De filosoof en het ‘kan-zijn’ van God

godendekunstvanhetvissen

‘Kort geleden verscheen God en de kunst van het vissen. Het is een persoonlijke zoektocht naar God. Ouaknin, zegt zijn uitgever, zoekt naar het ‘kan-zijn’ (in het Frans: peut-être) van God in de tradities van de meesters van de Talmoed door een verzameling van citaten, verhalen en gedachten te bundelen waarin je op het eerste gezicht lijkt te verdwalen.’ Aldus Trouw in een interview met de Frans-joodse filosoof en rabbijn Marc-Alain Ouaknin: ‘Blijf zoeken naar de waarheid’.

Interviewer Benoit Lannoo vraagt aan Ouaknin of de huidige crisis van het denken in het Westen iets te maken heeft met de ‘waarheid’, daar we niet meer spreken met maar tegen elkaar: we rollebollen met feiten, zelfs alternatieve feiten, over de vloer, waarheden lijken voortdurend tegen elkaar op te botsen…

Dit boek is opgebouwd als een dagboek, dag na dag geschreven en vaker nog nacht na nacht cirkelend rond de Godsvraag. Een dagboek-verhaal waarin volgens een heel nauwkeurige logica, eerder associatief dan oorzakelijk, teksten elkaar opvolgen: overwegingen, dromen, muziekfragmenten, persoonlijke anekdotes, chassidische en Talmoedische verhalen, al dan niet bekend, gedichten, bibliografische verwijzingen en citaten van hedendaagse of klassieke auteurs…’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Ouaknin antwoordt Lannoo dat waarheden worden verkondigd zonder de nodige openheid voor verdere discussie: het eigene aan het Talmoedische denken is dat je, dankzij de ander, vermijdt in de verabsolutering van je kennis te vervallen; het gaat om een wederzijds weten dat wakker gehouden wordt in een wederzijdse ontmoeting.

We krijgen gezelschap van een jonge vrouw die door de lucht kan vliegen, een Meester en zijn leerling, een andere jonge vrouw die verschijnt en verdwijnt zonder naam of adres achter te laten, een zalm die tegen de stroom in reist, Jezus verdwaald in een Pools dorpje in 1943, onverwachte objecten: een publieke zitbank, een horloge met Romeinse cijfers, een paraplu, een groene fles gevuld met rode wijn en een verliefd iemand die gedichten schrijft.’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Volgens Ouaknin ontbreekt het ons vooral aan het kritische instrumentarium om met de wereld zoals die ons gegeven is, om te gaan: ‘Als je aan iemand pakweg een Bijbeltekst voorlegt – ik heb het niet over de Koran omdat ik er niet in thuis ben, maar wellicht gaat de redenering ook op voor de gebrekkige omgang van velen met allerlei Koranfragmenten – is de kans groot dat hij of zij niet over de instrumenten beschikt om die te interpreteren.’

Wees als lezer niet verwonderd wanneer je een overweging leest over de kunst van het vissen en het leven van zalmen en misschien, als er tijd en inkt overblijft, ook een overweging over de Messias. Net zoals in de Talmoed, waar de exegeses van Bijbelteksten een vlechtwerk vormen van vertellingen en filosofische en theologische analyses, vind je ook hier als lezer stukjes Bijbelexegese afgewisseld met wáre verhalen en ware verhálen.’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Lannoo vraagt zich af hoe het komt het dat we nu niet meer over waarheden discussiëren, waarop Ouaknin antwoordt dat het onderwijs tekortschiet. Hij vraagt zich af wanneer de Europese ministers van onderwijs rond de tafel gaan om te overleggen hoe we jonge mensen kritisch leren omgaan met de bronnen van hun traditie.

Een dagboek-verhaal waarin ik het ook nog heb over de Wijsheid, over het Boek en de Schrift, over het Joodse vraagstuk en over de jood als vraagstuk, over de wereld en over God, over de wereld zonder God, over de dood en over de liefde… Zo nu en dan met humor! Want het ernstige hoeft niet noodzakelijk gewichtig te zijn.’ (Uit: God en de kunst van het vissen)

Zie: ‘Marc-Alan Ouaknin: Blijf zoeken naar de waarheid’ (Trouw)

