‘Religieuze leiders interessant voor goddelozen’

odes

Ze zijn ook interessanter dan politieke. Zelfs voor goddelozen. Auteur David Van Reybrouck vraagt of er ook nog wat visie mag zijn, in zijn Ode aan onze religieuze leiders. Als ‘correspondent Lof’ van de Correspondent, mist hij echt visionaire pleidooien bij de Europese Unie: ‘Het blijft wachten op een gedurfde visie die in deze turbulente tijden opkomt voor vreedzaam en duurzaam samenleven vandaag. Want dat is waar het nu om gaat.’ – De auteur wacht sinds 2016, en sindsdien heb ik nauwelijks visies vernomen. Zijn alle Europese leiders, zoals Mark Rutte (VVD), vies van visie?

Het continent waar twee eeuwen geleden de eerste universele verklaring van de mensenrechten werd opgesteld, stelt zich nu kennelijk al tevreden met ‘we lossen het wel op.’ Het werelddeel waar niet zo lang geleden na het grootste bloedbad uit de geschiedenis de grootste vredesoperatie ooit begon, de eenmaking van Europa, kijkt vandaag op wanneer iemand binnen dat eengemaakte Europa zich nog eens aan een ethische uitspraak waagt.’

Dat is waar het nu om gaat: vreedzaam en duurzaam samenleven, stelt de schrijver, en zegt uit te kijken naar de dag dat kinderen op school geweldloosheid, vreedzame conflictoplossing en seculiere ethiek leren. Van Reybrouck verwijst naar de dalai lama die het onderscheid tussen ethiek en religie vergelijkt met dat tussen water en thee.

Ethiek en innerlijke waarden zijn eerder als water. Zonder water kunnen we niet leven. De thee die we drinken bestaat grotendeels uit water, maar bevat ook nog andere ingrediënten: theeblaadjes, kruiden, misschien wat suiker en, in Tibet althans, ook een beetje zout. Ongeacht hoe de thee wordt bereid, zijn hoofdbestanddeel is water. We kunnen zonder thee leven, maar niet zonder water.’

odes

De auteur zegt de afgelopen jaren meer te hebben geleerd van de paus, de dalai lama, Desmond Tutu, Ismail Serageldin, Michael Lerner en Karen Armstrong, dan van welke Europese politicus ook. De schrijver van Odes (2018), die sinds begin 2015 regelmatig ‘iets, iemand of ergens’ bezingt bij de Correspondent – zoals een Ode aan het offline zijn – had het voorrecht een dag lang bij Karen Armstrong te gast te zijn. Ze zei toen:

De grote religieuze tradities van vandaag zijn allemaal begonnen in tijden van oorlog en politieke onrust. De gouden regel, dat je een ander niet mag aandoen wat je zelf niet wilt ondergaan, is in al die tradities afzonderlijk bedacht. Dat was niet omdat een hoop lieve mensen dat een prettig idee vonden, wel omdat enkele praktische geesten inzagen dat de mensen elkaar anders zouden kapotmaken.’

Van Reybrouck besluit deze Ode – uit een lange reeks die allemaal bij de Correspondent te vinden zijn, naast andere verhalen over religiemet de uitspraak dat we alle wijsheid nodig hebben die er is, want ‘op het moment dat we andermaal elkaar dreigen kapot te maken, of dat al volop aan het doen zijn, kan het geen kwaad opnieuw te luisteren naar wat de vertegenwoordigers van eeuwenoude tradities te zeggen hebben’.


David Van Reybrouck (1971) schrijft proza, poëzie, theater en non-fictie. Hij is de auteur van onder meer Congo, Een geschiedenis, De Plaag, Pleidooi voor Populisme, Tegen Verkiezingen. Zijn werk werd veelvuldig vertaald en bekroond. Voor Congo ontving hij de Prix Médicis in Frankrijk.


