Er is meer… dan God

SONY DSC

Is er een ultieme reden voor het bestaan van God? Als ik één vraag aan God zou mogen stellen dan zou dat deze zijn: ‘God, weet U waarom U bestaat? Kent U de ultieme reden en laatste grond voor uw eigen bestaan? – Voor filosoof Emanuel Rutten is het bestaan van God – in het licht van de bekende voor- en tegenargumenten – heel waarschijnlijk. De filosoof vraagt nu aandacht voor de vraag waarom God bestaat. Wat is de reden van Gods bestaan, de ultieme grond of oorsprong daarvan.

Het lijkt absurd te veronderstellen dat God als de ultieme eerste oorzaak van alles wat er bestaat het antwoord op deze vraag niet zou weten. In en door en uit God is alles geworden wat er geworden is en zonder God zou er niets geworden zijn. God staat dus aan de grond van de werkelijkheid en overziet alles wat bestaat. Het lijkt dan ook niet goed voorstelbaar dat God de ultieme reden voor zijn eigen bestaan niet zou kennen en zou antwoorden: ‘Waarom ik besta? Geen idee. Misschien is er helemaal geen reden voor mijn bestaan.’

De vraag waarom God bestaat, moet volgens Rutten een ultiem antwoord hebben, ook al zegt hij dat we dat antwoord nooit zullen weten. Desalniettemin zegt hij wel iets over de aard van dit antwoord, en vindt hij dat de reden van Gods bestaan in elk geval niet kan liggen in een externe oorzaak.

God is als de eerste oorzaak van de wereld immers zelf niet veroorzaakt. God kan evenmin zichzelf veroorzaakt hebben. Zelfveroorzaking is namelijk onmogelijk omdat je al moet bestaan om jezelf te kunnen veroorzaken. Ook kan de reden van Gods bestaan niet gelegen zijn in Gods aard of natuur.’

Rutten vraagt zich heel wat af, terwijl hij ook stelt dat Gods aard of natuur alleen bestaat als God bestaat, terwijl de reden voor het bestaan van God niet van Gods bestaan afhankelijk kan zijn.

Antwoorden dat het wezen of de essentie van God samenvalt met te bestaan helpt evenmin. Want waarom zou zo’n mysterieuze essentie bestaan? Wat is daar dan de reden voor? En bestaat genoemde essentie eigenlijk wel onafhankelijk van het bestaan van God?’

De filosoof van het epistemisch-modaal godsargument (2012) stelt dat de enige mogelijkheid die redelijkerwijs overblijft, is dat God bestaat omdat God noodzakelijk bestaat vanwege een reden die niet is terug te voeren op iets in of van God.

Die reden kan dan alleen nog maar zijn dat Gods bestaan wordt geïmpliceerd door een aantal absolute waarheden oftewel waarheden die zo dermate onafwendbaar en onvermijdelijk zijn dat ze in iedere mogelijke wereld waar zijn en ook waar zijn wanneer er helemaal geen wereld zou zijn. Deze waarheden gelden dus noodzakelijk. Ze zijn hoe dan ook onontkoombaar.’

Rutten stelt dat de dwingend eruit volgende conclusie dat God bestaat, daarmee eveneens onvermijdbaar is. Precies dat vindt hij dan de ultieme reden waarom God bestaat: deze ultieme waarheden vormen dus het antwoord op de vraag waarom God bestaat.

God zelf kent ze redelijkerwijs. Ze vormen de absolute oorsprong van Gods bestaan. Maar dan zijn deze laatste waarheden het eigenlijke eerste beginsel van de werkelijkheid. Niet God maar zij vormen de ware grond en oorsprong van de wereld.’

En de reden voor het noodzakelijk waar zijn van deze laatste waarheden vindt de filosoof in en voor zichzelf volstrekt evident en daarom onvermijdelijk.

Ze kunnen vanuit een absoluut perspectief bezien evident niet anders dan waar zijn. Deze in absolute zin zelfevidente waarheden zijn waar, onafhankelijk van welke mogelijke wereld gerealiseerd is en onafhankelijk van of er überhaupt een wereld gerealiseerd is. Daarom zijn ze noodzakelijk waar.’

Volgens Rutten betreffen de laatste waarheden het absolute, en een denkbeeldige lijst waarop ze allemaal staan kan aangeduid worden als de absolute metafysica. Hij benoemt de vier verklaringsmodellen van Aristoteles op grond van: waarvoor het dient, waaruit het bestaat, wat het tot stand brengt, of waarop het gericht is. Rutten geeft een vijfde verklaringsmodel.

We verklaren God vanuit het feit dat Gods bestaan geïmpliceerd wordt door onvermijdelijke in zichzelf evidente waarheden. Ze maken het als het ware waar dat God bestaat. Ze zijn constitutief voor Gods bestaan. Ze dwingen zogezegd God te bestaan. Er is voor God geen ontsnappen aan en dat komt louter en alleen door die laatste waarheden. Gods bestaan wordt erdoor afgedwongen. Ze forceren het bestaan van God zonder vorm-, materie-, werk- of doeloorzaak van Gods bestaan te zijn.’

De filosoof eindigt zijn betoog met de opmerking dat hoewel de vraag waarom God bestaat principieel kan worden beantwoord, wij als mensen nimmer in staat zullen zijn om het waarom van God te achterhalen. Maar op grond van bovenstaande vindt hij het redelijk om te denken dat er laatste waarheden zijn die zelfs voor God het eigenlijke eerste beginsel vormen. Op deze manier wordt het bestaan van God en daarmee het wereldraadsel maximaal gedesacraliseerd oftewel gedemystificeerd.

God bestaat, stelt Rutten, omdat deze in zichzelf evidente en onontwijkbare waarheden dat eenvoudigweg onafwendbaar waarmaken.

Niet God maar zij vormen de ultieme absolute oorsprong. Niet God maar zij zijn het eerste beginsel. In het imaginaire geval dat aan God die bovengenoemde ene vraag wordt gesteld, zijn zij het antwoord.’

Zie: Waarom bestaat God?

