Het algemeen onbetwijfeld geloof in de evolutietheorie

endatwerktallemaal-achterdesamenleving.nl

Met deze onmiskenbare verwijzing naar Het algemeen betwijfeld christelijk geloof van H. M. Kuitert mengt natuurkundige en filosoof prof. dr. Marc J. de Vries zich met het artikel Spanning evolutietheorie en theologie niet bevredigend opgelost in nieuwste boek in de wederom oplaaiende discussie over evolutietheorie versus christelijk geloof. En dit weer als gevolg van En God zag dat het goed was, dat afgelopen oktober verscheen. Zijn grootste kritiekpunt is dat de status van de evolutietheorie niet ter discussie staat: het debat mag er slechts over gaan hoe de theologie zich zo kan aanpassen dat ze naast de evolutietheorie nog bestaansrecht overhoudt.

Schreef Kuitert nog over de onzekerheid van wat (nog) christelijk geloof is en wat niet meer, een onzekerheid die gevoed werd door de veelheid en willekeur (‘alles kan’), nu verdedigt En God zag dat het goed was het onbetwijfelde geloof in de wetenschapsfilosofische status van de evolutietheorie. Ook dit lijkt mij gevoed door de veelheid en willekeur van ‘alles kan’.


De auteurs zijn volgens ons te optimistisch over de natuurwetenschappelijke methode. Die is per definitie reductionistisch van aard en geeft dus geen volledig beeld van de werkelijkheid. Het boek onderkent dit onvoldoende, wat resulteert in een onkritische acceptatie van de evolutietheorie. (Dr. Machiel Blok, ir. Ko van Dijke, drs. Eric van der Poel en dr. Ruth Seldenrijk in ‘Waar blijven we met ‘En God zag dat het goed was?’.)


Iedereen zal toegeven, stelt De Vries, dat de aannamen waarop de evolutietheorie berust alleszins redelijk zijn, zolang er geen aanleiding is om anders te veronderstellen. Hij reageert op een bijlage achter in het boek waarin medisch bioloog en wetenschapsjournalist René Fransen de natuurwetenschappelijke argumenten op een rij zet, en reageert daarbij tevens op een hoofdstuk waarin de wetenschapsfilosofische status van de evolutietheorie wordt verdedigd.

Maar wat als die aanleiding er vanuit een andere discipline wel is? Is er dan de openheid om de aannamen ter discussie te stellen? Wat de auteur van dit hoofdstuk betreft niet, en dat lijkt me wetenschapsfilosofisch gezien geen sterk standpunt.’

Volgens De Vries, in het RD, leggen de auteurs de Bijbel op het procrustesbed. Dit boek wordt zo gedwongen tot bekentenis van verenigbaarheid met de evolutietheorie. De noodzaak daartoe ontstaat, zegt hij, omdat de evolutietheorie voor onaantastbaar gehouden wordt.

De indruk die het boek achterlaat bij de lezer is het oude positivistische idee dat de natuurwetenschappen de meest betrouwbare kennis opleveren en dat je in andere wetenschappen alle kanten op kunt.’

Intussen houdt het Logos Instituut op En God zag dat het goed was – Christelijk geloof en evolutie in 25 cruciale vragen de reacties bij in een overzicht. Logos vraagt zich af wat het theïstisch evolutionistische wereldbeeld doet met ons.

Volgens creationisten is dit wereldbeeld een doorvoerhaven naar vrijzinnigheid en ongeloof; theïstisch evolutionisten menen dat dit wel meevalt. Is ‘En God zag dat het goed was’ een nieuwe steen in de vijver van het Nederlandstalige protestantisme of slechts een voortgaande rimpeling?’

De Vries vindt dat de mogelijkheid opengelaten moet worden dat de wording van hemel en aarde en van de verscheidenheid van het leven een gebied is waar het instrumentarium van de natuurwetenschappen eenvoudigweg niet goed bij kan.

Bronnen:

– Spanning evolutietheorie en theologie niet bevredigend opgelost in nieuwste boek

Waar blijven we met ‘En God zag dat het goed was?’

