‘Datgene waarnaar ik verwijs wanneer ik ‘ik’ zeg’

‘Met het woord ‘ziel’ bedoel ik: datgene waarnaar ik verwijs wanneer ik ‘ik’ zeg.’ Promovenda Martine Oldhoff schrijft momenteel haar proefschrift over de ziel. Voor haar is het geen uitgemaakte zaak dat de mens louter lichaam is. Er zou geen ruimte meer zijn voor de ziel. Voor haar is de mens echter meer dan een fascinerende klomp cellen, zoals ‘de wetenschap’, waaronder de hersenwetenschappen, ons leren. ‘Dat is een filosofische stellingname, geen uitgemaakte zaak.’

Oldhoff schreef Kijk op de ziel, de uitgewerkte lezing die Oldhoff vorig jaar hield op de generale synode van de PKN. Voor Oldhoff is het woord ziel ‘een barst in een volledig gesloten wereldbeeld’.

De Ziel moet altijd op een kier
Zodat wanneer de Hemel zoekt
Hij niet te wachten hoeft
Of bang is dat hij stoort
(Emily Dickinson, in Kijk op de ziel)

Zieltjes winnen’ roept bij de meeste mensen geen goede associaties op, schrijft Oldhoff, want wie wil er nou een zieltje zijn?

Maar als het over de ziel gaat, lijken de zaken er anders voor te staan. Er zijn tegenwoordig meer mensen in Nederland die geloven in een leven na de dood dan mensen die in God geloven. Het geloof dat ‘ik’ op de een of andere wijze voortleef, is volop aanwezig.’
(Uit: Kijk op de ziel)

In haar proefschrift beschrijft Oldhoff Plato en Aristoteles kort als historische achtergrond. Duidelijk wordt dat haar visie verschilt van die van Plato. Bij de Bezieling vertelt ze hierover in een interview met Cees Veltman.

Door Plato en zijn verwerking in filosofische en theologische tradities is het woord ziel blijven leven. Ik zie de ziel echter als geschapen door God en niet als al bestaand voorafgaand aan ons leven, zoals Plato. We zijn als mens geschapen, onderscheiden van God.’

Oldhoff, promovenda aan de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam, zegt dat de ziel een mooie aanleiding kan zijn om het te hebben over wie en wat God is. Het woord God is immers voor heel veel mensen betekenisloos geworden.

Ik denk niet dat mensen in God gaan geloven als ze het woord ziel belangrijk vinden, maar het is een mooi aanknopingspunt om het over geloof en God te hebben. Als het gaat over wie de mens is aan de hand van het woord ziel, dan kom je misschien ook wel op interessante vragen: heb ik een goddelijke kern, ben ik geschapen, is er meer dan we kunnen zien en voelen?’

Kijk op de ziel | Martine Oldhoff | ISBN: 9789043534819 | 56 pp. | 16-06-2020 | € 6,99
‘De ziel duikt overal op. Van seizoenen lang Kijken in de ziel op televisie tot in het spirituele tijdschrift Happinez. Eeuwenlang was de ziel bekende taal in kerk en theologie. Tegenwoordig nemen veel gelovigen het woord minder makkelijk in de mond. In haar boek Kijk op de ziel zoekt Oldhoff naar de betekenis van de ziel in het christelijk geloof in onze context. Zo gaat ze onder andere in op de vraag wat er vanuit de Bijbel over de ziel te zeggen is. Het is een beknopt boek met theologische verdieping, een actualisering naar deze tijd en een aanzet tot het geloofsgesprek.’ (PThU)

Zie: Martine Oldhoff: “Het woord ziel is een barst in een volledig gesloten wereldbeeld” (de Bezieling)

Beeld: Beate Bachmann (Pixabay)

De kapitale vraag wat de ziel nu eigenlijk is

filoblog
Aristoteles heeft de taal een symbool genoemd van dat wat er in de ziel gebeurt. Dit zegt wiskundige, classicus en filosoof Ben Schomakers in een artikel over zijn boek Aristoteles Over de ziel, op de site van Athenaeum Boekhandel. ‘Aristoteles’ De ziel is zonder enige twijfel een van de diepste, oorspronkelijkste en invloedrijkste teksten uit de geschiedenis van de filosofie.’

‘Aristoteles stelt er de vraag wat de ziel is en formuleert een antwoord dat ons nog steeds te denken geeft. Wat hij in dit werk over waarnemen, verbeelding en denken zegt heeft tot in onze tijd de filosofische discussie daarover bepaald.
Vernieuwde heruitgave van de onvolprezen teksteditie van dit meesterwerk, dat verplichte lectuur is voor filosofen, psychologen en ieder die nadenkt over de vraag wat een ziel is en wat een mens is – wie hij zelf is.’ (AB)

Ben Schomakers werd onlangs door Athenaeum gevraagd zijn vertaling van de eerste zin van Aristoteles’ Over de ziel toe te lichten. En dat doet hij uitgebreid. Boeiend vind ik vooral de effecten van vertalingen en de betekenis die in de loop der eeuwen aan de woorden van Aristoteles gegeven zijn. Het woord ‘hulè’ dat Aristoteles gebruikt – dat altijd voor ‘bebost gebied’ en vandaar ook voor ‘hout’ had gestaan – wordt opeens een aanduiding voor het abstracte begrip ‘materie’. Schomakers roept uit: ‘Begrijp dat maar eens, zoek het maar uit.’