Zie: Ode aan onze religieuze leiders (de Correspondent)

Luther, geloof versus geloof

droomfrederikdewijzecatharijneconvent

Luther schreef zijn stellingen met een enorme ganzenveer op de deur van de Wittenbergse slotkapel. De ganzenveer, die zo lang was dat deze in Rome de kop van een leeuwenstandbeeld doorboorde en paus Leo (leeuw) zijn driekroon van het hoofd stootte, is te zien op het schilderij De droom van keurvorst Frederik de Wijze. In het Catharijneconvent hield Paul Bröker, directeur van het kunsthistorisch instituut Helikon, hierover en over meer spotprenten en –schilderijen de gloedvolle lezing Geloof versus geloof in het kader van de Luthertentoonstelling.

De leeuw brulde daarbij zo hard, dat een menigte machthebbers toeliep om hem te vragen wat er aan de hand was. De paus vroeg hen hulp tegen de monnik. Men probeerde tevergeefs de ganzenveer te breken. De monnik zelf stond verbaasd over de sterkte ervan en vertelde dat hij de veer, die afkomstig was van een honderdjarige gans, van een oude leermeester gekregen had.’

Het Tsjechische woord ‘hus’ betekent gans en zo brengt de ganzenveer Luther in verband met deze 15e eeuwse reformator. Tijdens een dispuut in Leipzig werd Luther zozeer in het nauw gedreven, dat hij moest verklaren dat hij het in veel opzichten met Hus eens was. En deze was door een concilie als ketter veroordeeld! Toen Hus in 1416 als ketter verbrand werd, profeteerde hij dat men nu wel een gans doodde, maar dat honderd jaar later een zwaan zal opstaan die zijn werk zou voortzetten.’

Op bovenstaande prent wordt Hus, volgens Bröker, met zijn kritiek op de kerk en uiteindelijk het pausdom, beschouwd als een van de voorlopers van de Reformatie: er werd wel geschreven dat Hus het ei had gelegd dat uiteindelijk door de zwaan Luther was uitgebroed (beeld: catharijneconvent, detail).

PietervandeHeiden1850Rijksmuseum

Bröker toonde – hierboven – ook een prent van Pieter van der Heiden (beeld: rijksmuseum), een parafrase van een beroemd schilderij van Titiaan waarop Artemis, de maagdelijke godin van de jacht, ontdekt dat Kallisto zwanger is. Net als Kallisto, wordt de paus uitgekleed en is zijn ‘zwangere buik’ zichtbaar.

Op de prent van Van der Heiden broedt de paus een nest vol monstereieren uit. We zien onder andere een ei waar ‘Baltasar Gera, morder van de prins’ een ander ei waar de draak van de ‘inquisition’ uitkomt. De nimfen die de zwangerschap van Kallisto ontdekt hebben, hebben op deze prent plaatsgemaakt voor ‘de nacte warheijt’ en Vader Tijd. Met deze twee figuren wort gezinspeeld op het gezegde dat na verloop van tijd de waarheid aan het licht zal komen.’

christusopdeezeldepaustepaard

Bovenstaande laat een afbeelding van Christus op de ezel zien en de paus te paard, uit het begin van de 17e eeuw (beeld: De andere verbeeld). Hoewel de paus, in naam, slechts knecht is, gedraagt hij zich alsof hij de heer is. Christus rijdt blootvoets op en ezeltje, draagt een eenvoudig kleed en gebruikt als teugel een touw. Zijn blik is naar boven gericht en hij maakt een zegenend gebaar.

Zijn rijk uitgedoste plaatsvervanger laat zich niet leiden door zijn voorbeeld en voorganger. De paus heeft veel meer de uitstraling van een aardse keizer. In plaats van de doornenkroon die Christus draagt, heeft hij een driekroon op het hoofd. Hij draagt een kostbare geplisseerde albe als teken van waardigheid, de zogenaamde cappa rubea, de rode mantel.’