Foto: Sunrise – © Renate Dostell
Update 11042024: lay-out

Immanuel Kant en ‘iets’ buiten de waarneembare wereld

Metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van de werkelijkheid zoals ze is (Ding an sich) begeven, maar de meest invloedrijke filosoof van de moderne tijd Immanuel Kant vond dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.

‘Volgens Kant structureert de manier waarop we denken de realiteit zoals wij die waarnemen. We weten alleen hoe de wereld aan ons verschijnt en niet hoe die wereld daadwerkelijk is’

De werkelijkheid zoals ze zich voordoet
D
e bevindingen van Immanuel Kant (1724 – 1804) zetten de wereld op zijn kop: het gaat er niet langer om hoe de werkelijkheid is, maar om hoe wij haar zien. Volgens Kant zien wij de wereld niet zoals zij werkelijk is, maar zoals zij zich aan ons voordoet.

De ‘poffertjespan’ van Kant
V
olgens Kant kent de mens de werkelijkheid dus alleen zoals hij of zij deze waarneemt en interpreteert, overeenkomstig de waarnemingsvormen en verstandscategorieën die ‘a priori’ in het bewustzijn aanwezig zijn. In zijn tijd denkt men dat de mens een onbeschreven blad is – een tabula rasa – en dat bewustwording van de wereld pas bij waarneming begint.

‘Onwaar,’ zegt Kant, ‘want als het verstand geen enkele structuur aan die waarneming toevoegt, snappen we niks van wat we zien. En die structuur – zeg, de poffertjespan – gaat noodzakelijk vooraf, ‘a priori’, aan de waarneming. Eerst de kuiltjes, dan het deeg.’

De bolle ogen van een kikker
D
e Duitse filosoof Erich Adickes vergelijkt de waarnemingsvormen met de bolle ogen waarmee een kikker ter wereld komt: men neemt aan dat een kikker de werkelijkheid alleen in ronde vormen ziet op grond van de structuur van zijn ogen. Op dezelfde wijze kan de mens niets weten over de werkelijkheid op zichzelf, omdat de mens de werkelijkheid alleen kent zoals deze zich aan hem of haar voordoet. Ding an sich wordt ook wel tegenover Erscheinung gezet: het ding zoals het zich aan ons kennen presenteert en we het kennen kunnen.

Grenzen van het menselijk kennen
O
nze kennis moet volgens Kant uitgaan van datgene wat in de zintuiglijke ervaring gegeven is; maar deze ervaringsgegevens moeten vervolgens met behulp van het verstand gedacht worden in een meer algemene samenhang om daardoor een betrouwbare kennis van de aan ons verschijnende werkelijkheid op te leveren.

Hiermee geeft Kant ook de grenzen aan van het menselijk kennen; datgene wat aan de overzijde van die verschijningen ligt, het ding op zichzelf (Ding an sich) is voor onze kennis onbereikbaar, en wanneer de rede het wel wil proberen te kennen, vervalt ze in schijnredeneringen en schijnconclusies.

De werkelijkheid voor mij
K
ant maakt op deze manier onderscheid tussen de kenbare wereld enerzijds, die bestaat uit de dingen zoals ze aan ons verschijnen, en de dingen zoals ze zijn. Die laatste kunnen we niet kennen omdat we er geen toegang toe hebben. De wereld van de verschijnselen is het domein van de wetenschappen, en wel toegankelijk.

Men spreekt ook wel over de werkelijkheid voor mij (Ding für mich): de manier waarop de werkelijkheid aan mij verschijnt. Volgens Kant structureert de manier waarop we denken de realiteit zoals wij die waarnemen. We weten alleen hoe de wereld aan ons verschijnt en niet hoe die wereld daadwerkelijk is.

De wereld zoals hij ‘echt’ is
F
ilosoof Rienk-Jan Benedictus stelt dat het aangeboren denkvermogen ervoor zorgt dat de werkelijkheid slechts ‘geïnterpreteerd’ wordt. Het Ding an sich, de wereld zoals hij ‘echt’ is, kan de mens (volgens Kant) niet kennen. Mensen kennen slechts de Dinge für mich: de manier waarop de wereld en alle dingen persoonlijk worden ervaren. Er is altijd sprake van een subjectieve interpretatie van de waargenomen werkelijkheid.

SAMSUNG DIGIMAX 420


‘De sterrenhemel boven mij’
V
eel belangrijker en verhevener dan het domein van de alledaagse, zintuiglijke ervaring, vindt Kant de metafysica. Alleen maar fysica vindt hij verarming van het leven, ook al is de mensheid in zijn ogen tot nu toe weinig wijzer geworden van de metafysica. Grote metafysische vragen vindt hij, zoals gezegd, de vragen naar God, maar ook naar wilsvrijheid en de onsterfelijkheid van de ziel. Bovendien weigert het menselijke hart te geloven in een universum zonder doel. Kant vraagt zich tegelijk af of metafysica wel mogelijk is.

Twee dingen vervullen ons met steeds nieuwe, stijgende bewondering en eerbied, hoe vaker en intenser het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de zedelijke wet in mij… De aanblik van de eindeloos vele werelden vernietigt als het ware mijn belangrijkheid; ik ben een dierlijk schepsel dat de materie waaruit het ontstond weer terug moet geven aan de planeet (niets dan een punt in een heelal), nadat het korte tijd (men weet niet hoe) van levenskracht voorzien is geweest.
Maar de tweede verhoogt mijn waarde; ik ben een intelligentie, oneindig door mijn persoonlijkheid, waarin de zedelijke wet mij een waarde openbaart die onafhankelijk is van het dier zijn en zelfs van de hele zintuiglijke wereld…’ 
(Kant in: Kritiek van de zuivere rede)

Wat zich aan de waarneming onttrekt
E
ven lijkt het erop dat Kant de metafysica eerder als een onmogelijkheid zal bestempelen dan deze veilig te stellen, omdat hij zelf denkt dat we nooit te weten kunnen komen hoe de dingen op zichzelf zijn. Onze kennis heeft immers uitsluitend betrekking op de verschijningen, dus op de waarneembare wereld. Kant blijft altijd het idee houden dat de ‘gevaarlijke mogelijkheid’ bestaat dat al onze metafysische gedachten niet meer zijn dan onze eigen hersenspinsels.


