Tomás Halík over het christendom na de religie

thomashalik

Tomás Halík, theoloog-filosoof, schreef Ik wil dat jij bent, over de God van liefde. Het vormt min of meer een eenheid met Geduld met God en De nacht van de biechtvader. Achtereenvolgens handelen ze over geloof, hoop en liefde. Volgens De Nieuwe Koers een uitdagend boek, vol wijsheid, dat je bij de kladden grijpt en niet meer loslaat. Na afloop kun je alleen maar denken: nog een keer lezen. ‘Atheïsme, twijfel, secularisatie en vergelijkbare thema’s spelen voortdurend een rol in Halíks overwegingen, ook als hij schrijft over de liefde’. 

Trouw schrijft bij monde van Pauline Weseman dat de gevierde theoloog indruk maakt met zijn pleidooi voor liefde als tegendeel van narcisme. Volgens Weseman gaat Halík op zoek naar hoe je God, jezelf en je vijand lief kunt hebben temidden van de drie stromingen in het Europa van vandaag: christendom, seculier humanisme en neopaganisme.

God is voor Halík geen object, maar de radicaal andere, een absoluut mysterie waarover we niets weten, behalve dat hij ‘de biosfeer van alle echte liefde’ is: God gebeurt, echte liefde gebeurt daar waar we liefhebben.’ (Weseman)

Het christendom na de religie, zo luidt de ondertitel van Ik wil dat jij bent. Dit doet De Nieuwe Koers herinneren aan de theoloog Bonhoeffer die in de oorlogsjaren al sprak over het ‘einde van de religie’ en over de betekenis daarvan voor het christendom.

In de loop van de naoorlogse jaren – in Nederland vooral na 1960 – hebben nogal wat theologen laten weten hoe het christelijk geloof opnieuw vormgegeven moest worden, met het oog op de secularisatie en het wegvallen van de vanzelfsprekendheid van religie. Niet zelden hintten die theologen op uitwegen die ook letterlijk een ‘weg uit de kerk weg’ waren, met daarbij stevige effecten op de geloofsinhoud. Zo’n type theoloog is Halík niet. Misschien kun je hem een secularisatietheoloog noemen, maar dan wel eentje van een veel latere generatie dan zijn beruchte vakbroeders uit de jaren zestig. Het verschil maakt Halíks politieke en kerkelijke achtergrond.’ (De Nieuwe Koers)

Volgens Tjerk de Reus, van Het Goede Leven, kijkt Halík kritisch naar verschillende kanten, zegt hij ronduit dat hij de algemene, seculiere definitie van liefde wil verrijken: met de liefde voor de vijand en de liefde voor God.

Voor hem zijn dit cruciale aspecten van de liefde, die ook duidelijk maken dat het hedendaagse idee van tolerantie te mager is. Hij verdiept dus het beeld van de liefde, tot een gebeuren waarin de mens zichzelf overstijgt of over zijn eigen grenzen wordt getrokken. In de ware liefde, die meer met trouw, aanvaarding en nederigheid te maken heeft dan met emoties, vinden we God, aldus Halík. Dat betekent niet dat God opgaat in onze liefdeservaringen, eerder geeft dit besef een nieuwe, ook kritische inhoud aan de liefde.’ (Tjerk de Reus)

Weseman stelt dat de uiterst belezen Halík met zijn analyse van zelfverafgoding de kern raakt en een merkbaar doorleefde weg daaruit biedt: de impopulaire weg van eigen verantwoordelijkheid nemen, zelfopoffering en zelfreflectie die ongetwijfeld zal schuren bij menig lezer.

Natuurlijk is zijn uiteindelijke boodschap dat we elkaar lief moeten hebben, maar die wordt des te krachtiger doordat hij pijnlijke thema’s behandelt die de liefde op de proef stellen, wanneer de liefde niet vanzelf (meer) gaat, zoals in relaties, na de Holocaust of bij andersdenkenden. Een waardevolle aanvulling in het huidige religiedebat.’ (Weseman)

Zie:

Ik wil dat jij bent – Het christendom na de religie | Tomás Halík | Uitgeverij Boekencentrum | 10 mei 2017 | € 19,90 

Een revolutionaire herijking van filosofisch denken

philosophy (1)

‘De populariteit van levenskunst en mindfulness laat zien dat steeds meer mensen zoeken naar houvast in het leven zelf. Maar opvallend genoeg stellen zelfs levenskunstfilosofen niet de cruciale vraag: wat bedoelen we precies met ‘het leven zelf’?’ Dit vraagt Jan Warndorff zich af in zijn boek Geen idee: een radicale herijking van filosofisch denken en een originele en bevrijdende ‘levenscultuur’, met het boeddhisme, Teilhard de Chardin en Ortega y Gasset als voornaamste oriëntatiepunten.