Op onderstaande prent is de Dubbelkop van Paus en Duivel te zien (beeld: Helikon). Als hoofd van de katholieke kerk is de paus het mikpunt van allerlei spotternijen; voor katholieken de plaatsvervanger van Christus op aarde. De protestantse spotcultuur zag in hem de plaatsvervanger van de duivel op aarde.

pausdubbelkophelikon

Op de eerste plaats valt een niet al te flatteuze afbeelding van de paus op. We herkennen hem aan zijn driekroon. Wordt het schilderij omgedraaid, dan ziet men de afbeelding van een duivel met hoorns, verwilderde haren en dierlijke puntige oren. De twee koppen zitten aan elkaar vast en hebben uiteindelijk maar één mond: paus en duivel praten door dezelfde mond: alles wat te paus te vertellen heeft, is ingegeven door de duivel.’

Een ander voorbeeld over de spotprenten het schilderij ‘T Licht is op de kandelaer gestelt (beeld: Catharijneconvent). (In het midden Luther en Calvijn.) Een verwijzing naar Jezus die over zijn evangelie spreekt als over een kaars of licht. De voorstelling van ‘het licht op de kandelaar’ toont de belangrijke plaats die de hervorming, in overeenstemming met Jezus’ gelijkenis, aan het evangelie toekende.

TlichtisopdekandealaergesteldCatharijneconvent

Op de voorgrond trachten van links naar rechts een bisschop, een Jezuïet, de duivel in de gedaante van een soort salamander, een paus en een monnik, de kaarsvlam uit te blazen. (…) Zo blaast de paus met valssche sucessie (valse opvolging) en de bisschop met verkeerde geleertheid, de monnik blaast met schynheilicheit en de duivel met leugengeest. 

In het Catharijneconvent zijn ook een twaalftal prenten te zien van humanist Dirk Volkertsz. Coornhert. In die prenten bracht Coornhert de voorgeschiedenis van de inquisitie, het machtsmisbruik van het wettige gezag en de Opstand in beeld. Volgens Coornhert lag de schuld van alle ellende bij de corrupte geestelijkheid die meer geïnteresseerd waren in geld en plezier dan in de zielzorg. Op onderstaande prent (beeld: engramma.it) onthult en ontmaskert Luther het bedrog van de rooms-katholieke geestelijkheid.

Bewijslastvandeheiligeschrift

Luther tilt de mantel op van een paus wiens tiara is voorzien van een veelzeggend opschrift Abusus of misbruik. Onder het pauselijk gewaad worden duivelsarmen en -poten zichtbaar. Bovendien hebben allerlei kwaadaardige dieren, zoals een slang, een schorpioen, een wolf en een jakhals zich aan de voeten van de Heilige Vader genesteld. Dit alles wordt onthuld aan het veelkoppig volk dat verbaasd toekijkt.’ 

Veel meer hierover en Luther is te zien in het Catharijneconvent dat met de tentoonstelling Luther op zoek gaat naar de onbekende man achter 500 jaar Reformatie. 

Bronnen: Lezing ‘Geloof versus geloof’ van drs. Paul Bröker; Rijksmuseum; Catharijneconvent; De andere verbeeld; Engramma (It), Helikon.

De mens, zijn illusies en waandenkbeelden

blindemannetje (1)

‘In de grote leegte waarin we ons bevinden zijn we niet alleen. Er is de natuur, de fauna en de flora en er zijn vooral onze tijdgenoten met wie we dit alles delen. Het hoger menstype voelt zich één met alles en allen. In die verbondenheid worden we samen God. De evolutie begon met de aap, leidde tot de mens en uiteindelijk wordt God gecreëerd.’ Dat zegt emeritus hoogleraar jeugdcriminaliteit en radicalisering aan de Radbouduniversiteit Nijmegen, Juliaan van Acker, bij TPO.

In zijn artikel richt hij zich op gedrag en op het aanpassingsvermogen dat de mens verder verwijderd van de aapachtigen. Hij gaat in op de invloed van interne en externe factoren waardoor de mens ‘wordt geleefd’ in plaats van zelf het heft in handen te nemen. Onderzocht wordt welke illusies en waandenkbeelden de mens weten te bekoren.

Dit geldt niet alleen voor de religie en de politiek, want ook de wetenschap en de technologie heeft een betoverende invloed.’