Toch maakt Kant in zijn boek Prolegomena (1783) duidelijk dat hij ook na zijn kritisch onderzoek nog wel degelijk mogelijkheden ziet voor een metafysica. Kant kan de dingen niet kennen zoals ze op zichzelf zijn, vindt hij, maar wel zoals ze voor hem zijn, dus in hun relatie tot de wereld waarvan hij deel uitmaakt. Anders gezegd: de metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van het Ding an sich begeven, maar Kant vindt dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.

Als Kant schrijft dat de aanleg tot transcendente begrippen in onze rede op ‘natuurlijke doelen’ moet zijn gericht, ‘omdat alles wat in de natuur ligt oorspronkelijk toch aan een nuttig doel moet beantwoorden’, grijpt hij terug op Aristoteles’ gedachte van een perfect georganiseerde wereld waarin alles een doel heeft en niets voor niets bestaat.
Het bestaan van een voorzienige, planmatig te werk gaande Schepper lijkt daarbij al te zijn verondersteld. Maar ook op deze wijze kan het bestaan van God niet worden bewezen, hooguit waarschijnlijk geacht.
(Trouw)

Alledaagse leefwereld ontstijgen
K
ant stelt dat er iets is, iets dat buiten de zintuiglijk waarneembare wereld ligt waarmee wij in ons dagelijks bestaan te maken hebben. Hij beklemtoont zelfs dat de menselijke rede een natuurlijke aanleg heeft tot metafysica die beantwoordt aan een even natuurlijke behoefte om de alledaagse leefwereld te ontstijgen.

‘Onze handelingsvrijheid, het bestaan van God of van een onsterfelijke ziel zijn zaken die we strikt genomen niet kunnen bewijzen, maar die aan gene zijde van de grens zeer wel mogelijk zijn, en die in ons morele handelen zelfs onontbeerlijke uitgangspunten zijn.
Door de onbedwingbare behoefte verder te zoeken dan de ons bekende werkelijkheid worden we volgens Immanuel Kant behoed voor de grote gevaren die ons wereld- en mensbeeld bedreigen: het fatalisme, het materialisme en het naturalisme.’
(Trouw)

Bronnen o.a.:
IJzeren lijst, Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant, Alexandra van Ditmars, filosofie.nl | Kant und das Ding an sich, Erich Adickes, 1977 | De kritiek op Kants filosofie, Tilburg School of  Catholic Theology, Tilburg University | Immanuel Kant en zijn visie op de werkelijkheid, Rienk-Jan Benedictus, isgeschiedenis.nl | Aristoteles, de eerste filosofie, Carlos Steel, Historische Uitgeverij, Groningen | Wat is metafysica? Tilburg School of Humanities, Tilburg University, Verantwoordelijk docent prof. dr. P.H.A.I. Jonkers en prof. dr. ing. R.P.H. Munnik; techniek drs. N.C. de Groot | Prolegomena, Immanuel Kant, Uitgeverij Boom, Amsterdam, oorspr. 1783, uitgave 1999 | Kant veroorzaakte een revolutie in de wijsbegeerte, Trouw, 10 juli 1999.

Beeld: risvegliodiunadea.altervista.org

Foto: Harald Haacke – Standbeeld van Immanuel Kant in Kaliningrad (Königsberg), Rusland. Replica door Harald Haacke van het origineel door Christian Daniel Rauch, verloren gegaan in 1945.
Update juli 2025 (Lay-out) – Sinds 2018 staat dit blog ieder jaar in de top 10 van ‘Meest gelezen’.

Theïstische evolutie als nieuw paradigma?

creation

Een paradigma wordt door historicus Thomas Kuhn ook wel een wereldvisie genoemd. Steeds weer nieuwe waarnemingen kunnen een paradigma echter relativeren of zelfs aanvallen. Dat kan zo ver gaan, dat er een nieuw wereldbeeld ontstaat. Twee paradigma’s – een paradigma wordt ook wel een set van dogma’s genoemd – die met elkaar botsen zijn het creationisme en de alom aanvaarde evolutieleer.

Er bestaat niet één wetenschappelijk feit dat in tegenspraak is met de Bijbel. Het christelijke wereldbeeld staat haaks op het seculiere wereldbeeld en daarom is er een strijd gaande tussen twee geloven, betoogde de christelijke chemicus dr. Peter de Jong zaterdag [9 juni tijdens het Scheppingscongres in Zwolle].’ (RD)

Nog altijd is de evolutieleer het dominante paradigma, waarover sommigen direct zeggen dat het niet met natuurwetenschappelijke middelen kan worden bewezen. Zo wordt ook over het creationisme gesproken.

De evolutieleer is een wetenschappelijke theorie die stelt dat het leven op aarde is ontstaan vanuit één voorouder, de eencellige. Uit de eencellige zijn steeds meer nieuwe soorten ontstaan. Het creationisme, ook wel pseudowetenschap genoemd door de ‘echte’ wetenschap, gelooft heilig in een creatio ex nihilo: géén geleidelijke ontwikkeling van het leven. Het is gebaseerd op de Bijbel als onfeilbare openbaringsbron. Tegen Goddelijke openbaring is de wetenschap natuurlijk niet opgewassen.

Het volgende citaat van A. J. Mattill is hierbij wel interessant. (Ronduit voer voor atheïsten…) Het komt uit:  Three Cheers for the Creationists, Free Inquiry 2 (Spring), p. 17, 1982, en luidt:

Die christenen die het scheppingsverhaal als een mythe of allegorie zien, ondermijnen de rest van de Schrift, want als er geen Adam was, was er geen zondeval; en als er geen zondeval was, dan is er geen hel; en als er geen hel is, dan is er geen enkele reden voor Jezus als tweede Adam en vleesgeworden zaligmaker, gekruisigd en opgestaan… Evolutie is daarmee het krachtigste wapen om het christelijk geloof te vernietigen!’

