Het horzelachtige van het geloof

ScheppingvanAdamMichelangelo

Religie prikt, op vele manieren. ‘Het steekt, je wordt er door aangestoken, op het hinderlijke af.’ Dat zegt ‘proefgelover’ Stephan Sanders, die in Trouw maandelijks het woord God in de mond neemt om te zien of hij het kan uitspreken zonder te giechelen. De Duitse priester Thomas Frings vindt dat de kerk het verlangen naar het evangelie weer moet gaan wekken. Priester Anton Mullink (1938) daarentegen veranderde radicaal van mening over het bestaan van God en werd atheïst. De Britse komiek Stephen Fry noemde God een ‘utter maniac’. In Ierland dreigt hij vervolgd te worden voor blasfemie. 

‘Vrijheid van meningsuiting, zeker wanneer het over religie gaat, moet altijd verdedigd worden. Het is op zichzelf geen nieuwigheid dat ook in West-Europa niet altijd vrij kan worden gesproken over dit onderwerp. Maar deze mogelijke aanklacht doet iedere liberaal, maar hopelijk ook iedere redelijke gelovige, huiveren. Ook omdat Fry in zijn uitspraken geen enkele gelovige beledigd heeft. Hij laat dat bewust buiten beschouwing. Het enige wat hij heeft gedaan is, een God waarvan hij zelfs stelt dat die niet eens bestaat, ridiculiseren. Hij spreekt over de kwaadaardigheid van een in zijn ogen fictief personage. Dergelijke uitspraken willen vervolgen grenst aan het infantiele.’ (Rik de Jong, Jalta)

Mullink wordt niet vervolgd, ook al ziet hij religie als een bedenksel van mensen, als hersenspoeling om gelovigen te onderwerpen aan instituties. Hij kwam, oog in oog met armoede, tot het inzicht dat de kerk en het geloof irrelevant zijn in het licht van de problemen waarmee de bevolking kampte. Boeddha had een soortgelijke ervaring, maar ging een heel andere kant op. Zo veel mensen, zo veel goden zou je kunnen zeggen. Of je beziet alles van de buitenkant, het materiële, of je gaat naar binnen toe en komt tot heel andere inzichten.

De kiem voor twijfel werd gelegd op mijn 22ste. Een docent filosofie op het seminarie zei dat we het scheppingsverhaal niet letterlijk moesten nemen. Voor het eerst werd ik geprikkeld niet alles klakkeloos aan te nemen. Na mijn wijding tot priester in 1965 merkte ik dat ik moeite had met het gegoochel en het opgelaten gedoe tijdens de eucharistievieringen.’ (Mullink)

Volgens Frings kraakt het hele kerkelijke systeem in zijn voegen en hij vraagt zich af of de zoektocht naar zingeving ook is afgenomen en waarom er zo weinig mensen zoeken in de kerk.

Beide kanten, zowel de kerk als degenen die naar de kerk gaan, lijken helemaal niet te willen veranderen. Mensen eisen dat er een religieuze traditie blijft bestaan, waar ze in hun dagelijks leven amper vorm aan geven. De kennis over het geloof smelt als sneeuw voor de zon.’ (Frings)

Sanders voelt zich net zo belachelijk als al die andere kerkmensen en vindt het christelijk geloof ontzettend onpraktisch, ook al is de onhandigheid van het huidige christendom hem lief geworden.

‘Het maakt het de gelovigen voortdurend lastig, het stelt vragen naar een bovenmenselijke moraal die niet te begrijpen valt, hooguit te aanvaarden. Het geloof loopt niet synchroon met het wereldse, de hele tijd word je geconfronteerd met wat je ‘eigenlijk’ zou moeten doen, en ‘eigenlijk’ zou moeten laten. Het is niet direct de stem van God, als het wel gelovige superego dat hier spreekt. De gelovige krijgt te maken met een vergroot exemplaar.’ (Sanders)

Ik keer terug naar Meister Eckhart die bovenstaande allemaal geruis zou vinden. Volgen hem kunnen we in het eeuwige nu leven, zonder waarom. Volgens Dominicaan Leo Oosterveen is mysticus Eckhart niet in de laatste plaats populair bij mensen die op afstand staan van het kerkelijke christendom, maar niettemin toegang zoeken tot de religieuze dimensie in hun bestaan. Eckhart bidt God om God te verlaten.

Hij relativeert kerkelijke, religieuze en kloosterlijke leefregels en houdt afstand van ascese en de zucht naar extase en visioenen. Alle nadruk legt hij op het ‘laten’: achterlaten van allerlei Godsbeelden waaraan we gehecht zijn, maar ook je verlaten op God, op het toelaten van God die verborgen is achter God: de verborgen Godheid.’ (Oosterveen)

Voor Eckhart gaat het volgens Oosterveen niet alleen om een achterlaten van onze Godsbeelden, maar ook om voorbij God te komen zoals Hij zich in tijd en ruimte openbaart.