Ten slotte onderzoekt Van Acker wat een hoger menstype zou kunnen zijn. Hij stelt dat mensen lange tijd hebben gedacht dat de moraal werd geopenbaard door een Hoger Wezen en zo de religies ontstonden.

Nu weten we dat de moraal verzonnen is door mensen zelf, want afhankelijk van de cultuur kan de moraal sterk verschillen. In hun wanhoop om de religies te verdedigen zeggen de adepten dat alle religies de liefde voor de naaste verkondigen. Als dat zo is, dan hebben we geen religies nodig, maar een soort Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hier is het niet een Hoger Wezen dat de rechten heeft afgekondigd, maar een groep mensen die pretenderen voor anderen te kunnen spreken. Waar zij die autoriteit dan vandaan halen is een legitieme vraag. Het gevolg hiervan is dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens nogal vrijblijvend is en de mensen niet echt inspireert.’

Zolang mensen denken dat God de geboden heeft geopenbaard, zo vervolgt Van Acker, wordt de moraal met de nodige magie omgeven, zodat de mensen op een of andere manier geraakt worden door iets wat hen te boven gaat.

Dit zijn allemaal illusies en waandenkbeelden die niet hebben verhinderd dat de primitieve territoriumstrijd en de oorlog van allen tegen allen nog steeds doorgaan, zowel in het gezin, de maatschappelijke instellingen, de bedrijven, de politieke partijen, de religieuze sekten als tussen etnische groepen en landen.’

Van Acker stelt dat een ander kwalijk gevolg van vooral de christelijke religie en de daaruit voortvloeiende ideologie van de Rechten van de Mens de nivellering is die in de samenleving is ontstaan.

Het christendom en de Rechten van de Mens dicteren ons dat we voor de zwakkeren moeten zorgen. Die moraal is voortgekomen uit gevoelens van wrok. De zwakkeren kunnen zich slechts tegen de sterkeren verdedigen door hun deugden als ondeugden te definiëren en hun zwakten als deugden: trots en vermetelheid zijn slecht; deemoed, medelijden en gehoorzaamheid zijn goed. De sterkeren beoordelen hierdoor zichzelf vanuit de positie van de zwakkeren. Dit gaat in tegen het belangrijkste evolutionair principe.’

Van Acker stelt dat noch van het christendom, noch van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens we verwachten kunnen dat ze bijdragen aan de evolutie hogerop van de mensheid.

Nog schadelijker noemt Van Acker de religies die van de volgelingen totale onderwerping eisen of politieke ideologieën die tot uniform gedrag leiden.

Zij ontnemen de mensen hun vitaliteit en scheppingskracht en daarmee de mogelijkheid tot een hogere ontwikkeling. Ook het liberalisme kan het aapachtige in de mens aanwakkeren, maar dan in een ‘beschaafde’ vorm onder de noemer van meedogenloze competitie en uitbuiting.’

Van Acker vraagt zich af of we de ontkerkelijking en de secularisatie die meer en meer het huidige tijdperk kenmerken, zouden kunnen beschouwen als een vooruitgang in de menselijke ontwikkeling.

De Verlichting heeft veel mensen al bevrijd van de magie en van religieuze waandenkbeelden. Maar leven we nu niet in de ban van een andere magie? De magie die de wetenschap en de technologie hebben gebracht. Dat laatste is een magie die niet erg opvalt. Het gaat om een soort welzijn, gemak en comfort waardoor de mensen in slaap worden gesust. Friedrich Nietzsche noemt dit ‘het verachtelijk soort welzijn waarvan kruideniers, christenen, koeien, vrouwen, Engelsen en democraten dromen.’ 

De emeritus hoogleraar stelt dat willen we ontdekken waar een hoger menstype te vinden zou zijn, dat we dan verder moeten kijken dan religie en verder dan wetenschappelijke kennis en technologische mogelijkheden.

We kunnen respect hebben voor de diep religieuze mens, maar niet voor zijn waandenkbeelden. We kunnen respect hebben voor de wetenschappers en voor diegenen die prachtige technologische innovaties creëren, maar hun producten kunnen evengoed tot nog verschrikkelijker oorlogen en tot verdere vernietiging van de planeet leiden.’ 