Marc-Alain Ouaknin | God en de kunst van het vissen | Tielt | Lannoo | 240 pagina’s | 17,99 euro | De persoonlijke zoektocht naar God van een eigenzinnig Joods filosoof – Onophoudelijk vragen stellen, vaststaande ideeën loswrikken, verbanden leggen tussen religie, filosofie, kunst, humor en erotiek. Dat kenmerkt het denken van Ouaknin.’ Zo besluit Christiane Berkvens haar recente boek Marc-Alain Ouaknin. De joodse gids van deze tijd. En daarmee is ook de kern van Ouaknins sleutelwerkje God en de kunst van het vissen samengevat: zoeken naar God is zoals de visser die met eindeloos geduld wacht op de vis om hem dan zijn vrijheid terug te geven. Het is de manier proberen te vatten waarop het oneindige in contact komt met het eindige. (Uitgeverij Lannoo)

Waren de gelovigen tot 1960 achterlijk?

professorbestaatgod

Barthel voert het hele verhaal weer op: klassiek geloof, dat is een almachtige God – ook hier weer voorgesteld als een oude man met een baard op een wolk – die fungeert als antwoord op al onze vragen. Wanneer laten we eens de gedachte los dat gelovigen van het jaar 0 tot 1960 achterlijk waren? Trouw bespreekt het boek Professor, bestaat God? van Peter Barthel, hoogleraar astrofysica aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dat boek maakt van recensent Wolter Huttinga een theologische mopperkont, de zoveelste in het rijtje.

In het kader van ‘redenen om het boek niet te lezen’ leidt dat tot drie ergernissen over de uitspraken: ‘God bestaat niet en heeft dat ook niet nodig’; ‘God is geen persoon’ en ‘Wetenschap is een objectieve vorm van wereldbeschouwing, en dan heb je daarnaast ook nog het ‘gevoel’ en het ‘geloof’.

‘God bestaat niet en heeft dat ook niet nodig’. Klopt, maar doe niet alsof dat een hippe gedachte is. God bestaat niet zoals wij zeggen dat een stoel of een persoon bestaat. Eerder is God het zijn zelf, esse, ‘to be’. De hele klassieke traditie heeft Gods ‘zijn’ op zo’n manier besproken dat dat zijn zo allesoverstijgend en tegelijk intiem in alles aanwezig is, dat we weer uitkomen bij Barthels verwondering. ‘Waar liefde is, dáár is God’.’ (Huttinga)

‘God is geen persoon’. Logische gevolgtrekking van bovenstaand verhaal nietwaar? De klassieke theologische traditie behield echter een subtiliteit die Barthel ontbeert. Inderdaad, God ‘bestaat’ niet (denk weer aan die baardman), dus is hij ook geen allemachtig uitvergrote ‘persoon’. Maar als God meer dat karakter van ‘zijn’ heeft, en dus op het allergrootste en het allerkleinste niveau in diepste zin ‘aanwezig’ is, zou je dan niet toch kunnen zeggen dat hij ‘erbij’ is, dat hij zich toewendt, of zelfs luistert? Kortgezegd: dat God oneindig meer en anders is dan een menselijke persoon betekent nog niet dat hij op geen enkele manier meer ‘persoonlijk’ mag zijn.’ (Huttinga)

‘Wetenschap is een objectieve vorm van wereldbeschouwing, en dan heb je daarnaast ook nog het ‘gevoel’ en het ‘geloof’. Een verleidelijke zienswijze, maar nogal oppervlakkig. Alsof iedere vorm van wetenschap niet ook gewoon door traditie, gemeenschap en de meest irrationele beeldvormingsprocessen gevormd wordt. En wie heeft de scheidslijn tussen ‘schoonheid’ en ‘religie’ vastgesteld? Deze boedelscheiding gaf wellicht ooit een opgeruimd gevoel, maar is aan alle kanten zo lek is als een mandje.’ (Huttinga)

De zevenjarige Anco Visser staat aan de wieg van dit boek en stuurde – drie jaar geleden -zijn vraag of God bestaat naar de universiteit en kreeg als uiteindelijk antwoord op zijn vraag: ‘Nee, God bestaat niet als een persoon die ver weg in de hemel woont. Hij bestaat in hoe jij en ik leven.’ En: ‘Het ga je goed!’

Wilfred van de Poll vertaalde de brief van sterrenkundige Barthel voor volwassenen en daarin citeert hij ene rabbi Mendel die aan zijn medegeleerden vraagt: ‘Waar woont God?’ Die lachen hem uit en zeggen: ‘Overal toch?’ Mendel schudt zijn hoofd. ‘Nee’, zei hij. ‘God woont alleen daar waar men hem binnenlaat’.