Laten is een ‘leven zonder waarom’, voorbij elk ‘om te’, een leven dat binnentreedt in de Godheid, in de eeuwige eenheid, het ‘eeuwige nu’. Beter gezegd: het gaat erom dat dit ‘eeuwige nu’ ons leven binnentreedt en het transformeert. Ware armoede is niet dat we alles opgeven om God een plaats te bereiden (een eigen prestatie), ware armoede is dat God zelf in ons voor zichzelf een plaats bereidt en zo in ons ‘werkt’.’ (Oosterveen)

Geraakt door Eckhart? Er is een prekencyclus waarin Eckhart de Godgeboorte in de grond van de ziel uit de doeken doet. Wat je als individu daarvoor moet doen? Eigenlijk niets; je moet er vooral iets voor laten: de fixatie op het eigene. Hoe? Zoals een kind leeft in de werkelijkheid in plaats van in het ‘ik’. Lees Welmoed Vlieger: Eenvoud bij Meister Eckhart.

Zie:

De wereld had geen evangelie nodig, maar voedselpakketten

‘Het kerkelijk systeem kraakt in z’n voegen’

‘Het christelijk geloof blijkt ontzettend onpraktisch’

Meister Eckhart: Leven in het eeuwige nu, zonder waarom

Stephen Fry mogelijk vervolgd wegens blasfemie

Beeld: De schepping van Adam (detail) is een onderdeel van het fresco op het gewelf van de Sixtijnse Kapel in Vaticaanstad geschilderd door Michelangelo rond 1511. (sporenvangod.nl)

De relevantie van Godsargumenten

emauelrutten-1

Overdenkingen, zo heet het nieuwe boek van filosoof Emanuel Rutten, dat in maart verschijnt. Eerder schreef hij met Jeroen de Ridder En dus bestaat God, waarin acht Godsargumenten worden beschreven. In Overdenkingen maakt hij de stap van het algemeen theïsme naar het christendom, gericht op zijn wijsgerig denken over het Christendom. Student Rahib Khawaja interviewde Rutten over samenwerking tussen moslims en christenen, naar aanleiding van Ruttens gastcollege over Godsargumenten op de Islamitische Universiteit Rotterdam.

In het interview wordt gesproken over de herleving – vooral in Amerika – van het geven van rationele argumenten voor het bestaan van God. Rutten zegt dat de klassieke argumenten sterk verbeterd zijn, en stelt dat alle kritiek van met name Immanuel Kant, David Hume en Bertrand Russell op de klassieke argumenten grotendeels is weerlegd, en er nieuwe interessante argumenten zijn bijgekomen.

Zo heeft bijvoorbeeld Alvin Plantinga een moderne versie uitgewerkt van het klassieke ontologische Godsargument van Anselmus. En Alexander Pruss heeft enkele bestaande Godsargumenten sterk verbeterd. Ik heb hem wel eens de Aquino van onze tijd genoemd. Het is een buitengewoon interessant filosoof.’

In Nederland houdt eigenlijk alleen de VU zich ermee bezig. En dan vooral Rutten, die het modaal-epistemisch Godsargument, het argument vanuit atomisme en causalisme, en meer recent ook het zogenaamde semantische argument ontwikkelde.

Khawaja vraagt Rutten of theïsten zoals moslims en christenen samen kunnen werken inzake godsdienstfilosofie en meer specifiek op het gebied van het onderzoeken en ontwikkelen van rationele Godsargumenten. Rutten bevestigt dat want die Godsargumenten zijn geldig voor álle theïstische tradities, of dat nou de islam, het christendom of het Jodendom is.

De filosoof van de Godsargumenten zegt iets meer te willen weten over de klassieke Godsargumenten uit de islamitische traditie, daar bijvoorbeeld versies van het Leibniziaanse Godsargument ook geformuleerd werden door islamitische geleerden.

Rutten zegt het eens te zijn met prof. William Lane Craig, dat het van belang is dat gelovigen zich wat meer verdiepen in de rationele argumenten voor het bestaan van God, al was het maar om niet gelijk uit het veld geslagen te worden bij de eerste de beste tegenwerping van een atheïst.