_BijbelgeloofNaEden

In de discussie dringt zich een ‘derde paradigma’ op, een soort ‘harmoniedenken’: ‘theïstische evolutie’, oftewel de opvatting dat God doelgericht gebruik maakt van evolutie om levende wezens te laten ontstaan. Theïstisch evolutiedenken wordt dan wel gezien als een knieval voor een bepaalde vorm van wetenschap, maar het is een plausibele these dat God via de evolutie zijn doel tot stand brengt.

‘Prof. dr. Mart-Jan Paul, docent aan de Christelijke Hogeschool Ede en oudtestamenticus aan de Evangelische Theologische Faculteit in het Belgische Leuven, pleitte onlangs tijdens het Scheppingscongres voor de ‘klassieke’ visie op het boek Genesis. Daarin wordt volgens hem de basis gelegd voor het Bijbelse patroon van schepping, zondeval en herschepping. De zogenoemde theïstische evolutie is onaanvaardbaar, aldus Paul.’ (RD)

Creationisme afficheert zich meer en meer als wetenschappelijke theorie. Wat te denken van kakelvers wetenschappelijk onderzoek dat op een recente oorsprong van mens en dier wijst? En ook nog op hetzelfde moment? De schepping en de zondvloed kunnen goed als verklaring van de wetenschappelijke bevindingen dienen, betogen moleculair biologisch onderzoeker dr. Peter Borger en geoloog/bioloog drs. Tom Zoutewelle eergisteren in het RD. (Opvallend: in de rubriek ‘Opinie’ en niet bij ‘Wetenschap’.)

Dat de oorsprong van mens en dier zeer recent is, is natuurlijk wel wat creationisten altijd beweerd hebben. Deze genetische bevindingen van onze tijd zijn dan ook in overeenstemming met wat het eerste Bijbelboek ons in eenvoudige bewoordingen overlevert. We kunnen Genesis dus gewoon serieus nemen en als geschiedenis lezen.’

De vraag uit de wetenschappelijke wereld wordt vaak opgeworpen of het creationisme zich wel houdt aan wetenschappelijke criteria. Meestal wordt de vraag gesteld dat, gezien de Bijbelvisie, of het creationisme wel kritisch genoeg kan zijn naar de eigen resultaten, omdat die op grond van dezelfde Bijbelvisie immers als geopenbaarde waarheid al vaststaan. De wetenschap lijkt geen toereikend antwoord te hebben op het geloof in God, terwijl diehardgelovigen het scheppingsmodel met behulp van wetenschap ook niet echt hard kunnen maken.

Wie in een schepping gelooft, staat vaak alleen, zo weet de christelijke chemicus uit eigen ervaring. ‘De geschiedenis van de wetenschap toont aan dat de meerderheid het altijd bij het verkeerde eind had,’ aldus dr. De Jong, die christelijke wetenschappers opriep in gesprek te gaan met seculiere wetenschappers.’ (RD)

Nog niet zo lang geleden verscheen En de aarde bracht voort van Gijsbert van den Brink, hoogleraar Theology & Science aan de Vrije Universiteit, tevens theoloog en dominee bij de Gereformeerde Bond. Vanuit zelfs een gereformeerde visie werd daarin gesteld dat er evolutie was. Van den Brink zegt er wel direct bij dat de mens wel altijd de bedoeling was van God. En onlangs – zo schreef ik al in een vorig blog – zag Adam, waar ben je? (En wat doet het ertoe?) van ‘ontstaansagnost’ Willem Ouweneel het daglicht, een theologische evaluatie van de nieuwe evolutionistische hermeneutiek, dat ‘snoeihard’ (Trouw) uithaalt naar Van den Brink en verwante geesten.


Adam, waar ben je? gaat over theologische bezwaren. Veel christelijke theologen hebben hun oorspronkelijke bezwaren overboord gezet. Ouweneel betoogt daartegenover in dit boek dat als wij aannemen dat er een menselijke evolutie was, we dan toch onmogelijk de Bijbelse boodschap van Genesis 1-3, van Romeinen 5 en van 1 Korinthiërs 15 kunnen vasthouden. Het thema van dit boek is niet de evolutieleer op zichzelf. Veeleer gaat het om de vraag of, als wij de menselijke evolutie aannemen, het orthodoxe christendom overeind gehouden kan worden. (Boekenroute)


creationisthumorusers.skynet.be

In de discussie is dat idee van Mattill een opmerkelijke gedachte: als de evolutietheorie waar is en als Adam en Eva niet werkelijk bestaan hebben – die conclusie erbij wordt getrokken – je niet langer van een historische zondeval kan spreken. Immers, als Adam en Eva niet werkelijk bestaan hebben, dan heeft ook een historische zondeval, zoals die in Genesis beschreven wordt, nooit plaatsgevonden. En, daar komt nog bij, tot grote schrik van velen, vooral van de christelijke kerk, dat als ook die zondeval nooit heeft plaatsgevonden, wat dan nog de betekenis is van het verlossingswerk van Jezus?

Het idee van de zondeval wordt volgens godsdienstfilosoof en theoloog Taede A. Smedes vaak metaforisch opgevat: Adam en Eva hebben niet alleen niet bestaan, het zijn verhaalpersonages die symbool staan voor de mens. De zondeval heeft dan nooit plaatsgehad. Volgens Smedes is er geen ontkomen aan te concluderen dat de zondeval nooit kan hebben plaatsgevonden als een historisch te lokaliseren gebeurtenis.

De evolutieleer heeft dus nogal wat impact op het gelovig denken en het creationisme in het bijzonder. Of er een paradigma-verschuiving plaats zal vinden? Misschien ontstaat er inderdaad dat nieuwe paradigma, waarin beide visies – die van het creationisme en de evolutieleer – complementair aan elkaar worden. Dan zou dat het paradigma zijn van de theïstische evolutie.