En God zag dat het goed was | William den Boer, René Fransen en Rik Peels (red.) | Uitgeverij Summum | 426 blz. | € 19,99 | ‘Christelijk geloof en evolutie: hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Wat kan er van de evolutietheorie aanvaard worden als de Bijbel Gods openbaring is? En wat zijn de consequenties voor het christelijk geloof als de evolutietheorie waar is? In 2017 riep het boek En de aarde bracht voort van Gijsbert van den Brink hierover veel verschillende reacties op. In En God zag dat het goed was nemen 25 deskundigen de handschoen op en onderzoeken zij op deelgebieden verder hoe een bepaald element uit het christelijk geloof zich verhoudt tot de evolutietheorie. Een breed palet aan auteurs behandelt een scala aan vragen op wetenschapsfilosofisch, exegetisch-hermeneutisch en systematisch-theologisch terrein. Elke auteur trekt op zijn of haar deelgebied een eigen conclusie.’ (Summum)     

Beeld: achterdesamenleving.nl

‘Licht, geest, creativiteit en religie horen bij elkaar’

lichtalsdeeltjeengolftweakers.net

‘Alles wat er in het heelal voor mij bestaat, bestaat in de eerste plaats als gedachten en beelden in mijn bewustzijn.’ In Hebben wij een ziel? Zo ja, waar dan? benadert auteur Gerrit Teule – in het deel Licht en bewustzijn – geest en bewustzijn vanuit een ongebruikelijke kant, namelijk vanuit de natuurkunde en wat die met haar experimenten ons zegt over licht. Teule zegt een ‘gulden’ middenweg te bewandelen om tot inzicht te komen. Hij legt onze ‘binnenwereld’ naast die van de ‘harde’ natuurkunde. 


Ik heb het gevoeld, een aanwezigheid die mij met vreugde beroert.
Verheven gedachten, een prachtige gewaarwording,
van iets wat veel dieper samengesmolten is.
Het licht van de ondergaande zon is zijn woning
en ook de oceaan om ons heen, en de levende lucht,
en de blauwe hemel en de geest van een mens.

(William Wordsworth)


Teule heeft het over psychomaterie: een synthese van geest en stof. (Geest, ziel en bewustzijn zijn volgens hem geen ‘bovennatuurlijke verschijnselen’ en het begrip materie verandert in ‘psychomaterie’.) De auteur begint bij ‘harde’ natuurkunde en verifieerbare of falsifieerbare theorie, maar al snel komt er een toegevoegde ‘ruimtedimensie’ bij:

Een zuiver product van de geest, dat weliswaar in veel hoofden kan bestaan en bruikbaar is, maar dat toch moeilijk verifieerbaar is. Bewijsbaarheid van deze extra ruimtedimensie, de imaginaire dimensie, met waarnemingen uit de natuur is niet mogelijk, want dimensies bestaan slechts in onze geest als ‘actieve metaforen’: onze denkconstructies die de vorming van bewustzijnsbeelden begeleiden of zelfs geheel bepalen.’

Atoomfysicus en theoloog Lawrence W. Fagg concludeerde in zijn boek Elektromagnetism and the Sacred dat licht, geest, creativiteit en religie bij elkaar horen, zo vertelt Teule, die dit boek vertaalde: Op de grens van geest en stof – Elektromagnetisme en het Heilige. Hij zegt dat Jung daar nog het numineuze aan toevoegde: het ontzagwekkende, het adembenemende, het grootse.

Er bestaat een rechtstreeks verband tussen elektronische interacties en de werking van de hersencellen en ons lichaam: elk elektro-encefalogram of elektrocardiogram bewijst dat.’

Hebben wij een ziel? Zo ja, waar dan? is geen eenvoudig boek dat je ‘even leest’ maar wel in alle rust kan bestuderen om te doorgronden hoe en waarom de auteur (boeiende en bijzondere) verbanden legt tussen ‘harde wetenschap’ en gedachten van filosofen als Pierre Teilhard de Chardin, Carl Jung, en anderen. Je komt erachter dat er in de hoofden van deze denkers gedachten speelden die later door de wetenschap min of meer bevestigd worden, of althans, zeker worden verbanden zichtbaar. Zo vertelt Teule bijvoorbeeld dat van Jung gezegd wordt dat hij langs experimentele weg het bestaan van het onbewuste aantoonde, met een nauwkeurige galvanometer.

Moderne scanonderzoeken tonen inderdaad aan, dat er in onze hersenen in elektrochemische zin veel gebeurt waar we ons niet bewust van zijn. Dat kunnen we ook aanduiden met termen als voorbewuste of het onderbewuste, of we moffelen het weg als wat elektronisch gerommel in de marge (ook te verpakken in onduidelijke termen als ‘ruis’, of ‘schuim op de hersengolven’).’  