Als ze geen énkele kennis hebben van Godsargumenten en op geen enkele manier kennis hebben opgedaan over de weerleggingen van atheïsme, dan worden ze vaak snel onzeker. Ze raken dan uit het veld geslagen. Bij de eerste de beste tegenwerping heeft men dan geen repliek. Ik heb ook gezien dat veel van die jongeren daardoor hun geloof opgeven. Dat vind ik zonde, want dat is gewoon niet nodig. Er zou dus meer kennis moeten zijn over de Godsargumenten.’

De filosoof verwijst naar En Dus Bestaat God, waarin acht Godsargumenten op een vrij toegankelijke wijze worden uitgelegd, ook voor niet-ingewijden. Het is geïllustreerd met allerlei plaatjes en uitleg. Volgens Rutten zou dit boek binnen de islamitische geloofsgemeenschap óók gewoon behandeld kunnen worden, want het betreft algemeen theïsme en gaat niet over het christendom noch over de islam maar simpelweg om goede argumenten voor het bestaan van God.

In het interview gaat het ook over de weerleggingen van de Godsargumenten door de atheïstische filosoof Dr. Herman Philipse, in het boek God in the age of science. Rutten toonde zijn falen aan, meent zelfs dat alle pogingen van Philipse om de Godsargumenten te weerleggen falen.

Khawaja stelt dat sommige gelovigen niets hebben met Godsargumenten, godsdienstfilosofie en dat soort ‘logisch geneuzel’. Rutten antwoordt hierop dat Godsargumenten niet noodzakelijk zijn om intellectueel verantwoord te geloven en dat je ook zonder die argumenten kan geloven.

Ik denk echter wèl dat die argumenten belangrijk zijn om de redelijkheid van het geloof te laten zien. Vooral als je er ook over bevraagd wordt. Hierbij kan ik vanuit de christelijke traditie verwijzen naar een uitspraak van Petrus. Hij schrijft in de bijbel dat je als Christen ten allen tijde bereid moet zijn om de hoop die in je is te verdedigen. Daarnaast schrijft Paulus in brieven aan de Romeinen dat het bestaan van God reeds uit de schepping kan worden afgeleid.’

Ten slotte stelt Rutten dat gelovigen vaak weggezet worden als irrationeel, intellectueel onverantwoord of onzinnig. Goede argumenten zijn dan toch belangrijk.

Er wordt hierdoor weer ruimte geschapen om het geloof in God als een redelijke optie te zien. Het wordt dan weer een optie onder de opties. Het wordt dan weer een mogelijkheid die op tafel kan komen in plaats van te worden weggezet als irrationeel of onzinnig.’

 Zie: Fides Quaerens Intellectum (Geloof op zoek naar inzicht)

Foto: YouTube (Video gastcollege Emanuel Rutten)

Dr. ir. Emanuel Rutten (1973) is filosoof en als onderzoeker en docent verbonden aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. In de tweede helft van dit jaar komt er nog een boek van de filosoof uit: Het Retorische Weten. Daarin wordt Ruttens volledige filosofische systeem behandeld. Het omvat kennisleer, metafysica en esthetiek.

‘Iets in het bewustzijn stelt de vraag naar een ontwerper’

god-architect

Evolutionist Richard Dawkins denkt dat vroegtijdige indoctrinatie de sleutel is voor het verspreiden van het geloof in god. Maar, zegt geloofswetenschapper Justin Barrett (Oxford University), zet een groep achtergelaten baby’s op een onbewoond eiland en die zal opgroeien tot een gelovige gemeenschap. In een artikel van journalist Ianthe Sahadat (de Volkskrant) komt dat door het brein dat bij uitstek ingericht is voor geloof in het bovennatuurlijke.

Sahadat stelde dat je moet erkennen – of je nu fervent atheïst of diepgelovig bent – dat de mensheid een gelovig gezelschap is: mensen geloven in één god, in een heel pantheon aan goden of beschermheiligen, in onze voorvaderen, in ‘iets’.

Stelt u zich onze voorvader of oermoeder eens voor zittend bij het kampvuur, de dagelijkse besognes overpeinzend, het natuurgeweld beziend en pats-boem daar is de hoe-waarom-waartoe-vraag. Het zou zomaar kunnen, toch?’

De journalist verwijst naar een onderzoek met gebruik van een ‘godhelm’, waarin een magneet was aangebracht om het brein in de ‘godstand’ te krijgen. Iets waarvan de Amerikaanse experimentele psycholoog Michael Persinger (Universiteit van Ontario in Canada) overtuigd is. Het zou te maken hebben met het verstoren van het contact tussen de twee hersenhelften.

Op het Lowlandfestival afgelopen zomer werd ook geëxperimenteerd met een godhelm, en werd later verklapt dat het een gewone helm was geweest met nutteloze draadjes en ducttape. Deelnemers werden dus genept. Het onderzoek was gericht op hoe snel mensen een goddelijke ervaring krijgen als de omstandigheden voor suggestie optimaal worden gemaakt.