Beeld: ‘Schepping’ (philosophicaldisquisitions.blogspot.com)
Update 07-11-2024 (Lay-out)

Weergaloos leven zonder religie

Abstract Figurative ballerina dancers painting

De schrijver van Filosofie voor een weergaloos leven, Lammert Kamphuis (1983), werd streng gereformeerd opgevoed. Er was in die tijd ruimte voor levensvragen, alleen… de antwoorden waren in beton gegoten. Vol van woorden als ‘zelfverloochening’, ‘erfzonde’ en ‘oordeel’. Werkelijke antwoorden op zijn levensvragen vond hij in de filosofie. Die bracht hem een enorm gevoel van vrijheid en ruimte.

‘De kerk blijft blijkbaar nog steeds iets waaruit je moet ontsnappen om weergaloos te leven’

Voor filosoof en theoloog Lammert Kamphuis geldt dat trouwens ook voor sektarische, atheïstische, linkse, kapitalistische, hedonistische en streberige milieus. Hij vindt het gezond om je bewust te worden van de denkbeelden die zich hebben vastgezet in je geest. Weergaloos leven kan je dus ook zonder atheïsme of links gedachtegoed. Maar ook dan geldt dat je je eerst moet losmaken van in beton gegoten antwoorden.

Geen tienstappenplan
Als voordeel van filosoferen noemt hij het feit dat je beter in staat bent anderen te begrijpen: je leert je eigen overtuigingen te betwijfelen en daardoor meer open te staan voor andermans opvattingen. In zijn boek leert hij je zelfs wat meer op Jules Deelder (1944 – 2019) te lijken, of om in elk geval lekker tegendraads te blijven. Hij waarschuwt er wel voor dat zijn boek geen tienstappenplan is om weergaloos te leven.

‘Weergaloos in de context van de titel betekent allereerst eenmalig. Je bent namelijk onvoorbereid wakker geworden in de unieke, onherhaalbare uitvoering van jouw eigen leven. Toch kan de filosofie je leven wel degelijk veraangenamen: door je wereld te verrijken door bijzondere perspectieven, door het makkelijker te maken om je in te leven in anderen, door je uit te dagen te experimenteren met nieuwe manieren van denken en handelen, en door je denkvaardigheden aan te reiken die je kunnen helpen beter voor jezelf te zorgen.’

Vrijer in je denken
Gelukkig zegt hij ook dat we niet moeten vergeten dat we in de eerste plaats sociale wezens zijn. Hij verwijst hierbij naar het prachtige motto van de Afrikaanse Ubuntu-filosofie dat zegt: ‘Ik ben, omdat wij zijn’.

Kamphuis noemt filosoferen een ‘training in perspectivische lenigheid’: je blijkt vrijer in je denken dan je ooit hebt gedacht. Maar filosoferen geeft geen antwoorden, echter wel de taal die in jou resoneert, waarbij je je thuis voelt. Niet antwoorden, maar vragen helpen je verder in het leven.

filosofievooreenweergaloosleven


Systeem ontsluiten

Dick Schinkelshoek van het Nederlands Dagblad voelt zich bij Kamphuis niet zo thuis. Met filosofie alleen red je het niet, is zijn gedachte. Wel heeft Kamphuis een goede pen…

‘… en kan hij met rake typeringen in een paar korte zinnen ingewikkelde filosofische ideeën schetsen. Filosofie voor een weergaloos leven is geen ingewikkeld boek om te lezen, tegelijk komen er tal van diepe en overdenkenswaardige gedachten voorbij. Dat is een prestatie.’

Schinkelshoek noemt de filosofie onder Kamphuis’ essays ‘een gesloten systeem’: misschien wel net zo gesloten als hij zelf de kerk van zijn jeugd ervaren heeft. Hoe de recensent aan deze gedachte komt, blijft onduidelijk. Kamphuis stelt juist dat je systemen moet ontsluiten en moet ontsnappen aan religieuze, sektarische, atheïstische, linkse, kapitalistische, hedonistische en streberige milieus.

‘Filosofie à la Kamphuis presenteert zich vragend, nieuwsgierig en wars van zekerheden maar kent aan de basis een stel zekerheden die muurvast liggen in een materialistisch soort atheïsme (of op z’n minst agnosticisme).’

Genade
Het christelijke Nederlands Dagblad mist duidelijk het geloof bij Kamphuis: ‘Verwacht maar geen genade.’ Als uitsmijter in zijn recensie stelt Schinkelshoek: ‘Religie zonder filosofie wordt dweepziek en dogmatisch, filosofie zonder religie is hooguit een doekje voor het bloeden.’ Dat is een mooie slotzin om nog lang over te filosoferen.

Zie: Filosofie voor een weergaloos leven | Lammert Kamphuis | De Bezige Bij, Amsterdam | 2018 | 256 blz. | € 17,99 | E-book € 9,99 |
Op 27 juni is er een special event in De Kleine Komedie in Amsterdam, waarin huisfilosoof Kamphuis van The School of Life (Amsterdam) je meeneemt langs de meest behulpzame filosofische inzichten. Tijdens dit event word je uitgedaagd om zelf meteen aan de slag te gaan met inzichten en gedachte-experimenten, zodat je nieuwe perspectieven krijgt op je eigen leven.

Zie ook: Filosoof zonder geloof ( Nederlands Dagblad)
Beeld: Reach beyond limits – Karina Llergo
(Update 01-09-2023; oktober 2025: Lay-out)

Geloven in naturalisme of theïsme?

CupolaOfGenesisMosaicArtistItalianC1210SanMarcoVenice

Naturalisme en theïsme worden weleens elkaars tegenpolen genoemd. Volgens de filosofische stroming naturalisme – voortbouwend op het materialisme – bestaat alleen de natuur en het waarneembare als werkelijkheid. Stoffelijke materie is de enige werkelijkheid; alles kan worden uitgelegd in termen van materie en natuurlijke verschijnselen. Het naturalisme ontkent per definitie elke mogelijke bovennatuurlijke activiteit, God of goden. Theïsme is de (godsdienstfilosofische) opvatting dat goden echter wel bestaan, dat er een persoonlijke God bestaat en dat God of goden zich actief bemoeien met de wereld. De gedachte is dat naast het niveau van onze natuurlijke, alledaagse werkelijkheid er ook een bovennatuurlijke werkelijkheid bestaat, los van die natuurlijke werkelijkheid.