Zijn we met ons bewustzijn überhaupt in staat datzelfde bewustzijn helemaal te doorgronden, vraag Teule zich af. Met deze principiële vraag begint volgens de auteur de kennis over de extreme elektromagnetische complexiteit en breindynamiek. De auteur verwijst weer naar Fagg die stelt dat we alle elektronische interacties in de breedste zin van het woord kunnen zien als de werking van het licht. Dit maakt Teule vervolgens uitgebreid en diepgaand duidelijk in zijn boek. Door het verband wat de auteur legt tussen geest, licht en elektronen, komt hij uiteindelijk uit bij de diepste wortels van de bewustzijnsevolutie en de psychologie: het onderwerp van zijn boek.


‘Ongeveer tien jaar, tegelijk met mijn natuurkundige werk op het gebied van kernfysica aan de Katholieke Universiteit van Amerika, studeerde ik theologie aan de George Washington Universiteit. Bij de meest interessante colleges van het programma waren er twee die gingen over de teksten van christelijke mystici. In hun werk en in de geschriften van alle religies die ik bestudeerde, had licht (een elektromagnetische straling!) een speciale plaats, niet alleen als een symbool of metafoor, maar ook als een diepe, intieme ervaring van heilige aanwezigheid.’ (Lawrence W. Fagg)


Bron: Hebben wij een ziel? Zo ja, waar dan? Deel I Licht en bewustzijn, 1. Elektronen uit licht.

Beeld: tweakers.net – Wetenschappers maken eerste snapshot van licht als golf en deeltjesstroom (2015)

Hebben wij een ziel? Zo ja, waar dan? | De evolutie van geest, ziel en bewustzijn als een natuurlijk proces; hoe moderne natuurkunde en informatica ons leiden naar een universele en diepe psychologie | ISBN 9789461533487 | Uitgeverij Aspekt B.V. | 386 pag.

Gerelateerd:
– ‘Ga heen en komt tot bewustzijn! 
– Hebben wij een ziel? Zo ja, waar dan?

‘Het verlichte universum draagt zichzelf’

spiral-galaxy-ngc1232-1600

Bij Meister Eckhart en zenmeester Dōgen mondt ‘levenskunst niet uit in navelstaarderij, maar juist in een actief in het hier en nu in de wereld staan om met je volle aandacht te doen wat er hier en nu door de omstandigheden van je gevraagd wordt’. – Godsdienstfilosoof en theoloog Taede A. Smedes schrijft op zijn blog een heldere en pakkende recensie van In alle dingen heb ik rust gezocht, van Michel Dijkstra.Het boekje begint met de vraag naar de zin van het leven. Want dat is waar het in religie en in filosofie ten diepste om draait’.

Dijkstra stelt evenwel dat zowel Eckhart als Dōgen die vraag als inadequaat beschouwen, omdat die een tweedeling impliceert van leven en zin. Beide denkers zijn het er ten diepste over eens ‘dat het leven zijn eigen zin vormt.’

Het grootste verschil tussen beide denkers lijkt erin te bestaan dat Eckhart God als bron van alles accepteert. De werkelijkheid is substantieel verbonden met God als bron van volheid waaruit deze werkelijkheid is voortgekomen. (Ik zeg hier: ‘substantieel’, maar besef dat dit eigenlijk geen recht doet aan de genuanceerde visie van Eckhart zelf, die het zijn van de wereld en het Zijn van God toch scherp onderscheidt). Een substantiële visie van de werkelijkheid is Dōgen volstrekt vreemd, de clou van de metafoor van Indra’s net is immers ‘dat het verlichte universum zichzelf draagt: er is geen substantie of andere ‘drager’ in, achter of boven het heelal’.’ (Smedes)

Indra’s net’ wil zeggen dat de werkelijkheid is als een web van juwelen die schitteren en elkaar reflecteren. Dijkstra bedoelt hiermee, zegt Smedes, dat ‘ieder ding alle andere dingen weerspiegelt op zijn eigen, unieke manier en alle andere dingen zich tonen in de ‘spiegel’ van het ene ding op hun bijzondere wijze’.

