inhoud van de gedachten draait om jouw perspectief op de wereld. Dat perspectief is wat denken is.’

Een overtuiging hebben betekent voor de filosoof allereerst dat je overtuigd bent van iets. En die overtuigingen, maar ook intenties, verlangens en emoties bestaan niet alleen in je hoofd.

Stel bijvoorbeeld dat ik zeg: ‘Ik geloof dat het regent.’ Daarmee zeg ik iets over de staat van de wereld; dat het waar is dat het regent. Ik doe geen verslag van iets in mijn hoofd; ik zeg iets over de wereld. Door overtuigd te zijn, ben ik actief betrokken bij de wereld. Denken is actief betrokken zijn bij datgene waarover je denkt.’

Dinsdagavond 3 december vertelt Kloosterboer hierover meer in het Filosofisch Café in Utrecht, het Hofman Café – een voor iedereen vrij toegankelijke activiteit van Studium Generale Universiteit Utrecht. Volgens de filosoof zijn onze gedachten en emoties meer dan het gevolg van een proces in ons brein. Hoe moeten we ze dan wél begrijpen? Haar lezing heeft de titel: Hoe (goed) ken jij jezelf?

Waarom denk je wat je denkt en voel je wat je voelt? Een neurowetenschapper zou zeggen: doe een hersenscan. Want uiteindelijk worden gedachten en gevoelens door neurologische processen bepaald. Wie dat zegt, doet volgens filosoof Naomi Kloosterboer MA (UU) zichzelf tekort. Bezien vanuit de neurowetenschap zijn we slechts toeschouwer van ons mentale leven. Maar dat is niet hoe we het ervaren. Onze gedachten, gevoelens en zelfkennis worden niet van een afstandje door ons beschouwd, maar juist geleefd. Een overtuiging dat mannen en vrouwen moreel gelijk zijn ligt niet vastgebakken in ons brein, maar hangt samen met hoe we de wereld zien. Welke rol speelt ons eigen perspectief in het vergaren van zelfkennis? En wat betekent het om een actieve houding aan te nemen tegenover onze innerlijke wereld?’ (Studium Generale Universiteit Utrecht)

Zie:
*
Hoe (goed) ken jij jezelf?
(Universiteit Utrecht)
* Waarom denken meer is dan hersenactiviteit (Bij Nader Inzien)
* Proefschrift

Beeld: jumpic.com

Kunstmatige intelligentie is ‘alsof-intelligentie’

KunstmatigeIntelligentie-BrownMantisPixabay

Waarom computers nooit zullen denken, is de titel van een recensie door Arthur Veenstra, auteur bij iFilosofie, over De zin van denken van filosoof Markus Gabriel. Gabriel beschouwt ons intellect als een soort zintuig dat gedachten waarneemt. Het intellect produceert dus niet actief gedachten, maar neemt passief de objectief bestaande gedachten waar. Gabriel stelt dat ons intellect een soort zintuig is dat gedachten waarneemt: een noöscoop. ‘Computers zouden nooit een dergelijk zintuig kunnen ontwikkelen.’

Het misschien meest steekhoudende argument dat Gabriel inzet tegen denkende computers, vindt Veenstra, is afkomstig van de Amerikaanse filosoof John Searle.

Searle argumenteerde dat computers nooit het karakteristieke kenmerk kunnen hebben van bewustzijn: intentionaliteit. Intentionaliteit is de eigenschap dat bewustzijn altijd bewustzijn van iets is. Bewustzijn heeft dus een relationeel karakter. Ik zie de roos, ik voel hem, ik denk aan de roos. Altijd is er een relatie tussen mijn bewustzijn en iets.’

Volgens Searle projecteren wij intentionaliteit op de computer. De computer zelf gedraagt zich weliswaar alsof hij objecten herkent, maar in werkelijkheid voert de computer blind zijn mechanische/reactieve processen uit.

Hoe ingewikkeld de programma’s ook zijn, uiteindelijk bestaat ieder programma simpelweg uit enen en nullen die de computer blind verwerkt. Sterker nog, de computer weet niet eens dat het enen en nullen aan het verwerken is. Voor de computer zijn er alleen maar impulsen waar het mechanisch/blind op reageert.’

Veenstra heeft het over miljoenen minuscule schakelaars, en miljarden elektronen, die zich een wegbanen door de chips van de computer. Maar als je wilt beargumenteren dat computers kunnen denken, dan moet je ook laten zien hoe het kan dat de blinde processen van een computer gepaard gaat met bewustzijn.

Gabriel maakt middels Searles argument duidelijk dat kunstmatige intelligentie in feite een misnomer is: om misverstanden te voorkomen zou kunstmatige intelligentie beter kunnen worden omgedoopt tot ‘alsof-intelligentie’.’

De recensent stelt dat volgens Gabriel de mens een uniek dier is en blijft; als enige begaafd met een zesde zintuig dat gedachten kan waarnemen. Tot slot stelt hij dat De zin van het denken de lezer uitdaagt en hem of haar de ammunitie geeft om zelf te gaan nadenken over ons mysterieuze en ongrijpbare vermogen om na te denken.

De zin van denken | Markus Gabriel | Vertaald door Mark Wildschut | Boom, Amsterdam | 2019. ‘Dit boek is het laatste deel van een trilogie waar ook Waarom de wereld niet bestaat en Waarom we vrij zijn als we denken deel van uitmaken. Het is zo geschreven dat het zonder kennis van beide eerdere delen begrepen kan worden. Net als die voorgangers behoort het tot een genre dat zich richt tot al diegenen die graag hun gedachten laten gaan over wijsgerige thema’s. En precies om dit proces van het denken moet het hier gaan.’ (Gabriel)

Zie: Waarom computers nooit zullen denken, in iFolosofie nr 46, het filosofietijdschrift van de ISVW, oktober 2019.

Beeld: BrownMantis (Pixabay)