Niemand, zo vindt Van Acker, mag bepalen hoe de mens zich moet gedragen, ook niet de hoogste religieuze of politieke instantie. Vervolgens schrijft hij over het hogere menstype dat openstaat voor de oneindigheid: een oneindigheid die zowel de kosmos betreft als zijn innerlijk zelf.

Noch de religie, noch de politiek, noch de economische behoeften leggen deze mens een dwangbuis op. De hoger ontwikkelde mens bepaalt zelf hoe hij met deze invloeden omgaat. Een eerste vereiste is dat hij afstand kan bewaren, zodat hij controle kan verwerven. Een andere vereiste is een fundamenteel kritische houding die nooit wijkt voor dogmatiek, voor politiek-correct denken of voor uniform denken, ook niet voor wat het zogenaamde ‘gezond verstand’ dicteert.’

Zie: De wereld heeft geen doel: ene mens is meer aap dan andere mens

Beeld: niet-weten.nl

Plausibel theodicee van het oordeelsvermogen

kwaad

Een theodicee is een argumentatie waarin de gelovige het bestaan van een almachtige en algoede god verdedigt ondanks al het kwaad en lijden in de wereld. Er zijn verschillende theodicee’s, onder meer die van Leibniz; van de vrije wil; van de compassie, maar nu ook van het oordeelsvermogen. Die wordt dialogisch uitgewerkt door docent filosofie Jan-Auke Riemersma, in zijn blog Soepschildpadden en atheïsten (tweegesprek). ‘Ons oordeelsvermogen maakt ons tot mens, maar maakt ons ook ontvankelijk voor het lijden.’

Riemersma begint het discours met de standaardklacht van atheïsten dat een theodicee immoreel is en opgevat wordt als een poging om het leed van onschuldige mensen goed te praten uit naam van God.

Deze klacht is niet ongegrond. Ik ben lang bezig geweest om een theodicee te construeren die niet ontvankelijk is voor deze kritiek.’

Dit is de filosofiedocent gelukt. De dialoog zou niet misstaan op het toneel, of in de kerk, als welkome afwisseling van de preek. Iedereen zou rechtop in de kerkbanken gaan zitten. Het drama vindt plaats tussen een atheïst (P) en een theïst (H), waarin de filosoof laat zien dat deze theodicee – of zogenaamde ‘verdediging’ – niet immoreel is.

P: God heeft de wereld gemaakt. De wereld is niet vrij van lijden. Aangezien God alles kan, heeft hij een reden gehad om mensen te laten lijden. Welke reden dit ook is, wie mensen laat lijden is niet betrouwbaar en zeker niet moreel. Zo iemand is een schurk. Ik begrijp niet dat je tot zo’n … ding!… wilt bidden…

H: Maar waarom is het immoreel om mensen te laten lijden?

P: Waarom dat immoreel is? Is dat een serieuze vraag? 

H: …ja, ik ben ernstig. Ik neem je niet in de maling.

P: Wel, dat is immoreel omdat… het immoreel is! Het is eenvoudigweg, op de meest duidelijke wijze, immoreel! Het is een kwaad op zich! Daar hoef je menselijkerwijs niet eens over te twisten! Hier, kijk eens naar deze foto! Zie je hoe dit kind lijdt? Laat deze foto eens op je inwerken! De pijn die dit kind moet doorstaan. Wie doet zoiets vreselijks aan een teer mensenkind? Dan moet je een sadist zijn. Kijk dan!’

Zo begint de atheïst de tweespraak. Het voert te ver om dat hier volledig weer te geven, daarvoor kan je het beste naar de site Wider Útsjoch van de docent gaan. Maar het gesprek is zo interessant en plausibel dat dit het lezen waard is.

Op zeker moment vraagt de theïst of de atheïst alleen een wereld wil waar goede en waardevolle dingen die we nu hebben wél blijven behouden. Natuurlijk, want hij wil een soort tuin van Epicurus, maar dan op bovennatuurlijke wijze. Hij wil in ieder geval niet leven in een wereld waar al die goede dingen er niet zijn. De theïst vraagt dan of de ander liever volstrekt ongevoelig wil zijn.