In een huisje met een soort satelliet op het dak kregen deelnemers een helm op het hoofd. Het oogde als een beeld uit een sciencefictionfilm uit de jaren tachtig. Via de draden op de helm zullen wij je brein stimuleren met elektrische pulsen om te kijken wat dit met je doet, kregen de deelnemers te horen. Geblinddoekt en met een koptelefoon met ruis op het hoofd moesten ze vervolgens een kwartier blijven zitten.’

Het was warm in de tent, de vloer trilde een beetje van de concerten in de verte. Suboptimale omstandigheden om je helemaal over te geven, volgens Maij. Toch had de helft van de deelnemers een ongewone, soms als mystiek omschreven, ervaring.’

Psychologiepromovendus David Maij (Universiteit van Amsterdam) omschrijft zichzelf als een pure atheïst, hoewel hij wel ‘gelooft’ in de wetenschap. Voor hem is zijn non-religieuze oorsprong juist de basis voor een fascinatie voor het geloof. Hij stelt dat ‘mensbrede psychologische mechanismen ons vatbaar maken voor religie’.

Allereerst: hoe is je wereldbeeld? ‘Geloof je in een god of in het bovennatuurlijke, dan sta je meer open om een ervaring die je niet direct kunt duiden aan iets externs toe te schrijven’, zegt Maij. Een lichtflits is bij iemand met een spiritueel wereldbeeld sneller ‘licht aan het einde van de tunnel’, terwijl een atheïst zal zeggen: ik zag een lichtflits.’

Hoogleraar Ontwikkelingswetenschappen en Psychologie aan de Fuller Graduate School of Psychology, Justin Barrett, een ‘fanatiek katholiek’, naar wie Sahadat ook verwijst, zei in een BBC radio-interview in 2013 dat peuters vaak ‘onzichtbare vriendjes’ hebben om mee te spelen en te praten. Volgens de psycholoog bewijst dat hoe vanzelfsprekend de menselijke geest omgaat met een abstract idee.

Maar ook al in de eerste maanden van een baby heeft Barrett aanwijzingen ontdekt voor een aangeboren geloof. De baby onderscheidt dan al objecten die zich verplaatsen met een bedoeling. Dit ‘lezen van gedachten’ bestaat volgens Barrett alleen bij de mens.’

Een ander onderzoek toont volgens hem aan dat kinderen de ‘goddelijke natuur’ gemakkelijker begrijpen dan de ‘natuurlijke’: kinderen nemen namelijk eerder aan dat de mens altijd doorleeft, dan dat er een eind aan het leven komt.

De psycholoog acht het mogelijk, zo stelt een Rob Nanninga in een artikel – onder meer over het boek Born believers (2012) – dat het opperwezen de menselijke evolutie zodanig heeft bijgestuurd dat we bijzonder ontvankelijk werden voor het geloof in bovennatuurlijke wezens. Voor Barrett overigens geen hypothese die wetenschappelijk bewezen kan worden.

Verder citeert Barrett een onderzoek dat stelt dat dieren, planten en zelfs stenen volgens kinderen een doel buiten zichzelf hebben. Iets in het bewustzijn stelt de vraag naar een ontwerper: ‘Kennelijk begrijpen peuters dat er een hogere macht nodig is. En daar komt God binnen.’

Het doet me denken aan de Britse natuurkundige Peter Russell over wie in 2008 The Optimist schreef: ‘De wetenschap heeft de verre ruimte, de verre tijd en de verre materie verkend, en geen plek voor of behoefte aan God aangetroffen. Nu voor het eerst het bewustzijn wordt bestudeerd, is er een koers ingeslagen die tenslotte zal leiden tot de beschouwing van de ‘verre geest’. En al doende kan de wetenschap zich uiteindelijk gedwongen zien om God binnen te laten.’ Echter, Russell doelt hierbij niet op de God van de hedendaagse religies.

Niet het concept van God dat we bij de hedendaagse religies tegenkomen – die onvermijdelijk blootgesteld waren aan vervorming en verlies bij de overdracht van de ene generatie op de volgende, maar de God die het wezen vormt van ons eigen zelf, de kern van het bewustzijn. Deze mogelijkheid is absoluut taboe binnen het hedendaagse wetenschappelijke superparadigma.’

Voor filosoof Emanuel Rutten echter geeft het bestaan van het bewustzijn in de kosmos aanleiding tot een redelijk argument voor het bestaan van God. Hij komt zelfs uit bij de christelijke God. Het levert er volgens hem in elk geval een buitengewoon sterke aanwijzing voor op.