Naturalisme
V
olgens het naturalisme wordt de werkelijkheid verklaard uit natuurlijke processen; meer is niet nodig om alles te begrijpen. Bovennatuurlijke invloeden spelen geen enkele rol, ze bestaan niet. Wetenschap en godsgeloof sluiten elkaar uit. Alleen de natuur en het waarneembare als werkelijkheid bestaat en de mens is een deel van de natuur. Het gaat om feiten die vastliggen in de natuur. Het naturalisme stelt bovendien dat gevoelens van liefde, haat, schoonheid, spiritualiteit en dergelijke uiteindelijk slechts chemische reacties zijn.

Deze wetenschap ontkent op die manier God, daar alles immers slechts op natuurlijke wijze verklaard kan worden. Naturalisme staat daardoor op zichzelf als bron van onbetwistbare kennis. Als mensen bevinden we ons in een werkelijkheid waarin blinde natuurlijke processen plaatsvinden. Die verwijzen nergens naar, hebben geen doel of zin. Van bovennatuurlijke invloeden is geen sprake, laat staan van een hogere macht of intelligentie. Als gevolg van deze denkwijze is God een overbodige hypothese en wordt religie weleens een projectie van een wensdroom genoemd.

Volgens kosmoloog Sean Carroll is er slechts één enkele werkelijkheid. Geen afzonderlijke niveaus van het natuurlijke en het bovennatuurlijke: slechts één enkel materieel bestaan. Hij stelt dat wanneer je geïnteresseerd bent in objectieve waarheid, de wetenschap de enige weg is die je gaan kan, en dat wanneer het op feitelijke waarheidsaanspraken over de werkelijkheid aankomt, religies zich tot de wetenschap zullen moeten richten.

De Amerikaanse filosoof Alvin Carl Plantinga stelt dat als naturalisme waar is, dit betekent dat de rede is ontstaan op grond van mechanismen welke gericht zijn op overleving en niet op waarheid of waarheidsvinding. Je denkt kennis over de wereld te hebben, maar je zult nooit ware kennis over de wereld verkrijgen. Naturalisme wordt daarom weleens omschreven als een zelfweerleggend geloofssysteem.

Theïsme
Theïsme wordt wel omschreven als het geloof in een bovennatuurlijke, persoonachtige God, die zich met ieder mens afzonderlijk bezighoudt. Men spreekt soms van een ‘dubbeldekkerstructuur’: naast het niveau van onze natuurlijke, alledaagse werkelijkheid bestaat er ook een bovennatuurlijke werkelijkheid die los staat van die natuurlijke werkelijkheid. God is een bovennatuurlijke entiteit die losstaat van onze alledaagse werkelijkheid en af en toe ingrijpt om de zaken in banen te leiden. Theïsme begon ooit, ten tijde van de Verlichting, als een filosofisch systeem dat gaandeweg het geloof werd dat ook in kerken werd beleden.

Theïsten gaan uit van het standpunt dat men wetenschappelijk niet kan bewijzen dat God bestaat, en dat het geen zin heeft dit te willen doen: men moet ‘gewoon’ in God geloven. Geloven heeft volgens hen niets te maken met de rede, met rationeel en wetenschappelijk denken. Er zijn theïsten die beweren dat gelovigen kennis hebben van morele waarden die anderen zouden ontberen, omdat wetenschap slechts gaat over feiten en het geloof over goed en kwaad. Het leidt vaak tot stevige discussies over God die noodzakelijk zou zijn voor de moraal; dat zonder God er zelfs geen moraal meer is. Bovendien, zo wordt wel beweerd, kunnen we onze eigen moraal, de westerse, alleen maar begrijpen als we de joods-christelijke wortels ervan bestuderen. Anderen, zoals bioloog Frans de Waal, bestrijden dit en zeggen dat de oorsprong van de moraal in onze natuur ligt, niet in religie.

religionscience

Naturalisme en theïsme tegenpolen?
Bij bovengenoemde omschrijvingen van naturalisme en theïsme worden de verschillen duidelijk. Met wetenschap als onderscheid. Maar ook hierin verschillen naturalisten en theïsten. Dan is er geen sprake van onderscheid, maar van aanvulling, al willen sommigen daar weer niets van horen. Vooral in de discussies over creationisme (de opvatting dat ons universum in zes dagen is ontstaan door een Schepper, Adam en Eva de eerste mensen waren en dat dit alles is gebeurd ca. 6.000 – 10.000 jaar geleden overeenkomstig een ‘letterlijke’ lezing van het Bijbelboek Genesis) en de evolutieleer, slaat men elkaar soms met de wetenschap om de oren. Creationisten stellen dat wetenschap bedrijven vanuit het creationistisch denkkader houdbare en wetenschappelijk gefundeerde antwoorden oplevert. De achtergrond hierbij is de vraag of de evolutietheorie en het christelijk geloof met elkaar te verenigen zijn.

Wetenschappers vanuit de evolutietheorie bestrijden vaak de wetenschappelijke kwaliteit van het creationistisch denken. Deze discussie laaide weer op na het verschijnen van het boek En de aarde bracht voort van Gijsbert van den Brink, over christelijk geloof en evolutie. En onlangs verscheen Adam, waar ben je? (En wat doet het ertoe?) van Willem Ouweneel, een theologische evaluatie van de nieuwe evolutionistische hermeneutiek, dat ‘snoeihard’ (Trouw) uithaalt naar Van den Brink en verwante geesten.