AriDeZielSchaduw (2)‘Er zijn ook brokken ontstaan door verkeerd geijkte vertalingen van het werk van Aristoteles’ De ziel, een van de belangrijkste boeken van de westerse filosofie, en een van de weerbarstigste, onder andere doordat Aristoteles hier nog meer dan elders voor zichzelf geschreven lijkt te hebben, in zinnen en passages die onaf zijn en in een taal die zoekt naar woorden voor dingen waarvoor niemand nog woorden gehad had (en waarvoor de juiste woorden nog steeds niet gevonden lijken te zijn).’ (BS)

Veel gedachten zijn er geweest over de ziel. Zo zou in de ogen van Aristoteles de ziel een secundair verschijnsel zijn geweest, zonder kern, zonder eigen bestaan, ondergeschikt en afgeleid van de materie. In zijn boek noemt Aristoteles de ziel ‘de eerste verwerkelijking van een natuurlijk, werktuiglijk lichaam’. Schomakers stelt dat Aristoteles het woord ‘psuchè’ gebruikt, dat wel als ‘ziel’ vertaald moet worden. In het ‘vertaalkundig hinkelparcours’ lijkt volgens hem de ziel als een ongewenst onkruid uit het steen van de materie te komen, een onkruid van een onbekende soort, dat door een stevige wind zomaar weggeblazen kan worden.

benschomakersBen Schomakers (foto: Klement) worstelt ook met het feit dat een hele eeuw opgevoed is met de gedachte dat de ziel een eerste actualiteit is – iets dat hij nooit heeft kunnen begrijpen. Hij lost het op door te stellen dat het meer te maken heeft met ‘in act zijn’ van de ziel. Dat wil (misschien) zeggen ‘werkelijk zijn’. Hij zegt ook dat, trouw aan het Grieks, de verhouding tussen de ziel en het natuurlijke lichaam waar ze bij hoort ten opzichte van gebruikelijke vertalingen, omdraait in een zin die de ziel niet tot dat bijverschijnsel maakt, maar tot de meesteres over het lichaam.

‘Meer dan eens vergelijkt Aristoteles de verstrengeling van ziel en lichaam met die van de ambachtsman en zijn werktuig: de eerste bedenkt iets en wil iets, maar heeft een zaag nodig om het hout te snijden, een hamer om het ijzer te pletten, een tang om het ijzer in het vuur te houden. Uiteindelijk ontstaat er dan iets moois, dat structuur heeft omdat er een plan achter schuilgaat. Het lichaam heet ‘werktuiglijk’ ten opzichte van de ziel, omdat de ziel zich ervan bedient zodat ze dat wat ze met dat lichaam (eigenlijk met het geheel dat zij met het lichaam vormt) voorheeft, te realiseren. Of liever: te verwerkelijken.’ (BS)

aristoteles2Schomakers vertelt dat, in vanuit Oxford de wereld ingeslingerde versies, de ‘ziel’ van Aristoteles (illustr: timerime.com) werd afgenomen door van ‘psuchè’ ‘mind’ te maken. De ‘ziel’ van Aristoteles werd daardoor erg ingeperkt. Tegenwoordig lijkt een ziel vaak een (quasi-)religieus verschijnsel (met ethische en eschatologische implicaties.) De ‘ziel’ van Aristoteles is kennelijk niet dezelfde is als de moderne ziel, voor zover er over een moderne ziel gesproken kan worden, of over de ziel van de oudheid.

‘Een ziel nu lijkt vaak een (quasi-)religieus verschijnsel (met ethische en eschatologische implicaties) of een mysterieus product van een niet-wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid, terwijl de ziel in de vorige eeuw misschien vooral in verband gebracht werd met het gemoed, dat liefst ontvankelijk en verlangend moest zijn en waarop vooral dichters en andere romantici hun ogen op gevestigd hadden. Soms houden we van deze zielen, soms wijzen we ze als naïef af, niet zelden onder argwanend stemmende hoon. En soms zijn we preciezer en beseffen we dat deze specifieke zielen nog niet de ziel hoe dan ook zijn, een innerlijkheid die we ervaren en die ook invloed heeft op ons voelen, denken, handelen, leven. Maar dan nog durven we vaak te zeggen dat ze niet bestaat, de ziel.’

Maar, zegt Schomakers, dit is niet allemaal de ziel van Aristoteles: in het Grieks is ‘psuchè’ dus op de allereerste plaats datgene waarvan de aanwezigheid een lichaam levend maakt.

‘Vandaar zweeft de ziel van Aristoteles, keurig in overeenstemming met het Griekse taalgebruik, ook in het ‘domein van de innerlijkheid’, die actief en passief is, vluchtend en verlangend, waarnemend en initiatief nemend, voelend en verward rakend, denkend en beslissend.’ (BS)

Zie:  Nieuws: De eerste zin van Over de ziel van Aristoteles, vertaald door Ben Schomakers 

Zie ook:  Aristoteles (en andere rare Grieken) en de terugkeer van de ziel – een vertaalde, bewerkte, enigszins geparafraseerde versie van een lezing die Schomakers vorig jaar in Budapest gaf op een conferentie die in haar geheel draaide om het belang van de studie van de Oudheid en de Middeleeuwen voor de moderne tijd. Wat hebben we nog aan die Aristoteles?

overdezielBen Schomakers (1960) is opgeleid als wiskundige, classicus en filosoof en promoveerde op een proefschrift over Parmenides.
Hij vertaalt filosofische teksten uit de Griekse oudheid, zoals Pseudo-Dionysius’ Over mystieke theologie (1990, 2002), het gedicht van Parmenides (2003), Aristoteles’ Over poëzie (2000), diens Metafysica I-VI (2 dln., 2005) en ook zijn Problemen (2010).
Meest recent verschenen van hem De taal van de hemel. Over de engelen van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (2012) en een vertaling van Sophocles’ Oedipus heerst (2013).