Als God als almachtige bovenbaas niet bestaat, is alle religie of spiritualiteit dan ook meteen achterlijk? Moeten we de ratio tot norm verheffen? Dat doen atheïsten als Herman Philipse, Christopher Hitchens en Richard Dawkins. Volgens mij leveren zij een achterhoedegevecht tegen orthodoxe gelovigen van allerlei snit, die – toegegeven – soms weigeren hun verstand te gebruiken en daarmee in de Middeleeuwen zijn blijven steken.’ (Van de Poll)

Of God bestaat, daar kunnen we volgens Barthels met onze wetenschappelijke kennis geen zinnig woord over zeggen.

Trouwens, waarschijnlijk bestaat God niet, zegt Barthel. Niet ‘als een persoon die in de hemel woont, de wereld bestuurt en voor jou zorgt. Het goede en het mooie in deze wereld – dat is wat ik God zou willen noemen. God bestaat in hoe jij en ik leven. Als mensen voor elkaar willen zorgen, dan zie je dáár iets van God.’ 

Drie sterk geformuleerde ergernissen van Huttinga. Zelf houd ik het bij Albert Einstein. Hij vond dat de hele kosmos zich openbaart in zulk een ordelijke harmonie, dat hij dat met zijn beperkte kennis – zoals hij zelf zei(!) – amper kon bevatten. ‘Toch zijn er mensen die beweren dat er geen God is. Ik word echt boos dat ze mij aanhalen als verdediger van hun standpunt. Ik ben geen atheïst.’ Mensen die de Schepper afwezen noemde hij ‘fanatieke atheïsten’.’

De religie van de toekomst zal een kosmische religie zijn. Het zou een persoonlijke God moeten transcenderen, en dogma en theologie vermijden. Zowel het natuurlijke als het spirituele betreffende, zou het gebaseerd moeten zijn op een religieuze intuïtie, afkomstig van de ervaring van alle natuurlijke en spirituele dingen als een betekenisvolle eenheid. Het boeddhisme beantwoordt deze beschrijving. Als er een religie is die om zou kunnen gaan met de moderne wetenschappelijke behoeften, zou dat het boeddhisme zijn.’ (Einstein)

Zie:

Professor, bestaat God? | Peter Barthel | Amsterdam University Press | 104 blz. | €9,95

‘Religie bood een denkrichting. Wetenschap niet.’

homodeus

‘We kunnen atomen splitsen, menselijke cellen kweken in varkens en sterrenstelsels ontdekken, maar het brengt ons geen stap dichter bij het enigma des levens. Zelfs het slimste algoritme kan hier geen antwoord op kan geven.’ Jaap Tielbeke, van De Groene Amsterdammer: ‘Ooit boden religies en ideologieën houvast, maar in een volstrekt onttoverde wereld missen we een gemeenschappelijke horizon.’

Tielbeke bespreekt de op 23 februari te verschijnen Nederlandse vertaling van Homo Deus, van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. En wat dat uitblijven van een antwoord van het slimste algoritme betreft, verwijst Tielbeke in zijn artikel De betekenis van het leven naar een scène uit de sciencefictionklassier A Hitchhiker’s Guide to the Galaxy:

waarin de computer Deep Thought wordt gevraagd naar het ‘antwoord op de ultieme vraag over het Leven, het Universum en Alles’. Na 7,5 miljoen jaar rekenen komt Deep Thought met een antwoord: ‘42’.’

Een onbeantwoorde vraag is nog steeds: wat is de betekenis van het leven? Religie bood een denkrichting, maar de wetenschap niet. Vroeger konden we onze blik nog tot de hemel richten, maar sinds de dood van God zijn we voor dit soort brandende vragen op onszelf gericht. Een overtuigd ‘tegenverhaal’ wordt gemist.

Homo Deus ziet echter een nieuwe religie: het dataïsme, de alwetendheid van Big Data en de kracht van algoritmen, met als tempel Silicon Valley, waar de hogepriesters van het geloof in technische vooruitgang in hoog tempo bezig zijn om de mens goddelijke kwaliteiten te verschaffen.

Nieuwe levensvormen scheppen, op afstand communiceren, zich verplaatsen met hoge snelheden en het eeuwige leven leiden: in het verleden waren dit soort ‘supervermogens’ enkel voorbehouden aan goden. Maar inmiddels leven we in het tijdperk van de Homo Deus, de mens-god.’