En dus bestaat God
V
olgens sommige theologen staan wetenschap en geloof haaks op elkaar, volgens anderen kunnen ze elkaar aanvullen. Er zijn ook wetenschappers die misschien dan niet het bestaan van God willen bewijzen, maar wel argumenten aanvoeren die het bestaan van God tot waarschijnlijk maken. Filosoof Emanuel Rutten schreef er – samen met filosoof Jeroen de Ridder – het boek En dus bestaat God. ‘En dus bestaat God’ klinkt bijna als bewijs, terwijl de auteurs in het boek acht zogenaamde Godsargumenten geven. Zelf zegt Rutten dat er geen sprake is van een Godsbewijs, want ‘bewijzen doe je in de wiskunde en niet in de filosofie’. Rutten zelf spreekt dan ook altijd over ‘rationele argumenten voor het bestaan van God en niet van Godsbewijzen. Hij stelt dat filosofische argumenten voor het bestaan van God laten zien dat het waarschijnlijk is dat God bestaat. De filosoof noemt het conflict tussen geloof en wetenschap een mythe, omdat geloof en wetenschap elkaar juist prachtig aanvullen. Daarnaast zegt hij te geloven dat de rationele weg niet de enige weg is die naar God leidt: Er zijn meerdere wegen om God te kennen: niet alleen het verstand, maar ook het gevoel, de beleving en de ervaring. Geloof en wetenschap kunnen elkaar dus aanvullen. Dan kan je ook zeggen dat naturalisme en theïsme niet zozeer antipoden zijn, maar complementair, geen tegenpolen. Een voorbeeld hiervan zijn de Godsargumenten van Rutten. Volgens de filosoof vormen de rationele argumenten gezamenlijk een cumulatieve casus voor Gods bestaan die vele malen sterker is dan elk argument afzonderlijk. Ze blijven filosofische argumenten en conflicteren niet met wetenschap.

NOMA-model
Naturalisme en theïsme staan weliswaar haaks op elkaar, twee werelden die zich mijlenver uit elkaar bevinden, maar soms naderen ze elkaar als ze zich met elkaar bezighouden: God lijkt dan wel niet wetenschappelijk te bewijzen, maar is dus wel heel goed te beargumenteren. Heel concreet echter blijft, met het naturalisme – vanuit een zuiver wetenschappelijk, verklarend standpunt – God gewoon geen goede theorie te zijn. In een wereld zonder het bovennatuurlijke is geen plek voor theïsme.
Een mogelijke oplossing kan zijn af te stappen van het idee van tegenpolen en naturalisme en theïsme niet langer tegenover elkaar te zetten. Dan komt het zogenaamde NOMA-model in zicht: Niet-Overlappende Magisteria, een idee van evolutiebioloog Stephen Jay Gould, waarin hij spreekt over wetenschap en religie als elkaar aanvullende benaderingen. Naturalisme en theïsme zijn dan met heel verschillende vragen bezig, zonder dat er sprake is van tegenpolen. Naturalisme houdt zich dan met feiten bezig en religie met vragen over ethiek, waarde en doel.
Maar het kan nog anders… Einstein zou een religieus naturalist zijn geweest. Hij geloofde niet in een God die ingrijpt in de natuur, maar wel – in de lijn van Spinoza – dat God zich openbaart ‘in de geordende harmonie van wat bestaat’.

Bronnen o.a: Naturalisme en Theïsme, Piet Wesseling, in En God beschikte een wormEen pleidooi voor naturalisme, Alexander van Biezen, geloofenwetenschap.nl; God, iets of niets, Taede A. Smedes; De Verlichting belicht, Van theïsme tot atheïsme, Karel Poma; En dus bestaat God, Emanuel Rutten, Jeroen de Ridder;.

Beeld: De koepel van de schepping in de San Marco, Venetie. Mozaiek ca. 1210 AD. (st-impact.nl)

Beeld Religion&Science: katholiekforum.net

Plato en de idee van onsterfelijkheid

Plato, een van de grootste filosofen van de Oudheid, geboren in Athene, zei ooit, lang voordat het christendom bestond: ‘De ziel van de mens is onsterfelijk en onvergankelijk.’ Dat klinkt religieus, maar de idee van onsterfelijkheid is oorspronkelijk niet nieuwtestamentisch, maar platonisch.

‘Op aarde is het behelpen, is er geen perfectie, maar imperfectie,
mede waardoor er lijden is door wat mensen elkaar aandoen,
oorlogen en ander geweld’

De ware werkelijkheid
P
lato is bekend door zijn Ideeënleer, waarvan hij zei: ‘Het zijn geen ideeën in de zin van gedachten, maar ze vormen als de essenties van de waargenomen dingen de ware werkelijkheid. (…) De Ideeën liggen vast en zijn onveranderlijk.’
De Ideeënleer leert dat in een metafysische – alleen voor het denken toegankelijke wereld – oervormen van de concrete, in de alledaagse werkelijkheid waar te nemen dingen, bestaan. Ideeën bestaan voor Plato (427 – 347 v. Chr.) eeuwig en zijn onveranderlijk. Bijvoorbeeld er zijn vele cirkels, de mens kan ze in alle grootten tekenen, maar ze zijn slechts een afgeleide van de Idee van de perfecte cirkel die in de Ideeënwereld bestaat.

Ziel belangrijk
D
e ziel is hierbij belangrijk want daarmee wordt de mens in staat gesteld de Ideeën te kennen. Onze wereld op aarde leren we alleen via onze zintuigen – beperkt – kennen. De wereld lijkt weinig op de Ideeën. Ideeën leren we pas echt kennen via de dood. Daarom, zegt Plato, moeten we leren sterven: de weg tot geluk.


Plato op zijn academie (de ‘eerste universiteit van Europa’)

Academie van Plato
I
n de Phaedo heeft Plato de onsterfelijkheid van de ziel geprobeerd te bewijzen, en stelt dat de ziel zich verplaatst van lichaam naar lichaam in een proces van zielsverhuizing (wedergeboorte.) ‘De mens is voor Plato het wezen tussen de geestelijke wereld en de waarneembare lichamelijke wereld. Pas door het aanbrengen van scheiding tussen lichaam en ziel bereikt de mens zijn eigenlijke bestemming. Daarom moet er voor Plato een voortbestaan van de ziel na haar scheiding van het lichaam zijn.’

Het religieuze bij Plato wordt bevestigd door het feit dat de Academie van Plato (de ‘eerste universiteit van Europa’) die hij oprichtte, een cultusgemeenschap was, en een religieuze gemeenschap werd genoemd.