Zie:
* De mens is een gelovig wezen door zijn brein (de Volkskrant, 24.12.2016)

* Geloven in God is aangeboren (eo.nl)
* Kinderen van God – de cognitieve wetenschap van religie (skepsis.nl)
* Laat de wetenschap God binnen? (VanGodenEnMensen)
* Bewustzijn wijst naar boven (Emanuel Rutten)
* Het godsargument openbaart de christelijke God (Emanuel Rutten)

Beeld: God als architect van het universum (NN, Österreichische Nationalbibliothek)

‘God houdt zich buiten het domein van de wetenschap op’

nasa

‘En gelukkig maar, want als die ergens thuishoort, is het daar,’ aldus New Scientist van januari 2017. Volgens dit maandblad werden de grootste vragen traditiegetrouw aan filosofen overgelaten: hoe weet ik dat ik besta? Beschikken we over een vrije wil? Waaruit bestaat de werkelijkheid? En waarom bestaat er überhaupt iets en niet niets? Tegenwoordig eigenen wetenschappers zich deze vragen steeds vaker toe. New Scientist publiceert een Dossier Metafysica.

Kunnen we ooit weten of God bestaat?’ is eveneens een van de vragen die New Scientist zich stelt. Het vraagt zich af wat er voor nodig is om het bestaan aan te tonen van een bovennatuurlijk wezen dat zich, om maar wat te noemen, overal en nergens bevindt, immanent en transcendent is, kenbaar en onbegrijpelijk; voor het vinden van bewijs voor het higgsdeeltje was al vijftig jaar nodig.

Met het voortschrijden van de wetenschappelijke kennis is er weinig overgebleven van het standpunt dat overal bewijs voor gods bestaan te vinden is. Sommige moderne religieuze filosofen hebben zich daarom bekend tot het standpunt van de gereformeerde epistemologie. Zij stellen dat het bestaan van een god geen rechtvaardiging of bewijs behoeft. God bestaat gewoon, punt uit.’ (NS)

Intelligent design bleek weerlegbaar, ondanks zoiets moois en functioneels als een oog of een vlinder. Het leverde geen bewijs voor het bestaan van een schepper. Nu wordt gesteld dat er steeds meer denkers voor de alternatieve stelling voelen dat er overal bewijs voor te vinden is dat god niet bestaat.

Waarom we toch menen dat het anders zit, is verklaarbaar vanuit de ‘hypothese van cognitieve bijwerking’. Die stelt dat het menselijk brein neigt naar religieuze overtuigingen, onder andere door het hyperactive agency detection device – de veronderstelling waarin we verkeren dat alles in onze omgeving veroorzaakt wordt door een onzichtbaar iets of iemand.

Dit geëvolueerde systeem was misschien voordelig voor onze voorouders: zodra zij de aanwezigheid van een dier in het struikgewas ontwaarden, waren ze beter voorbereid om snel te vluchten of aan te vallen. Maar het gevolg daarvan is dat wij tegenwoordig geneigd zijn om in alles wat we zien gebeuren een onzichtbare hand te zien, wanneer we het niet direct kunnen verklaren.’ (NS)

New Scientist verwijst hiermee naar natuurkundige Victor Stenger, die stelde dat de monotheïstische god waar miljarden mensen in geloven, ofwel bestaat of niet bestaat, maar als die wel bestaat, dan moeten daar aantoonbare gevolgen voor te vinden zijn.

Eén reden waarom zo veel mensen in god geloven, is dat het geloof de meedogenloosheid van het bestaan verzacht door het universum betekenis te geven. Sommige theologen menen zelfs dat de zinloosheid van een bestaan zonder god juist het bestaan van die god bewijst.’ (NS) 

Voor Dascha Düring hoeft dat bewijs niet gevonden te worden, liever niet zelfs. Vorig jaar schreef de filosofe (Universiteit Utrecht) in Bij Nader Inzien, een site die maatschappelijke kwesties voorziet van filosofische analyse en reflectie, het artikel Ammehoela Godsbewijs: als God bestaat zou hij helemaal niet willen dat wij hem bewijzen.

Het godsbewijs is een nekslag voor het geloof, en daarnaast kunnen we dan de volledige filosofische theologie – bijvoorbeeld Aquinas, Meister Eckhart, Luther – in de prullenbak gooien. Zelfs als agnost lijkt mij dat buitengewoon zonde. Als wij weten dat God bestaat, kunnen wij niet geloven dat God bestaat – want we weten dit immers. Als God bestaat, kan hij niet willen dat wij niet in hem geloven. Als God bestaat, kan hij niet willen dat hij bewezen wordt.’ (DD)

Een van de filosofen die hierop reageerde was Emanuel Rutten. Hij stelt dat als er wél een sluitend algemeen Godsbewijs zou bestaan, dat er dan nog genoeg ruimte overblijft voor geloof.