Op die manier komt de identiteit van de particuliere edelsteen tot stand door zijn banden met het collectief van de andere juwelen.’  (Smedes)

Smedes zou in zijn boek Thuis in de kosmos – ‘Het Epos van Evolutie en de vraag naar de zin van ons bestaan’ – zeker naar dat beeld van Indra verwezen hebben als hij dat eerder had gekend, zegt hij enthousiast.

Smedes stelt dat de verschillen tussen beide denkers volgens Dijkstra niet wegnemen dat zij in de concrete uitwerking van hun levenskunst op heel veel punten dicht bij elkaar komen.

Hun gemeenschappelijke levenskunst vat Dijkstra prachtig samen onder de noemer ‘bevrijdende intimiteit’: ‘De weg naar eenheid van Meister Eckhart en zenmeester Dōgen leidt van geslotenheid naar openheid, van geïsoleerd-zijn naar verbinding en van versplintering naar concentratie.’ (Smedes)

Het is geen gemakkelijk boek, zegt de recensent, je moet wel enige voorkennis hebben van Dōgen en Eckhart: denkwerk is geboden! Dōgen komt ‘vreemd’ over door zijn Chinese manier van schrijven en Eckhart door zijn ‘vreemde’ godsbeeld.

Maar Eckhart is geen theïst in onze moderne zin van het woord. Hij werd ook in zijn eigen tijd niet begrepen en uiteindelijk is hij tot ketter verklaard. Dit komt door zijn negatief-theologische insteek (dus de mystieke herneming en ontkenning van alles wat positief over God wordt uitgesproken) en zijn non-duale visie die voor veel gelovigen – helaas ook vandaag nog, zij het volstrekt ten onrechte – naar pantheïsme riekt.’ (Smedes)

Smedes las het boek twee keer, ook omdat sommige gedachtegangen gewoon meerdere keren gelezen moeten worden om echt doorzien te worden. Smedes, die ook journalist en auteur is, zegt hierbij niet te weten of ‘begrepen’ het goede woord is. ‘Doorzien’ lijkt mij een mooie omschrijving, al zou ‘aanvoelen’ ook op zijn plaats kunnen zijn, in de zin van intuïtief lezen met de rede paraat.

In alle dingen heb ik rust gezocht. De weg naar eenheid van Meister Eckhart en zenmeester Dōgen | Michel Dijkstra | Van Tilt | ISBN 9789460044496 | € 15,- | ‘Dijkstra is in de filosofische gemeenschap in Nederland geen onbekende. Hij publiceerde al eerder artikelen en boeken over taoïsme, zen en over Eckhart. In alle dingen heb ik rust gezocht is een boekje van slechts 152 pagina’s dat de publieksversie van zijn proefschrift dat hij op 10 september 2019 aan de Radboud Universiteit verdedigt.’ (Smedes)


Michel Dijkstra, Radboud University:In mijn scriptie richt ik me op Eckharts en Dōgens denken over de grote metafysische kwestie van de relatie tussen het Ene en het Vele. Ik onderzoek deze vraag op basis van het concept van ‘wederzijdse verlichting’ van Arvind Sharma: het idee dat filosofische teksten uit verschillende culturen elkaars spiegel kunnen zijn en dus kunnen leiden tot een dieper begrip van beide. 

De enige grote parallel tussen Eckhart en Dōgen is dat ze de relatie tussen het Ene en het Vele als niet-duaal zien. In het geval van Eckhart kan men God en Zijn schepping niet scheiden; in het geval van Dōgens zijn de Boeddha-natuur en de tienduizend dingen onafscheidelijk. Het filosofische pad dat tot dit inzicht leidt, verschilt: de Dominicaan begint met eenheid, terwijl de Zenmeester zegt dat we de diversiteit van dingen moeten bestuderen.’


Bronnen: De mystiek van Oost en West: Michel Dijkstra over Meister Eckhart en Dōgen (Taede A. Smedes) en Radboud University

Beeld: Grand Spiral Galaxy NGC 1232 – Image Credit: FORS , 8,2-meter VLT Antu , ESO

De roep om een vrije religiositeit

© Mystiek 8

‘Spiritualiteit is ‘in’, zegt Marc De Kesel in Zelfloos, de mystieke afgrond van het moderne zelf, waarin een aantal essays zijn te vinden over mystiek. Weg met religie, leve mystiek, luidt de titel van een van de essays. Of eigenlijk: leve spiritualiteit. De Kesel stelt bij monde van geestelijk begeleider Jean-Pierre de Caussadesj (1675 – 1751), dat ‘de naam mystiek vandaag slecht ligt bij de publieke opinie’. Dus waarom niet spreken over ‘spiritueel’, beter gekend, zachter en met hetzelfde effect’. In het essay schrijft De Kesel over het sociale succes van spiritualiteit.