‘Bovenal gerechtigheid’
H
et christendom spreekt niet van wedergeboorte, maar wel over de onsterfelijke ziel; christenen geloven in een eeuwig leven voor hun ziel. Al gaat die religie nog verder door te stellen dat ook het lichaam eeuwig leeft, c.q. verrijst.
In tegenstelling tot Plato: bij hem is het verstandige deel van de ziel onsterfelijk. Hij gaat ervan uit dat de ziel gevangen is in het lichaam en daardoor beperkt wordt. Pas door de dood wordt de ziel bevrijd uit het lichaam en kan zij het goddelijke (de Ideeën) aanschouwen.

Hierover schrijft Plato in De Staat, waarin de Ideeën een hiërarchie vormen, met als hoogste de Idee van het Goede. Zijn Ideeënleer heeft het dus niet alleen over het materiële, over katten, bomen of tafels, maar ook over deugden, zoals het Goede. Want ook deugden bestaan absoluut en objectief bij Plato. Ook noemde hij deugden als dapperheid, bezonnenheid en ‘bovenal gerechtigheid’.

Het goddelijke
M
ensen brengen de Idee van het Goede later in verband met een monotheïstische God. Plato heeft het daar niet over, maar wel over het goddelijke. Plato ‘gelooft’ in een leven na dit leven (wedergeboorte), noemt de Ideeën goddelijk, en hiermee nadert zijn filosofie het religieuze denken. Hij onderscheidt twee niveaus van werkelijkheid: het Ideële en het zichtbare.

Plato’s Ideeënwereld doet aan de hemel denken
die we bij religies vinden’

Allegorie van de grot
D
it betekent dat de oervormen waarvan de mens op aarde uiteenlopende vormen ziet, in de Ideeënwereld perfect zijn en daardoor goddelijk. Plato’s Ideeënwereld doet aan de hemel denken die we bij religies vinden.
Op aarde is het behelpen, is er geen perfectie, maar imperfectie, mede waardoor er lijden is door wat mensen elkaar aandoen, oorlogen en ander geweld. In een Ideeënwereld, bedoeld als Plato, kan geen lijden bestaan. In de Ideeënwereld is immers perfectie.

In Plato’s Allegorie van de grot komt de Ideeënwereld weer terug. De ene wereld is de waarneembare werkelijkheid in de grot, en buiten is de andere wereld, de werkelijkheid van de Ideeën. In de grot zitten mensen gevangen, geketend en kunnen alleen recht voor zich uit kijken naar schaduwbeelden die, gevormd door het licht van vuur, voor hun ogen geprojecteerd worden. Dat is hun waarneembare wereld. Ook horen ze slechts echo’s van de werkelijke geluiden die achter hen zijn. Als ze later naar buiten worden gebracht komen ze in aanraking met de werkelijke wereld van de Ideeën.


La condition humaine, Magritte, 1949
‘Anders dan bij Plato is de uitgang versperd door een schildersezel met de afbeelding van een landschap’

Levensdoel
I
n onze wereld bevinden wij ons eigenlijk in de grot. De Ideeënwereld leren we pas kennen door kennis op te doen. Kennis, gezocht door onze ziel en wat onze ziel ook najaagt. Dat is een net zo moeilijke weg te gaan als die van de gevangenen naar buiten. Die kennis ligt niet in de waarneembare wereld, in de dingen die we zien. Voor die kennis hebben we onze ziel nodig. Maar onze ziel moet eerst gereinigd worden, zegt Plato: ‘De mens moet door streven naar morele rechtschapenheid de weg van reiniging van zijn ziel inslaan.’

Onze ziel ligt in de Ideeënwereld. Daar kunnen we niet zomaar komen, maar een intelligent mens zou wel zijn situatie kunnen begrijpen en zich – zoals Plato stelt – als levensdoel stellen in die Ideeënwereld te komen. Maar zoals gezegd, dan moet eerst de ziel gereinigd worden, zich van het lichaam bevrijden. Dat kan door te sterven. Maar in de tijd ervoor moeten we het met de filosofie doen en door kennis een zo goed mogelijk, deugdzaam leven leiden. Die filosofie bestaat uit aandacht voor de Ideeën, zo leert Plato. Daar moeten we beginnen.

Bronnen: O.a. Trefpunt Plato, Klaus Held, 1992, Olympia | Een nieuwe geschiedenis van de filosofie, Jan Bor, 2011

Beeld: Plato’s Cave – Willem BoronskiVolgens Plato’s allegorie van de grot kunnen we leven in een wereld der mensen waarbinnen ruimte en tijd dient te worden gelijkgesteld aan het leven in een grot. Het licht van het vuur dat de schaduwen veroorzaakt en de echo’s van de stemmen van de mensen aan de andere kant van de muur, kunnen als de tijdelijke varianten van de entiteiten – de blauwdrukken – worden gezien. Voor Boronski staat dit gelijk aan de dagelijks stroom nieuwsbeelden en andere geluiden uit de media en sociale media. Deze beelden en geluiden creëren een schijnwerkelijkheid waar we met elkaar in verkeren…’ (Willem Boronski, artist painter)

Tekening: Plato op zijn academie, getekend naar een schilderij door de Zweedse kunstschilder Carl Johan Wahlbom (runeberg.org)

La condition humaine, Magritte, 1949: ‘Anders dan bij Plato is de uitgang versperd door een schildersezel met de afbeelding van een landschap. Toont het schilderij het landschap buiten? Of confronteert het ons veeleer met de ruïne van onze fantasieën aangaande een wereld buiten de grot, c.q. het ‘einde van de grote verhalen’? In dat geval houdt het schilderij ons een eigensoortige waarheid voor, namelijk dat de werkelijkheid uit een spiegelpaleis van verbeeldingen bestaat.’ (Open Universiteit, locus.ou.nl – ‘Plato’s allegorie van de grot en de herinterpretatie daarvan in de moderne en hedendaagse beeldende kunst’ – Elisabeth den Hartog)
Update 08 12 2024 (Lay-out); juli 2025 (Lay-out, Magritte) – (Uit de top 10 van meest gelezen blogs sinds publicatie in 2018)