Want zo’n bewijs zegt helemaal niets over de vraag of God de God is waarvan, zeg, het christendom getuigt. Ook zegt zo’n bewijs niets over de waarheid of onwaarheid van allerlei specifieke uitspraken in, zeg, de Bijbel. Daarnaast sluiten geloof en weten elkaar niet noodzakelijk uit. De meeste filosofen beschouwen kennis zelfs als een vorm van geloof.’ (ER)

Zie:
Dossier Metafysica (Blendle – New Scientist)
Ammehoela Godsbewijs: als God bestaat zou hij helemaal niet willen dat wij hem bewijzen (Bij Nader Inzien)

Illustr: ‘Hand van God’ – Wetenschappers vertellen dat de ‘Hand van God’ een soort nevel is dat circuleert om een neutronenster. Het verschijnsel is ontstaan toen een ster explodeerde. De overgebleven pulsar draait heel snel, zo’n zeven keer per seconde, om zijn eigen as waardoor de puindeeltjes (onder andere gas) de ruimte in worden geslingerd. In 2009 is ook al een ‘Hand van God’ waargenomen door NASA. (2014)

Plausibel theodicee van het oordeelsvermogen

kwaad

Een theodicee is een argumentatie waarin de gelovige het bestaan van een almachtige en algoede god verdedigt ondanks al het kwaad en lijden in de wereld. Er zijn verschillende theodicee’s, onder meer die van Leibniz; van de vrije wil; van de compassie, maar nu ook van het oordeelsvermogen. Die wordt dialogisch uitgewerkt door docent filosofie Jan-Auke Riemersma, in zijn blog Soepschildpadden en atheïsten (tweegesprek). ‘Ons oordeelsvermogen maakt ons tot mens, maar maakt ons ook ontvankelijk voor het lijden.’

Riemersma begint het discours met de standaardklacht van atheïsten dat een theodicee immoreel is en opgevat wordt als een poging om het leed van onschuldige mensen goed te praten uit naam van God.

Deze klacht is niet ongegrond. Ik ben lang bezig geweest om een theodicee te construeren die niet ontvankelijk is voor deze kritiek.’

Dit is de filosofiedocent gelukt. De dialoog zou niet misstaan op het toneel, of in de kerk, als welkome afwisseling van de preek. Iedereen zou rechtop in de kerkbanken gaan zitten. Het drama vindt plaats tussen een atheïst (P) en een theïst (H), waarin de filosoof laat zien dat deze theodicee – of zogenaamde ‘verdediging’ – niet immoreel is.

P: God heeft de wereld gemaakt. De wereld is niet vrij van lijden. Aangezien God alles kan, heeft hij een reden gehad om mensen te laten lijden. Welke reden dit ook is, wie mensen laat lijden is niet betrouwbaar en zeker niet moreel. Zo iemand is een schurk. Ik begrijp niet dat je tot zo’n … ding!… wilt bidden…

H: Maar waarom is het immoreel om mensen te laten lijden?

P: Waarom dat immoreel is? Is dat een serieuze vraag? 

H: …ja, ik ben ernstig. Ik neem je niet in de maling.

P: Wel, dat is immoreel omdat… het immoreel is! Het is eenvoudigweg, op de meest duidelijke wijze, immoreel! Het is een kwaad op zich! Daar hoef je menselijkerwijs niet eens over te twisten! Hier, kijk eens naar deze foto! Zie je hoe dit kind lijdt? Laat deze foto eens op je inwerken! De pijn die dit kind moet doorstaan. Wie doet zoiets vreselijks aan een teer mensenkind? Dan moet je een sadist zijn. Kijk dan!’

Zo begint de atheïst de tweespraak. Het voert te ver om dat hier volledig weer te geven, daarvoor kan je het beste naar de site Wider Útsjoch van de docent gaan. Maar het gesprek is zo interessant en plausibel dat dit het lezen waard is.

Op zeker moment vraagt de theïst of de atheïst alleen een wereld wil waar goede en waardevolle dingen die we nu hebben wél blijven behouden. Natuurlijk, want hij wil een soort tuin van Epicurus, maar dan op bovennatuurlijke wijze. Hij wil in ieder geval niet leven in een wereld waar al die goede dingen er niet zijn. De theïst vraagt dan of de ander liever volstrekt ongevoelig wil zijn.