Sociaal gezien lijkt spiritualiteit te slagen waar traditionele religies doorgaans falen. En waar religie zich inspant om spiritualiteit positief te omhelzen en in haar eigen praktijken te integreren, is het vaak de spiritualiteit die met de winst gaat strijken. Naderhand blijkt ze de achteruitgang van de betreffende religie alleen maar in de hand gewerkt te hebben. Zo levert zenmeditatie in katholieke kloosters vooral meer zen-aanhangers op.’

Voordat De Kesel beschrijft wat spiritualiteit is, vraagt hij zich eerst af wat er met het sociale is gebeurd dat het positief reageert op spiritualiteit, terwijl men religie en het religieuze als negatief is gaan zien.

Wat is er met het sociale aan de hand dat het voor traditionele religies zo moeilijk maakt om daarin hun plaats te vinden, terwijl spiritualiteit zich daarin spontaan thuis lijkt te voelen?’

In het essay werkt De Kesel de term ‘sociaal’ diep uit. Via het Latijnse ‘socius’ en ‘societas’ komt bij  ‘civis’ en ‘civitas’ en uiteindelijk bij Augustinus’ De civitate Dei. En veel later bij Thomas Hobbes’ De Cive.  De Kesel vertelt dat dat Ignatius van Loyola de kleine groep volgelingen van zijn mystieke weg een societas noemde: de sociëteit van Jezus. En vandaag de dag bij ‘maatschappij’, ‘maatschappelijk’ en ‘sociaal’. Spiritualiteit heeft alles met het sociale te maken. ‘Spiritualiteit’ vindt Van Kesel al terug in de eerste eeuwen van het christendom. Hij noemt hierbij mystici als Bernardus van Clerveaux  en Hildegard van Bingen. En ‘spirituele reuzen’ als Ruusbroec, Eckhart, Terese van Avila, Johannes van het Kruis.

Het Latijnse ‘spiritualitas’ verwees nog hoofdzakelijk naar ‘clerici’ of, algemener, naar de bovennatuurlijke orde, de orde tegengesteld aan de natuurlijke, aardse orde waarin leken vertoefden’.

Het woord ‘spiritualiteit’ maakte volgens De Kesel pas echt zijn opgang in Frankrijk, eind zestiende, begin zeventiende eeuw, toen alles wat met het ‘mystieke pad’ of ‘het innerlijk geestelijk leven’ te maken had, ‘spiritualité’ ging heten. Nadat De Kesel vervolgens onder meer stilstaat bij de ‘passies van de ziel’ bij Descartes, gaat hij dieper in op het woord spiritualité, en de vroegmoderne mystieke ervaring. Daarna komt hij uit bij ‘de lokroep van de moderne vrijheid’.

De lokroep van die vrijheid ligt aan de basis van de populariteit die de spiritualiteit ook vandaag geniet. Het is de roep om een vrije religiositeit, een religiositeit die de subjectieve vrijheid van de mens positief waardeert en op de plaats situeert waar voordien de metafysische God troonde. Zodoende verandert die laatste echter ook in een moderne God. Op die manier dat ze de metafysische pretentie van haar zoektocht opgeeft. In de plaats van de ontologische grond van onze vrijheid, wordt God de ultieme referentie in onze pretentie ons van elke grond vrij te weten.’

De Kesel noemt bijvoorbeeld de Franse activiste en filosoof Simone Weil: , niet haar ideeën over of engagement in samenleving en politiek maken haar fundamenteel sociaal, maar haar spiritualiteit:’

Daar treft ze de open ruimte die wordt gedeeld én door haar ‘innerlijke ervaring’ als mystica én door de ervaring van de grond van de moderne socialiteit: vrijheid.’

Bron: Zelfloos – De mystieke afgrond van het moderne ik. Hoofdstuk 3: Weg met religie, leve mystiek.

Beeld: © Mystiek 8 (iks-foto.nl)