We grijpen volgens Tielbeke dus niet langer naar mythes of goden, maar naar wetenschappelijke instrumenten en nieuwe technologieën. Maar, zo stelt hij kritisch naar Harari, voor een christen is God geen fictie, voor een gelovige is Hij een absolute waarheid.

Net zoals voor een hardcore kapitalist de wet van de onzichtbare hand even onbetwistbaar is als de wet van de zwaartekracht. Of zoals de communist heilig gelooft in de klasseloze maatschappij. Zulke verhalen kunnen enkel als bindmiddel fungeren zolang ze hun eigen fictieve gehalte ontkennen.’

Volgens Tielbeke gaat Homo Deus verder waar die eerste bestseller (Sapiens) eindigde. De mens is zo machtig geworden dat we God naar de kroon steken, maar eigenlijk hebben we geen flauw idee wat we met al die macht aan moeten.

Hongersnoden zijn nagenoeg de wereld uit geholpen, oorlogen worden steeds zeldzamer en iedere generatie leeft langer en gezonder dan de vorige. Luilekkerland ligt om de hoek, maar wat nu? Een nieuwe horizon ontbreekt, schrijft Harari: ‘Als brandweerlieden in een wereld zonder vuur, zo moet de mensheid zich in de 21ste eeuw een unieke nieuwe vraag stellen: wat gaan we nu met onszelf aanvangen?’

We zijn mensen aan het upgraden tot goden, is de mening van Harari, want hoe gaan we om met technologie waarmee we nieuw leven kunnen ontwerpen alsof het een bouwpakket is? En wat als de dood, de grote gelijkmaker, straks niet langer onvermijdelijk is? Door dit soort vragen in historisch perspectief te plaatsen laat Harari volgens Tielbeke zien hoe ingrijpend de revolutie is waarvan we aan de vooravond staan.

Als grote blinde vlek van de wetenschap noemt Harari ‘gelukkig zijn’, en hebben academici de geschiedenis van vrijwel alles onderzocht – politiek, economie, seksualiteit, voedsel – maar zelden de vraag gesteld welk effect dit heeft op het menselijk geluk: dat is de grootste lacune in ons begrip van de geschiedenis.

Met de opkomst van het individualisme en de teloorgang van de collectieve ideologieën is geluk misschien wel onze opperste waarde geworden.’

Harari vraagt zich ook af wat als kunstmatige intelligentie aan de menselijke controle ontsnapt en zich als een Monster van Frankenstein tegen haar schepper keert? Wat als Google en Facebook ons leven volledig beheersen, of we langzaam afglijden naar een orwelliaanse politiestaat?

De grote verdienste van Harari is dat hij al deze inzichten samenbrengt en integreert in een alomvattende geschiedenis, waardoor de boodschap stevig aankomt. We staan op de drempel van een compleet nieuwe fase in de evolutie. En er is geen enkele garantie dat die er rooskleurig uit zal zien.’

Zie: De betekenis van het leven (De Groene Amsterdammer)

Yuval Noah Harari doceert geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Sapiens, zijn kleine geschiedenis van de mensheid, werd in veertig landen vertaald. Wereldwijd werden er meer dan 1 miljoen exemplaren verkocht. Homo Deus is het meesterlijke vervolg.

‘Homo Deus – Op onnavolgbare wijze beschrijft Yuval Noah Harari in zijn bestseller Sapiens 70.000 jaar menselijke evolutie, maar met Homo Deus richt hij zich op de toekomst. Met zijn kenmerkende vermenging van wetenschap, geschiedenis en filosofie onderzoekt Harari de dromen en nachtmerries van de eenentwintigste eeuw – van onsterfelijkheid tot kunstmatig leven. Hij stelt fundamentele vragen: Waar gaan we naartoe? Hoe beschermen we onze kwetsbare wereld tegen onze eigen verwoestende krachten? En als we in staat zijn door technologische vooruitgang ons lichaam en onze geest te verbeteren, wat gebeurt er dan met de mensen die zich niet laten upgraden? Wat voor sociale gevolgen zal deze tweedeling hebben? Volgens Harari is het essentieel om meer te begrijpen van de technologische revoluties om ons heen, anders hebben we geen invloed op de koers van onze toekomst. Dit is de volgende stap in onze evolutie. Dit is Homo Deus. Met een voorwoord van Bas Heijne.’ (Uitgeverij Thomas Rap)

Spiritualiteit en de Filosofie van het Ik

dscf5209

Wat is er belangrijker tegenwoordig dan de bron van spiritualiteit weer aan te boren en dat op een wijze die nauwgezet aansluit bij de eigen tijd? Filosoof Roland van Vliet heeft daar een eminente bijdrage aan geleverd door een derde standpunt te ontwikkelen dat de autonomie van de vrijheid weet te verbinden met de soevereiniteit van de liefde.’ Op 10 februari gaat Filosofie & Spiritualiteit (Universiteit Leiden) over het leven en werk van Roland van Vliet, de schrijver van o.a. Filosofie van het Ik (2015).