H: In dat geval zouden het leed en het onrecht niet hebben bestaan. In die wereld is er wel pijn en we gaan ook dood, maar dat zijn dan geen zaken waar we een oordeel over hebben. (…) In een dergelijke toestand zou je verlost zijn van het zinloze lijden. Ook onrechtvaardigheid en armoede zouden je niet plagen. Je wereld zou bestaan uit een reeks niet becommentarieerde ervaringen, waar je niet gelukkig of ongelukkig van wordt. (…) Een redelijk mens kan niet volhouden dat hij het lijden ondragelijk vindt, terwijl hij toch liever zijn oordeelsvermogen en zijn waarden behoudt. ’

Verderop vraagt de theïst wat de atheïst zou kiezen. Dít intelligente, waardenrijke bestaan, of het absolute niets, of de stompzinnige waarde(n)loze wereld van de soepschildpad? De atheïst roept vertwijfeld uit hoe de ander hem kan vragen of hij zijn leven of zijn meest fundamentele waarden wil opgeven. Anders is hij niet eens een mens!

H: Het enige wat we er, op een fatsoenlijke manier, van kunnen zeggen is dat God ons zou hebben moeten veranderen in ‘n soepschildpad of dat hij onze geboorte zou hebben moeten verhinderen. Een enkeling zal dat willen, maar ik denk dat de meeste mensen, precies zoals jij, liever mens willen zijn en deze keus van de hand wijzen. Wel, wat kun je God dan verwijten?’

De theïst zegt tegen de atheïst dat deze God juist veroordeeld omdat hij waarde hecht aan zijn menselijk oordeelsvermogen en dat hij zonder dat vermogen eenvoudigweg geen mens kan zijn en zijn leven niet waardevol of zinvol. En verwijt de atheïst dat deze zegt dat zijn oordeelsvermogen niet belangrijk is. Hij zegt immers dat God alles kan en ons dus het lijden had moeten besparen.

H: Je kunt niet enerzijds over een oordeelsvermogen beschikken en anderzijds zeggen dat je liever verlost was van dat oordeelsvermogen. (…) Kijk maar: ’t oordeelsvermogen maakt ons tot mens en maakt dat wij gevoelig zijn voor recht en lijden. Nou, als je niet wilt lijden – als het lijden ondraaglijk is – moet je het ook zonder oordeelsvermogen doen.’

Riemersma besluit het discours met de woorden dat ons oordeelsvermogen ons tot mens maakt, maar ook ontvankelijk voor het lijden.

Het is niet anders. Zijn we redelijk als we uit deze gang van zaken afleiden dat God moreel zwak is? Ik zou eerder zeggen dat het andersom is: als God bestaat, en als we dankzij ons oordeelsvermogen het idee ‘God’ kunnen bevatten, dan is ons leven tenminste niet fataal. Terwijl het bestaan wel fataal is als God niet bestaat. Voor mij is dat voldoende reden om te denken dat God goed is.’

Zie: Soepschildpadden en atheïsten (tweegesprek)

Foto: eo.nl

UPDATE 12 12 2016:  Jan Riemersma wijzigt intussen de tekst van zijn ‘theodicee’…(!) Schreef hij eerst:
‘Ik ben lang bezig geweest om een theodicee te construeren die niet ontvankelijk is voor deze kritiek,’
hetgeen de indruk wekt dat hij een theodicee heeft geschreven die hij onderschrijft, heeft hij het nu – zonder nadere aankondiging van update of zo, herschreven tot:
‘Het is moeilijk om een verdediging op te stellen die niet ontvankelijk is voor deze kritiek.’
– Ja, dan was ik in mijn blog ook voorzichtiger geweest, al sta ik nog steeds achter zijn denkwijze.
Een beetje flauw van Riemersma, wellicht onder druk van de kritische discussie die zich ontvouwt op Facebook?

‘Intellectuele elite weet te weinig van de islam’

eastwest

‘Ik ben ervan overtuigd dat het jarenlange belachelijk maken van de eigen christelijke traditie en het kerkbashen door onze zelfverklaarde intelligentsia zijn tol eist.’ Geen uitspraak van Alain Verheij over het programma van Jeroen Pauw en zijn vooringenomen anti-godsdienstigheid, maar van Jan De Volder, titularis van de Cusanus Leerstoel ‘Religie, Conflict en Vrede’ aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven. ‘Onwetendheid is een wrange vrucht van het secularistische denken dat bij onze intelligentsia merkwaardig lang blijft doorwerken.’

Onze intellectuele elite weet inderdaad over het algemeen te weinig van de islam. Ik voeg daar onmiddellijk aan toe: van alle godsdiensten, in de eerste plaats ook van het christendom, dat onze eigen samenleving mee smeedde tot wat ze nu is. Die onwetendheid is een wrange vrucht van het secularistische denken dat bij onze intelligentsia merkwaardig lang blijft doorwerken.’

