‘Ook het denken is lichamelijk’

Da_Vinci_Vitruve_Luc_Viatour

Filosoof Simon Gusman buigt zich over de vraag of de geest zonder een lichaam bestaat. En wat ons lijf betekent voor wie we zijn. Hij bespreekt vijf filosofen over het verband tussen ons lichaam en ons denken: Ik denk dus ik heb een lijf. In zijn boek What Computers Can’t Do uit 1972 rekent Hubert Dreyfus af ‘met het idee dat mensen supercomputers zijn. Willen we een mens nabouwen, dan moeten we recht doen aan het lichaam. Een supercomputer zonder lichaam snapt niet wat het is om mens te zijn’. 

We berekenen niet hoe we ons tot de wereld moeten verhouden, maar beleven de wereld direct als betekenisvol. Als ik wil drinken uit het kopje koffie dat voor me staat, hoef ik niet uit te rekenen hoe ver ik mijn hand moet uitsteken om het op te pakken. Ik ervaar in één oogopslag dat het kopje is om uit te drinken en kan moeiteloos de juiste beweging maken om dat te doen. Deze betekenisvolle belichaamde verhouding tot de wereld om ons heen is wat ons bestaan kenmerkt – en is iets dat een lichaamloze supercomputer niet heeft.’

Volgens Maurice Merleau-Ponty, de filosoof die het lichaam echt op de kaart heeft gezet, is het denken van zichzelf altijd al belichaamd. Niet omdat onze geest in een lichaam zou zitten, maar omdat alle vormen van ervaren, inclusief denken, uiteindelijk lichamelijk van aard zijn. 

Ons lijf kan van alles. Als we daar actief bij nadenken, bijvoorbeeld bij hoe we onze voeten neerzetten bij het lopen, wordt het alleen maar moeilijker. Ook als we alleen maar nadenken, zijn we belichaamd: we zitten in een bepaalde houding, trommelen met onze vingers op tafel of spelen met een pen in onze handen. Al deze dingen laten zien dat de geest en het lichaam niet van elkaar los te denken zijn.’

Gusman betrekt René Descartes erbij, de filosoof van ’Ik denk dus ik ben’, bij wie het lichaam geen centrale rol speelt. Voor hem is de geest een ‘denkend ding’ dat los bestaat van het mechanische lichaam.

Het lichaam is eigenlijk niets anders dan een fontein, stelt Descartes. De geest stuurt via een klier in het brein het lichaam aan en laat zo bloedvaatjes open- en dichtgaan, alsof het pijpleidingen in een fontein zijn. Het lichaam is een machine die op deze manier bediend kan worden. Hoewel Descartes’ denkbeelden over deze kant van het lichaam misschien wat simpel klinken, vormen ze de basis van de manier waarop veel wetenschappers vandaag de dag denken over lichaam en geest.’

Jean-Paul Sartre beschrijft in zijn beroemde boek Het zijn en het niet (1943) het voorbeeld van iemand die door een sleutelgat anderen staat te bespioneren. Zolang hij dit doet, is zijn aandacht gericht op het schouwspel achter het sleutelgat. Hij is enkel een toeschouwer. Op het moment dat hij betrapt wordt, is hij zich plotseling bewust van zichzelf, hoe hij daar staat, gebogen voor de deur.

We kijken naar hoe we bekeken zouden worden door anderen. Deze buitenkant is niet hetzelfde als een objectieve beschrijving van ons lichaam. Deze manier van kijken is niet de objectieve blik van de anatoom, maar de subjectieve blik van onze medemens die zich een beeld over ons kan vormen, ons kan prijzen of veroordelen om hoe we eruitzien.’

Auto’s worden standaard gebouwd met het mannenlichaam in het achterhoofd. ‘Testdummy’s zijn gebaseerd op mannenlichamen. Als gevolg hiervan is de kans dat vrouwen letsel overhouden aan een ongeluk vele malen groter’. – Gusman verwijst hier naar Caroline Criado Perez die stelt dat  sekseongelijkheid vooral gaat over lichamelijke verschillen. Zij schrijft hierover in Onzichtbare vrouwen (2019).

Testdummy’s zijn gebaseerd op mannenlichamen. Als gevolg hiervan is de kans dat vrouwen letsel overhouden aan een ongeluk vele malen groter. Ook kogelvrije vesten en veiligheidsmaskers tegen giftige stoffen worden allemaal eigenlijk alleen maar gemaakt voor mannen, niet omdat daar specifiek voor gekozen is, maar door het diepgewortelde idee dat een mannenlichaam de standaard voor alle mensen is. Sekseongelijkheid gaat dus niet alleen om rolpatronen, maar vooral ook om lichamelijke verschillen.’

Zie: Ik denk dus ik heb een lijf (Filosofie Magazine, december 2019)

Foto: Luc Viatour – Mens van Vitruvius van Leonardo da Vinci, ca. 1490, Gallerie dell’Accademia, Venetië – De regels voor de tekening bedacht Da Vinci niet allemaal zelf; hij baseerde zich op het tiendelige handboek voor de bouwkunde van de Romeinse architect Vitruvius, De architectura geheten. Reeds in de eerste eeuw voor Christus tekende deze architect de regels voor een perfect menselijk lichaam op. Volgens Vitruvius heeft een menselijk lichaam bepaalde vaste verhoudingen.  (ciatutti.nl)