Van Vliet bepleit een levenshouding waarin, wat hij noemt, ongedeelde aandacht centraal staat. Hij analyseert dit zo poëtisch, dat hij een uitdrukking kan introduceren als: mededogen van het volledige horen. Gerard Visser zal in zijn lezing de belangrijkste gedachtegangen resumeren.’ (Rico Sneller)

Stand-up filosoof en auteur Roland van Vliet baseerde zijn ideeën over ethische communicatie op de filosofie van Emmanuel Levinas: je moet altijd de oneindigheid in de ander erkennen, leerde Levinas; ongedeelde aandacht, daar gaat het om. Bij leven – hij stierf in 2015 – schreef hij een korte samenvatting van het filosofisch onderzoek naar het Ik van de mens of de Filosofie van het Ik.

Het Ik dat je door zelfwaarneming in het bewustzijn kunt vinden en dat ieder moment kan denken, voelen, willen en waarnemen: ‘ik denk deze gedachte’, ‘ik voel deze emotie’, ‘ik wil dit bewerkstelligen’ en ‘ik neem dit ding waar’, noem ik het filosofische Ik.’ (Roland van Vliet)

Met het Filosofische Ik – dat Aristoteles de Onbewogen Beweger noemt: die niet door iets ander bepaald hoeft te zijn dan door zichzelf – is verbonden het denken over het denken, waardoor je een gedachte in een emotie of de wijze waarop je denkt op waarheid kunt onderzoeken of zelfreflectie. Het Filosofische Ik is het scheppende en zich vernieuwende Ik.’ (Van Vliet)

Gerard Visser, tot 2015 hoofddocent cultuurfilosofie aan de Universiteit Leiden, vertelt over liefde en vrijheid, over de belangrijkste gedachtegangen in het boek Filosofie van het Ik. Frank Mandersloot, beeldend kunstenaar en docent aan de Rietveld Academie, vertelt over zijn vriendschap met Roland, over wat zij wederzijds voor elkaar betekenden. Bianca Hiemcke Schriek, schrijver, programmamaker en coach en Hein van Dongen, filosoof en docent aan diverse onderwijsinstellingen, verhalen over wat Roland voor hen betekenden, met zijn verhalen over ongedeelde aandacht en zijn missie: het staan voor onverdeelde aandacht.

Al heel vroeg leerde ik de ongedeelde aandacht kennen. Dat was mijn eigen ontdekkingstocht, niemand wees me erop. Ik kwam uit een gezin van zes kinderen, er waren veel spanningen thuis. We woonden in de buurt van Eindhoven, er is daar veel natuur. Ik ontvluchtte de spanningen door in het bos te lopen. Dat doe ik nu trouwens ook, lopen in het bos, terwijl u met me belt. Heel mooi. Ik zie overal herfstbladeren…’ (Roland van Vliet)

Lastig, die ongedeelde aandacht.
‘Inderdaad! Nu goed, ik liep dus veel door het bos en merkte dat ik de natuur helemaal niet echt zag of voelde, omdat ik de hele tijd met mijn gedachten ergens anders was. Ik ging mij erin oefenen niet na te denken als ik dat niet wilde.’ (RvV)

En dat lukte?
‘Steeds beter, ja. Een aandachtskracht werd in mij wakker. Ik ervoer verbondenheid met alles. Als er niets is tussen jou en de zon, tussen jou en de bomen, dan dringt de mysterieuze schoonheid van de wereld pas echt tot je door. Op een keer, ik moet 18 zijn geweest, fietste ik ’s ochtends vroeg door het bos. Toen werd ik vervuld van een onmetelijke liefde.’ (RvV)

Zie:

* Filosofie van het ik: leven en werk van Roland van Vliet (Universiteit Leiden)

* ‘Je innerlijke ik vind je al na tien minuten’ (Trouw)

Foto: Chastellux sur Cure, France (PD)

Filosofie en Spiritualiteit | Vrijdag 10 februari 2017 | Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden (zaal 011) | Tijd: 13.30 – 17.30 uur | Toegang gratis