Het lijkt Warndorff de hoogste tijd dat we leren denken en leven ‘op de hoogte der tijden’, een favoriete uitdrukking van zijn favoriete wijsgeer, de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (1883-1955).

In het mondiale dorp hebben we dringend behoefte aan een visie en een moraal die niet alleen mensen verbindt en tot een gezamenlijke toekomst inspireert, maar ons ook bevrijdt uit het naargeestige keurslijf van ‘functioneren in de maatschappij’. Een levensfilosofie die ons aanmoedigt om goed te zorgen voor onszelf, voor elkaar, voor deze gehele planeet; en die recht doet aan en gegrond is in wat elk mens met eigen ogen kan zien en met eigen verstand kan bevatten, ongeacht zijn culturele achtergrond. De hoogste tijd, kortom, voor een zogenaamde filosofie van het boerenverstand.’ (Uit: Geen idee)

Op 16 juni spreekt Warndorff op het symposium Originele visies op de levenskunst in de Leidse Universiteit: Van levenskunst naar levenscultuur. Hij studeerde aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht en heeft zich daarnaast verdiept in het boeddhisme, Teilhard de Chardin, en in de levensfilosoof bij uitstek, José Ortega y Gasset. Onlangs verscheen zijn debuut bij Lemniscaat uitgeverij Geen idee: filosofie van het boerenverstand.

Deze ‘filosofie van het boerenverstand’ staat geheel in het teken van de moraal: ‘Zie van zoveel mogelijk, zoveel mogelijk te houden.’ Warndorff wisselt analytische hoofdstukken af met praktische intermezzo’s, rijk aan doorleefde voorbeelden, en zo komt hij tot een filosofische innovatie die zowel het leven als het denken op een ander spoor zet.’ (Lemniscaat)

Als Warndorff zich afvraagt wat is leven, dan is dat voor hem heel eenvoudig: geen idee! Waarmee volgens hem toch heel veel is gezegd.

Allereerst is het een nauwkeurige omschrijving van de aard van het leven zelf: dit is geen idee, geen denkbeeld, geen stukje fantasie, maar echte, dampende, ademende werkelijkheid. Aangezien het leven alles omvat wat ieder afzonderlijk mens beleeft, zelfs wat ieder levend wezen beleeft, is de werkelijkheid zo duizelingwekkend groot en divers dat elke pretentie haar te kunnen bevatten of zelfs te overzien volstrekt belachelijk is.’ (Lemniscaat)

Voor Warndorff gaat levenscultuur ook over de vraag wat het betekent om te houden van al die andere levende wezens om ons heen – van planten en dieren tot mensen, in verschillende gradaties van nabijheid.

Verder onderzoek ik manieren om ons rechtstreeks en aanhoudend te interesseren voor het wonderlijke verschijnsel van het leven zelf, onder andere door middel van meditatieve praktijken. Deze filosofie van het boerenverstand mondt uit in een slotbeschouwing waarin ik weer uitzoom naar het niveau van ‘het mondiale dorp’ waar ik mee begonnen ben: hoe gaan we om met het wereldwijde leed en geweld, en wat is de rol van politiek in de samenleving?’ (Uit: Geen idee)                

Volgens Hans van Rappard van de Stichting Filosofie Oost-West is Geen idee een sprankelend betoog dat met een verbluffend vanzelfsprekend uitgangspunt ons leven verdedigt tegenover de koloniserende machten van godsdienst, politiek, wetenschap en maatschappij.

Vertrouwen op het boerenverstand betekent dat we denkend uitgaan van wat iedereen allang weet, en handelend voortborduren op wat iedereen allang doet. Toch zal deze filosofie, ondanks of juist vanwege de eenvoud, letterlijk revolutionair blijken te zijn. In de kern draait zij om de erkenning en doordenking van het feit dat wat alle mensen met elkaar gemeen hebben juist in het eigene schuilt, in het veranderlijke, in het oneindige verschil. Daar houvast in vinden vergt een draai van honderdtachtig graden in de manier waarop we denken.’ (Uit: Geen idee)