H: In dat geval zouden het leed en het onrecht niet hebben bestaan. In die wereld is er wel pijn en we gaan ook dood, maar dat zijn dan geen zaken waar we een oordeel over hebben. (…) In een dergelijke toestand zou je verlost zijn van het zinloze lijden. Ook onrechtvaardigheid en armoede zouden je niet plagen. Je wereld zou bestaan uit een reeks niet becommentarieerde ervaringen, waar je niet gelukkig of ongelukkig van wordt. (…) Een redelijk mens kan niet volhouden dat hij het lijden ondragelijk vindt, terwijl hij toch liever zijn oordeelsvermogen en zijn waarden behoudt. ’

Verderop vraagt de theïst wat de atheïst zou kiezen. Dít intelligente, waardenrijke bestaan, of het absolute niets, of de stompzinnige waarde(n)loze wereld van de soepschildpad? De atheïst roept vertwijfeld uit hoe de ander hem kan vragen of hij zijn leven of zijn meest fundamentele waarden wil opgeven. Anders is hij niet eens een mens!

H: Het enige wat we er, op een fatsoenlijke manier, van kunnen zeggen is dat God ons zou hebben moeten veranderen in ‘n soepschildpad of dat hij onze geboorte zou hebben moeten verhinderen. Een enkeling zal dat willen, maar ik denk dat de meeste mensen, precies zoals jij, liever mens willen zijn en deze keus van de hand wijzen. Wel, wat kun je God dan verwijten?’

De theïst zegt tegen de atheïst dat deze God juist veroordeeld omdat hij waarde hecht aan zijn menselijk oordeelsvermogen en dat hij zonder dat vermogen eenvoudigweg geen mens kan zijn en zijn leven niet waardevol of zinvol. En verwijt de atheïst dat deze zegt dat zijn oordeelsvermogen niet belangrijk is. Hij zegt immers dat God alles kan en ons dus het lijden had moeten besparen.

H: Je kunt niet enerzijds over een oordeelsvermogen beschikken en anderzijds zeggen dat je liever verlost was van dat oordeelsvermogen. (…) Kijk maar: ’t oordeelsvermogen maakt ons tot mens en maakt dat wij gevoelig zijn voor recht en lijden. Nou, als je niet wilt lijden – als het lijden ondraaglijk is – moet je het ook zonder oordeelsvermogen doen.’

Riemersma besluit het discours met de woorden dat ons oordeelsvermogen ons tot mens maakt, maar ook ontvankelijk voor het lijden.

Het is niet anders. Zijn we redelijk als we uit deze gang van zaken afleiden dat God moreel zwak is? Ik zou eerder zeggen dat het andersom is: als God bestaat, en als we dankzij ons oordeelsvermogen het idee ‘God’ kunnen bevatten, dan is ons leven tenminste niet fataal. Terwijl het bestaan wel fataal is als God niet bestaat. Voor mij is dat voldoende reden om te denken dat God goed is.’

Zie: Soepschildpadden en atheïsten (tweegesprek)

Foto: eo.nl

UPDATE 12 12 2016:  Jan Riemersma wijzigt intussen de tekst van zijn ‘theodicee’…(!) Schreef hij eerst:
‘Ik ben lang bezig geweest om een theodicee te construeren die niet ontvankelijk is voor deze kritiek,’
hetgeen de indruk wekt dat hij een theodicee heeft geschreven die hij onderschrijft, heeft hij het nu – zonder nadere aankondiging van update of zo, herschreven tot:
‘Het is moeilijk om een verdediging op te stellen die niet ontvankelijk is voor deze kritiek.’
– Ja, dan was ik in mijn blog ook voorzichtiger geweest, al sta ik nog steeds achter zijn denkwijze.
Een beetje flauw van Riemersma, wellicht onder druk van de kritische discussie die zich ontvouwt op Facebook?