Volgens prof. dr. Jan De Volder is het secularisme niet in staat om godsdiensten ernstig te nemen als historische krachten die er toe doen, misschien in de huidige eeuw nog meer dan in de vorige. Religie blijft daarom een blinde vlek bij vele weldenkenden en dat wreekt zich.

Wim Van Rooy is auteur van De malaise van de multiculturaliteit en Waarover men niet spreekt. De Volder reageert op zijn artikel in De Morgen, waarin hij ingaat op enkele van Van Rooys uitspraken en analyses. Zoals dat de islam het nieuwe nazisme zou zijn, en een complexe en gelaagde godsdienst met eeuwenoude en soms onderling sterk afwijkende tradities en geloofsbeleving en anderhalf miljard gelovigen, vergelijkt met een welbepaalde racistische ideologie die onder leiding van een sterke man vanuit het hart van een moderne Europese staat de wereldmacht nastreefde.

Laten we wel wezen: als Van Rooy gelijk had, dan zat de wereld met een gigantisch probleem. Maar zoals zo vaak gaat ook hier de reductio ad hitlerum niet op. Want waar is dat goed getrainde en uitgeruste islamitische leger dat op het punt staat Europa en de wereld te veroveren? Waar is die goed geoliede staatsmachine? Waar is die Hitler?’

Nog een denkfout die Van Rooy volgens De Volder maakt, is te geloven dat een godsdienstige beleving louter terug te voeren zou zijn tot zijn bronteksten: Koran, Hadith en enkele klassieke denkers, die hij ijverig heeft doorploegd.

Natuurlijk staan daar verzen en redeneringen in die de wenkbrauwen doen fronsen en die bij letterlijke naleving problematisch zijn. Maar evengoed zijn er tal van andere verzen die menselijke en sociale deugden bepleiten die bij letterlijke naleving van de wereld een betere plaats zouden maken.’

Volgens De Volder scheert Van Rooy 1,5 miljard aardbewoners over één kam, roept hij ze uit tot vijand, en trapt hij met dit soort wij-zijredeneringen precies in de val die IS, Al Qaeda en aanverwanten spannen: het is juist hun strategie de vijandigheid jegens alle moslims aan te wakkeren, opdat die polarisatie op haar beurt de moslims zou wakker schudden en aan hun zijde doen strijden. Volgens de professor zou het echte voorzorgprincipe erin bestaan van de rechtgeaarde moslims (het overgrote deel) bondgenoten te maken in de strijd tegen de extremisme.

Dat betekent ook: oor hebben voor hun verzuchtingen, respect en waardering voor hun geloof opbrengen. Vooral aan dat laatste wil het wel eens ontbreken.’

Waarom horen wij niet wat meer waardering doorklinken voor menselijke en sociale waarden die veel moslims beleven, vraagt De Volder zich af.

Gastvrijheid, zorg voor hun ouderen, geen alcoholmisbruik: voor hen zijn er gewoonlijk geen dure rusthuizen nodig want ze zorgen gewoonlijk zelf voor hun ouderen, voor hen geen dure BOB-campagnes want drinken doen ze niet enzovoort. Het opbrengen van zelfbeheersing ook al worden er de goorste dingen over hen verteld.’

De Volder is ervan overtuigd dat het jarenlange belachelijk maken van de eigen christelijke traditie en het kerkbashen door onze zelfverklaarde intelligentsia zijn tol eist.

Zelfs als men zelf niet-gelovig is zou men beter waardering opbrengen voor de eigen religieuze traditie. Veel moslims – en lang niet alleen de extremisten – ergeren zich aan een publiek discours dat God en de gelovige voortdurend ontluistert en onderuit haalt.’

Zoals in de fysica, zo stelt de titularis ten slotte, geldt in de geschiedenis dat ieder vacuüm wordt opgevuld. Dat geldt ook voor het spirituele vacuüm dat in onze samenleving groeiende is.

Dat men niet komt klagen als de islam in het gat springt. Onze samenleving kan de moslims zeker integreren – dat doet ze nu al succesvol op veel plaatsen, maar nog niet voldoende – maar met een louter seculiere aanpak zal dat niet lukken. Dat kan Europa alleen maar als het haar eigen humanistische én religieuze traditie ernstig neemt.’

Zie: ‘De ‘Soumission’ begint op kleine schaal’ – ‘De islamitische wereld is oneindig veel complexer’

Ook interessant: Lieve Jeroen (een briefje van God) – Alain Verheij

Foto: askdin.com