Zelden lees je zoveel oprechte verwondering terug in een filosofische publicatie. Het herinnert ons aan de wonderlijke, fundamenteel onbegrijpelijke en soms ook pijnlijke gegevenheid van het leven. Dit is geen academische studie, maar een persoonlijk filosofisch-spiritueel verhaal.’ – Merel Kamp in Trouw (Lemniscaat)

Symposium: Originele visies op levenskunst | Door de Leidse werkgroep Filosofie en Spiritualiteit | Vrijdag 16 juni 2017 | 13.30-16.30 uur | Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden, zaal 003 | Toegang gratis

Zie: Minisymposium Filosofie en spiritualiteit

Beeld: Studium Generale Universiteit Utrecht

Neuroscience and the Soul: zoeken naar de ziel

neuroscienceandthesoul (2)

Natuurwetenschappers stellen dat elke overtuiging niet door redenen wordt veroorzaakt maar door een bepaalde hersentoestand. ‘Wij zijn ons brein’, zeggen ze. Dat heet fysicalisme. Als het waar is kan het fysicalisme geen gebruik maken van begrippen als intentie, verlangen, besluit, bedoeling, wens en mening om te verklaren waarom wij ons op een bepaalde manier gedragen.

Hersenwetenschapper Dick Swaab betoogt dat het gedrag van mensen helemaal kan worden verklaard op grond van de natuurkundige en chemische reacties die in de hersenen plaatsvinden. Er is geen ziel, er is geen geest, er is geen ‘ik’. De hersenwetenschap (neuroscience) heeft de ziel (soul) overbodig gemaakt. Theoloog dr. G.A. (Gert) van den Brink stelt echter in het RD: ‘Mens is meer dan alleen zijn brein’.

Van den Brink vraagt zich af of iedere mens een ziel heeft die los van het lichaam kan (voort)bestaan, of dat de geest van de mens slechts een bijproduct is van chemische processen.

De klassieke filosofie, de grote wereldgodsdiensten en ook onze intuïtie erkennen dat er naast stof of materie een tweede component is die fundamenteel niet tot materie kan worden herleid, namelijk geest. Ook de meeste hedendaagse theologen huldigen deze opvatting, die wordt aangeduid als dualisme.’

neuroscienceandthesoul (1)

De meeste moderne filosofen en de meerderheid van de natuurwetenschappers stellen daarentegen dat de werkelijkheid uiteindelijk slechts uit één component bestaat, een component die allereerst onderzoeksvoorwerp is van de natuurwetenschappen (fysica). Zelfbewustzijn, intenties en verlangens zijn volgens het fysicalisme bijproducten van natuurlijke processen.

Ongeveer zoals de verf op een doek een schilderij doet ontstaan, zo ontstaat de menselijke geest vanuit neurologische processen. Consequentie van deze visie is uiteraard dat een mens niet kan voortbestaan zonder hersenactiviteit. Er is dus geen leven na de dood. Evenmin kunnen er lichaamsloze personen (God, engelen, geesten) bestaan.’

Het boek Neuroscience and the Soul: The Human Person in Philosophy, Science, and Theology laat volgens Van den Brink zien dat het gesprek beslist nog niet ten einde is.

Willam Hasker en Eric LaRock wijzen erop dat er voor alle waarneming een waarnemer nodig is. Er moet een subject, een individu, een ‘ik’ bestaan. Zo’n ‘ik’ is volgens het fysicalisme echter niet mogelijk. Maar als er geen waarnemer is, is er geen waarneming, en zonder waarneming kan ook de natuurwetenschap niet bestaan.’

Wie beweert dat mentale handelingen (bijvoorbeeld wilsbesluiten) geen veroorzakende kracht hebben, moet volgens Van den Brink de vrije wil ontkennen, ontneemt elk mens zijn verantwoordelijkheid, en schiet uiteindelijk zichzelf in zijn voet.

Als elke overtuiging niet door redenen wordt veroorzaakt maar door een bepaalde hersentoestand, geldt dat ook voor de overtuiging dat het fysicalisme correct is. Dan heeft het dus geen zin redenen voor deze overtuiging aan te dragen, aldus Richard Swinburne.’

Neuroscience and the Soul: The Human Person in Philosophy, Science, and Theology | Thomas M. Crisp, Steven L. Porter & Gregg A. Ten Elshof (eds.) | uitg. Eerdmans | Grand Rapids | 2016 | ISBN 978 0 8028 7450 4 | 284 blz. | $ 38,-

Zie: ‘Mens is meer dan alleen zijn brein’

Beeld: Foto op omslag Neuroscience and the Soul